Uitspraak · Personen- en familierecht
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 27 november 2025
ECLI:NL:GHSHE:2025:3385Zaaknummer 200.353.611_01
- Instantie
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 27 november 2025
- Publicatiedatum
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- 200.353.611_01
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Hoger beroep
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
De rechtbank heeft het verzoek van de moeder om weer samen met de vader belast te worden met het gezag over de minderjarige, afgewezen. De moeder is het hier niet mee eens. Daarbij verzoekt de moeder om een raadsonderzoek te gelasten. Artikel 1:253o BW.
Het hof:
bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 16 januari 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van
deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het centraal gezagsregister;
compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Bossink, C.M.J. Peters en M.E.M. Beijersbergen en is op 27 november 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 27 november 2025
Zaaknummer: 200.353.611/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/03/336228 / FA RK 24-3239
in de zaak in hoger beroep van:
[moeder],
wonende te [woonplaats],
verzoekster in hoger beroep
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. S.J.C. Vaessen,
tegen
[vader],
wonende te [woonplaats],
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. R. Engwegen.
Deze zaak gaat over: [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2015 te [geboorteplaats], hierna te noemen: [minderjarige].
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
vestiging: [vestigingsplaats],
hierna te noemen: de raad.
De zaak in het kort:
De rechtbank heeft het verzoek van de moeder om weer samen met de vader belast te worden met het gezag over [minderjarige], afgewezen. De moeder is het hier niet mee eens.
1 Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 16 januari 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2 Het geding in hoger beroep
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 10 april 2025, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover het de afwijzing van het gezag betreft en opnieuw rechtdoende het verzoek van de moeder om (met de vader) mede belast te worden met het gezag over [minderjarige] alsnog toe te wijzen.
Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 26 juni 2025, heeft de vader verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de moeder in haar beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar dit beroep als ongegrond en onbewezen te ontzeggen.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de moeder, bijgestaan door mr. Vaessen;
-de vader, bijgestaan door mr. Engwegen en door een tolk in de Poolse taal;
- de raad, vertegenwoordigd door [naam].
Het hof heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken.
Hij heeft hiervan gebruik gemaakt door het hof een brief te sturen. Deze is ter griffie ingekomen op 2 september 2025. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van die brief zakelijk weergegeven. Daarna hebben alle aanwezigen de gelegenheid gekregen daarop te reageren.
3 De beoordeling
Partijen hebben van februari 2014 tot mei 2016 een affectieve relatie met elkaar gehad.
Tijdens deze relatie is [minderjarige] geboren.
De vader, de moeder en [minderjarige] hebben allen de Poolse nationaliteit.
De vader heeft [minderjarige] erkend. De ouders hebben op 10 april 2016 in het gezagsregister aangetekend dat zij gezamenlijk zijn belast met het gezag over [minderjarige].
Bij beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 18 oktober 2017 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van Bureau Jeugdzorg [vestigingsplaats] (hierna: de GI), te weten tot 18 januari 2019. Bij beschikking van 8 januari 2018 heeft de rechtbank [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI, welke maatregel hierna steeds verlengd is, laatstelijk tot 18 oktober 2024.
Bij beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 22 juli 2021 is onder andere bepaald dat het gezag over [minderjarige] voortaan alleen aan de vader toekomt.
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, het verzoek van de moeder om de ouders (weer) gezamenlijk te belasten met het ouderlijk gezag over [minderjarige] afgewezen.
De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
De moeder voert - samengevat - het volgende aan.
De rechtbank heeft onterecht overwogen dat er geen sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden. Er is nu sprake van stabiliteit en rust tussen de ouders. Ze hebben een goede verstandhouding en kunnen de belangen van [minderjarige] vooropstellen. De moeder accepteert het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vader. De communicatie tussen de ouders is zodanig gewijzigd dat gezamenlijk gezag mogelijk is. Ze kunnen op een goede en constructieve wijze met elkaar communiceren over [minderjarige]. Er is een goedlopende omgangsregeling die wordt nagekomen. Voor zover er discussies zijn, gaat de moeder deze uit de weg. Dit heeft ze bijvoorbeeld in de situatie rondom de herfstvakantie gedaan. De moeder heeft een positieve ontwikkeling doorgemaakt en grote stappen gezet. Ze heeft haar leven op de rit. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat de GI heeft geconcludeerd dat er wederom conflicten zullen ontstaan tussen de ouders wanneer ze het met elkaar oneens zijn en dat de moeder dan in oude patronen terugvalt. De GI is al enige tijd niet meer betrokken. Ook [minderjarige] heeft een positieve ontwikkeling doorgemaakt. Door een raadsonderzoek te gelasten, zal duidelijk worden dat de communicatie tussen de ouders positief is verbeterd en dat de behandeling van de moeder positief is afgesloten. Volgens de rechtbank toont de moeder onvoldoende inzicht door haar handelen in het verleden te betwisten, maar de moeder ziet wel degelijk in dat ze destijds beter en anders had moeten handelen in het belang van [minderjarige]. De gebeurtenissen in het verleden betekenen niet dat de moeder niet meer met het gezag belast kan worden. Er moet vooruit worden gekeken en het is in het belang van [minderjarige] dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen.
De vader voert - samengevat - het volgende aan.
