Uitspraak · Personen- en familierecht
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 27 november 2025
ECLI:NL:GHSHE:2025:3383Zaaknummer 200.346.501_01, 200.347.395_01 en 200.347.395_02
- Instantie
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 27 november 2025
- Publicatiedatum
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- 200.346.501_01, 200.347.395_01 en 200.347.395_02
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Hoger beroep
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
verdeling van ontbonden huwelijksgemeenschap en draagplicht voor de schulden van die gemeenschap
Het hof:
in de zaak met zaaknummers 200.346.501/01, 200.347.395/01 en 200.347.395/02
verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek tot het treffen van een provisionele voorziening ex art. 223 Rv;
vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) van 12 juli 2024, voor zover het rov. 3.15 betreft en
in zoverre opnieuw en voorts aanvullend beschikkende:
veroordeelt de man om [naam] B.V. ten spoedigste althans vóór 1 juli 2026 te ontbinden en te vereffenen alsmede de rekening en verantwoording van die vereffening te deponeren en gelijktijdig aan de vrouw te verstrekken en een eventueel positief vermogen in de ontbonden vennootschap met haar te delen, ieder bij helfte;
bepaalt dat de belastingaanslag over 2016 op naam van de man door partijen bij helfte wordt gedragen;
veroordeelt de vrouw om uit hoofde van geldlening aan de Rabobank binnen twee weken na de datum van deze beschikking € 2.912,83 aan de man te voldoen;
verklaart voor recht dat de schuld van € 8.000,-- uit hoofde van geldlening aan de moeder van de vrouw tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behoort en dat de man voor de helft van die schuld en de daaraan verbonden rente en kosten draagplichtig is;
veroordeelt de man uit hoofde van verdeling van het saldo van bankrekening met rekeningnummer [nummer] € 3,48 aan de vrouw te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de datum van deze beschikking;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G.J. Vossestein, M.J. van Laarhoven en H.J. Witkamp en is op 27 november 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
zaaknummers: 200.346.501/01, 200.347.395/01 en 200.347.395/02
zaaknummers rechtbank: C/02/401586 FA RK 22-4199 (echtscheiding) en
C/02/405744 FA RK 23-405 (verdeling)
beschikking van de meervoudige kamer van 27 november 2025
inzake
[man],
wonende te [woonplaats 1], gemeente [gemeente],
verzoeker in de zaak 200.346.501/01,
verweerder in de zaak 200.347.395/01,
verweerder in het incident ex art. 223 Rv,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. J.L. Küppers-van Duivenbooden te [plaats 1],
tegen
[vrouw],
wonende te [woonplaats 2],
verweerster in de zaak 200.346.501/01,
verzoekster in de zaak 200.347.395/01,
verzoekster in het incident ex art. 223 Rv,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. A.J.M. van der Borst te [plaats 2].
in vervolg op de door het hof in hoger beroep gewezen beschikking van 18 september 2025.
De zaak in het kort
Deze zaak gaat over de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap van partijen en de draagplicht voor de schulden van die gemeenschap.
4 De beschikking van 18 september 2025
Bij die beschikking heeft het hof:
in de zaak 200.347.395/01
de advocaat van de man bevolen een afschrift van de huurovereenkomst betreffende zijn huidige huurwoning over te leggen, de advocaat van de vrouw de gelegenheid gegeven daarop te reageren en iedere verdere beslissing aangehouden.
in de zaken 200.346.501/01 en 200.347.395/02
iedere beslissing aangehouden.
5 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
Bij het hof zijn de volgende stukken ingekomen:
van de advocaat van de man:
- het V6-formulier van 23 september 2025 met als bijlage de huurovereenkomst van de man,
van de advocaat van de vrouw:
- het e-mailbericht van 25 september 2025.
6 De feiten
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
- Partijen zijn op 21 februari 2006 gehuwd in de wettelijke (algehele) gemeenschap van goederen;
- Uit hun huwelijk zijn drie nu nog minderjarige kinderen geboren;
- Op 21 september 2022 heeft de vrouw een verzoek tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda);
- Daarop is bij (tussen)beschikking van 22 augustus 2023 de echtscheiding uitgesproken;
- De echtscheiding is op 7 september 2023 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand;
- Partijen hebben beiden de Nederlandse nationaliteit. De vrouw is geboren te [plaats] in Ecuador.
7 De omvang van het geschil
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover thans van belang,
- uitvoerbaar bij voorraad, de verdeling van de gemeenschappelijke goederen van partijen gelast op de wijze zoals vermeld in de rechtsoverwegingen 3.14, 3.15, 3.18, 3.19, 3.21 van die beschikking en
- het verzoek inzake het verstrekken van een boedelbeschrijving en het meer of anders verzochte wat betreft de verdeling van de gemeenschappelijke goederen afgewezen;
De man heeft twee grieven aangevoerd. Deze gaan over:
- de belastingschuld inkomstenbelasting over 2016 op zijn naam (grief 1) en
- de schuld aan de Rabobank (grief 2).
De vrouw heeft zes grieven aangevoerd. Deze gaan over:
- de schuld aan haar moeder (grief 1);
- de aandelen in [naam] BV (grief 2);
- de inboedelgoederen (grief 3);
- de bankrekeningen (grief 4);
- de huurwaarborgsom (grief 5);
- de belastingschuld inkomstenbelasting over 2016 op haar naam (grief 6).
