Uitspraak · Personen- en familierecht

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 6 november 2025

ECLI:NL:GHSHE:2025:3090Zaaknummer 200.354.776_01

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
6 november 2025
Publicatiedatum
26 oktober 2026
Zaaknummer
200.354.776_01
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Hoger beroep
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Vernietigen instellen bewind, bekrachtigen instellen mentorschap

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond van 29 januari 2025, voor zover een bewind is ingesteld over de goederen die (zullen) toebehoren aan [de betrokkene], geboren op [geboortedatum] 1971 geboren te [geboorteplaats], Spanje en bewindvoerders zijn benoemd;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst alsnog af het verzoek van de Stichting [naam stichting] strekkende tot instelling van een bewind over alle goederen die aan [de betrokkene], geboren op [geboortedatum] 1971 geboren te [geboorteplaats], Spanje, toebehoren of zullen toebehoren;

bepaalt dat de bewindvoerder een vergoeding krijgt voor de aanvangswerkzaamheden, voor de periode dat het bewind is uitgevoerd en voor het opmaken van de eindrekening en -verantwoording, conform de in Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren vastgestelde forfaitaire bedragen;

bepaalt dat de bewindvoerder binnen twee maanden nadat het bewind is opgeheven de eindrekening en -verantwoording aflegt aan de rechthebbende en een – zo mogelijk door haar voor akkoord ondertekend – exemplaar ervan aan het Bewindsbureau van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond;

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor het overige;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Bossink, S.P.A. Wensink-Vergunst en K.A. Boshouwers is in het openbaar uitgesproken op 6 november 2025 in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Smolders, griffier.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het geding in eerste aanleg
  2. 2 Het geding in hoger beroep
  3. 3 De beoordeling
  4. 4 De beslissing

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 6 november 2025

Zaaknummer: 200.354.776/01

Zaaknummers eerste aanleg: 11468188 BM VERZ 24-6173 en

11468189 MS VERZ 24-1529

in de zaak in hoger beroep van:

[de betrokkene],

wonende te [woonplaats 1],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de betrokkene,

advocaat: mr. L.A.W. Hermans,

Als belanghebbenden merkt het hof aan:

de Stichting [naam stichting],

gevestigd te [vestigingsplaats 1],

hierna te noemen: de stichting.

[bewindvoerder 1] en [bewindvoerder 2],

gevestigd te [vestigingsplaats 1],

hierna te noemen: de bewindvoerders.

[mentor 1] en [mentor 2],

gevestigd te [vestigingsplaats 2],

hierna te noemen: de mentoren.

[de broer],

wonende te [woonplaats 2],

hierna te noemen: de broer.

[de zus],

wonende te [woonplaats 3],

hierna te noemen: de zus.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 29 januari 2025, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij de bestreden beschikking is – kort gezegd – een bewind ingesteld over de goederen die (zullen) toebehoren aan de betrokkene wegens haar lichamelijke of geestelijke toestand en een mentorschap ingesteld ten behoeve van de betrokkene. Daarbij zijn de bewindvoerders en de mentoren benoemd.

2.2.

De betrokkene kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 28 april 2025, en zoals desgevraagd aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, heeft de betrokkene verzocht voormelde beschikking – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – te vernietigen en de inleidende verzoeken alsnog af te wijzen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • de betrokkene, bijgestaan door mr. L.A.W. Hermans;
  • de stichting, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger stichting 1] en [vertegenwoordiger stichting 2];
  • [bewindvoerder 1] namens de bewindvoerders;
  • de zus.
2.3.1.

De mentoren en de broer zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet naar de mondelinge behandeling gekomen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van het e-mailbericht van 30 juni 2025 namens de bewindvoerders, ingekomen op 19 september 2025.

3 De beoordeling

3.1.

