Uitspraak · Belastingrecht

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 2 september 2026

ECLI:NL:GHSHE:2026:2337Zaaknummer 22/1356 en 22/1357

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
2 september 2026
Publicatiedatum
22 oktober 2026
Zaaknummer
22/1356 en 22/1357
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Belastingrecht
Procedure
Hoger beroep
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Artikel 10, leden 2 en 4 van richtlijn 2008/118/EG. Vervoer van goederen onder schorsing van accijns van België naar Nederland. De onder de accijnsschorsingsregeling overgebrachte goederen zijn niet of niet geheel op de plaats van bestemming (Nederland) zijn aangekomen, waarbij dat tekort niet eerder is geconstateerd dan bij het uitladen van het transportmiddel. Na beantwoording van prejudiciële vragen door het Gerecht EU oordeelt het hof dat de onregelmatigheid heeft plaatsgevonden in Nederland, zodat de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd.

Het hof:

  • verklaart het hoger beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank;
  • verklaart het bij de rechtbank ingediende beroep ongegrond.

De uitspraak is gedaan door J. Wessels, voorzitter, P. Fortuin en W.J. Blokland, in tegenwoordigheid van R. Camps, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.

De griffier, De voorzitter,

R. Camps J. Wessels

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

  • Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
  • (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
  • Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
  • de naam en het adres van de indiener;
  • de dagtekening;
  • een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
  • e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Ontstaan en loop van het geding
  2. 2 Feiten
  3. 3 Geschil en conclusies van partijen
  4. 4 Gronden
  5. 5 Beslissing

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummers: 22/1356 en 22/1357

Uitspraak op de hoger beroepen van

de inspecteur van de Douane,

hierna: de inspecteur,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 20 juni 2022, nummers BRE 20/5247 en BRE 20/5248 in het geding tussen

[belanghebbende] N.V.,

gevestigd in [vestigingsplaats] (België), domicilie gekozen hebbend te [plaats 1],

hierna: belanghebbende,

en

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Belanghebbende heeft op 13 augustus 2019 twee aangiftes gedaan van door haar verschuldigde accijns.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de voldoening op aangifte. De inspecteur heeft uitspraken op de bezwaren gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard.

1.4.

De inspecteur heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Voor het procesverloop in de fase tot aan de tweede zitting bij het hof verwijst het hof naar de uitspraak van 18 december 2024 (hierna: de tussenuitspraak).[_7dbe28ae-59ec-4fbb-9538-eb5e206c9a7b] Het hof heeft in de tussenuitspraak een prejudiciële vraag voorgelegd aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

1.5.

Het Gerecht van de Europese Unie heeft die prejudiciële vraag beantwoord bij arrest van 26 november 2025 (hierna: de prejudiciële beslissing).[_da7637aa-a7d1-4e73-8f4b-daf250bf7c8d]

1.6.

Het hof heeft bij bericht van 11 december 2025 aangekondigd dat het onderzoek in deze zaken is heropend en heeft partijen in de gelegenheid gesteld om te reageren op het arrest van het HvJ EU. Belanghebbende heeft op 21 januari 2026 (inhoudelijk) gereageerd. De inspecteur heeft op 9 januari 2025 bij brief aangegeven geen aanleiding te zien om inhoudelijk te reageren. Alle stukken zijn steeds met de andere partij gedeeld.

1.7.

Op 8 april 2026 heeft de griffier van het hof partijen erop gewezen dat de zaak verder wordt behandeld in een gewijzigde samenstelling van de belastingkamer door J. Wessels (voorzitter), P. Fortuin en W.J. Blokland.

1.8.

De (tweede) zitting heeft plaatsgevonden op 2 juli 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde], als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2].

1.9.

Van de (tweede) zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen is verzonden.

1.10.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende heeft op 2 maart 2019 en op 25 april 2019 onder schorsing van accijns goederen, te weten ethylalcohol, per schip verzonden vanuit [vestigingsplaats] (België) naar [bedrijf] in [plaats 2] (Nederland) onder geleide van een elektronisch Administratief Document (hierna: e-AD). Het betreft de volgende zendingen:

NummerVertrekdatum BEAankomst in NLVoltooiing e-AD in NL
[nummer 1]2 maart 20193 maart 20197 maart 2019
[nummer 2]25 april 201926 april 201930 april 2019
2.2.

