Uitspraak · Personen- en familierecht
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 27 november 2025
ECLI:NL:GHSHE:2025:3384Zaaknummer 200.349.348_01
- Instantie
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 27 november 2025
- Publicatiedatum
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- 200.349.348_01
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Hoger beroep
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Raadsonderzoek en voorlopige zorgregeling
Het hof:
in het principaal en (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep:
verzoekt de raad een onderzoek in te stellen conform hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 4.4.3. is overwogen;
verzoekt de raad tijdig vóór de hierna te noemen pro forma datum rapport en advies uit te brengen aan het hof, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de raadslieden van partijen;
bepaalt dat [minderjarige] en de vader voorlopig in het kader van de verdeling van de reguliere zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot contact met elkaar:
- iedere week op dinsdag na school tot na het eten (19.00 uur), waarbij de vader [minderjarige] uit school ophaalt en terugbrengt naar de moeder;
- iedere week op woensdag na school tot na de voetbaltraining, waarbij de vader [minderjarige] uit school ophaalt en terugbrengt naar de moeder;
- eenmaal per veertien dagen van zaterdagochtend 10.00 uur tot zondagavond 18.00 uur, waarbij de moeder [minderjarige] op zaterdag naar de vader brengt en de vader [minderjarige] op zondag naar de moeder terugbrengt.
houdt iedere verdere beslissing aan tot PRO FORMA 27 maart 2025.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G.M. Goes, E.P. de Beij en E.M.D.M van der Linden en is op 27 november 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Smolders, griffier.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 27 november 2025
Zaaknummer: 200.349.348/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/01/396444 / FA RK 23-3616
in de zaak in hoger beroep van:
[moeder],
wonende te [woonplaats 1],
verzoekster in principaal hoger beroep,
verweerster in (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. V.L.E. Uijterwaal,
tegen
[vader],
wonende te [woonplaats 2],
verweerder in principaal hoger beroep,
verzoeker in (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. U. Ögüt.
Deze zaak gaat over:
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2017 te [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige].
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de raad.
1 Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 24 september 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2 Het geding in hoger beroep
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank:
- een eerdere beschikking gewijzigd voor wat betreft de verdeling van vakanties en feestdagen, en in de plaats daarvan een andere verdeling van vakanties en feestdagen vastgesteld;
- bepaald dat de moeder de vader eens per twee weken moet informeren over [minderjarige] aangaande bezoeken van het consultatiebureau, uitjes van de kinderopvang en bezoeken aan artsen en andere bijzonderheden die relevant zijn voor zijn ontwikkeling;
- bepaald dat de vader de moeder eens per vier weken per e-mail moet informeren over het wel en wee van/rondom [minderjarige], meer in het bijzonder van alle relevante gebeurtenissen en/of ontwikkelingen rondom [minderjarige];
- bepaald dat de vader vanaf heden geen foto's of video's van [minderjarige] meer op sociale media mag plaatsen zonder de voorafgaande schriftelijke toestemming van de moeder;
- de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
- het meer of anders verzochte is afgewezen, inhoudende de verzoeken van de moeder en de vader tot wijziging van de reguliere zorgregeling;
- de proceskosten gecompenseerd tussen partijen aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 24 december 2024, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover het het afgewezen verzoek over de reguliere zorgregeling betreft en daarbij opnieuw rechtdoende de zorgregeling zoals opgenomen in de beschikking van 24 oktober 2019 te wijzigen en een nieuwe zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] vast te stellen inhoudende dat: [minderjarige] in het vervolg, althans met ingang van de datum van de beschikking, eens per twee weken van zaterdag 10:00 uur tot en met zondag 18:00 uur bij de vader is/verblijft, waarbij de vader [minderjarige] op zaterdagochtend bij de moeder thuis ophaalt en naar de voetbal(wedstrijd) van [minderjarige] brengt (als de voetbalwedstrijd ná 10:00 uur aanvangt) en meeneemt en hij [minderjarige] op zondagavond bij de moeder thuis terugbrengt met de bepaling dat de overdrachten van [minderjarige] op deze dagen enkel plaatsvinden tussen de vader en de moeder en hiervan alleen afgeweken wordt wanneer sprake is van overmacht of een noodsituatie. Kosten rechtens.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 16 april 2024, heeft de vader verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen en voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad de moeder in haar hoger beroep en grieven niet-ontvankelijk te verklaren althans het hoger beroep van de moeder als ongegrond en onbewezen af te wijzen.