Bij voornoemd e-mailbericht van 25 september 2025 heeft de advocaat van vrouw grief 5 ingetrokken, zodat deze grief geen bespreking behoeft.
8 De motivering van de beslissing
Rechtsmacht
Zoals de rechtbank reeds heeft geoordeeld, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht op grond van art. 5 lid 1 van de Huwelijksvermogensrechtverordening.
Toepasselijk recht
De rechtbank heeft als volgt geoordeeld:
‘3.6. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat op (de afwikkeling van) het huwelijksvermogen van 21 februari 2006 tot 14 oktober 2015 het Spaans recht van toepassing is. Op de vermogensbestanddelen die zijn verkregen na 14 oktober 2015 is het Nederlands recht van toepassing.
De rechtbank overweegt dat volgens zowel Spaans als Nederlands recht sprake is van een (beperkte) gemeenschap van goederen, in die zin dat een gemeenschap tussen partijen bestaat en daarnaast privé goederen van beide echtgenoten. Voor het Nederlands recht wordt hiervoor verwezen naar artikel 1:94 (oud) van het Burgerlijk Wetboek (BW), waaruit volgt dat vanaf het moment van de huwelijksvoltrekking een gemeenschap van goederen ontstaat. Deze gemeenschap omvat alle goederen van de echtgenoten die bij aanvang van de gemeenschap aanwezig waren of tot de gemeenschap is ontbonden zijn verkregen, met uitzondering van - kort gezegd - goederen verkregen onder uitsluitingsclausule en verknochte goederen. Ingevolge het Spaanse recht bestaat tevens een gemeenschap van goederen (sociedad de gananciales). Dit houdt - kort gezegd - in dat alle staande huwelijk verkregen goederen tot de gemeenschap (bienes gananciales) behoren, zoals goederen staande huwelijk onder bezwarende titel verkregen of krachtens arbeid verworven, tenzij zij aangemerkt kunnen worden als privé-goederen (bienes privativos), zoals goederen die geschonken zijn of goederen die uit eigen middelen verworven zijn. Zowel volgens Nederlands als Spaans recht komt aan beide echtgenoten bij de verdeling van de gemeenschap de helft van deze gemeenschappelijke goederen toe. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank in het midden laten of het Spaanse of Nederlandse recht van toepassing is op de verdeling van de gemeenschappelijke goederen van partijen en als uitgangspunt nemen dat partijen in gelijke mate delen in de goederen van de gemeenschap, terwijl ieder de schulden van de gemeenschap voor de helft moet dragen.’
Tegen het oordeel van de rechtbank dat op (de afwikkeling van) het huwelijksvermogen van 21 februari 2006 tot 14 oktober 2015 het Spaans recht van toepassing is en op de vermogensbestanddelen die zijn verkregen na 14 oktober 2015 het Nederlands recht van toepassing is, is geen grief gericht. Daaraan is het hof gebonden.
Voor zover volgens het toepasselijke Spaanse recht goederen en schulden gemeenschappelijk zijn, delen de (gewezen) echtgenoten daarin vervolgens in gelijke mate en moeten zij de schulden voor de helft dragen.
De belastingschuld inkomstenbelasting 2016 op naam van de man (grief 1 man)
De man verzoekt:
- te bepalen dat de aanslag belasting zoals overgelegd bij productie 1 van het beroepschrift bij helfte wordt gedragen;
- de wijze van verdeling van de belastingschulden op naam van de man en vrouw vast te stellen als omschreven in randnummer 6 van het beroepschrift, althans op een door het hof te bepalen wijze;
Ter toelichting voert de man het volgende aan. De belastingschuld over 2016 is ontstaan toen partijen samen een vennootschap onder firma (vof) hadden. De vrouw profiteerde ook van de inkomsten uit de vof. Partijen zijn in gemeenschap van goederen gehuwd. Dit betekent dat de belastingschuld door partijen bij helfte dient te worden gedragen (art. 1:100 BW).
De vrouw heeft de grief weersproken. De belastingschuld komt niet voor haar rekening, maar voor rekening van de man althans van [naam] B.V. (hierna: de holding), waarvan de man directeur-grootaandeelhouder (dga) is, en de dochtervennootschap [dochtervennootschap] B.V. (hierna: [dochtervennootschap] ). Het vermogen van de vof is destijds ingebracht in de holding c.q. [dochtervennootschap]. Vanwege die inbreng diende/dient de man de vrouw te vrijwaren voor de belastingschuld en deze voor eigen rekening te nemen althans met de holding af te wikkelen. Kennelijk indachtig die verplichting heeft de man de belastingschuld in eerste aanleg ook niet aan de orde gesteld. Die verplichting berust aldus primair op de afspraak die partijen daarover hebben gemaakt en subsidiair op art. 1:100 lid 2 BW (p. 2 verweerschrift). Tussen partijen is in confesso dat de belastingschuld niet uit de huwelijksgemeenschap kan worden voldaan, zodat voldaan is aan de voorwaarde van art. 1:100 lid 2 BW (p. 4 pleitnota). Overigens wordt bij gebrek aan wetenschap betwist dat de belastingschuld nog bestaat.
Het hof overweegt als volgt.
