Uitspraak · Personen- en familierecht
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 27 november 2025
ECLI:NL:GHSHE:2025:3390Zaaknummer 200.354.510_01
- Instantie
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 27 november 2025
- Publicatiedatum
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- 200.354.510_01
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Hoger beroep
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Bekrachtiging bepaling van het hoofdverblijf bij de vader. het verzoek van de moeder in hoger beroep om de door de rechtbank bepaalde voorlopige zorgregeling te wijziging is afgewezen. Ten aanzien van de kinderalimentatie is er door de moeder een onvoldoende kenbare grief geformuleerd, het hof komt daarom niet toe aan de beoordeling daarvan.
Het hof:
bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 30 januari 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Bossink, E.M.C. Dumoulin en H.J. Witkamp en is op 27 november 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 27 november 2025
Zaaknummer: 200.354.510/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/02/415600 / FA RK 23-5163
in de zaak in hoger beroep van:
[moeder],
wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. N.P.M. Planthof,
tegen
[vader],
wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. F.L.I. de Vleesschauwer.
Deze zaak gaat over de minderjarigen:
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2020 te [geboorteplaats];
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 1] 2022 te [geboorteplaats].
Hierna te noemen: [minderjarige 1] respectievelijk [minderjarige 2], of gezamenlijk de kinderen.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio [regio 1], locatie [locatie],
hierna te noemen: de raad.
1 Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 30 januari 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2 Het geding in hoger beroep
Het verloop van het de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 30 april 2025;
- het verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 30 juli 2025;
- het V8-formulier met producties, ingekomen ter griffie op 9 oktober 2025.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2025.
Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de moeder, bijgestaan door mr. Planthof;
- de vader, bijgestaan door mr. De Vleesschauwer.
Namens de raad is, hoewel behoorlijk opgeroepen, geen vertegenwoordiger verschenen.
3 De feiten
Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. In de bestreden beschikking is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze beschikking is op 4 april 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
Partijen zijn de ouders van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Zij oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over de kinderen uit.
De ouders wonen sinds 11 augustus 2023 gescheiden van elkaar. De moeder is op die dag (tijdelijk) bij haar ouders in [plaats 2], gemeente [gemeente], ingetrokken.
Daarna zijn er medio november 2023 tussen partijen voorlopige voorzieningen getroffen. Daarin is ten aanzien van de zorgregeling beslist dat - overeenkomstig de door partijen bereikte overeenstemming - de kinderen als volgt bij de moeder verblijven:
- week 1: van donderdagavond tot maandagavond;
- week 2: van vrijdagavond tot maandagavond;
- week 3: van donderdagavond tot maandagavond;
- week 4: van vrijdagavond tot maandagavond;
- week 5: van donderdagavond tot maandagavond.
De rechtbank heeft in die procedure aan de raad verzocht om, vooruitlopend op de echtscheidingsprocedure, onderzoek te doen naar de belangen van de kinderen bij het vaststellen van het hoofdverblijf en de definitieve verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de rechtbank hierover te adviseren. Daarbij heeft de rechtbank de raad in overweging gegeven om, als hem dit geraden voorkomt, het onderzoek uit te breiden naar de belangen van de kinderen bij een eventuele verhuizing van [plaats 1] naar [plaats 2].
Sinds 6 maart 2024 woont de moeder in [woonplaats], gemeente [gemeente]. De vader woont nog in [woonplaats], gemeente [gemeente].
Het traject ouderschapsbemiddeling (OSB) bij [instantie] is medio april 2024 gestart.
Dit traject is positief afgerond. De ouders hebben zich actief ingezet om tot gezamenlijke afspraken te komen in het belang van de kinderen. Dit heeft geleid tot het opstellen van een afsprakenlijst, die door beide ouders op 5 juni 2025 is ondertekend.
