Uitspraak · Personen- en familierecht

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 20 november 2025

ECLI:NL:GHSHE:2025:3310Zaaknummer 200.353.024_01

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20 november 2025
Publicatiedatum
21 oktober 2026
Zaaknummer
200.353.024_01
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Hoger beroep
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Het hof oordeelt dat de moeder geen belang meer heeft bij beoordeling van haar verzoek over het hoofdverblijf en de zorgregeling, aangezien de rechtbank in een latere, eveneens door de moeder gestarte procedure op inhoudelijke gronden heeft beslist.

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 6 februari 2025;

wijst af het meer of ander verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.M.J. Peters, G.M. Goes en M.A. Ossentjuk en is in het openbaar uitgesproken op 20 november 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 5 De beschikking d.d. 19 juni 2025
  2. 6 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
  3. 7 De verdere beoordeling
  4. 8 De beslissing

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 20 november 2025

Zaaknummer: 200.353.024/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/02/428138 JE RK 24-1961

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. P.F.M. Gulickx,

Deze zaak gaat over [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2022 te [geboorteplaats].

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[de vader],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. S. Ben Ahmed,

Stichting Jeugdbescherming [plaats],

locatie [plaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de GI.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

locatie [locatie],

hierna te noemen: de raad.

5 De beschikking d.d. 19 juni 2025

Bij die beschikking heeft het hof:

  • de procedure aangehouden tot PRO FORMA 19 september 2025;
  • mr. Gulickx verzocht tijdig vóór de pro forma datum het hof nader te informeren over de stand van zaken in dan wel de uitkomst van de procedure in eerste aanleg, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de GI en de vader;
  • het verzoek van de moeder tot een voorlopige uitbreiding van de omgangsregeling afgewezen.

6 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

6.1.

Het hof heeft vervolgens kennisgenomen van de inhoud van het bericht met bijlagen (afschriften van een tweetal beschikkingen van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 18 juli 2025 met respectievelijk de zaaknummers C/02/433524 FA RK 25-1581 en C/02/437705 FA RK 25-3638) van mr. Gulickx d.d. 18 juli 2025;

6.2.

Op 18 september 2025 heeft het hof mr. Gulickx en de vader bericht dat het hof heeft kennisgenomen van de afschriften van genoemde beschikkingen, waarbij de rechtbank in de ene beschikking de verzoeken van de moeder tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] danwel een ruimere omgangsregeling tussen haar en [minderjarige] heeft afgewezen (C/02/433524 FA RK 25-1581), en in de andere beschikking de moeder in de gelegenheid heeft gesteld zich uit te laten in de nog bij de rechtbank lopende procedure over de voorlopige voorziening (C/02/437705 FA RK 25-3638).

Het hof heeft mr. Gulickx en de vader verzocht om het hof binnen drie weken te informeren over de vraag of en, zo ja, in hoeverre deze beschikkingen en de nog lopende procedure over de voorlopige voorziening van invloed zijn op de lopende procedure bij het hof met zaaknummer 200.353.024/01 over de omgangsregeling.

6.3.

Op 29 juli 2025 heeft mr. Gulickx verzocht om uitstel van de reactietermijn. Het hof heeft het verzochte uitstel verleend.

6.4.

Bij bericht van 13 september 2025 heeft mr. Gulickx nogmaals een afschrift van de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 18 juli 2025 in de zaak met nummer C/02/433524 FA RK 25-1581 overgelegd “om welke beschikking het gerechtshof heeft verzocht.”, aldus mr. Gulickx.

6.5.

Bij bericht van 23 september 2025 heeft mr. Ben Ahmed zich namens de vader gesteld.

6.6.

Partijen hebben niet om een nadere mondelinge behandeling gevraagd. Tevens heeft mr. Ben Ahmed niet om een verweertermijn verzocht.

Het hof heeft vervolgens de datum van de uitspraak bepaald.

7 De verdere beoordeling

7.1.

Het hof overweegt als volgt.

7.1.1.

Na de mondelinge behandeling van de zaak op 12 juni 2025 heeft het hof partijen tweemaal in de gelegenheid gesteld om het hof te informeren over (de uitkomst van) de procedure(s) bij de rechtbank en zich daar nader over uit te laten. Daarbij heeft hof bij bericht van 18 september 2025 partijen ook expliciet verzocht zich uit te laten over de vraag wat de beslissingen van die procedure(s) betekenen voor de procedure bij het hof.

7.1.2.