In geschil is de draagplicht voor de inkomstenbelastingschuld over 2016 op naam van de man. Op grond van art. 1:100 lid 1 BW hebben partijen een gelijk aandeel in de ontbonden gemeenschap, tenzij anders is bepaald bij huwelijkse voorwaarden of bij een overeenkomst die tussen de echtgenoten bij geschrift is gesloten met het oog op de aanstaande ontbinding der gemeenschap anders dan door de dood of ten gevolge van opheffing bij huwelijkse voorwaarden.
Schulden die op de op de datum van indiening van het verzoek tot echtscheiding (nog) bestaan, vallen in de (ontbonden) huwelijksgemeenschap. Daarvoor geldt krachtens de hoofdregel van art. 1:100 BW in beginsel een gelijke draagplicht (partijen zijn beiden voor de helft draagplichtig).
Art. 1:100 lid 2 BW bepaalt dat, voor zover bij de ontbinding van de gemeenschap de goederen van de gemeenschap niet toereikend zijn om de schulden van de gemeenschap te voldoen, deze worden gedragen door beide echtgenoten ieder voor een gelijk deel, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid, mede in verband met de aard van de schulden, een andere draagplicht voortvloeit. Degene die zich beroept op art. 1:100 lid2 BW dient de feiten en omstandigheden te stellen op grond waarvan een afwijkende draagplicht zou moeten gelden.
Blijkens productie 1 (bij beroepschrift) is de hoogte van de belastingschuld van de man over 2016 (19.959 + 3.147) € 23.106,--. De vrouw betwist niet dat deze belastingschuld tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behoort. Zij gaat juist uit van de toepasselijkheid van art.1:100 BW. De vrouw betwist wel dat zij voor de belastingschuld draagplichtig is. Daarbij beroept zij zich primair op ‘de afspraak die partijen daarover hebben gemaakt’. Dit beroep faalt. De draagplicht voor een gemeenschapsschuld kan niet bij afspraak anders worden geregeld. Art. 1:100 lid 1 BW staat dit niet toe. Een afwijking van de draagplicht bij helfte kan – behoudens bij huwelijkse voorwaarden die partijen niet zijn overeengekomen – slechts worden geregeld bij schriftelijke overeenkomst met het oog op de aanstaande ontbinding der gemeenschap (art. 1:100 lid 1 BW). Dat daarvan sprake is, is gesteld noch gebleken.
De vrouw beroep zich subsidiair op art. 1:100 lid 2 BW. Haar stelling dat voldaan is aan de in dat artikel genoemde voorwaarde dat de goederen van de gemeenschap ontoereikend zijn om de schulden van de gemeenschap te voldoen, heeft de man niet weersproken zodat dit vaststaat. De vrouw heeft evenwel onvoldoende aangevoerd dat tot de conclusie leidt dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid, mede in verband met de aard van de schuld, een andere draagplicht voortvloeit. Dat het gaat om een schuld vanwege de vof van partijen is daartoe ook onvoldoende. Dit betekent dat haar beroep op art. 1:100 lid 2 BW faalt.
Uit het voorgaande volgt dat grief 1 van de man slaagt. De enkele stelling van de vrouw dat niet blijkt dat de belastingschuld ‘nog bestaat’, staat hieraan niet in de weg. Ook als de schuld reeds zou zijn betaald, bestaat er een gelijke draagplicht ten aanzien van die schuld.
Het verzoek van de man te bepalen dat de aanslag belasting zoals overgelegd bij productie 1 bij het beroepschrift door partijen bij helfte wordt gedragen, zal, gezien het voorgaande, worden toegewezen.
De man verzoekt nog de wijze van verdeling van de belastingschulden op naam van de man en vrouw vast te stellen als omschreven in randnummer 6 van het beroepschrift. In randnummer 6 merkt de man het volgende op:
‘Wat de man zich goed zou kunnen voorstellen is dat uw Hof bepaalt dat de aanslag van de vrouw zoals genoemd in 3.22 tm 3.25 van de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabantd.d. 12 juli 2024 zonder nadere verrekening aan de vrouw wordt toegedeeld en dat de aanslag van de man, zoals overgelegd als productie 1 van dit appelschrift aan de man zonder nadere verrekening wordt
toegedeeld.’
Nu de man over de hoogte van de schulden niets stelt (in het bijzonder dat het zou gaan om schulden voor eenzelfde bedrag; en dit laatste ook niet blijkt uit de rechtsoverwegingen waarnaar de man verwijst) is er geen grond om te beslissen zonder verrekening. Dit verzoek zal daarom worden afgewezen.
De belastingschuld inkomstenbelasting 2016 op naam van de vrouw (grief 6 van de vrouw)
Grief 6 van de vrouw keert zich tegen rov. 3.25. van de bestreden beschikking, waarin de rechtbank als volgt heeft overwogen:
‘3.25. De rechtbank stelt voorop dat partijen in gemeenschap van goederen zijn getrouwd.
Dat betekent dat schulden, waaronder ook deze belastingschuld, bij helfte gedragen dienen te worden door partijen. Dit volgt uit artikel 1:100 lid 1 BW. Slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden kan van deze gelijke draagplicht worden afgeweken. De vrouw doet een beroep op lid 2, inhoudende dat van deze gelijke draagplicht kan worden afgeweken indien de goederen van de gemeenschap niet toereikend zijn de schulden van de gemeenschap te voldoen en dat voortvloeit uit de eisen van redelijkheid en billijkheid en de aard van de schulden. De vrouw heeft onvoldoende gesteld om tot de conclusie te komen dat van de hoofdregel van de gelijke draagplicht moet worden afgeweken. Haar standpunt dat de man ervoor zorg zou dragen dat deze schuld betaald zou worden en dat zij nu achteraf alsnog met deze schuld geconfronteerd wordt is daarin niet voldoende. De rechtbank gaat daarom aan het standpunt van de vrouw voorbij en bepaalt dat deze schuld door partijen bij helfte dient te worden gedragen.’