De ouders hebben onder meer drie opties vastgelegd over de zorgregeling, waarbij er is uitgegaan van: 1) het hoofdverblijf bij de vader, 2) het hoofdverblijf bij de moeder en 3) de situatie waarin er sprake is van een co-ouderschap waarbij de moeder binnen een straal van 20 kilometer rondom [plaats 1] woont.
Procedure in eerste aanleg
Beide partijen hebben de rechtbank verzocht om het hoofdverblijf van de kinderen bij hem/haar vast te stellen en om een regeling voor de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen.
De moeder heeft daarnaast een verzoek gedaan tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van de kinderen (kinderalimentatie) en tot vaststelling van een bijdrage in haar levensonderhoud (partneralimentatie).
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, voor zover van belang, de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vader bepaald.
Verder heeft de rechtbank bepaald dat de moeder en de kinderen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, voorlopig gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar gedurende:
- twee weekenden per drie weken van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur,
- één woensdagmiddag per veertien dagen van 13.00 uur tot 18.00 uur,
- de herfstvakantie,
- de voorjaarsvakantie,
- de helft van de overige vakanties.
De rechtbank heeft de zaak ten aanzien van de definitieve zorgregeling verwezen naar de familiekamerrol van dinsdag 23 september 2025. Verder heeft de rechtbank de raad verzocht aanvullend te rapporteren en te adviseren omtrent de definitief vast te stellen zorgregeling, welk rapport bij de rechtbank dient te worden ingediend onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de advocaten van partijen.
De rechtbank heeft bepaald dat de vader met ingang van de dag dat de beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand ten behoeve van de verzorging en opvoeding van de kinderen aan de moeder voor de toekomst bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van € 157,00 per kind per maand.
4 De omvang van het geschil
De moeder kan zich met de voornoemde beschikking van 30 januari 2025 niet verenigen en ze is hiervan in hoger beroep gekomen.
De moeder verzoekt in haar beroepschrift en desgevraagd aangevuld tijdens de mondelinge behandeling van het hof, de bestreden beschikking te vernietigen en, bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:
I. primair te bepalen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun hoofdverblijf bij de moeder hebben en alsdan te bepalen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het kader van de voorlopige verdeling van de zorg - en opvoedingstaken afwisselend zeven dagen bij haar verblijven en vervolgens vier dagen bij de vader verblijven op de dagen dat de vader vrij is, waarbij aansluiting wordt gezocht bij het werkrooster van de vader, en de (school)vakanties en alle algemeen erkende feestdagen bij helfte worden verdeeld;
II. subsidiair, voor het geval [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun hoofdverblijf bij de vader houden, te bepalen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het kader van de voorlopige verdeling van de zorg - en opvoedingstaken op woensdag uit school tot donderdag voor school bij de moeder verblijven alsmede twee weekenden per drie weken van vrijdag uit school tot maandag voor school, en de (school)vakanties en alle algemeen erkende feestdagen bij helfte worden verdeeld, dan wel een door het hof te bepalen verdeling;
III. te bepalen dat de vader met ingang van de dag dat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand ten behoeve van de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan de moeder voor de toekomst bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van € 389,00 per kind per maand, dan wel een door het hof te bepalen bedrag.
De vader voert verweer. Hij verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.
5 De beoordeling
Hoofdverblijfplaats
De moeder voert in het beroepschrift en aangevuld tijdens de mondelinge behandeling van het hof, samengevat, aan dat de rechtbank ten onrechte het hoofdverblijf van de kinderen bij de vader heeft bepaald en daarbij ten onrechte is afgeweken van het advies van de raad om het hoofdverblijf van de kinderen bij haar te bepalen.
De moeder benadrukt dat de belangen van de kinderen voorop dienen te staan, waarbij als uitgangspunt dient te gelden dat de ouders zelf de verzorging en opvoeding van de kinderen voor hun rekening dienen te nemen. Volgens de moeder gebeurt dit niet dan wel slechts gedeeltelijk op de momenten dat de kinderen bij de vader verblijven. De raad onderschrijft dit in het raadsrapport.