Met het eerste document werd 1.680.018 liter ethylalcohol verscheept. Bij aankomst in [plaats 2] (Nederland) werd door de geadresseerde 1.670.779 liter bevonden, een tekort van 9.239 liter, oftewel 0,5499%. Met het tweede document werd 1.460.715 liter ethylalcohol verscheept, en bij aankomst in [plaats 2] (Nederland) werd 1.455.983 liter bevonden, een tekort van 4.732 liter, oftewel 0,3239%.

2.3.

Belanghebbende heeft zekerheid voor de transporten gesteld. Met dagtekening 3 juli 2019 heeft belanghebbende twee brieven ontvangen waarin is gewezen op voornoemde tekorten en waarin is medegedeeld dat belanghebbende accijns dient te voldoen ten bedrage van respectievelijk € 42.405 en € 5.889.

2.4.

Naar aanleiding hiervan heeft belanghebbende aangifte gedaan van de door haar verschuldigde accijns (kenmerken 0521/3.3310 en 0521/3.3314). De aangiftebiljetten vermelden een bedrag van € 42.405 onderscheidenlijk € 5.889. Deze bedragen zijn betaald op 16 augustus 2019. De inspecteur heeft bij uitspraken op de bezwaren besloten geen teruggaaf te verlenen van deze op aangifte voldane bedragen. De rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard en bepaald dat de inspecteur teruggaaf moet verlenen van de op aangifte voldane accijns van € 42.405 en € 5.889. De rechtbank heeft de inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.518, en heeft bepaald dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 354 aan hem vergoedt.

2.5.

Ter zake van het tekort dat vermeld is bij verzending van de goederen onder e-AD met nummer [nummer 1] (het eerste document) heeft België eveneens accijns geheven voor een bedrag van € 49.997,60.

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of belanghebbende in Nederland accijns verschuldigd is geworden ter zake van het gebleken tekort aan ethylalcohol in verband met het vervoer vanuit België naar Nederland.

3.2.

Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank en tot vergoeding van de werkelijke proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en tot ongegrondverklaring van het bij de rechtbank ingestelde beroep.

4 Gronden

4.1.

Partijen zijn verdeeld over de vraag of de lidstaat van heffing dient te worden vastgesteld aan de hand van 10, lid 2, van richtlijn 2008/118/EG, of althans artikel 2c, lid 2, van de Wet op de accijns, dan wel aan de hand van artikel 10, lid 4, van richtlijn 2008/118/EG.

4.2.

Het Gerecht EU heeft de prejudiciële vragen van het hof over de uitleg van de in 4.1 vermelde richtlijnbepalingen in de prejudiciële beslissing als volgt beantwoord.

“Artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/118/EG van de Raad van 16 december 2008 houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van richtlijn 92/12/EEG moet aldus worden uitgelegd dat het van toepassing is op een situatie waarin onder een accijnsschorsingsregeling overgebrachte accijnsgoederen niet geheel op de plaats van bestemming zijn aangekomen en pas bij het uitladen van het transportmiddel dat die goederen vervoerde, is geconstateerd dat er een bepaalde hoeveelheid ontbrak, zodat de onregelmatigheid als bedoeld in deze bepaling wordt geacht te hebben plaatsgevonden in de staat van aankomst en de accijns derhalve in die staat verschuldigd is.”

4.3.

Belanghebbende stelt dat ook na de prejudiciële beslissing onduidelijkheid resteert over de uitleg van Unierecht en dat nieuwe prejudiciële vragen dienen te worden geformuleerd over de precieze draagwijdte van het begrip onregelmatigheid in de zin van artikel 10, lid 6, van richtlijn 2008/118/EG. Subsidiair stelt belanghebbende dat het hof - in lijn met het door de Europese Commissie in de prejudiciële procedure ingenomen standpunt - moet oordelen dat de onregelmatigheid in dit geval heeft plaats gevonden in de lidstaat van vertrek (België), zodat de naheffingsaanslagen ten onrechte zijn opgelegd.