De vrouw verzoekt te verklaren voor recht dat de man draagplichtig is voor de belastingschuld inkomstenbelasting 2016 van € 20.946,-- in hoofdsom en hem te veroordelen tot vergoeding van dat bedrag aan haar, althans (subsidiair) tot vergoeding van de helft van dat bedrag, te vermeerderen met wettelijke rente ingaande de datum van de beschikking van het hof.
De vrouw licht haar grief als volgt toe.
De man betwist niet dat het vermogen van de vof destijds is ingebracht in de holding c.q. [dochtervennootschap] en dat de belastingschulden van de vof zijn overgegaan op de holding c.a., waarmee hij erkent dat de belastingschuld niet door haar maar door de holding dient te worden gedragen. Tussen partijen is bovendien expliciet afgesproken dat haar belastingschuld door de holding en/of [dochtervennootschap] zou worden gedragen.
De man had het als dga in zijn macht om de belastingschuld door de holding te laten voldoen en dat had ook van hem mogen worden verwacht. Het is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat de man haar niet schadeloos stelt. Hij alleen heeft via riante salarissen van de holding geprofiteerd en laat haar zitten met een belastingschuld die voor rekening van de holding dient te komen.
De man betwist dat er afspraken zijn gemaakt met betrekking tot de belastingschuld.
Het gaat om een inkomstenbelastingschuld over 2016 die beiden destijds niet hebben voldaan. Het is niet redelijk als hij hier alleen voor zou moeten opdraaien. Hij werkt ‘keihard’ in de holding. Beiden hebben er destijds van geprofiteerd dat ze geen belasting betaalden. Dat de vof is ingebracht in de holding maakt dit niet anders.
Het hof overweegt als volgt.
Tussen partijen is niet in geschil dat de belastingschuld op naam van de man deel uitmaakte van de ontbonden huwelijksgemeenschap. In geschil is slechts de draagplicht voor de inkomstenbelastingschuld over 2016 op naam van de man.
Nu sprake is van een gemeenschapsschuld, geldt krachtens de hoofdregel van art. 1:100 BW in beginsel een gelijke draagplicht (zie hiervóór rov. 5.5). Blijkens productie 3 (bij journaalbericht van 15-01-2024) is de hoogte van de schuld (18.148 + 2.798) € 20.946,--.
De afspraak waarop de vrouw zich beroept – samengevat, dat haar belastingschuld voor rekening van de rechtspersonen is – heeft de man betwist, zodat van het bestaan daarvan niet kan worden uitgegaan.
Het beroep van de vrouw op art. 1:100 lid 2 BW gaat niet op. De vrouw beroept zich voor de redelijkheid en billijkheid in dat artikellid erop dat alleen de man via riante salarissen van de holding heeft geprofiteerd en haar nu met een schuld laat zitten. De man brengt daartegen in dat beiden er destijds van hebben geprofiteerd dat zij geen belasting betaalden en zijn inzet voor de holding zijn salaris ook rechtvaardigt. Bij die stand van zaken brengt de redelijkheid en billijkheid niet mee dat, zoals de vrouw primair verzoekt, de man volledig draagplicht is voor de schuld. De afspraak waarop de vrouw zich beroept, is niet komen vast te staan, zoals zojuist werd overwogen, zodat reeds daarom, die afspraak geen rol kan spelen bij de beoordeling onder art. 1:100 lid 2 BW. Ook het subsidiaire verzoek zal, wegens gebrek aan onderbouwing en toelichting, worden afgewezen. Voor zover de vrouw daarmee het oog heeft gehad op een regresvordering op de man overweegt het hof dat de vrouw pas een regresvordering heeft indien zij meer dan de helft van de schuld heeft voldaan.
Het beroep van de vrouw op een overeenkomst gaat ook niet op. Bij overeenkomst kan niet worden afgeweken van de gelijke draagplicht. Dat kan alleen, zoals art. 1:100 lid 1 BW voorschrijft, bij ‘overeenkomst die tussen de echtgenoten bij geschrift is gesloten met het oog op de aanstaande ontbinding der gemeenschap’. Dat heeft de vrouw niet gesteld.
Dit betekent dat grief 6 van de vrouw faalt.
Schuld aan Rabobank (grief 2 van de man)
De man verzoekt de vrouw te veroordelen om binnen twee weken na dagtekening van de te wijzen beschikking € 2.912,83 aan de man te voldoen. Deze schuld dateert uit het huwelijk van partijen en valt derhalve in de huwelijksgemeenschap. Partijen hebben altijd op de schuld afgelost. Na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap (op 21 september 2022) heeft hij de schuld van (het hof begrijpt: toen nog) € 5.825,66 afbetaald. Aangezien beiden draagplichtig zijn voor deze schuld, dient de vrouw dient de helft van dit bedrag, aldus € 2.912,83, aan hem te voldoen.