De moeder is ervan overtuigd dat zij degene is die de kinderen op dit moment het beste kan bieden wat zij nodig hebben. De moeder nam ook tijdens het huwelijk de verzorging van de kinderen voor het grootste gedeelte op zich en is meer beschikbaar voor de kinderen dan de vader.
De rechtbank is er ten onrechte vanuit gegaan dat de vader het met zijn werk regelt dat hij zoveel mogelijk beschikbaar is voor de kinderen en dat hij de verzorging en opvoeding niet hoofdzakelijk aan zijn familie overlaat. De moeder betwist dit. De vader werkt in ploegendienst waardoor de kinderen minimaal drie nachten per week bij de ouders van de vader slapen.
De moeder is geboren en getogen in [plaats 2], haar hele familie woont in die regio.
De vader is geboren en getogen in [plaats 1] en zijn hele familie woont in die regio.
Na de huwelijksvoltrekking is de moeder bij de vader gaan wonen. Vanaf dat moment werd ze sociaal geïsoleerd. De vader en zijn familie bepaalden wat er gebeurde en de moeder had weinig tot geen inspraak. Op 11 augustus 2023 heeft de vader onverwachts de vader van de moeder gebeld en medegedeeld dat “hij zijn dochter moest komen ophalen”. Tegen de moeder is gezegd: “jouw vader komt eraan, pak je spullen maar in”. Omdat de moeder nergens anders heen kon is ze bij haar ouders ingetrokken. De moeder werd op deze manier gedwongen om 48 kilometer van de kinderen te gaan wonen. Ze had geen andere keuze.
In november 2023 kreeg de moeder een huurwoning in [plaats 3] toegewezen. Ze kon deze woning niet weigeren, omdat ze deze kreeg toegewezen met een voorrangsregeling.
De afstand tussen [plaats 3] en [plaats 1] is nagenoeg gelijk aan de afstand tussen [plaats 2] en [plaats 1]. De moeder is aangewezen op sociale huur en kon niet anders dan de woning accepteren. Ze begrijpt dan ook niet dat de rechtbank heeft overwogen dat ze geen noodzaak had om (permanent) in [plaats 3] te gaan wonen. Het was immers de vader die haar destijds dwong om de echtelijke woning te verlaten. Dit mag de moeder niet worden aangerekend. Het is voor haar thans geen optie meer om terug te keren naar [plaats 1] dan wel de omgeving van [plaats 1]. De moeder heeft geen enkele binding met [plaats 1] en omgeving behalve dat de kinderen daar nog wonen. Ze werkt voor een bedrijf in [plaats 4] maar werkt grotendeels vanuit huis.
De moeder wil een nieuwe start maken en ze moet deze mogelijkheid ook krijgen. De moeder wil de kinderen het liefst opvoeden in de omgeving waar zijzelf is geboren en getogen.
De aanvankelijk door partijen overeengekomen zorgregeling is niet in het belang van de kinderen en het is onbegrijpelijk dat de rechtbank op basis daarvan het hoofdverblijf bij de vader heeft bepaald, temeer nu de rechtbank daarbij volledig aan het advies van de raad voorbij gaat. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat zij geen contra-indicaties ziet voor een (meer) evenredige verdeling van de zorg over de kinderen tussen de ouders.
De moeder voert daartoe aan dat voldoende is gebleken dat de aanvankelijk door partijen overeengekomen zorgregeling niet meer in het belang van de kinderen is. [minderjarige 1] heeft last van angstbuien en vertoont herhaaldelijk angstig en terugtrekkend gedrag. Ook heeft hij last van schuldgevoelens en verlatingsangst. Ook bij [minderjarige 2] zijn er problemen ontstaan.
De moeder vindt dat er hulpverlening moet worden ingezet. Ook dient de OSB te worden voortgezet; de ouders communiceren nog nauwelijks met elkaar.
