Uitspraak · Personen- en familierecht

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 4 november 2025

ECLI:NL:GHSHE:2025:3089Zaaknummer 200.351.795_01

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
4 november 2025
Publicatiedatum
26 oktober 2026
Zaaknummer
200.351.795_01
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Hoger beroep
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Artikel 1:253a BW. Vervangende toestemming verhuizing. Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.

Het hof:

In het principaal en incidenteel hoger beroep:

vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 3 januari 2025 voor zover deze ziet op de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de vader en [kind] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar:

  • in de ene week van donderdagochtend 08.00 uur tot vrijdagavond 19.00 uur. De vader haalt [kind] op donderdagochtend op bij de moeder, de moeder haalt [kind] op vrijdagavond op bij de vader;
  • in de andere week van donderdagochtend 08.00 uur tot zondagmiddag 16.00 uur. De vader haalt [kind] op donderdagochtend op bij de moeder. De moeder haalt [kind] op zondagmiddag op bij de vader;
  • [kind] heeft in het weekend dat hij bij de ene ouder verblijft op zondagochtend van 11.00 uur tot 11.30 uur facetime contact met de andere ouder;
  • de vakanties en de feestdagen worden bij helfte verdeeld, nader in onderling overleg door partijen te regelen;
  • op zijn verjaardag verblijft [kind] bij de ouder waar hij op dat moment is tot 13.30 uur. Vanaf 13.30 uur tot 19.00 verblijft [kind] op zijn verjaardag bij de andere ouder.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking wat betreft de vervangende toestemming voor de verhuizing;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. S.P.A. Wensink-Vergunst, E.M.C. Dumoulin en M.A. Ossentjuk en is op 4 november 2025 door mr. E.M.C. Dumoulin uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het geding in eerste aanleg
  2. 2 Het geding in hoger beroep en (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep
  3. 3 De beoordeling
  4. 4 De beslissing

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 4 november 2025

Zaaknummer: 200.351.795/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/02/422402 / FA RK 24-2231

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder],

wonende op een bij het hof bekend adres,

verzoekster in principaal hoger beroep,

verweerster in incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. E. Sijnesael,

tegen

[de vader],

wonende te [woonplaats],

verweerder in principaal hoger beroep,

verzoeker in incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. R. Wouters.

Deze zaak gaat over de minderjarige [kind], geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats], hierna te noemen [kind].

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

hierna te noemen: de raad.

De zaak in het kort:

De rechtbank heeft aan de moeder vervangende toestemming verleend om met [kind] te verhuizen en er is een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld. De moeder kan zich niet vinden in de door de rechtbank vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en komt hiervan in hoger beroep. De vader komt (voorwaardelijk) in hoger beroep van de verleende vervangende toestemming voor de verhuizing.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 3 januari 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep en (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 21 februari 2025, is de moeder in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 3 januari 2025. De moeder heeft verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover het betreft de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en opnieuw rechtdoende de vader niet-ontvankelijk te verklaren in het verzoek om een zorgregeling vast te stellen, dan wel het verzoek af te wijzen. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de moeder haar subsidiaire verzoek gewijzigd, in die zin dat zij heeft verzocht – indien het hof van oordeel is dat er in afwijking van de voorlopige voorziening een zorgregeling moet worden vastgesteld – uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat de vader de ene week van donderdag 08.00 uur tot vrijdag 19.00 uur de zorg voor [kind] heeft en in de andere week van donderdag 08.00 uur tot zaterdag 19.00 uur. Kosten rechtens.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 29 april 2025, heeft de vader verzocht het hoger beroep van de moeder niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen. De vader heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld, voor zover een van de grieven van de moeder gegrond worden verklaard, en verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover het betreft de vervangende toestemming en opnieuw rechtdoende het verzoek van de moeder voor vervangende toestemming voor verhuizing met [kind] naar [plaats 1] en de inschrijving daar alsnog af te wijzen.

2.3.

Bij verweerschrift in incidenteel hoger beroep, ingekomen ter griffie op 12 juni 2025, heeft de moeder verzocht het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van de vader af te wijzen.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 september 2025. De zaak is gelijktijdig behandeld met de zaak met zaaknummer 200.355.463/01, gelet op de onderlinge samenhang. Er wordt in elke zaak bij afzonderlijke uitspraak beslist.

Op de mondelinge behandeling zijn gehoord:

  • de moeder, bijgestaan door mr. Sijnesael;
  • de vader, bijgestaan door mr. Wouters;
  • [vertegenwoordiger raad] namens de raad.
2.5.

Het hof heeft verder kennisgenomen van de inhoud van:

  • het V6-formulier van 12 maart 2025 met twee bijlagen, waaronder het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank op 10 oktober 2024;
  • een brief van de raad van 25 juni 2025, met als bijlage (een kopie van) het raadsrapport van 25 juni 2025;
  • het V6-formulier van mr. Sijnesael van 29 augustus 2025 met producties 1 en 2.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen zijn op 26 juni 2023 met elkaar gehuwd. Uit het huwelijk van partijen is de minderjarige [kind] geboren. Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [kind] uit.

