Uitspraak · Personen- en familierecht

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 20 november 2025

ECLI:NL:GHSHE:2025:3327Zaaknummer 200.357.483_01

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20 november 2025
Publicatiedatum
28 oktober 2026
Zaaknummer
200.357.483_01
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Hoger beroep
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Bekrachtiging beslissing rechtbank dat de vader in dit geval geen belanghebbende is in de procedure betreffende de uithuisplaatsing.

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 16 april 2025.

Deze beschikking is gegeven door mrs. S.P.A. Wensink-Vergunst, E.M.C. Dumoulin en G.M. Goes en is op 20 november 2025 uitgesproken in het openbaar door

mr. E.J.M. van Engelen in tegenwoordigheid van de griffier.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het geding in eerste aanleg
  2. 2 Het geding in hoger beroep
  3. 3 De beoordeling
  4. 4 De beslissing

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 20 november 2025

Zaaknummer: 200.357.483/01

Zaaknummer 1e aanleg: C/02/433192 / JE RK 25-507

in de zaak in hoger beroep van:

[vader],

wonende in [plaats 1], gemeente [gemeente 1],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. M. Krijger,

tegen

Stichting Jeugdbescherming [regio],

gevestigd in [plaats 1],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de GI (Gecertificeerde Instelling).

Betreffende de minderjarigen:

[minderjarige 1], geboren op [geboortedag] 2021 in [geboorteplaats];

[minderjarige 2] geboren op [geboortedag] 2022 in [geboorteplaats].

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[moeder],

wonende in [plaats 2], gemeente [gemeente 2],

hierna te noemen: de moeder.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio: regio [regio], locatie [plaats 1],

hierna te noemen: de raad.

In het kort: de vader is het er niet mee eens dat hij door de rechtbank in deze procedure niet als belanghebbende is aangemerkt.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 16 april 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift van 15 juli 2025, met producties, ingekomen bij het hof op diezelfde datum, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, doende wat de rechtbank had behoren te doen, de vader aan te merken als belanghebbende in de procedure strekkende tot afgifte van een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder (gezinshuis) voor de duur van de ondertoezichtstelling.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de GI, vertegenwoordigd door [naam].

2.2.1.

De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen. De raad is, met kennisgeving vooraf, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.

2.2.2.

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de vader, met toestemming van het hof, een V8-formulier van 10 oktober 2025, met als bijlage het rapport van de raad van 4 augustus 2025 overgelegd.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de inmiddels verbroken relatie tussen de moeder en de vader zijn geboren de hiervoor genoemde [minderjarige 1] en [minderjarige 2].

3.2.

De vader heeft de kinderen erkend. Bij het raadplegen van het gezagsregister heeft het hof er ambtshalve kennis van genomen dat het gezag van de moeder over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] door de rechtbank bij beschikking van 4 november 2025 is beëindigd en de GI tot voogd is benoemd over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].

3.3.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn beiden voor de geboorte onder toezicht gesteld van de GI. [minderjarige 1] met ingang van 4 november 2020 en [minderjarige 2] met ingang van 24 maart 2022. De ondertoezichtstelling is nadien telkens verlengd.

3.4.

[minderjarige 1] is in september 2021 via een spoedmachtiging uithuisgeplaatst. Na de geboorte van [minderjarige 2] heeft [minderjarige 1] weer enige tijd bij de moeder gewoond. Met ingang van januari 2024 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (opnieuw) uit huis geplaatst. Nadat zij eerst in verschillende pleeggezinnen hebben verbleven, zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uiteindelijk gezamenlijk in een pleeggezin geplaatst en daarna meerdere keren gezamenlijk doorgeplaatst. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven op dit moment gezamenlijk in een gezinshuis.

3.5.

Bij beschikking van 14 augustus 2024 heeft de rechtbank bepaald dat de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] recht hebben op een omgangsregeling van twee uur per week onder begeleiding en op het kantoor van Agathos in [plaats 3] (of onder begeleiding van een soortgelijke organisatie op neutraal terrein in de buurt van [minderjarige 2] ), waarbij de regie over een eventuele wijziging in handen van de GI ligt.

3.6.