Mr. Gulickx heeft steeds volstaan met het overleggen van de op 18 juli 2025 door de rechtbank Zeeland-West-Brabant gegeven beschikkingen, zonder nadere toelichting. De vraag van het hof is daarmee onbeantwoord gebleven.

7.1.3.

Het hof stelt ten aanzien van het procesverloop voorafgaand aan voormelde beschikkingen van 18 juli 2025 het volgende vast.

De moeder heeft op 27 maart 2025 niet alleen het beroepschrift in deze procedure in hoger beroep ingediend. Zij heeft op dezelfde datum bij de rechtbank een nieuw verzoek ingediend met betrekking tot het hoofdverblijf van [minderjarige] en de zorgregeling, welke verzoeken zij (opnieuw) tegen de GI heeft gericht (zaaknummer C/02/433524 FA RK 25-1581).

De moeder heeft haar verzoeken op 24 juni 2025, aldus na de tussenbeschikking van het hof van 19 juni 2025, gewijzigd in die zin dat zij haar verzoeken tegen de vader richt. De rechtbank heeft aanleiding gezien om het gewijzigde verzoek van de moeder dat zich tegen de vader richt, op te vatten als een nieuw verzoek en dat verzoek in een afzonderlijke procedure te behandelen en een nieuw zaakkenmerk toe te kennen, te weten C/02/437705 FA RK 25-3638.

De mondelinge behandeling van de verzoeken van de moeder gericht tegen de GI (zaaknummer C/02/433524 FA RK 25-1581) en de verzoeken van de moeder gericht tegen de vader (zaaknummer C/02/437705 FA RK 25-3638) heeft op 27 juni 2025 plaatsgevonden.

Vervolgens zijn in twee separate beschikkingen van 18 juli 2025 alle verzoeken van de moeder afgewezen.

7.1.4.

In de zaak met nummer C/02/433524 FA RK 25-1581 zijn de verzoeken van de moeder die tegen de GI gericht waren, wegens het ontbreken van een belang afgewezen, aangezien er op dat moment geen sprake meer was van een uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin; [minderjarige] verbleef op dat moment bij de (met gezag belaste) vader.

In de zaak met nummer C/02/437705 FA RK 25-3638 zijn de verzoeken van de moeder die tegen de vader gericht waren, op inhoudelijke gronden afgewezen. Die beslissing is gegeven conform het advies van de raad tijdens de mondelinge behandeling op 27 juni 2025. De raad heeft daarbij aangevoerd dat het gedrag van de moeder onvoorspelbaar en zorgelijk is en dat daarin een patroon zichtbaar is. De moeder neemt volgens de raad geen ouderrol op zich en trekt zich niets aan van de adviezen die zij van de hulpverlening krijgt. [minderjarige] heeft last van het gedrag van de moeder en laat zelfbepalend gedrag zien. De moeder lijkt echter de gevolgen van haar gedrag niet door te hebben. De raad heeft de GI geadviseerd perspectiefonderzoek uit te voeren zodat duidelijk wordt wat de mogelijkheden van de moeder zijn in de opvoeding en verzorging van [minderjarige]. Het is belangrijk dat [minderjarige] binnen een voor haar aanvaardbare termijn duidelijkheid krijgt over wat zij van de moeder kan verwachten, aldus de raad.

7.1.5.

Het hof is van oordeel dat de moeder geen belang meer heeft bij een oordeel van het hof in de onderhavige procedure in hoger beroep van de beslissing van 6 februari 2025 waarbij de moeder niet-ontvankelijk is verklaard in haar verzoeken ten aanzien van het hoofdverblijf en de zorgregeling met betrekking tot [minderjarige]. Dat de moeder nog wel een belang zou hebben is namens de moeder niet gesteld, hoewel zij daartoe uitdrukkelijk in de gelegenheid is gesteld, en is het hof ook overigens niet gebleken.

Immers, na de mondelinge behandeling van het hof op 12 juni 2025 heeft de mondelinge behandeling van de gelijktijdig gestarte procedure bij de rechtbank plaatsgevonden en is vervolgens bij beschikking van 18 juli 2025 daarop beslist op inhoudelijke gronden in de zaak met nummer C/02/437705 FA RK 25-3638.

7.2.

Het hof zal de bestreden beschikking gezien het voorgaande bekrachtigen en de verzoeken van de moeder in hoger beroep afwijzen.

8 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 6 februari 2025;

wijst af het meer of ander verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.M.J. Peters, G.M. Goes en M.A. Ossentjuk en is in het openbaar uitgesproken op 20 november 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Aangehaald in

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.