Tevens heeft de vader (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep ingesteld en verzocht geheel voorwaardelijk, mocht het hof tot een inhoudelijke beoordeling komen omdat er wel sprake zou zijn van relevante wijzigingen van omstandigheden, om de bestreden beschikking gedeeltelijk te vernietigen voor zover het ziet op de reguliere zorg- en contactregeling en de zorgregeling zoals opgenomen in de beschikking van 24 oktober 2019 te wijzigen en een nieuwe zorgregeling (uitbreiding) tussen de vader en [minderjarige] vast te stellen inhoudende dat [minderjarige] bij de vader verblijft:
- iedere week van dinsdagmiddag 14:00 uur waarbij de vader [minderjarige] ophaalt van de basisschool tot en met donderdagochtend waarbij de vader [minderjarige] naar de basisschool brengt om 08.30 uur;
- om de veertien dagen van vrijdagmiddag 14:00 uur waarbij de vader [minderjarige] ophaalt van de basisschool tot en met maandagochtend waarbij de vader [minderjarige] naar de basisschool brengt om 08.30 uur.
Kosten rechtens.
Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de vader zijn verzoek in (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep gewijzigd in die zin dat hij verzoekt een zorgregeling vast te stellen waarbij [minderjarige] week-op-week-af bij de vader en de moeder verblijft, met het wisselmoment op maandag waarbij een ouder [minderjarige] op maandag naar school brengt, en de andere ouder [minderjarige] op maandag uit school haalt.
Bij verweerschrift in incidenteel hoger beroep met producties, ingekomen ter griffie op 30 mei 2025, heeft de moeder verzocht het voorwaardelijke verzoek in incidenteel hoger beroep van de vader af te wijzen.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de moeder, bijgestaan door mr. Uijterwaal;
- de vader, bijgestaan door mr. Ögüt;
- de raad, vertegenwoordigd door [naam].
Het hof heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hiervan geen gebruik gemaakt.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- de processen-verbaal van de mondelinge behandelingen van 17 januari 2024 en 27 augustus 2024;
- het V6-formulier met bijlagen d.d. 13 oktober 2025 namens de vader;
- het V6-formulier met bijlagen van 16 oktober 2025 namens de moeder, ingekomen op 20 oktober 2025;
- de namens de moeder op de mondelinge behandeling van 23 oktober 2025 overgelegde pleitnota.
3 De feiten
De moeder en de vader zijn gehuwd geweest. Bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 24 oktober 2019 is tussen hen de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op 27 januari 2020 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
Uit dit huwelijk is [minderjarige] geboren. De ouders zijn van rechtswege gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
[minderjarige] heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder.
Bij voornoemde beschikking van 24 oktober 2019 heeft de rechtbank in het kader van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken bepaald dat [minderjarige] bij de vader verblijft:
- iedere week van dinsdagavond na het kinderdagverblijf tot donderdagochtend voor het kinderdagverblijf, waarbij de vader [minderjarige] op dinsdag ophaalt bij het kinderdagverblijf en hem op donderdag daar naartoe brengt;
- eenmaal per veertien dagen van zaterdagochtend 10.00 uur tot zondagavond 18.00 uur, waarbij de moeder [minderjarige] op zaterdag naar de vader brengt en de vader [minderjarige] op zondag naar de moeder terugbrengt;
- en waarbij de schoolvakanties en (Islamitische) feestdagen in onderling overleg bij helfte worden verdeeld.
Sinds [minderjarige] naar de basisschool gaat, haalt de vader [minderjarige] niet langer op de dinsdagen op bij de kinderopvang, maar haalt de vader [minderjarige] op bij de moeder thuis. De vader brengt [minderjarige] dan op donderdagochtend naar school.
Bij vonnis in kort geding van de rechtbank van 28 februari 2020 is de moeder - voor zover hier van belang - veroordeeld om de vader één keer per twee weken te informeren over [minderjarige] aangaande bezoeken van het consultatiebureau, uitjes van de kinderopvang en bezoeken aan artsen en andere bijzonderheden die relevant zijn voor zijn ontwikkeling.