De vrouw weerspreekt de grief.
De man heeft de lening destijds bij de Rabobank afgesloten ter financiering van een auto. Die auto is total loss geraakt, waarvoor de man een verzekeringsuitkering heeft ontvangen. Met dat verzekeringsgeld heeft de man een andere auto gekocht die hij op naam van de holding heeft laten zetten. De man was vergoedingsplichtig jegens de huwelijksgemeenschap ter zake van de verzekeringsuitkering die hij aan de huwelijksgemeenschap heeft onttrokken. Als de man de schuld aan de Rabobank heeft betaald, dan heeft hij een schuld van de holding betaald, geen schuld van de huwelijksgemeenschap.
Het hof overweegt als volgt.
In geschil is of de schuld aan de Rabobank in de ontbonden huwelijksgemeenschap valt. De peildatum voor de samenstelling van de huwelijksgemeenschap is de datum van ontbinding van de huwelijksgemeenschap. De huwelijksgemeenschap is ontbonden op 21 september 2022 (de datum van indiening van het verzoek tot echtscheiding). Niet in geschil is dat de lening bij de Rabobank tijdens het huwelijk is aangegaan en op de peildatum nog niet (geheel) was afgelost. Dit betekent dat de schuld in de (ontbonden) huwelijksgemeenschap valt en partijen daarvoor in beginsel voor de helft draagplichtig zijn. De man heeft de schuld na de peildatum met privégeld afgelost. Conform de hoofdregel heeft hij hierdoor een regresvordering op de vrouw. Dat de man van de verzekeringsgelden een andere auto heeft gekocht die hij op naam van de holding heeft laten zetten, doet aan het voorgaande niet af. Grief 2 van de man slaagt. De vrouw is gehouden de helft van de lening van € 5.825,66, aldus € 2.912,83, aan de man te voldoen. Het hof zal aldus bepalen.
De schuld aan moeder van de vrouw (grief 1 van de vrouw)
Grief 1 van de vrouw keert zich tegen volgende overweging van de rechtbank:
‘3.9. Tussen partijen is in geschil of sprake is van een schuld aan de moeder van de vrouw en wie voor deze schuld draagplichtig is.
De vrouw stelt dat sprake is van een lening van haar moeder ter hoogte van € 35.000,-. Dit is volgens de vrouw een schuld van de onderneming van de man aan de moeder van de vrouw. Deze valt niet in de gemeenschap. Op de mondelinge behandeling heeft de vrouw nader toegelicht dat er in delen totaal € 37.000,= is geleend van de moeder van de vrouw. Een deel is door de man terugbetaald. Aanvankelijk is het bedrag op de gezamenlijke rekening van partijen gestort, enkele dagen later is dit door de man naar de rekening van de onderneming overgemaakt. De vrouw stelt dat de man deze schuld dient te dragen. Indien deze schuld wel in de gemeenschap valt, verzoekt de vrouw, op grond artikel 1:100 lid 2 BW dat zij niet draagplichtig is en de man deze schuld dient te dragen.
De man heeft op de mondelinge behandeling het bestaan van deze schuld betwist. Hij is weliswaar door de moeder van de vrouw hierover aangesproken, maar heeft, na hierom gevraagd te hebben, nooit stukken gehad die deze schuld aantonen.
De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een schuld van de gemeenschap waarover door de rechtbank moet worden beslist. Als het standpunt van de man wordt gevolgd is er namelijk helemaal geen schuld. Als het standpunt van de vrouw wordt gevolgd is sprake van een schuld van de onderneming van de man en valt deze evenmin in enige huwelijksgemeenschap. Gelet op het voorgaande zal deze gestelde schuld niet worden meegenomen bij de afwikkeling van de huwelijksgemeenschap.’
De vrouw verzoekt te verklaren voor recht dat de schuld uit hoofde van geldlening aan haar moeder tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behoort zulks ten bedrage van € 37.914,84 en te verklaren voor recht dat de man voor ten minste de helft van die schuld en de daaraan verbonden rente en kosten draagplichtig is.
De vrouw licht haar grief als volgt toe.
De geleende gelden zijn door haar moeder overgemaakt naar een gezamenlijke rekening van partijen en korte tijd later door de man overgemaakt naar een rekening van [dochtervennootschap]. Derhalve is sprake van een gemeenschapsschuld. Dat de man de gelden ten behoeve van [dochtervennootschap] heeft besteed, maakt dat niet anders. Het gaat om een lening van in hoofdsom € 37.914,84, te vermeerderen met rente en kosten.
In de brief van advocatenkantoor Molkenboer en van der Kolk van 28 juli 2023 aan [dochtervennootschap] zijn de geleende bedragen opgenomen (prod. 1c bij beroepschrift, door de vrouw abusievelijk benoemd als prod. 1b).
De eerste overboeking van € 8.000,-- vermeldt expliciet dat het een lening is aan partijen.
De daaropvolgende overboeking van € 15.000,-- doet dat niet, maar niet valt in te zien dat de titel voor de overboeking plotseling een andere dan lening zou zijn. Dan had het voor de hand gelegen dat expliciet schenking o.i.d. bij de overboeking zou zijn vermeld. Zij en haar moeder zijn bereid te getuigen dat sprake is van een lening en niet van een schenking.
