Uitspraak · Personen- en familierecht

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 6 november 2025

ECLI:NL:GHSHE:2025:3097Zaaknummer 200.356.403_01

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
6 november 2025
Publicatiedatum
22 oktober 2026
Zaaknummer
200.356.403_01
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Hoger beroep
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Bekrachtiging ondertoezichtstelling.

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 23 mei 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, E.P. de Beij en M.A. Stammes en is op 6 november 2025 in het openbaar uitgesproken door mr. E.P. de Beij in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Smolders, griffier.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het geding in eerste aanleg
  2. 2 Het geding in hoger beroep
  3. 3 De feiten
  4. 4 De beoordeling
  5. 5 De beslissing

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 6 november 2025

Zaaknummer: 200.356.403/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/414534 / JE RK 25-491

in de zaak in hoger beroep van:

[de vader],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. P.J.A. van de Laar,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

locatie [locatie],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de raad.

Deze zaak gaat over:

[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2012 te [plaats],

hierna te noemen: [minderjarige].

Als belanghebbenden merkt het hof aan:

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de moeder,

Stichting Jeugdbescherming [plaats],

gevestigd te [plaats],

hierna te noemen: de GI (gecertificeerde instelling).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 23 mei 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij de bestreden beschikking is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI van 23 mei 2025 tot 23 november 2025. Deze beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de beslissing op het verzoek voor het overige is aangehouden.

2.2.

De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 19 juni 2025, en zoals desgevraagd verduidelijkt tijdens de mondelinge behandeling, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen en alsnog het inleidende verzoek af te wijzen.

2.3.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 6 oktober 2025, heeft de raad verzocht de bestreden beschikking in stand te laten en te concluderen tot afwijzing van het beroepschrift van de vader.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • de vader, bijgestaan door mr. Van de Laar;
  • de raad, vertegenwoordigd door [naam 1];
  • de moeder;
  • de GI, vertegenwoordigd door [naam 2].
2.4.1.

Aan [partner van vader] (de partner van de vader) en [partner van moeder] (de partner van de moeder) is door het hof bijzondere toegang verleend om de mondelinge behandeling bij te wonen.

2.5.

Het hof heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft hiervan gebruik gemaakt en heeft op 6 oktober 2025, buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden, met de voorzitter gesproken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van dit gesprek zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.6.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 14 mei 2025;
  • het V8-formulier d.d. 1 september 2025 namens de vader.

3 De feiten

3.1.

De vader en de moeder zijn gehuwd geweest. Dit huwelijk is ontbonden door echtscheiding. De echtscheidingsbeschikking is op 10 augustus 2016 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2.

Tijdens dit huwelijk is [minderjarige] geboren. De ouders zijn van rechtswege gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].

3.3.

Bij beschikking van dit hof van 30 mei 2024 is de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader bepaald met ingang van de dag voorafgaand aan de eerste officiële schooldag van het schooljaar 2024/2025. Daarbij is een zorgregeling vastgesteld tussen [minderjarige] en de moeder waarbij [minderjarige] elke woensdagmiddag na school tot 19.30 uur bij de moeder is en elk weekend aansluitend aan een oneven week van vrijdag 19.00 uur tot zondag 19.30 uur, waarbij de moeder [minderjarige] ophaalt bij de vader en de vader [minderjarige] ophaalt bij de moeder. De vakanties en feestdagen zijn volgens een vast schema bij helften verdeeld.

4 De beoordeling

4.1.

De vader voert – samengevat – het volgende aan. De kinderrechter heeft ten onrechte overwogen dat [minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. De ouders leven sinds de (v)echtscheiding in 2016 in onmin en kunnen niet of nauwelijks met elkaar communiceren. Het ging, tot de ondertoezichtstelling, goed met [minderjarige] thuis en op school, hetgeen bevestigd wordt door school en de huisarts. Niet gebleken is dat [minderjarige] lijdt onder het feit dat de ouders slechts op zakelijke wijze met elkaar communiceren. Pas sinds de aanvang van de ondertoezichtstelling is [minderjarige] in een neerwaartse spiraal terechtgekomen.