De betrokkene voert – samengevat – het volgende aan. De betrokkene was in eerste aanleg niet op de hoogte van het feit dat er naast een verzoek tot mentorschap ook een verzoek tot het instellen van bewind was gedaan. Dit verzoek is onvoldoende met haar besproken. De rechtbank heeft daarbij ten onrechte geoordeeld dat de betrokkene niet in staat is om haar vermogensrechtelijke en niet-vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen wegens haar geestelijke of lichamelijke toestand. Wat betreft de niet-vermogens-rechtelijke belangen merkt de betrokkene op dat ze zelf contact onderhoudt met de huisarts en het ziekenhuis indien haar gezondheid dit vraagt en dat ze hiervoor geen bijstand nodig heeft van haar familieleden. Ten aanzien van de vermogensrechtelijke belangen heeft de stichting niet gesteld dat de betrokkene niet in staat is die belangen zelf te behartigen. De betrokkene ontvangt een arbeidsongeschiktheidsverzekering en heeft overzicht over haar inkomsten en uitgaven. Ze heeft nimmer hulp ontvangen bij haar financiën, heeft een goede boekhouding, heeft zelfstandig haar toeslagen aangevraagd en houdt hier zicht op. Ook heeft ze een spaarpotje opgebouwd. De betrokkene heeft voorheen altijd de financiën van haar ouders geregeld. De bewindvoerder heeft ook aangegeven dat de financiële zaken goed op orde zijn. Er is dan ook geen noodzaak voor bewind of mentorschap. Dit is ook niet in het belang van de betrokkene. De kantonrechter heeft onvoldoende rekening gehouden met de persoonlijke autonomie van de betrokkene en de alternatieven. De betrokkene ervaart slechts negatieve gevolgen (stress, bezorgdheid, onzekerheid en onduidelijkheid) door het feit dat iemand anders beslissingen over haar neemt. Zo heeft het mentorschap negatieve gevolgen voor haar mentale gezondheid en haar dagelijkse handelingen. De mentor schaadt de betrokkene in haar belangen; zij wordt niet betrokken bij de besluitvorming en heeft minimaal contact met de mentor. De betrokkene heeft aan de mentor aangegeven dat ze al lange tijd buikklachten heeft en de mentor verwijst haar alleen maar door naar de fysiotherapeut. Ook wordt de betrokkene door de mentor niet ondersteund in de problemen die ze ervaart bij de stichting. De betrokkene heeft het vermoeden dat er alleen met de stichting wordt gesproken, hetgeen haar beangstigt.

Sinds de aanvang van het bewind ontbreken er gelden. De betrokkene wil haar gegevens niet delen omdat hier in het verleden verkeerd mee is omgegaan. De maatregelen van bewind en mentorschap brengen bovendien veel kosten met zich die onnodig zijn en beter ergens anders aan hadden kunnen besteed.

3.2.

De stichting voert – samengevat – het volgende aan. Doordat de betrokkene de stichting geen toestemming heeft gegeven voor inzage in haar medische dossier is de stichting niet in staat verweer te voeren. Door de behandelaar van de betrokkene is aangegeven dat een mentorschap en onderbewindstelling noodzakelijk zijn.

3.3.

De bewindvoerders voeren – samengevat – het volgende aan. De betrokkene stond voorafgaand aan de mondelinge behandeling in eerste aanleg niet open voor een gesprek. Ook tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg hebben de bewindvoerders de betrokkene niet kunnen spreken. Na de bestreden beschikking heeft de betrokkene contact opgenomen met de bewindvoerders en is er een gesprek gepland. De betrokkene is zeer achterdochtig en het is lastig geweest om dit gesprek te plannen. De betrokkene beweert dat er een bedrag gelegen tussen € 1.200,- en € 1.600,- ontbreekt op haar bankrekening. De betrokkene ontvangt iedere week de bankafschriften en kan de bewindvoerders niet duidelijk maken op grond waarvan ze denkt dat dit bedrag zou ontbreken. Ook kan de betrokkene zien welke transacties er gedaan zijn.

De betrokkene weigert een kopie van haar legitimatiebewijs te overhandigen. Dit is nodig om een leefgeld- of beheerrekening te openen. Ook heeft ze geweigerd haar legitimatiebewijs te laten inzien bij de gemeente [gemeente] voor de aanvraag van bijzondere bijstand voor de kosten van de aanvangswerkzaamheden van het bewind, voor de kosten van de aanvangswerkzaamheden van het mentorschap, voor de griffiekosten en de maandelijkse kosten van bewind en mentorschap. Hierdoor heeft de betrokkene een bedrag van in totaal € 2.048,84 misgelopen. De bewindvoerders gaan dan ook niet akkoord met de opmerking dat de betrokkene haar zaken goed op orde had.

Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de betrokkene een juist overzicht gegeven van haar inkomsten en uitgaven. Er zijn sinds de aanvang van het bewind geen schulden bekend geworden, maar dat betekent niet dat dit op een later moment niet alsnog kan gebeuren.

