Uitspraak · Personen- en familierecht

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 20 november 2025

ECLI:NL:GHSHE:2025:3311Zaaknummer 200.353.867_01

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20 november 2025
Publicatiedatum
22 oktober 2026
Zaaknummer
200.353.867_01
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Hoger beroep
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

bekrachtiging beslissing rechtbank bewind

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 14 februari 2025,

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, G.M. Goes en S.P.A. Wensink-Vergunst en is in het openbaar uitgesproken op 20 november 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het geding in eerste aanleg
  2. 2 Het geding in hoger beroep
  3. 3 De beoordeling
  4. 4 De beslissing

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 20 november 2025

Zaaknummer: 200.353.867/01

Zaaknummer eerste aanleg: 11060465 OV VERZ 24-2136

in de zaak in hoger beroep van:

[rechthebbende],

wonende in [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: [rechthebbende] of de rechthebbende,

advocaat: mr. N. Wouters,

tegen

Kwakkenbos Bewindvoeringen B.V.,

gevestigd in Goes,

hierna ook te noemen: de bewindvoerder,

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

[ zoon 1],

wonende in [woonplaats],

hierna te noemen: [ zoon 1] (de zoon van de rechthebbende)

en

[zoon 2],

wonende in [woonplaats],

hierna te noemen: [zoon 2] (de zoon van de rechthebbende).

Deze zaak gaat over het verzoek van de rechthebbende tot opheffing van het bewind.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van

de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 14 februari 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift van 16 april 2025, met producties, ingekomen bij het hof op

17 april 2025, heeft de rechthebbende verzocht voormelde beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te vernietigen en in plaats daarvan te bepalen dat de bewindvoering alsnog wordt beëindigd, dan wel een beslissing te nemen die het hof in goede justitie juist acht.

2.2.

Het hof heeft verder kennis genomen van:

- het V6-formulier van 7 oktober 2025 van de advocaat van de rechthebbende, ingekomen bij het hof op diezelfde datum, met als bijlage de beschikking van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 31 augustus 2020

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de rechthebbende, bijgestaan door zijn advocaat;

- de bewindvoerder, vertegenwoordigd door B. Kwakkenbos.

2.3.1.

[ zoon 1] en [zoon 2] [rechthebbende] zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling bij het hof verschenen.

3 De beoordeling

De feiten

3.1.

Bij beschikking van 31 augustus 2020 heeft de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, over de goederen die [rechthebbende] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren een bewind ingesteld, met benoeming van Kwakkenbos Bewindvoeringen B.V. tot bewindvoerder. Het bewind is ingesteld omdat de rechthebbende als gevolg van de lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is zelf ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen.

3.2.

Bij de bestreden beschikking van 14 februari 2025 heeft de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, het verzoek van de rechthebbende tot opheffing van het bewind afgewezen.

3.3.

De rechthebbende kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

De standpunten

3.4.

De rechthebbende voert, samengevat, het volgende aan. De rechthebbende is nooit verteld dat er een bewind werd aangevraagd toen hij op het kantoor van de bewindvoerder papieren heeft ondertekend. Het ging om de schulden. De rechthebbende wil dat het bewind eindigt en heeft daarom verzocht om het bewind op te heffen met ingang van 1 juni 2024, te weten de datum waarop de schuldhulpverlening is geëindigd. De grond die destijds aanleiding gaf tot instelling van het bewind is niet meer aanwezig. De rechthebbende heeft een traject zelfredzaamheid doorlopen en dat is goed gegaan. De rechthebbende erkent weliswaar dat hij impulsief kan zijn in zijn handelen, maar dat betekent niet dat hij niet goed met zijn geld om kan gaan. Het klopt dat de bewindvoerder de afgelopen tijd een aantal keren heeft moeten inspringen. De rechthebbende wil zo graag werken, gaat dat dan regelen en wil dan ook een auto, maar het werk blijkt soms toch te zwaar en dan stopt hij. Ook wil hij graag weg uit zijn woning, het is geen fijne buurt. Het klopt dat het niet helemaal goed is gegaan met die andere woning en de huuropzegging. De rechthebbende heeft nu met de bewindvoerder afgesproken om zijn huidige woning op te knappen.