De rechtbank is terecht en op de juiste gronden tot het oordeel gekomen dat er geen sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden. De communicatie tussen de ouders is niet dusdanig verbeterd dat de ouders in staat zijn het gezamenlijk gezag uit te oefenen. De ouders overleggen over de omgang, maar de spanningen op ouderniveau blijven zich voordoen. De moeder accepteert de vader niet als hoofdopvoeder. Het is onbegrijpelijk en zorgelijk dat de moeder de internationale kinderontvoering blijft ontkennen. Het patroon van de moeder is onverkort aanwezig en is hardnekkig te doorbreken. De moeder kijkt vanuit haar eigen belang en wil haar zin krijgen, waardoor het niet lukt om afspraken met de vader te maken. Wanneer de vader niet instemt met het voorstel van de moeder accepteert de moeder dit niet en wendt de moeder zich tot haar advocaat om zodoende te proberen alsnog haar zin te krijgen. Dit gebeurde bijvoorbeeld ook rondom de herfstvakantie. De GI is gedurende de ondertoezichtstelling zeer intensief betrokken geweest. De GI meent dat er geen basis is voor het gezamenlijk gezag. Dat heeft de rechtbank terecht bij het oordeel betrokken.
Voor zover er wel sprake is van gewijzigde omstandigheden en de moeder een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt betekent dat niet dat de gezagsituatie gewijzigd moet worden. [minderjarige] is gebaat bij rust en stabiliteit. Er is nu rust en duidelijkheid door het eenhoofdig gezag. Het gaat nu goed met hem maar een herleving van gezamenlijk gezag kan de rust alleen maar verstoren. Dat is niet in het belang van [minderjarige]. De vader ziet geen aanleiding voor een raadsonderzoek. De raad is reeds betrokken geweest en een nieuw onderzoek kan belastend zijn voor [minderjarige].
De raad heeft geadviseerd om het verzoek van de moeder af te wijzen dan wel een raadsonderzoek te gelasten. Beide ouders hebben hard gewerkt en stappen gezet, maar de raad kijkt vanuit het belang van [minderjarige]. [minderjarige] is een kwetsbare jongen, die de nodige diagnoses heeft gehad en het meest gebaat is bij rust en duidelijkheid. Deze duidelijkheid heeft [minderjarige] het meest wanneer één ouder de beslissingen neemt en hij niet in onzekerheid wordt gelaten wegens discussiepunten tussen zijn ouders. Een raadsonderzoek brengt onduidelijkheid voor [minderjarige] met zich mee en kan hem belasten.
Het hof overweegt het volgende.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Het hof zal de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter beoordelen op grond van artikel 7 lid 1 van Verordening (EU) 2019/1111 van 25 juni 2019 (hierna: Brussel II-ter). Op grond van de hoofdregel van artikel 7 Brussel II-ter zijn in zaken van ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt. Het hof zal daarom moeten beoordelen in welke lidstaat de minderjarige zijn gewone verblijfplaats had op het moment van de procesinleiding, te weten 5 november 2024.
Aangezien de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd.
Geen grieven zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat Nederlands recht van toepassing is. Ook het hof zal daarom uitgaan van toepasselijkheid van Nederlands recht (vgl. HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:200).
Inhoudelijke beoordeling
Ingevolge artikel 1:253o van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen beslissingen waarbij een ouder alleen met het gezag is belast, op verzoek van de ouders of van een van hen door de rechter worden gewijzigd op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Vervolgens kunnen de ouders (wederom) gezamenlijk met het gezag worden belast.
Gezamenlijke uitoefening van het gezag vereist dat de ouders het mogelijk maken dat beslissingen over de verzorging en opvoeding van het kind tot stand komen op een wijze die niet belastend is voor het kind en zijn veiligheid niet in gevaar brengt.
Het hof is van oordeel dat, voor zover er al sprake is van relevante gewijzigde omstandigheden, dit niet voldoende is om te komen tot een wijziging van het eenhoofdig gezag. [minderjarige] is een kwetsbare jongen. De periode vanaf de echtscheiding tot aan de beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder is voor hem zeer onrustig geweest. Er is nu sprake van rust en duidelijkheid. In het belang van [minderjarige] moet elk risico, dat deze evenwichtige maar precaire situatie kan verstoren, worden vermeden. [minderjarige] woont bij de vader, de directe hulpverlening en de ondertoezichtstelling zijn geëindigd en er is een goed contact met de moeder.
De moeder heeft haar wens om weer samen met de vader belast te worden met het ouderlijk gezag over [minderjarige] vorig jaar besproken met de GI, voordat de ondertoezichtstelling was geëindigd. De GI heeft haar afgeraden om een daartoe leidend verzoek bij de rechtbank in te dienen. Desondanks heeft de moeder direct nadat de ondertoezichtstelling is geëindigd een verzoek bij de rechtbank ingediend.
Het contact tussen de ouders over de (uitvoering van de) omgangsregeling verloopt naar behoren, al heeft de moeder het wel nodig geacht om haar advocaat te betrekken bij de discussie die zij voerde met de vader over een extra omgangsdag in de herfstvakantie.
Alles afwegende is het hof van oordeel dat toewijzing van het verzoek van de moeder om haar weer opnieuw mede te belasten met het ouderlijk gezag niet in het belang van [minderjarige] is.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en de daarmee gepaard gaande onnodige belasting voor [minderjarige] ziet het hof geen aanleiding om het verzoek van de moeder tot het gelasten van een raadsonderzoek toe te wijzen.
Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en het verzoek van de moeder afwijzen.
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, gelet op de aard van de procedure.
4 De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 16 januari 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van
deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het centraal gezagsregister;
compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Bossink, C.M.J. Peters en M.E.M. Beijersbergen en is op 27 november 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.