Daarbij komt dat de vader afspraken van [minderjarige 1] met de logopedist heeft afgezegd en de kinderen eerder van het kinderdagverblijf ophaalde om op die momenten tijd met de kinderen door te brengen terwijl het juist in het belang van de kinderen was en is om op het kinderdagverblijf te verblijven.
Tot slot geldt dat, wanneer het hoofdverblijf van de kinderen bij de moeder wordt bepaald, er
sprake kan zijn van een ruime zorgregeling tussen de vader en de kinderen.
De vader voert verweer. De keuzevrijheid van gescheiden ouders om een nieuw leven op te bouwen wordt beperkt door de opvoeding en verzorging van de kinderen die in twee gescheiden werelden moeten leven. Dit geldt temeer in onderhavige zaak vanwege het feit dat partijen direct na de feitelijke scheiding een co-ouderschapsregeling zijn overeengekomen en ze altijd de wens hebben gehad om deze regeling voort te zetten.
Desondanks heeft de moeder tot op heden niet besloten om terug te keren naar de omgeving van [plaats 1] om de gewenste co-ouderschapsregeling - ook vanaf de schoolgaande leeftijd van [minderjarige 1] - voort te laten duren. De rechtbank heeft dan ook terecht beslist dat het meest in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is om het hoofdverblijf bij de vader in [plaats 1] te bepalen nu de kinderen daar naar de opvang en naar school gaan, hun leven hebben opgebouwd en de moeder geen objectieve noodzaak had om zich - definitief - in [plaats 3] te vestigen en
tevens niet is gebleken dat het voor haar onmogelijk is om een huurwoning (de buurt van) [plaats 1] te betrekken.
De vader acht de stelling van de moeder dat ze werd gedwongen te verhuizen en dat ze in een sociaal isolement leefde tijdens het huwelijk (waardoor ze niet meer in [plaats 1] kan wonen) onjuist en grievend. De moeder heeft nooit moeite gedaan om een woning te vinden in de omgeving van [plaats 1]. Dat ze haar huidige woning heeft moeten accepteren vanwege een voorrangsregeling doet hieraan niet af. Er bestond voor haar geen enkele noodzaak om blijvend naar [plaats 3] te verhuizen en niet op zoek te gaan naar een andere woning dichter bij [plaats 1].
De vader wijst er op dat de moeder na de beschikking van de rechtbank meerdere keren aan hem heeft aangegeven dat ze toch het voornemen had om naar een woning in de omgeving van [plaats 1] te gaan verhuizen, zodat de co-ouderschapsregeling makkelijker kon worden voortgezet. Uit het beroepschrift blijkt nu het tegendeel; ze geeft nu aan dat het geen optie is om naar [plaats 1] te verhuizen omdat ze geen enkele binding heeft met het dorp.
De moeder laat haar belangen prevaleren boven de belangen van de kinderen. Deze houding zorgt voor veel spanningen en dat heeft zijn weerslag op de kinderen.
Ten aanzien van de hoofdverblijfplaats overweegt het hof als volgt.
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. Daartoe behoort ook, gelet op artikel 1:253a lid 2, aanhef en sub b BW, het geschil bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Uit de processtukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling is het hof het volgende gebleken. De ouders hebben na het einde van hun relatie in onderling overleg de zorg voor de kinderen verdeeld, waarbij er sprake was van een co-ouderschapsregeling.
Deze regeling - waarbij de kinderen afwisselend drie dagen bij de ene ouder verbleven en vervolgens vier dagen bij de andere ouder en andersom - werd ondanks de afstand tussen de woonplaatsen van de ouders goed nagekomen. Uit het raadsonderzoek van 29 mei 2024 volgt verder dat beide ouders een liefdevolle houding naar de kinderen hebben en het beste met hen voor hebben. Met de raad is het hof van oordeel dat het daarom een complexe afweging is om te beslissen ten aanzien van de plek waar de kinderen dienen op te groeien.