4 De beoordeling
De moeder voert – samengevat – het volgende aan. Er is sprake van een relevante wijziging van omstandigheden sinds de beschikking van 24 oktober 2019 die een herbeoordeling van de zorgregeling rechtvaardigt. De gewijzigde leeftijd van [minderjarige], de gebleken praktische bezwaren bij de uitvoering van de zorgregeling, de wijziging van leefomstandigheden van [minderjarige] rondom de overgang van het kinderdagverblijf naar de basisschool, zijn eigen activiteiten zoals sport, alsook bij beide ouders een nieuwe gezinssamenstelling en de verhuizing van de vader naar [plaats 1], zijn relevante wijzigingen. Er wordt ook al langere tijd een andere uitvoering gegeven aan de beschikking van 24 oktober 2019 omdat [minderjarige] niet meer bij het kinderdagverblijf wordt opgehaald en de moeder [minderjarige] van school haalt omdat de vader dan nog werkt. De vader haalt [minderjarige] nu bij de moeder op op de dinsdagen. [minderjarige] heeft door de jaren heen een andere behoefte gekregen. Hij is gediagnostiseerd met autisme en zijn therapeuten hebben recent aangegeven dat hij vermoedelijk een zwaardere vorm van autisme heeft dan eerder waargenomen. [minderjarige] kampt met een informatie-verwerkingsverschil en grote prikkelgevoeligheid. Hij heeft een terugval laten zien in zindelijkheid. Alle lichamelijke oorzaken zijn uitgesloten, en na een gesprek met een pedagogisch medewerker in het ziekenhuis kwam naar voren dat de oorzaak een psychisch dan wel gedragsmatig karakter heeft. Als [minderjarige] bij de vader is geweest, valt hij bij de moeder thuis te laat in slaap en stelt zich tijdens het slaapritueel heel opstandig op en huilt en krijst en laat verlatingsangst zien. Blijkens de reactie van de vader vertoont [minderjarige] dit gedrag ook bij hem. Bedplassen en slaapproblemen zijn geen geringe bijverschijnselen maar vormen klinische signalen dat zijn stressniveau structureel te hoog is. De behandelend arts heeft aangegeven dat meer structuur, rust en duidelijkheid in zijn omgeving nodig is. Het gebruik van één bed zal hierbij de kans op een positief resultaat vergroten en helpt teleurstelling of frustratie te voorkomen. Frequent wisselen tussen situaties of omgevingen vergroot de stress en sensorische belasting. In de huidige regeling wisselt [minderjarige] de ene week twee keer, en de andere week vier keer. De regeling is daarbij onrustig omdat [minderjarige] op verschillende locaties verblijft en overnacht: bij de moeder in [plaats 2], bij de vader (en de grootvader en zijn partner) in [plaats 2] en bij de vader en zijn gezin in [plaats 1]. De moeder wil dat [minderjarige] naar de vader gaat, maar hij heeft behoefte aan één hoofdverblijfplaats. De moeder is in staat om [minderjarige] dagelijks van school op te halen en bij haar thuis in alle rust op te vangen. Ook gaat zij met [minderjarige] naar alle medische afspraken en neemt zij de tijd en verantwoordelijkheid voor het medische beleid rondom [minderjarige]. De vader werkt fulltime en is voornamelijk is de avond- en nachturen werkzaam in zijn restaurant. De vader is weinig betrokken bij de ontwikkeling en begeleiding van [minderjarige]. Het belang van [minderjarige] dient voorop te staan en weegt zwaarder dan gelijkheid in uren tussen de ouders. Het gaat niet om ‘wennen aan een schema’, maar om een zorgregeling zonder voortdurende overprikkeling. Continuïteit is een factor, maar niet doorslaggevend wanneer deze schadelijk blijkt. Uitbreiding van de huidige regeling zou betekenen dat [minderjarige] nog minder tijd krijgt om prikkels tussen de verschillende huishoudens te verwerken. De vader lijkt zijn verzoek in te zetten als drukmiddel. Bovendien gelooft de moeder niet dat de vader de woning in [plaats 1] gaat opgeven. De moeder acht een raadsonderzoek niet in het belang van [minderjarige] omdat het dan maanden zal duren voordat er een beslissing wordt gegeven.