3.5.

De bewindvoerder voert, samengevat, het volgende aan. Het bewind dient in stand te blijven. Het klopt dat het schuldhulpverleningstraject is afgerond. De kern van het probleem zit in de impulsiviteit van de rechthebbende en er is weinig stabiliteit en continuïteit. Het zelfredzaamheidstraject is daarom niet goed verlopen. Zonder het bewind zouden er nog meer schulden zijn ontstaan. Zodra de rechthebbende meer stabiliteit en continuïteit laat zien is de bewindvoerder bereid een nieuw traject zelfredzaamheid te starten met de rechthebbende.

Het wettelijk kader

3.6.

Ingevolge artikel 1:449 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter het bewind opheffen, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken, zulks op verzoek van de bewindvoerder of degene die gerechtigd is het bewind te verzoeken als bedoeld in artikel 1:432 BW, alsmede ambtshalve.

3.7.

Op grond van het voorgaande dient het hof allereerst te beoordelen of bij de rechthebbende nog sprake is van een lichamelijke of geestelijke toestand die een onderbewindstelling van zijn goederen rechtvaardigt.

3.8.

Uit de instellingsbeschikking blijkt dat de kantonrechter oordeelde dat op dat moment de rechthebbende als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand niet in staat was om zelf ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen. De rechthebbende heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof verteld dat hij niet meer niet weet wat destijds de aanleiding is geweest voor het instellen van het bewind op die grond. Het hof heeft hierdoor onvoldoende zicht gekregen op de situatie van de rechthebbende ten tijde van het instellen van het bewind, en in hoeverre deze situatie nu ten gunste van de rechthebbende zou zijn gewijzigd.

Het hof is van oordeel dat de noodzaak voor het voortzetten van het bewind is gelegen in de impulsieve handelingen van de rechthebbende en de gevolgen voor zijn financiële situatie en leefsituatie die hij niet lijkt te overzien. Zijn impulsieve handelen brengt hem in de problemen, ook door zijn manier van communiceren en handelen in stressvolle situaties. De bewindvoerder heeft dit met een aantal voorbeelden onderbouwd. Zo is het zelfredzaamheidstraject niet goed verlopen. De rechthebbende is in de afgelopen periode meerdere keren een arbeidsovereenkomst aangegaan en heeft deze na een korte periode weer opgezegd, hetgeen gevolgen heeft voor (de hoogte van) zijn recht op een uitkering. Dit heeft er ook toe geleid dat er lopende het bewind een nieuwe schuld is ontstaan, omdat een voormalig werkgever van de rechthebbende de opleidingskosten terugvordert van de rechthebbende. Verder heeft de rechthebbende recent zijn huurovereenkomst opgezegd, hetgeen later weer is teruggedraaid. Ook hebben er in de afgelopen periode meerdere auto’s op naam van de rechthebbende gestaan; volgens de bewindvoerder zou het gedurende het bewind gaan om tientallen. De bewindvoerder heeft aangegeven dat er met regelmaat ingegrepen moet worden en dat er zonder het bewind meer schulden zouden zijn ontstaan.

Hoewel de wens van de rechthebbende om zijn financiën weer zelf te kunnen beheren invoelbaar is, zal de rechthebbende eerst stabiliteit en continuïteit in zijn financiële situatie moeten laten zien. De bewindvoerder heeft laten weten er dan voor open te staan een nieuw zelfredzaamheidstraject aan te gaan met de rechthebbende.

3.9.

Gelet op het voorgaande bestaat de noodzaak tot voortzetting van het bewind op dit moment nog steeds en is voortzetting van het bewind zinvol. Dit leidt ertoe dat het verzoek van de rechthebbende tot opheffing van het bewind zal worden afgewezen.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 14 februari 2025,

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, G.M. Goes en S.P.A. Wensink-Vergunst en is in het openbaar uitgesproken op 20 november 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.