3.2.

Er loopt een echtscheidingsprocedure tussen partijen bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, met zaaknummer C/02/420468 / FA RK 24-1376.

3.3.

Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 26 februari 2024 is in het kader van de voorlopige voorziening onder meer bepaald dat [kind] aan de moeder wordt toevertrouwd en dat de vader en [kind] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar eenmaal per week op dinsdag van 11.00 uur tot 19.00 uur, op donderdag van 09.00 uur tot 13.00 uur en op zaterdag dan wel zondag van 11.00 uur tot 19.00 uur, nader in onderling overleg door partijen te regelen.

3.4.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank de moeder toestemming verleend om met [kind] te verhuizen naar [plaats 1] en om [kind] in te schrijven op haar adres in [plaats 1]. De rechtbank heeft verder bepaald dat de vader en [kind] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar:

  • in de maanden januari en februari 2025 iedere woensdag van 09.00 uur tot donderdag 09.00 uur en de ene week op zaterdag van 11.00 uur tot 19.00 uur en de andere week op zondag van 11.00 uur tot 19.00 uur;
  • vanaf maart 2025 iedere woensdag van 09.00 uur tot donderdag 09.00 uur en één keer in de twee weken van vrijdag 19.00 uur tot zaterdag 19.00 uur;
  • vanaf april 2025 iedere woensdag van 09.00 uur tot donderdag 18.00 uur en één keer in de twee weken van vrijdag 19.00 uur tot zondag 19.00 uur, onder de voorwaarde dat de vader voor de weekendregeling op dat moment over een eigen woning beschikt. Als de vader in april 2025 nog niet over een eigen woning beschikt, dan blijft de weekendregeling van maart 2025 doorlopen en is [kind] in april iedere woensdag van 09.00 uur tot donderdag 18.00 en één keer in de twee weken van vrijdag 19.00 uur tot zaterdag 19.00 bij de vader;
  • vanaf mei 2025 de ene week van woensdag van 09.00 uur tot vrijdag 09.00 uur bij de vader en de andere week van woensdag 09.00 uur tot donderdag 18.00 uur en van vrijdag 19.00 uur tot zondag 19.00 uur onder de voorwaarde dat de vader op dat moment over een eigen woning beschikt. Als de vader in mei 2025 nog niet over een eigen woning beschikt, dan is [kind] in mei iedere woensdag van 09.00 uur tot donderdag 18:00 en één keer in de twee weken van vrijdag 19:00 uur tot zondag 19:00 bij de vader;
  • [kind] heeft in het weekend dat hij bij de ene ouder verblijft op zondagochtend van 11.00 uur tot 11.30 uur facetime contact met de andere ouder;
  • de ouder waar [kind] bij verblijft, brengt [kind] naar de andere ouder;
  • de vakanties en de feestdagen worden bij helfte verdeeld, nader in onderling overleg door partijen te regelen;
  • op zijn verjaardag verblijft [kind] bij de ouder waar hij op dat moment is tot 13.30 uur. Vanaf 13.30 uur tot 19.00 verblijft [kind] op zijn verjaardag bij de andere ouder.

Het meer of anders verzochte is afgewezen.

3.5.

Bij vonnis in kort geding van 15 mei 2025 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, is de moeder veroordeeld haar medewerking te verlenen aan nakoming van de zorgregeling tussen de vader en [kind] zoals vastgelegd in de beschikking van 3 januari 2025, met inachtneming van hetgeen is bepaald in rechtsoverweging 4.20. De voorzieningenrechter heeft de moeder veroordeeld om na betekening van dit vonnis aan de vader een dwangsom te betalen van € 500,00 voor ieder dagdeel of iedere dag dat zij niet aan de hierboven uitgesproken veroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt. Deze beslissing is uitvoerbaar bij voorraad bepaald.

De moeder heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld (zaaknummer 200.355.463/01).

3.6.

De moeder kan zich met de bestreden beschikking niet verenigen voor zover het betreft de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.7.

De moeder voert – samengevat – het volgende aan. De rechtbank heeft ten onrechte een zorgregeling tussen de vader en [kind] vastgelegd in de bestreden beschikking. In deze procedure over vervangende toestemming – een geschil op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) – had de rechtbank zich in de bestreden beschikking niet moeten uitlaten over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Er had een wijziging van de voorlopige voorziening moeten plaatsvinden of er had een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken moeten worden vastgelegd in de echtscheidingsprocedure.