De vader heeft eerder hulp gezocht om met de moeder tot constructieve communicatie te komen. Tijdens die gesprekken was er steeds overeenstemming, maar kwam de moeder vervolgens terug op de gemaakte afspraken. Het is dan ook niet de verwachting dat er nog iets in de communicatie gaat veranderen het komende jaar. De vader heeft het gevoel dat hij verantwoordelijk gemaakt wordt, omdat hij niet bereid is om opnieuw met hulpverlenende instanties in gesprek te gaan. De vader heeft geen zin meer om aan een dood paard te trekken en heeft geen vertrouwen meer in hulpverlening. De moeder kan zich nog steeds niet neerleggen bij de verhuizing van [minderjarige] naar de vader. [minderjarige] en de vader hebben behoefte aan rust en niet aan verdere procedures en inmenging van hulpverlenende instanties. De vader zal meewerken aan de hulpverlening van het [omgangshuis].

Ook [minderjarige] wil geen ondertoezichtstelling en zij wil niet in gesprek met hulpverlening. De communicatie tussen de moeder en [minderjarige] is verslechterd en hoewel [minderjarige] contact wil met de moeder, voelt zij zich onveilig en wil rust. [minderjarige] heeft aangegeven na de ruzie met de stiefvader en het feit dat de moeder hierover niet het gesprek wilde aangaan, zich niet meer veilig te voelen bij de moeder. [minderjarige] wil daarom voorlopig niet naar de moeder. De vader dwingt [minderjarige] niet om de zorgregeling na te komen nu zij zich er niet veilig bij voelt. Desondanks stimuleert de vader het contact tussen [minderjarige] en de moeder en heeft getracht gesprekken tussen de moeder en [minderjarige] te laten plaatsvinden, maar de moeder geeft hieraan geen gehoor. [minderjarige] is gebaat bij gesprekken met de huisarts en met iemand waar ze haar problemen kwijt kan, zoals een bijzondere curator. Dat heeft zij niet gevonden bij de jeugdbeschermer. Zonder de ondertoezichtstelling kan [minderjarige] een kind zijn en kan ze haar eigen leventje weer oppakken. De vader ziet de meerwaarde van de ondertoezichtstelling niet. De vader is reeds bij verschillende instanties geweest en heeft veel gesprekken gevoerd. De vader heeft ook maar een beperkt aantal snipperdagen zodat afspraken met de GI lastig te plannen zijn, en de vader is van mening dat de ouders het als volwassenen kunnen oplossen.

4.2.

De raad voert – samengevat – het volgende aan. De gronden voor een ondertoezichtstelling zijn onverminderd aanwezig. Er is sprake van een ernstige bedreigde ontwikkeling van [minderjarige], die is gelegen in een complexe scheidingsituatie waarbij [minderjarige] al jarenlang ernstig belast wordt met problematiek op ouderniveau. Zij bevindt zich in een spagaat tussen haar ouders en dit zorgt voor een loyaliteitsconflict. Hierbij moest worden voorkomen dat [minderjarige] zou kiezen tussen de ouders, hetgeen inmiddels lijkt te gebeuren. [minderjarige] heeft recht op beide ouders zonder te hoeven meewegen wat zij van elkaar vinden. Zo hoort [minderjarige] niet te horen dat de moeder zou hebben ingestemd met de ondertoezichtstelling. Dat waar de raad bang voor was is gebeurd: [minderjarige] gaat niet meer naar de moeder. Dit is zorgelijk omdat het beeld dat [minderjarige] heeft van de moeder dan niet bijgesteld kan worden. Uit recente informatie van de GI blijkt dat hulpverlening is aangevraagd om de ontwikkelingsbedreiging en de zorgen om het veilig opgroeien van [minderjarige] weg te nemen. Er is een verwijzing gedaan naar het [omgangshuis] voor een ouderschapsreorganisatietraject gericht op (het toewerken naar) parallel solo-ouderschap. De verwachting is dat dit in november 2025 kan starten. [omgangshuis] is een neutrale partij die er enkel belang bij heeft dat het met [minderjarige] goed gaat. [omgangshuis] zou aandacht kunnen besteden aan het bijstellen van het beeld dat [minderjarige] heeft en kan met de zorgregeling helpen. Daarnaast is er hulpverlening voor het verstevigen van de relatie tussen [minderjarige] en de moeder aangevraagd bij Motivist en is de wens dat [minderjarige] een onafhankelijke vertrouwenspersoon krijgt met wie zij kan praten.

