Uitspraak · Belastingrecht

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 26 augustus 2026

ECLI:NL:GHSHE:2026:2299Zaaknummer 24/141

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26 augustus 2026
Publicatiedatum
22 oktober 2026
Zaaknummer
24/141
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Belastingrecht
Procedure
Hoger beroep
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

WOZ-zaak. Vergoeding van immateriële schade en proceskostenvergoeding in beroep. Als bij een ongegrond beroep een vergoeding wordt toegekend van immateriële schade, wordt bij de proceskostenvergoeding in beroep uitgegaan van wegingsfactor 0,25.

Het hof:

  • verklaart het hoger beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar alleen ter zake van de vergoeding van immateriële schade;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van de immateriële schade die belanghebbende heeft geleden tot een bedrag van € 600, onder verrekening van het al uitbetaalde bedrag;
  • veroordeelt de minister tot vergoeding van de immateriële schade die belanghebbende heeft geleden tot een bedrag van € 400, onder verrekening van het al uitbetaalde bedrag;
  • bepaalt dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep bij het hof van € 69 vergoedt;
  • bepaalt dat de minister aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep bij het hof van € 69 vergoedt;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van het geding bij het hof van € 116,75;
  • veroordeelt de minister in de kosten van het geding bij het hof van € 116,75.

De uitspraak is gedaan door M.E. Smorenburg, raadsheer, in tegenwoordigheid van B.B. Gedik, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.

De griffier, De raadsheer,

B.B. Gedik M.E. Smorenburg

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

  • Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
  • (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
  • Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
  • de naam en het adres van de indiener;
  • de dagtekening;
  • een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
  • e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Ontstaan en loop van het geding
  2. 2 Feiten
  3. 3 Geschil en conclusies van partijen
  4. 4 Gronden
  5. 5 Beslissing

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Enkelvoudige Belastingkamer

Nummer: 24/141

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende],

wonend in [woonplaats],

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 18 december 2023, nummer BRE 22/1290 in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant,

hierna: de heffingsambtenaar,

en

de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),

hierna: de minister.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven (hierna: de WOZbeschikking) en daarbij de waarde van [adres] in [woonplaats] (hierna: de woning) vastgesteld. Tevens is de aanslag onroerendezaakbelasting en watersysteemheffing gebouwd voor het jaar 2021 (hierna: de aanslagen) bekendgemaakt.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben nadere stukken ingediend, die zijn gedeeld via Mijn Rechtspraak.

1.5.

Het hof heeft bepaald dat de zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen schriftelijk meegedeeld dat het onderzoek is gesloten.

2 Feiten

2.1.

De waarde van de woning is door de heffingsambtenaar per de waardepeildatum 1 januari 2020 vastgesteld op € 338.000 (hierna: de WOZ-waarde).

Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak en de aanslagen gehandhaafd.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en de bij de WOZ-beschikking vastgestelde waarde gehandhaafd. De rechtbank heeft vastgesteld dat de redelijke termijn voor de berechting van het geschil in bezwaar en beroep is overschreden met afgerond tien maanden. De rechtbank heeft de omvang van de door belanghebbende verzochte vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn bepaald op € 50 per (gedeelte van een) halfjaar waarmee de redelijke termijn is overschreden en vastgesteld op in totaal € 100, te betalen door de heffingsambtenaar (€ 60) en de minister (€ 40). De rechtbank heeft de heffingsambtenaar en de minister veroordeeld tot betaling van griffierecht van in totaal € 50 aan belanghebbende, ieder voor de helft (€ 25). De rechtbank heeft de heffingsambtenaar veroordeeld tot betaling van € 104,62 en de minister tot betaling van € 104,63 aan proceskosten aan belanghebbende. Bij de berekening van de proceskosten is de rechtbank uitgegaan van een zaak met wegingsfactor 0,25.

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Heeft de rechtbank de vergoeding van immateriële schade terecht en tot het juiste bedrag vastgesteld?