De vader is voorts van de beschikking van de rechtbank van 21 februari 2025 in hoger beroep gekomen. De zaak is bij het hof bekend onder zaaknummer 200.354.924/01.

3.8.

Bij voornoemde beschikking van 21 februari 2025 heeft de rechtbank de bij beschikking van 14 augustus 2024 vastgestelde omgangsregeling gewijzigd en bepaald dat er geen contact plaatsvindt tussen de minderjarigen en de vader totdat de overplaatsing naar een vervolgplek is gerealiseerd en dat er na de overplaatsing zo snel als mogelijk en op geleide van hetgeen de minderjarigen op dat moment aan kunnen wordt onderzocht of en zo ja op welke manier het contact tussen de vader en de minderjarigen kan worden hervat, waarbij de regie over een eventuele uitbreiding van de omgangsregeling in handen van de GI ligt. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

3.9.

Bij de bestreden (tussen)beschikking van 16 april 2025 heeft de rechtbank het verzoek van de vader om hem in de procedure als belanghebbende aan te merken afgewezen.

3.10.

De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.11.

De vader voert, samengevat, het volgende aan. De vader wil als belanghebbende worden aangemerkt in de procedure met betrekking tot de uithuisplaatsing. Er is family life tussen de vader en de kinderen. De vader heeft samengeleefd met de moeder en [minderjarige 1] en heeft daarna begeleide omgang gehad met [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. De huidige procedure over de uithuisplaatsing raakt de vader rechtstreeks in zijn familie- en gezinsleven en de vader heeft er belang bij dat hij als belanghebbende invloed heeft op het verloop en de uitkomst van de procedure en de gevolgen daarvan voor het contact tussen de vader en de kinderen. Bovendien heeft de GI de rechtbank verzocht de vader als belanghebbende aan te merken.

3.12.

De GI voert, samengevat, het volgende aan. De frequentie van de contacten tussen de vader en de kinderen is voor de GI niet geheel duidelijk. De vader heeft met [minderjarige 2] de eerste anderhalf jaar geen contact gehad.

3.13.

Het hof overweegt als volgt.

3.13.1.

In artikel 798 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is bepaald dat onder belanghebbende wordt verstaan degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft. Het is mogelijk dat een ouder zonder gezag als belanghebbende wordt aangemerkt, als die ouder family life heeft met de minderjarige en de procedure inbreuk maakt op het recht op family life. Of dat zo is, moet worden beoordeeld naar de omstandigheden van het geval.[_e046d540-e4d0-4dca-860b-ce46ae6cf5ee]

3.13.2.

Het hof verwijst naar de uitspraak van de Hoge Raad van 22 april 2022,[_ee74bead-1f0b-45a5-b59d-653d6c3534db] waaruit volgt dat als de vader rechtstreeks in zijn rechten en verplichtingen wordt geraakt, in het bijzonder zijn recht op bescherming van het familie- en gezinsleven op grond van artikel

8 EVRM, hij als belanghebbende dient te worden aangemerkt in de zin van artikel 798 Rv. Het hof is van oordeel dat de beslissing ten aanzien van de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2], waarbij feitelijk een wijziging wordt gevraagd van het verblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van een pleeggezin naar een gezinshuis, geen inbreuk maakt op het recht van de vader op family life met [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. In de afgelopen periode is er beperkt begeleid contact geweest tussen de vader en de kinderen. Dat contact wordt niet rechtstreeks geraakt door de beslissing over de machtiging tot uithuisplaatsing. Dat de overplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ook gevolgen heeft voor de mogelijkheden van de omgang, maakt dat niet anders. Dat is immers een afgeleid belang en geen rechtstreeks belang bij de beslissing over de overplaatsing.

3.14.

Het voorgaande leidt ertoe dat het hof de bestreden beschikking ten aanzien van de beslissing de vader niet als belanghebbende aan te merken zal bekrachtigen en het verzoek van de vader in hoger beroep zal afwijzen.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 16 april 2025.

Deze beschikking is gegeven door mrs. S.P.A. Wensink-Vergunst, E.M.C. Dumoulin en G.M. Goes en is op 20 november 2025 uitgesproken in het openbaar door

mr. E.J.M. van Engelen in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

  1. HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:463.
  2. Hoge Raad 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:622.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.