Dat de overboeking van € 10.000,-- een schenking is, zoals de man in zijn verweer aanvoert, wordt betwist. Gelet op de voorgaande overboekingen van de moeder van de vrouw die in [dochtervennootschap] zijn gevloeid en alle leningen waren, valt niet in te zien dat deze overboeking een heel ander doel diende en een lening zou betreffen.
De man voert daartegen aan dat de bedragen die de moeder van de vrouw aan [dochtervennootschap] heeft geleend (bedragen van respectievelijk € 5.000,-- en € 6.000,--), niet in de gemeenschap vallen. Deze bedragen zijn verstrekt in verband met een liquiditeitsprobleem en kort daarna door [dochtervennootschap] ook weer naar de rekening van de moeder van de vrouw teruggestort (prod. 1 bij vws).
De overige overboekingen zijn geen leningen, maar schenkingen. Anders dan de overige afschriften, vermeldt het afschrift van de overboeking van € 15.000,-- ook niet dat het een lening betreft. Het bedrag van € 10.000,-- is aan de vrouw geschonken voor een borstvergroting. In de omschrijving op het afschrift staat niet lening maar ‘pago almohada y pelugrueria’ (‘ik betaal voor een kussen en een kappersbeurt’), om te verhullen dat het om een borstvergroting ging. Voor een terugbetaling is geen juridische grondslag.
Het hof overweegt als volgt.
In geschil is of er sprake is van een schuld aan de moeder van de vrouw en of de man voor deze schuld draagplichtig is.
Uit genoemde brief met producties van advocatenkantoor Molkenboer en van der Kolk van 28 juli 2023 aan [dochtervennootschap] blijken de volgende door de moeder van de vrouw in de periode van omstreeks 24 januari 2015 tot en met 8 juni 2021 overgeboekte bedragen:
| datum | bedrag | overgeboekt naar | omschrijving |
| 24 januari 2015 | € 8.000,-- | en/of rekening partijen | lening |
| 1 december 2016 | € 15.000,-- | en/of rekening partijen | |
| 27 mei 2020 | € 10.000,-- | en/of rekening partijen | pago almohada y peluqueria |
| 10 maart 2021 | € 5.000,-- | rekening dochtervennootschap | prestamo (lening) |
| 8 juni 2021 | € 6.000,-- | rekening dochtervennootschap | prestamo |
De overboeking van € 8.000,--
Dat de overboeking van € 8.000,-- naar de en/of rekening van partijen een lening betreft, heeft de man, gelet op de omschrijving ‘lening’ op het betreffende bankafschrift, onvoldoende gemotiveerd weersproken. zodat vaststaat dat sprake is van een lening en een schuld die in de huwelijksgemeenschap valt.
De overboeking van € 15.000,--
Bij de overboeking van € 15.000,-- naar de en/of rekening van partijen is daarentegen niet de omschrijving ‘lening’ gegeven. Waaruit zou volgen dat er een terugbetalingsverplichting is overeengekomen, blijkt zonder een voldoende nadere toelichting die ontbreekt, niet. De enkele overboeking is daartoe onvoldoende. Omdat de vrouw onvoldoende heeft gesteld, wordt aan getuigenbewijs niet toegekomen.
De overboeking van € 10.000,--
Ten aanzien van de overboeking van € 10.000,-- naar de en/of rekening van partijen, volgens de man een schenking aan de vrouw, heeft de vrouw slechts aangevoerd dat, gelet op de voorgaande overboekingen die in [dochtervennootschap] zijn gevloeid, niet valt in te zien dat deze overboeking een heel ander doel heeft gediend en evenmin dat het hier een schenking zou betreffen. Hoe de daarbij gegeven omschrijving (vertaald:) ‘ik betaal voor een kussen en een kappersbeurt’ zich daartoe dan verhoudt, heeft zij niet uitgelegd, hetgeen wel op haar weg had gelegen (nog daargelaten dat de aan de overboeking voorafgegane overboekingen niet als leningen kwalificeren). Waaruit zou volgen dat er een terugbetalingsverplichting is overeengekomen, blijkt, zonder nadere toelichting die ontbreekt, niet. De enkele overboeking is daartoe onvoldoende. Aan getuigenbewijs wordt daardoor niet toegekomen.
De overboekingen van € 5.000,-- en € 6.000,--
De bedragen van € 5.000,-- en € 6.000,-- zijn overgeboekt naar een rekening van [dochtervennootschap] en betreffen schulden (zo hier nog van kan worden gesproken, blijkens prod. 1 zijn de bedragen op resp. 22 maart 2021 en 24 juni 2021 weer teruggestort) van die onderneming, niet van de gemeenschap.
Uit het voorgaande volgt dat de grief (alleen) slaagt voor zover het de overboeking van € 8.000,-- betreft. De schuld van € 8.000,-- uit hoofde van geldlening aan de moeder van de vrouw valt in de (ontbonden) huwelijksgemeenschap. Partijen zijn beiden voor de helft draagplichtig voor die schuld. Het hof zal aldus bepalen.
Aandelen in de holding (grief 2 van de vrouw)
Grief 2 van de vrouw gaat over rov. 3.15 van de bestreden beschikking, waarin de rechtbank als volgt heeft overwogen:
‘3.15. Op de mondelinge behandeling heeft de man aangegeven dat de onderneming [naam] B.V. geliquideerd wordt voor 1 juli 2024. Er zal dan een afrekening plaatsvinden. Partijen zijn het erover eens dat de stukken betreffende deze afrekening voor 1 juli 2024 door de man aan de vrouw worden gestuurd. Als sprake is van enige waarde dan komt toe (sic) aan partijen, ieder voor de helft. Tussen partijen is niet in geschil dat de onderneming geen negatieve waarde kan hebben en dienaangaande in dat geval geen overbedelingssom hoeft te worden voldaan.’