De vader voert – samengevat – het volgende aan. De rechtbank heeft terecht overwogen dat er geen sprake is van relevante wijzigingen van omstandigheden die een wijziging van de huidige reguliere zorgregeling rechtvaardigen. Dat [minderjarige] ouder is geworden, naar de basisschool gaat, dat partijen zijn hertrouwd en beiden een kindje hebben gekregen zijn geen relevante wijzigingen van omstandigheden. Bovendien is het onjuist dat de vader naar [plaats 1] zou zijn verhuisd. Op de doordeweekse dagen dat [minderjarige] bij de vader is, verblijft hij met [minderjarige] en zijn gezin in de woning in [plaats 2]. Het is niet zo dat de vader vanuit [plaats 1] naar [plaats 2] rijdt om [minderjarige] naar school te brengen. De vader zal bovendien zijn woning in [plaats 1] opgeven en op termijn terug volledig in [plaats 2] gaan wonen. De vader heeft meermaals geopperd om [minderjarige] op dinsdag om 14.00 uur op te halen vanaf de basisschool om zo de wisselmomenten te beperken en via school te laten lopen. De moeder heeft dit geweigerd en was van mening dat het vonnis van 28 februari 2020 nageleefd moet worden. Dat zij [minderjarige] iedere dag uit school kan halen is onjuist, want [minderjarige] gaat twee dagen naar de buitenschoolse opvang. Het is daarbij onduidelijk hoeveel de moeder werkt, zij geeft geen inzage in haar werkrooster. De vader is fysiek en mentaal beschikbaar om uitvoering te geven aan de bestaande regeling. Ook hij kan [minderjarige] naar afspraken brengen, hij doet dit op woensdagmiddag ook naar voetbal. Het klopt dat de moeder meer betrokken is in het leven van [minderjarige], maar de vader is ook betrokken. [minderjarige] heeft momenteel structuur en is gewend aan deze regeling. Er is geen sprake van onduidelijkheid of een rommelige regeling. De ouders dienen [minderjarige] juist niet anders te behandelen omdat hij autisme heeft. Het is juist dat de behandelaren hebben aangegeven dat [minderjarige] mogelijk een zwaardere vorm van autisme heeft dan eerder werd gedacht. Het is onjuist dat [minderjarige] een achteruitgang heeft met zijn zindelijkheid. De woorden van de huisarts worden uit de context gehaald. De vader is van mening dat het grootste probleem is dat er geen afstemming is tussen de ouders (en gezinnen) om zo een gezamenlijk zorgplan op te stellen. Volgens de moeder kan [minderjarige] doordeweeks geen omgang hebben met de vader omdat hij niet vanuit twee woningen naar de basisschool moet gaan. Dat zou echter betekenen dat gescheiden ouders geen co-ouderschap kunnen uitvoeren omdat er altijd sprake is van twee woningen. Indien het hof van oordeel is dat er sprake is van relevante wijzigingen van omstandigheden, is de vader van mening dat het is niet in [minderjarige] ’s belang is om de regeling te wijzingen naar een minimale weekendregeling. De vader wil alsdan de regeling uitbreiden. De vader stemt in met een raadsonderzoek.
De raad adviseert – samengevat – het volgende. Er worden algemene stellingen geponeerd terwijl er veel verschillende gradaties van autisme zijn. Het is duidelijk dat de ouders er niet samen uit gaan komen. De vader en de moeder duiden zaken anders. De moeder geeft aan dat [minderjarige] rust, regelmaat en structuur nodig heeft en dat hij last heeft van de verschillende situaties. Voor [minderjarige] geldt, net als voor andere kinderen, dat hij last heeft van de situatie van gescheiden ouders die niet met elkaar overweg kunnen. Er zijn hulpverleners betrokken bij [minderjarige] en hij is goed in beeld. De raad acht het van belang dat er een onderzoek wordt gedaan naar wat in zijn belang is.
Het hof overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:377e BW in samenhang met artikel 1:253a lid 4 BW, een eerdere beslissing dienaangaande wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Wijziging van omstandigheden
Anders dan de rechtbank, is het hof van oordeel dat er sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden die een herbeoordeling van de zorgregeling rechtvaardigt. Ten tijde van de echtscheidingsbeschikking was [minderjarige] twee jaar oud en ging hij naar het kinderdagverblijf. Inmiddels is [minderjarige] acht jaar, gaat hij naar de basisschool, hebben beide ouders een nieuw gezin gevormd en is [minderjarige] gediagnostiseerd met autisme. Veel van de omstandigheden zijn veranderd ten opzichte van het moment van de echtscheidingsbeschikking. Het hof ziet hierin voldoende reden om de zorgregeling in het belang van [minderjarige] te herbeoordelen.