4.4.

Het hof volgt de standpunten van belanghebbende niet. Het Gerecht EU heeft overwogen dat het begrip ‘onregelmatigheid’ voor het gehele artikel 10 van richtlijn 2008/118/EG dezelfde betekenis heeft.[_8f519cca-4e4c-465e-9aaf-6674e812ec3d] En voorts dat een dergelijke onrechtmatigheid kan worden aangenomen indien een hoeveelheid ontbreekt bij de levering van onder accijnsschorsing overgebrachte accijnsgoederen, behoudens de in artikel 7, lid 4, van richtlijn 2008/118/EG bedoelde gevallen.[_78301125-7386-4cb4-a5f9-8e473bbb77d1] Aan dat duidelijke criterium wordt in het onderhavige geval voldaan. Het staat immers vast dat een tekort is geconstateerd (zie 2.2), terwijl het niet ervoor kan worden gehouden dat ten aanzien van dat tekort artikel 7, lid 4, van richtlijn 2008/118/EG (artikel 2, lid 5, van de Wet op de accijns) van toepassing is. Voor zover belanghebbende op de tweede zitting bij het hof alsnog heeft bedoeld te stellen dat een onherstelbaar verlies is opgetreden door een oorzaak die met de aard van de goederen verband houdt, geldt althans dat die stelling tardief is. Belanghebbende had die stelling redelijkerwijs al voorafgaand aan het stellen van prejudiciële vragen kunnen innemen. Overigens zou de nauwelijks gesubstantieerde stelling bij een inhoudelijke beoordeling ook falen, omdat de inspecteur haar afdoende heeft betwist door ter zitting (nogmaals) erop te wijzen dat de geconstateerde tekorten normen overschrijden waarbinnen een tekort toe te schrijven is aan een verlies als hiervoor bedoeld. Voorts blijkt uit het in 4.2 geciteerde dictum dat de onregelmatigheid op grond van artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/118/EG (artikel 2c, lid 2, van de Wet op de accijns) moet worden geacht te hebben plaatsgevonden in Nederland. Het tekort, en daarmee de onregelmatigheid, is immers bij het uitladen van de goederen in [plaats 2] geconstateerd.

4.5.

Het hof ziet derhalve geen onduidelijkheid meer in de uitleg van het Unierecht die relevant is in deze zaak. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat het Gerecht EU in punten 26 tot en met 29 van de prejudiciële beslissing reeds expliciet heeft geoordeeld over de uitleg van het begrip onregelmatigheid in de context van de leden 2 en 4 van artikel 10 van richtlijn 2008/118/EG. Er is daarmee sprake van een acte éclairé. Voor nadere prejudiciële vragen bestaat daarom geen aanleiding.

4.6.

Uit bovenstaande volgt dat belanghebbende Nederlandse accijns verschuldigd is geworden met betrekking tot de geconstateerde tekorten. Voor dat geval is niet in geschil dat de naheffingsaanslagen terecht en naar het juiste bedrag zijn opgelegd.

Tussenconclusie

4.7.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.

Ten aanzien van de proceskosten

4.8.

Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het hof:

  • verklaart het hoger beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank;
  • verklaart het bij de rechtbank ingediende beroep ongegrond.

De uitspraak is gedaan door J. Wessels, voorzitter, P. Fortuin en W.J. Blokland, in tegenwoordigheid van R. Camps, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.

De griffier, De voorzitter,

R. Camps J. Wessels

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

  • Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
  • (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
  • Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
  • de naam en het adres van de indiener;
  • de dagtekening;
  • een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
  • e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

  1. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 18 december 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:4071.
  2. Gerecht EU, arrest van 26 november 2025, T-690/24 (Kolinsen), ECLI:EU:T:2025:1063.
  3. Gerecht EU, arrest van 26 november 2025, T-690/24 (Kolinsen), ECLI:EU:T:2025:1063, punt 29.
  4. Gerecht EU, arrest van 26 november 2025, T-690/24 (Kolinsen), ECLI:EU:T:2025:1063, punten 27 en 28.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Samenhangende uitspraken

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.