Het is evident dat de relatiebreuk en de verhuizing van de moeder een flinke impact heeft gehad (en nog steeds heeft) op zowel de kinderen als de ouders. De raad heeft beschreven dat het een gemiste kans is dat de moeder niet eerder intensiever naar mogelijkheden heeft gezocht om in de buurt van de vader te gaan wonen. Op deze manier zou er makkelijker sprake zijn van een evenredige verdeling van het contact tussen de ouders en de kinderen.
Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen onderzoek en waardering overneemt en tot de zijne maakt, acht het hof het in het belang van de kinderen wenselijk dat zij het hoofdverblijf bij de vader hebben. Het hof voegt daaraan nog het volgende toe.
De belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] staan voorop. Inmiddels zijn er ongeveer tien maanden verstreken na de beschikking van de rechtbank en leven de ouders deze beschikking na.
[minderjarige 1] is inmiddels begonnen in groep 2 op de school in [plaats 1] en [minderjarige 2] gaat daar naar de kinderopvang. Zij ontwikkelen zich goed.
De intentie van de ouders is nog steeds om in het belang van de kinderen een co-ouder-schapsregeling na te streven. Dit volgt ook uit de afspraken die zij onderling hebben gemaakt onder begeleiding van de OSB bij [instantie].
Gebleken is dat de vader de dagelijkse zorg heeft voor de kinderen. Zijn ouders en familie helpen waar nodig. De vader zat, mede als gevolg van de situatie rondom de echtscheiding, elf maanden in de Ziektewet. Hoewel hij heeft geprobeerd om te solliciteren op andere functies bij zijn werkgever hebben deze pogingen tot niets geleid. Hij is zich ook aan het oriënteren op een andere functie buiten zijn bedrijf, zodat hij voor de zorg van de kinderen minder hoeft terug te vallen op hulp van familie.
De moeder kan eenvoudig vanuit huis werken en is in dat opzicht flexibel. Ze gaat één tot twee dagen per week naar haar werk in [plaats 4] ( [regio 2] ). Hoewel de moeder aanvankelijk in de communicatie naar de vader toe heeft laten weten op zoek te zijn naar woonruimte in een straal van 15-20 km van [plaats 1] en in de genoemde afspraken bij OSB ook een dergelijke optie is besproken tussen de ouders, lijkt de moeder hierop te zijn teruggekomen. Ook tijdens de mondelinge behandeling van het hof heeft ze desgevraagd verklaard dat ze vanwege de kinderen wel in [plaats 1] zou willen wonen en alles voor de kinderen overheeft, maar dat het feit dat haar ex-schoonfamilie daar woont haar tegenhoudt. Het is niet gebleken dat de moeder sinds het moment dat ze in haar huidige woning is getrokken stappen heeft gezet om dichter bij [plaats 1] te kunnen gaan wonen. De door haar (als bijlage 15) overgelegde afbeeldingen van de resultaten van haar zoektocht naar een geschikte huurwoning in [plaats 5] eerder dit jaar acht het hof daartoe volstrekt onvoldoende. Bovendien blijkt uit haar verklaring tijdens de mondelinge behandeling bij het hof dat ze eerst de beslissing van het hof wil afwachten alvorens ze op dat gebied stappen gaat zetten.
Feit is dat de moeder door definitief naar [plaats 3] te verhuizen de voortzetting van de door de ouders beoogde co-ouderschapsregeling heeft bemoeilijkt, terwijl co-ouderschap het meest in het belang van de kinderen wordt geacht. Dat de moeder aanvankelijk geen andere keuze had dan een huurwoning [plaats 3] te accepteren begrijpt het hof. Dat ze na maart 2024 in redelijkheid geen andere keuze meer had heeft de moeder onvoldoende onderbouwd; ze heeft immers nadien geen nadere stappen gezet om meer in de buurt van de kinderen te gaan wonen.
Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat het niet in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is om hen thans uit hun vertrouwde omgeving te halen en hun huidige verblijfplaats te veranderen.