3.4.

Het hof overweegt als volgt.

Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht

3.4.1.

De betrokkene is op [geboortedatum] 1971 geboren te [geboorteplaats], Spanje, en bezit de Spaanse nationaliteit. Gelet hierop heeft deze zaak een internationaal karakter en dient het hof ambtshalve de internationale bevoegdheid te onderzoeken.

3.4.2.

Bij gebrek aan een voor Nederland geldende internationale regeling wordt de meerderjarigenbescherming beheerst door het commune internationaal privaatrecht. Het commune bevoegdheidsrecht bevat geen specifieke regeling voor kwesties betreffende meerderjarigenbescherming. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat in een zaak waarin het gaat om meerderjarigenbescherming in een voorkomend geval ruimte bestaat voor anticiperende toepassing van het Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen van 13 januari 2000 (hierna: HVV 2000) (HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:147). Nederland heeft dit verdrag op 13 januari 2000 ondertekend, maar tot op heden niet geratificeerd.

3.4.3.

De bevoegdheidsregels uit het HVV 2000 zijn, bij wijze van uitgangspunt, formeel van toepassing als de volwassene, ongeacht zijn nationaliteit, zijn gewone verblijfplaats in een verdragsstaat heeft. Omdat de betrokkene op de datum van het inleidend verzoekschrift, 30 december 2024, haar gewone verblijfplaats in Nederland had, ziet het hof aanleiding om het HVV 2000 anticiperend toe te passen.

3.4.4.

Op grond van artikel 5 lid 1 HVV 2000 komt internationale bevoegdheid toe aan de gerechten van de staat waar de volwassene zijn gewone verblijfplaats heeft. Omdat de gewone verblijfplaats van de betrokkene in Nederland is gelegen acht het hof zich bevoegd om van de zaak kennis te nemen.

3.4.5.

Nu is vastgesteld dat de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is om van het verzoek tot instelling van bewind en mentorschap kennis te nemen, rijst de vraag naar het op de beoordeling van dat verzoek toepasselijke recht. Op grond van artikel 13 lid 1 HVV 2000 past de bevoegde rechter bij de uitoefening van die bevoegdheid zijn eigen recht toe. Het hof zal bij de beoordeling van het verzoek dan ook Nederlands recht toepassen, zoals ook de rechtbank klaarblijkelijk heeft gedaan.

Herstelfunctie van het hoger beroep

3.4.6.

De betrokkene heeft aangevoerd dat ze in eerste aanleg niet wist dat het verzoek zag op het instellen van mentorschap en bewind. Voor zover ze hiermee bedoelt te betogen dat ze in haar goede procesorde is geschaad, merkt het hof op dat zij – gelet op de herstelfunctie van het hoger beroep – nu alsnog de mogelijkheid heeft gehad om zich met een advocaat voor te bereiden op de mondelinge behandeling en op alle in het geding gebrachte stukken heeft kunnen reageren, zowel in de schriftelijke ronde als tijdens de mondelinge behandeling bij het hof.

Wettelijk kader

3.4.7.

Ingevolge artikel 1:450 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter ten behoeve van een meerderjarige een mentorschap instellen indien de meerderjarige als gevolg van zijn geestelijke of lichamelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is of bemoeilijkt wordt zijn belangen van niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen. Ingevolge artikel 1:452 lid 1 BW benoemt de rechter bij het uitspreken van het mentorschap of zo spoedig mogelijk daarna een mentor. Hij vergewist zich van de bereidheid en vormt zich een oordeel omtrent de geschiktheid van de te benoemen persoon.

3.4.8.

Op grond van artikel 1:431 lid 1 BW kan de rechter een bewind instellen over één of meer van de goederen die een meerderjarige als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren:

  • voor een bepaalde of onbepaalde tijdsduur indien de meerderjarige tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel
  • voor een bepaalde tijdsduur indien de meerderjarige tijdelijk niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van verkwisting of het hebben van problematische schulden.

Ingevolge artikel 1:435 lid 1 BW benoemt de rechter bij het uitspreken van het bewind of zo spoedig mogelijk daarna een bewindvoerder. Hij vergewist zich van de bereidheid en vormt zich een oordeel omtrent de geschiktheid van de te benoemen persoon.

Inhoudelijke beoordeling

3.4.9.