De vrouw verzoekt de man te veroordelen [naam] B.V. volgens de wettelijke en statutaire regels ten spoedigste althans vóór een door het hof te bepalen datum te ontbinden en te vereffenen alsmede de rekening en verantwoording van die vereffening te deponeren en gelijktijdig aan haar te verstrekken en een eventueel positief vermogen in de ontbonden vennootschap uit hoofde van haar aandeelhouderschap met haar te verdelen, een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,-- voor elke dag dat de man daarmee geheel of ten dele in gebreke blijft.
De vrouw licht haar grief als volgt toe.
De man komt hetgeen de rechtbank heeft overwogen niet na. Begin augustus 2024 heeft hij enkel laten weten dat ‘het traject vertraging heeft opgelopen’ en dat het nog twee maanden zou duren. Zij heeft er geen vertrouwen in dat de man de afspraak over de liquidatie van de holding nakomt en heeft recht en belang erbij dat de man ertoe wordt veroordeeld de holding voor een bepaalde datum te ontbinden en te liquideren op straffe van een dwangsom.
Voorts dient de man de in het kader van de vereffening op te maken rekening en verantwoording aan de vrouw te verstrekken en een eventueel positief vermogenssaldo in de ontbonden vennootschap met de vrouw te verdelen.
De man heeft daartegen het volgende aangevoerd. Het is zijn doel de bv’s te ontbinden en liquideren, waarover partijen het eens waren. Tot op heden is dat niet gelukt omdat één cliënt nog niet een nieuwe zorgovereenkomst met zijn nieuwe bv had gesloten. De mentor van deze client weigerde de nieuwe overeenkomst te tekenen omdat hij niet kon overzien wat dit voor gevolgen zou hebben. Vanwege zijn zorgplicht was het daarom niet mogelijk te liquideren. Thans is dit opgelost en kan [naam onderneming] de cliënt overnemen, zodat de bv’s kunnen worden opgeheven.
Het hof overweegt als volgt.
Uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting is besproken, is genoegzaam gebleken dat een probleem met het sluiten van een nieuwe zorgovereenkomst van één laatste cliënt eraan in de weg heeft gestaan dat de man tot de ontbinding en liquidatie van de holding heeft kunnen overgaan. In het feit dat, zoals door de man naar voren is gebracht, ook voor deze laatste cliënt inmiddels een nieuwe zorgovereenkomst is getekend, ziet het hof aanleiding de nieuwe datum waarop de man de holding dient te ontbinden en vereffenen te bepalen op 1 juli 2026. Het hof zal de man daar conform het verzoek van de vrouw toe veroordelen. Omdat het hof geen aanwijzingen heeft dat de man niet alles in het werk zal stellen aan die veroordeling te voldoen – het is de man er veel aan gelegen tot ontbinding en liquidatie over te gaan –, zal het verzoek van de vrouw aan die veroordeling een dwangsom te verbinden, worden afgewezen.
Inboedelgoederen (grief 3 van de vrouw)
Grief 3 van de vrouw gaat over de volgende overweging van de rechtbank:
‘3.18. De rechtbank zal de wijze van verdeling van de inboedelgoederen als volgt gelasten.
De vrouw heeft een lijst gemaakt van de inboedelgoederen (bijlage bij het e-mailbericht van mr. Van der Borst van 17 april 2023). De man heeft deze lijst onweersproken gelaten. De inboedelgoederen zoals opgenomen in deze lijst worden bij helfte verdeeld tussen partijen met gesloten beurzen. De vrouw maakt als eerste de keuze welke inboedelgoed zij wenst als eerste te ontvangen, vervolgens maakt de man de tweede keuze welke inboedelgoed hij wenst te houden. Partijen wisselen van beurt totdat alle goederen op de lijst zijn verdeeld. Deze verdeling moet binnen één maand na deze beschikking plaatsvinden.’
De vrouw verzoekt de inboedel aan de man toe te delen en de man te veroordelen uit hoofde van overbedeling € 10.000,-- aan haar te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente ingaande de datum van de beschikking van het hof, althans (subsidiair) de man te veroordelen de door de rechtbank gelaste wijze van verdeling van de inboedel na te komen op straffe van een dwangsom van € 100,-- per dag voor elke dag dat hij daarmee in gebreke blijft.
Ter toelichting voert de vrouw aan dat de man tot op heden niet bereid is gebleken aan de verdeling zoals de rechtbank die heeft gelast, mee te werken. De consequentie hiervan moet zijn dat hij de overbedelingsvordering van € 10.000,-- dient te voldoen.
De man weerspreekt dat hij niet meewerkt aan de verdeling. Hij heeft de vrouw een voorstel voor de verdeling gedaan waarop zij niet heeft geantwoord. Niet hij, maar de vrouw werkt niet mee.
Het hof overweegt als volgt.