Een ondertoezichtstelling is nodig omdat het zorgelijk is dat [minderjarige] van één kant dingen meekrijgt. [minderjarige] worstelt met het tevreden houden van beide ouders. Hierdoor staat de gehechtheidsrelatie onder druk. De hulpverlening is nog niet van de grond gekomen. Er is geen draagvlak bij de vader om te werken aan ouderschapsreorganisatie. Begin augustus 2025 is naar de ouders gecommuniceerd dat de mogelijkheid er is dat er een schriftelijke aanwijzing voor de vader gaat komen. De vader staat wel achter hulpverlening voor de moeder en [minderjarige], maar niet achter Motivist als zorgaanbieder. Motivist kan starten maar komt niet van de grond. De vader wil dit eerst met [minderjarige] bespreken. De contacten tussen de jeugdbeschermer en [minderjarige] zijn nog niet van de grond gekomen. De vader wil dat de jeugdbeschermer in het bijzijn van de huisarts met [minderjarige] praat.

4.3.

De moeder voert – samengevat – het volgende aan. De situatie van [minderjarige] is sinds zij bij de vader woont verslechterd. Sinds de ondertoezichtstelling is uitgesproken is het verder verslechterd en is het contact met [minderjarige] minimaal geworden. Het is niet in het belang van [minderjarige] dat alles van haar vervreemdt; [minderjarige] moet ook komen voor zowel haar broertje, zusjes, familie en vriendinnen. De vrijwillige hulpverlening is tot op heden steeds mislukt. De vader zegt steeds mee te werken, maar stelt vervolgens voorwaarden. De moeder ziet dat [minderjarige] zich steeds verder terugtrekt. Zij krijgt weinig ruimte om een eigen beeld te vormen en kan nooit haar eigen verhaal doen zonder toezicht. Het lijkt alsof [minderjarige] het verhaal van vader herhaalt. De moeder ziet gebeuren waar de raad bang voor was. De moeder wil graag in gesprek met [minderjarige] maar niet met de vader of de stiefmoeder erbij omdat de band tussen de vader en de moeder niet goed is, en de moeder niet wil dat [minderjarige] daar tussen in staat. Het is een goed idee als [minderjarige] een onafhankelijke hulpverlener heeft waar ze zich veilig voelt. De ouders moeten hun trots opzij zetten en onder begeleiding toewerken naar een zorgregeling, waarbij er alleen contact tussen de ouders is indien dat noodzakelijk is en waar [minderjarige] het op beide plekken fijn heeft.

4.4.

De GI voert – samengevat – het volgende aan. De GI heeft zowel Motivist als het [omgangshuis] aangeschreven. Omdat de vader eerder niet wilde meewerken gaat de hulpverlening nu pas starten. De GI vindt het van belang dat het contact tussen [minderjarige] en de moeder weer wordt opgepakt. De huisarts heeft geen Veilig Thuis-melding gedaan naar aanleiding van het door [minderjarige] omschreven incident, zodat de GI geen reden ziet om het contact niet weer op te pakken. Er zijn geen zorgen dat [minderjarige] zich niet kan terugtrekken bij de moeder en er moet gewaakt worden dat het probleem te groot wordt gemaakt. Het is de taak van de vader om [minderjarige] naar de moeder te sturen. De ondertoezichtstelling ziet op de ouders en [minderjarige] is daarom nog niet betrokken. Er is één gesprek tussen [minderjarige] en de GI geweest, maar [minderjarige] wordt verder niet belast. Wanneer [minderjarige] met iemand zou willen praten, kan zij terecht bij het [omgangshuis]. Verder zullen er bij het [omgangshuis] gesprekken worden gevoerd tussen de ouders en zullen de mogelijkheden tussen [minderjarige] en de moeder worden onderzocht.