Inhoudelijk beoordeling
Het hof ziet enerzijds dat de moeder veel zorgen heeft over het effect van de huidige zorgregeling op [minderjarige], gelet op het feit dat hij moeite heeft met het frequent wisselen tussen situaties vanwege zijn autisme. Anderzijds ziet het hof een vader die, hoewel hij beaamt dat [minderjarige] deze problematiek heeft, juist van mening is dat er niet anders met hem moet worden omgegaan vanwege de diagnose. Het hof is van oordeel dat er in de manier waarop er met [minderjarige] moet worden omgegaan weldegelijk rekening moet worden gehouden met deze problematiek van [minderjarige] en acht het voldoende duidelijk dat [minderjarige] momenteel last ervaart van de huidige regeling. Zijn belang vergt in het bijzonder dat hij gebaat is bij structuur en regelmaat en een bij hem passende zorgregeling. Het hof acht zich op grond van de nu beschikbare informatie echter onvoldoende voorgelicht om reeds een verantwoorde definitieve beslissing te kunnen nemen over de zorgregeling. Het hof heeft onvoldoende zicht op welk effect een (al dan niet gewijzigde) zorgregeling heeft op [minderjarige], gelet op zijn problematiek. Het hof acht daarom, ondanks dat de beslissing hiermee wordt aangehouden en duidelijkheid gedurende een langere termijn nog niet wordt geboden, een raadsonderzoek aangewezen zodat de raad naar aanleiding van informatie van de hulpverleners en betrokkenen rondom [minderjarige], een passende zorgregeling kan adviseren. Het hof zal aldus de raad verzoeken om een onderzoek in te stellen en te rapporteren en adviseren over de volgende vragen:
- welke verdeling van zorg- en opvoedingstaken komt het meest tegemoet aan de belangen van [minderjarige] ?
- hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vormgegeven te worden?
- welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld en zijn wel van belang om in de rapportage en het advies te vermelden?
Het hof ziet echter ook aanleiding om reeds voor de duur van het raadsonderzoek een aanpassing aan te brengen op de zorgregeling omdat het duidelijk is dat [minderjarige] momenteel last ervaart van de vele wisselingen, wat onder andere resulteert in bedplassen. Het hof zal een voorlopige zorgregeling bepalen in die zin dat [minderjarige] doordeweeks niet bij de vader overnacht. Dit betekent dat de vader [minderjarige] op dinsdag uit school zal ophalen en bij de vader verblijft tot na het eten (19.00 uur), waarna de vader [minderjarige] terug naar de moeder brengt. Op woensdag zal de vader [minderjarige] uit school ophalen en na de voetbaltraining terug naar de moeder brengen. De weekendregeling blijft in stand.
Op grond van het vorenstaande zal het hof iedere verdere beslissing aanhouden en beslissen als volgt.
5 De beslissing
Het hof:
in het principaal en (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep:
verzoekt de raad een onderzoek in te stellen conform hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 4.4.3. is overwogen;
verzoekt de raad tijdig vóór de hierna te noemen pro forma datum rapport en advies uit te brengen aan het hof, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de raadslieden van partijen;
bepaalt dat [minderjarige] en de vader voorlopig in het kader van de verdeling van de reguliere zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot contact met elkaar:
- iedere week op dinsdag na school tot na het eten (19.00 uur), waarbij de vader [minderjarige] uit school ophaalt en terugbrengt naar de moeder;
- iedere week op woensdag na school tot na de voetbaltraining, waarbij de vader [minderjarige] uit school ophaalt en terugbrengt naar de moeder;
- eenmaal per veertien dagen van zaterdagochtend 10.00 uur tot zondagavond 18.00 uur, waarbij de moeder [minderjarige] op zaterdag naar de vader brengt en de vader [minderjarige] op zondag naar de moeder terugbrengt.
houdt iedere verdere beslissing aan tot PRO FORMA 27 maart 2025.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G.M. Goes, E.P. de Beij en E.M.D.M van der Linden en is op 27 november 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Smolders, griffier.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.