De rechtbank heeft een eenduidige beslissing gegeven, die, zo is het hof gebleken, door verwijten van partijen over en weer niet is uitgevoerd. Partijen zullen de inboedel alsnog op de door de rechtbank aangegeven wijze moeten verdelen. Aangezien zij beiden in de uitvoering van de verdeling tekort zijn geschoten, ziet het hof geen aanleiding aan de medewerking van de man aan de verdeling een dwangsom te verbinden, zoals de vrouw heeft verzocht. Grief 3 van de vrouw faalt.
Bankrekeningen (grief 4 van de vrouw)
De rechtbank heeft als volgt overwogen:
‘3.19. Partijen zijn het erover eens dat het saldo op de bankrekening met rekeningnummer eindigend op [nummer] op naam van partijen is verdeeld per 21 september 2022 en deze rekening is opgeheven. De man zal nog een afschrift hiervan overleggen aan de vrouw. Wat betreft het saldo op dc bankrekening met rekeningnummer eindigend op [nummer] op naam van de vrouw, wordt dit saldo aan de vrouw toebedeeld, onder de verplichting om de helft van het saldo, ter hoogte van € 24,02, aan de man te voldoen. Het saldo op de bankrekening met rekeningnummer eindigend op [nummer] op naam van de man wordt aan hem toebedeeld, onder de verplichting om de helft van het saldo aan de vrouw te voldoen. De man zal ook van deze rekening nog een afschrift, waarop het saldo op de peildatum wordt vermeld, aan de vrouw sturen.’
De vrouw verzoekt de man te veroordelen over te leggen justificatoire afschriften waaruit de saldi van de bankrekeningen [nummer] en [nummer] per peildatum 21 september 2022 blijken, zulks op straffe van een dwangsom van € 100,-- per dag voor elke dag dat hij daarmee in gebreke blijft en de man te veroordelen tot betaling van de helft van de betreffende saldi, te vermeerderen met de wettelijke rente ingaande de datum van de beschikking van het hof.
Ter toelichting op haar grief voert de vrouw aan dat de man tot op heden heeft geweigerd afschriften te verstrekken zodat zij zich genoodzaakt ziet afgifte van de afschriften te doen versterken via een dwangsom.
Het hof overweegt als volgt.
De man heeft als productie 4 een afschrift van de bankrekening met rekeningnummer eindigend op [nummer] overgelegd. Daaruit blijkt een saldo van, zoals ter zitting bevestigd door de advocaat van de vrouw, € 6,96. Het hof zal de man overeenkomstig het verzoek van de vrouw veroordelen tot betaling van de helft van dit bedrag, derhalve tot € 3,48, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de datum van deze beschikking.
Geen grief is gericht tegen de overweging dat partijen het erover eens zijn dat het saldo op de bankrekening met rekeningnummer eindigend op [nummer] is verdeeld per 21 september 2022 en deze rekening is opgeheven. De opdracht van de rechtbank aan de man ‘hiervan’ een afschrift over te leggen, heeft daarmee noodzakelijkerwijs betrekking op de opheffing van genoemde bankrekening. Een afschrift van de beëindigingovereenkomst heeft de man overgelegd (prod. 4). Dit betekent dat de vrouw geen belang meer heeft bij haar grief. Haar verzoek zal worden afgewezen.
Provisionele voorziening:
Nu het hof in deze beschikking tevens uitspraak doet in de hoofdzaak heeft de vrouw geen belang meer bij haar verzoek tot het treffen van een provisionele voorziening voor de duur van de procedure in hoger beroep. Het hof zal haar daarom in dit verzoek niet-ontvankelijk verklaren.
9 De slotsom
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen voor zover het de datum van ontbinding en vereffening van de holding betreft en beslissen als hierna onder 10 volgt.
De man heeft verzocht de vrouw te veroordelen in de kosten van het hoger beroep. Het hof ziet daartoe geen aanleiding en zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.
10 De beslissing
Het hof:
in de zaak met zaaknummers 200.346.501/01, 200.347.395/01 en 200.347.395/02
verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek tot het treffen van een provisionele voorziening ex art. 223 Rv;
vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) van 12 juli 2024, voor zover het rov. 3.15 betreft en
in zoverre opnieuw en voorts aanvullend beschikkende:
veroordeelt de man om [naam] B.V. ten spoedigste althans vóór 1 juli 2026 te ontbinden en te vereffenen alsmede de rekening en verantwoording van die vereffening te deponeren en gelijktijdig aan de vrouw te verstrekken en een eventueel positief vermogen in de ontbonden vennootschap met haar te delen, ieder bij helfte;
bepaalt dat de belastingaanslag over 2016 op naam van de man door partijen bij helfte wordt gedragen;
veroordeelt de vrouw om uit hoofde van geldlening aan de Rabobank binnen twee weken na de datum van deze beschikking € 2.912,83 aan de man te voldoen;
verklaart voor recht dat de schuld van € 8.000,-- uit hoofde van geldlening aan de moeder van de vrouw tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behoort en dat de man voor de helft van die schuld en de daaraan verbonden rente en kosten draagplichtig is;
veroordeelt de man uit hoofde van verdeling van het saldo van bankrekening met rekeningnummer [nummer] € 3,48 aan de vrouw te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de datum van deze beschikking;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G.J. Vossestein, M.J. van Laarhoven en H.J. Witkamp en is op 27 november 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Aangehaald in
- ECLI:NL:GHSHE:2025:2531 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 18 september 2025 (personen- en familierecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.