De kantonrechter heeft op juiste gronden een mentorschap ingesteld. Uit de verklaring van R. Minten, psychiater, van 10 december 2024 volgt dat de betrokkene met een WLZ-indicatie en een zorgmachtiging bij de stichting verblijft en dat er sprake is van psychiatrische belasting in de vorm van schizofrenie. Dit wordt bij de betrokkene gekenmerkt door een diepgeworteld wantrouwen, een volledig gebrek aan ziektebesef en -inzicht, evenals een gebrek aan begrip voor de noodzaak van behandeling. De betrokkene vertoont een patroon van zorgmijding; ze weigert in gesprek te gaan met behandelaren en sluit niet aan bij essentiële besprekingen zoals zittingen en behandelevaluaties, hetgeen haar situatie bemoeilijkt. Dit beeld van een gebrek aan ziektebesef en -inzicht heeft het hof waargenomen tijdens de mondelinge behandeling. De betrokkene geeft aan geen medicatie te willen en vertelt dat ze weg is gegaan tijdens een bespreking met de behandelaren. Duidelijk is geworden dat de betrokkene als gevolg van haar geestelijke toestand niet in staat is haar niet-vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen. Het is van belang dat een mentor haar belangen behartigt aangaande haar verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding. Dit geldt temeer nu er geen naasten van de betrokkene bekend zijn die de taak van de mentor op informele wijze zouden kunnen en willen overnemen. Nu niet is gebleken van concrete bezwaren tegen de (persoon van de) mentoren, zal het hof de bestreden beschikking op dit punt bekrachtigen.

3.4.10.

Anders dan de kantonrechter is het hof van oordeel dat er geen noodzaak is voor een onderbewindstelling. Namens de stichting is geen andere reden gegeven voor een onderbewindstelling dan dat er geen zicht is op de financiën van de betrokkene en dat er eerder een mentor niet zou zijn betaald. Het hof ziet hierin onvoldoende noodzaak voor een onderbewindstelling. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de betrokkene een uitgebreid en gedetailleerd overzicht gegeven van haar inkomsten en uitgaven. Namens de bewindvoerders is aangegeven dat dit overzicht klopt. Daarbij is niet gebleken van enige schulden, terwijl het bewind inmiddels acht maanden geleden is aangevangen. Het is het hof niet duidelijk geworden dat de betrokkene, als gevolg van haar lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel als gevolg van verkwisting of het hebben van problematische schulden, niet in staat is haar vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook vernietigen voor zover een bewind is ingesteld over de goederen die (zullen) toebehoren aan de betrokkene en bewindvoerders zijn benoemd, en het inleidende verzoek hiertoe alsnog afwijzen.

3.4.11.

Het hof merkt op dat ingevolge het bepaalde in artikel 1:384 jo. 1:448 lid 4 BW, indien een beschikking, waarbij bewind is uitgesproken, in hoger beroep of cassatie wordt vernietigd en het verzoek tot onderbewindstelling alsnog wordt afgewezen, de taak van de bewindvoerder daags na deze uitspraak een einde neemt. De inmiddels door de bewindvoerder of met zijn toestemming verrichte handelingen blijven voor de onder bewind gestelde verbindend.

3.5.

Beslist wordt als volgt.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond van 29 januari 2025, voor zover een bewind is ingesteld over de goederen die (zullen) toebehoren aan [de betrokkene], geboren op [geboortedatum] 1971 geboren te [geboorteplaats], Spanje en bewindvoerders zijn benoemd;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst alsnog af het verzoek van de Stichting [naam stichting] strekkende tot instelling van een bewind over alle goederen die aan [de betrokkene], geboren op [geboortedatum] 1971 geboren te [geboorteplaats], Spanje, toebehoren of zullen toebehoren;

bepaalt dat de bewindvoerder een vergoeding krijgt voor de aanvangswerkzaamheden, voor de periode dat het bewind is uitgevoerd en voor het opmaken van de eindrekening en -verantwoording, conform de in Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren vastgestelde forfaitaire bedragen;

bepaalt dat de bewindvoerder binnen twee maanden nadat het bewind is opgeheven de eindrekening en -verantwoording aflegt aan de rechthebbende en een – zo mogelijk door haar voor akkoord ondertekend – exemplaar ervan aan het Bewindsbureau van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond;

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor het overige;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Bossink, S.P.A. Wensink-Vergunst en K.A. Boshouwers is in het openbaar uitgesproken op 6 november 2025 in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Smolders, griffier.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.