Zorgregeling
De moeder wenst dat, in het geval het hoofdverblijf van de kinderen bij de vader in hoger beroep gehandhaafd blijft, de door de rechtbank bepaalde voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wordt gewijzigd en dat de kinderen van woensdag uit school tot donderdag voor school bij de moeder verblijven alsmede twee weekenden per drie weken van vrijdag uit school tot maandag voor school, en dat de (school)vakanties en alle algemeen erkende feestdagen bij helfte worden verdeeld.
De moeder voert daartoe aan dat ze sinds de ouders uitvoering geven aan de door de rechtbank bepaalde voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken inzake de zorgregeling, heeft ervaren hoe moeilijk het is om een langere periode zonder de kinderen te zijn.
De huidige regeling is naar de mening van de moeder te beperkt, temeer nu de raad en de rechtbank hebben overwogen geen contra-indicaties te zien voor een meer evenredige verdeling van de zorg.
De vader voert verweer. Het contact tussen de moeder en de kinderen is minder geworden vanwege het feit dat [minderjarige 1] naar de basisschool in [plaats 1] gaat en de kinderen het hoofdverblijf bij de vader hebben. Dat is echter direct het gevolg van de eigen keuze van de moeder. De co-ouderschapsregeling kan worden uitgevoerd als de moeder in een straal van 15-20 km van [plaats 1] gaat wonen.
Ten aanzien van de voorlopige zorgregeling overweegt het hof als volgt.
Gebleken is dat de ouders in de periode van februari 2024-mei 2025 hebben meegewerkt aan de OSB. De ouders hebben zich actief ingezet om tot gezamenlijke afspraken te komen in het belang van de kinderen. Ter afsluiting van het OSB hebben de ouders op 5 juni 2025 een afsprakenlijst ondertekend waarin verschillende opties zijn opgenomen voor de definitieve zorgregeling. Hetgeen de moeder in hoger beroep verzoekt is weer een andere zorgregeling dan de regeling die door de ouders tijdens de OSB is besproken. Daarnaast heeft de rechtbank in de bestreden beschikking een voorlopige zorgregeling bepaald en heeft de rechtbank in afwachting van de uitkomst van het traject van de OSB en het aanvullende advies van de raad de definitieve beslissing inzake de zorgregeling aangehouden.
Gelet op het voorgaande acht het hof het niet in het belang van de kinderen om de door de rechtbank bepaalde voorlopige regeling thans te wijzigen. Het hof zal het (subsidiaire) verzoek van de moeder afwijzen.
Kinderalimentatie
De moeder voert aan, althans zo begrijpt het hof, dat de rechtbank niet de juiste kinderalimentatie heeft vastgesteld. Ze benoemt daartoe dat de overwegingen van de rechtbank ten aanzien van de kinderalimentatie onder 4.10. en 4.20 in de bestreden beschikking onjuist zijn en niet in lijn met de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.
Ze legt verder een draagkrachtberekening over.
De vader voert verweer. De rechtbank heeft terecht en op juiste gronden de kinderalimentatie vastgesteld. De moeder heeft haar standpunt, dat de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie niet goed heeft toegepast, niet nader onderbouwd. Daarnaast geldt dat, zo lang er nog geen duidelijkheid bestaat over een definitieve zorgregeling, er thans geen andere alimentatieberekening kan en dient te worden gemaakt.
Het hof is van oordeel dat uit de wijze waarop het beroepschrift en de (derde) grief van de moeder is geformuleerd, niet onmiskenbaar valt op te maken wat haar standpunt is ten aanzien van de kinderalimentatie. De grief is niet duidelijk en onvoldoende concreet. Het hof komt daarom niet toe aan de beoordeling van de kinderalimentatie en zal het verzoek van de moeder afwijzen.
Conclusie
Op grond van het voorgaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en zal de verzoeken van de moeder ten aanzien van de voorlopige zorgregeling en de kinderalimentatie afwijzen.
Proceskosten
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.
6 De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 30 januari 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Bossink, E.M.C. Dumoulin en H.J. Witkamp en is op 27 november 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.