II. Heeft de rechtbank bij het bepalen van de proceskostenvergoeding in beroep een te lage wegingsfactor gehanteerd?

3.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, toekenning van een vergoeding van immateriële schade van € 1.000 en van een hoger bedrag aan proceskostenvergoeding. De heffingsambtenaar concludeert tot toekenning van een vergoeding van immateriële schade van € 500 per half jaar overschrijding van de redelijke termijn en voor het overige tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank

4 Gronden

Vergoeding van immateriële schade

4.1.

Partijen zijn het erover eens dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van een vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van € 50 per half jaar en dat deze vergoeding € 500 per half jaar dient te bedragen. De totale vergoeding bedraagt dan € 1.000.

4.2.

Volgens de rechtbank moet voor de overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase worden uitgegaan van 6 maanden en is de redelijke termijn in totaal met afgerond 10 maanden overschreden. Dit is tussen partijen niet in geschil. Het hof rekent de vergoeding van immateriële schade dan ook voor 6/10e deel toe aan de heffingsambtenaar (€ 600) en voor het overige aan de minister (€ 400).

Proceskostenvergoeding in beroep

4.3.

Volgens belanghebbende heeft de rechtbank bij het bepalen van de proceskostenvergoeding een te lage wegingsfactor gehanteerd. Het hof volgt haar hierin niet.

4.4.

De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard en aan haar een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toegekend.

4.5.

Indien het beroep ongegrond is, maar een vergoeding wordt toegekend voor immateriële schade in verband met de overschrijding van de redelijke termijn bestaat recht op een vergoeding van 1 punt met een wegingsfactor van 0,25.[_38de5822-30e2-4385-8ac8-115128b99f9a]

Tussenconclusie

4.6.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.

Ten aanzien van het griffierecht

4.7.

De heffingsambtenaar en de minister dienen aan belanghebbende het bij het hof betaalde griffierecht van € 138 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Hiervan moeten de heffingsambtenaar en de minister ieder de helft aan belanghebbende vergoeden, dus ieder € 69.

Ten aanzien van de proceskosten

4.8.

Het hof veroordeelt de heffingsambtenaar en de minister tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is.

4.9.

Het hof stelt deze tegemoetkoming op 1 (punt)[_6bb3113e-7ecc-48dd-aff2-2eec5149377d] x € 934 (waarde per punt) x 0,25 (factor gewicht van de zaak)[_472c1d2c-c3ea-4477-b61a-4118bc1c2e53] is € 233,50. Hiervan moeten de heffingsambtenaar en de minister ieder de helft aan belanghebbende vergoeden, dus ieder € 116,75.

4.10.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

4.11.

De vergoeding van immateriële schade, het griffierecht en de proceskostenvergoeding moeten worden betaald op een bankrekening op naam van belanghebbende.[_d0d856fe-325d-455e-af7e-8ff95d56fca4]

5 Beslissing

Het hof:

  • verklaart het hoger beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar alleen ter zake van de vergoeding van immateriële schade;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van de immateriële schade die belanghebbende heeft geleden tot een bedrag van € 600, onder verrekening van het al uitbetaalde bedrag;
  • veroordeelt de minister tot vergoeding van de immateriële schade die belanghebbende heeft geleden tot een bedrag van € 400, onder verrekening van het al uitbetaalde bedrag;
  • bepaalt dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep bij het hof van € 69 vergoedt;
  • bepaalt dat de minister aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep bij het hof van € 69 vergoedt;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van het geding bij het hof van € 116,75;
  • veroordeelt de minister in de kosten van het geding bij het hof van € 116,75.

De uitspraak is gedaan door M.E. Smorenburg, raadsheer, in tegenwoordigheid van B.B. Gedik, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.

De griffier, De raadsheer,

B.B. Gedik M.E. Smorenburg

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

  • Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
  • (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
  • Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
  • de naam en het adres van de indiener;
  • de dagtekening;
  • een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
  • e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

  1. Vergelijk Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526, onder 5.2.
  2. 1 punt voor beroepschrift, zie Besluit proceskosten bestuursrecht.
  3. Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024, zie de bijlage bij gerechtshof ’s-Hertogenbosch 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524.
  4. Artikel 30a, lid 4, Wet WOZ.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Samenhangende uitspraken

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.