4.5.

Het hof overweegt als volgt.

4.5.1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

  • de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
  • de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
4.5.2.

Het hof is van oordeel dat hiervan sprake is en overweegt daartoe het volgende. Uit de stukken en hetgeen besproken tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is gebleken dat [minderjarige] (nog steeds) ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. De stelling van de vader dat de ondertoezichtstelling de reden is dat het slechter gaat met [minderjarige] volgt het hof niet. Al langere tijd zijn er zorgen over [minderjarige]. De ontwikkelingsbedreiging is gelegen in de complexe verhouding tussen de ouders, waarbij sprake is van wantrouwen, diskwalificatie en een verstoorde communicatie. [minderjarige] wordt hiermee sinds de echtscheiding van de ouders belast. Hoewel – zoals ook in het kindgesprek naar voren is gekomen – [minderjarige] dit zelf niet zo ervaart, zijn er zorgen over wat deze situatie met [minderjarige] doet. De zorg dat zij afstand zou nemen van één van de ouders is al uitgekomen. [minderjarige] gaat inmiddels na een ruzie met de stiefvader al enkele weken niet meer naar de moeder en er is ook op geen andere manier contact. Het hof heeft goed gehoord dat dit [minderjarige] haar eigen keuze is, maar ziet ook dat het een keuze is die past bij de leeftijd van [minderjarige] en de reactie op de complexe verhouding tussen de ouders; een keuze die op langere termijn mogelijk schadelijk is voor haar ontwikkeling.

Duidelijk is dat [minderjarige] een gesprek wil met de moeder, voordat zij weer naar de moeder toe gaat volgens de regeling. Kenmerkend voor de situatie tussen de ouders is dat het hen ook op dit moment niet lukt om hierover met elkaar in gesprek te gaan, waardoor [minderjarige] de moeder en daarmee haar stiefvader en halfbroertjes en -zusje al enige tijd niet ziet. Het hof acht dit net als de raad en de GI niet in het belang van [minderjarige]. Het is de GI tot nu toe binnen de ondertoezichtstelling niet gelukt om hulpverlening voor de ouders in te zetten. De vader heeft aanvankelijk niet meegewerkt. Het hof acht hulpverlening nog steeds noodzakelijk, ook bij het hervatten van de zorgregeling, en ziet daarin noodzaak voor een ondertoezichtstelling. De ouders hebben in het verleden meermaals laten zien dat het hen niet lukt om zonder gedwongen kader de problematiek op ouderniveau in het belang van [minderjarige] op te lossen.

De wil is er wel, en met hulp lukt het de ouders: op de mondelinge behandeling bij het hof hebben de ouders een afspraak gemaakt over een eerste moment samen voor [minderjarige] en de moeder. Het was goed te zien dat ook de partner van de vader bereid was mee te denken over die afspraak. De verwachting is dat de ouders in het traject bij het [omgangshuis] meer handvatten voor dit soort afstemming zullen krijgen. Alle betrokkenen zijn het verder eens dat het fijn zou zijn als [minderjarige] een eigen vertrouwenspersoon heeft; ook dit zal binnen de ondertoezichtstelling opgepakt worden.

4.5.3.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

5 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 23 mei 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, E.P. de Beij en M.A. Stammes en is op 6 november 2025 in het openbaar uitgesproken door mr. E.P. de Beij in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Smolders, griffier.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.