Daarnaast heeft de rechtbank bij de vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken onvoldoende rekening gehouden met de belangen van [kind] en de moeder. [kind] is erg aan de moeder gehecht en door de beslissing van de rechtbank wordt deze band doorkruist. De tijd die de moeder en [kind] met elkaar hebben is veel beperkter dan de tijd die de vader en [kind] met elkaar hebben omdat de moeder gebruik moet maken van kinderopvang tijdens haar werktijden. Daarbij zorgt de huidige regeling voor praktische problemen, waardoor de moeder haar baan is verloren. Zij kan terugkeren bij haar voormalig werkgever, maar er moet een werkbare zorgregeling zijn en de moeder wil voldoende tijd met [kind] kunnen doorbrengen. De moeder hecht veel waarde aan het contact tussen de vader en [kind], maar het contact moet voor [kind] en beide ouders passend zijn.

In reactie op het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep voert de moeder aan dat er wel degelijk een noodzaak voor de verhuizing bestaat. De moeder had in [plaats 2] geen baan, geen netwerk en geen familie. Zij was ongelukkig en wilde terug naar haar familie en vrienden in [plaats 1]. De woning in [plaats 2] is inmiddels verkocht. De vader heeft een eigen woning in [woonplaats]. De moeder woont tijdelijk bij haar moeder. De moeder heeft door de verhuizing naar [plaats 1] de geografische afstand tussen de vader en [kind] niet vergroot. De afstand tussen [woonplaats] en [plaats 1] is nagenoeg gelijk aan die tussen [plaats 2] en [woonplaats].

3.8.

De vader voert – samengevat – het volgende aan. Hij heeft altijd het standpunt ingenomen dat er alleen toestemming kan worden verleend voor de verhuizing als er een regeling is voor de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken na de verhuizing. Tijdens de mondelinge behandeling op 10 oktober 2024 heeft de vader voorwaardelijk ingestemd met een verhuizing. Hij heeft nadien een verzoek gedaan om een zorgregeling te bepalen overeenkomstig hetgeen partijen waren overeengekomen. Er is dus wel degelijk een zelfstandig verzoek door de vader ingediend.

De vader werkt als ZZP-er en heeft zijn werk omgegooid om voor [kind] te kunnen zorgen. De vader wil net als de moeder graag tijd met [kind] doorbrengen. Een concrete regeling biedt rust en duidelijkheid, maar de moeder wil de regeling steeds veranderen. Sinds het vonnis in kort geding wordt de regeling door de moeder nagekomen. De moeder kiest ervoor om te verhuizen, dan zal zij ook de consequenties moeten ervaren. Het halen en brengen is hier onderdeel van.

Er is geen noodzaak voor de moeder om te verhuizen, de verhuizing is niet doordacht en niet voorbereid. De moeder heeft op dit moment nog steeds geen eigen woning in de omgeving van [plaats 1]. De moeder denkt totaal niet na over de gevolgen van een verhuizing en staat er niet open voor om afspraken met de vader over de zorgregeling te maken. Communicatie en hulpverlening wordt door de moeder afgewezen.

3.9.

De raad adviseert het hof een beslissing te nemen over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de vervangende toestemming tot verhuizing, zodat de nog in te schakelen hulpverlening effectiever te werk kan gaan. Het gaat om het belang van [kind], niet om wat voor de ouders het beste uitkomt. De raad adviseert de ouders aan de slag te gaan met hulpverlening, zodat zij in de toekomst hopelijk beter kunnen samenwerken. Een concrete regeling biedt duidelijkheid.

3.10.

Het hof overweegt als volgt.

Rechtsmacht en toepasselijk recht

3.10.1.

De zaak heeft een internationaal karakter omdat de moeder de Nederlandse nationaliteit heeft en de vader de Turkse nationaliteit.

3.10.2.

Het hof is, na dit ambtshalve te hebben onderzocht, van oordeel dat de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht heeft. Het hof beoordeelt de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 lid 1 van Verordening (EU) 2019/1111 van 25 juni 2019 (hierna: Brussel II-ter). Op grond van de hoofdregel van artikel 7 Brussel II-ter zijn in zaken van ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt. Omdat de gewone verblijfplaats van [kind] altijd in Nederland is geweest, is de Nederlandse rechter bevoegd.

3.10.3.

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking Nederlands recht toegepast. Daartegen zijn geen grieven gericht, zodat ook het hof Nederlands recht zal toepassen.

Ontvankelijkheid

3.10.4.

De moeder heeft de rechtbank verzocht vervangende toestemming te verlenen voor haar verhuizing met [kind] naar [plaats 1]. De moeder heeft dit verzoek niet als nevenvoorziening in de echtscheidingsprocedure gedaan, maar zij is een afzonderlijke procedure gestart op grond van artikel 1:253a BW. Anders dan de moeder acht het hof het toegestaan dat in onderhavige procedure over de vervangende toestemming tot verhuizing ook is geoordeeld over het verzoek van de moeder tot verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en het (zelfstandig) verzoek van de vader hierover, zoals beide ouders hebben ingediend in reactie op het raadsrapport van 8 november 2024. Het hof overweegt daartoe dat in artikel 1:253a BW onder het tweede lid, onder a, uitdrukkelijk is opgenomen dat de rechtbank op verzoek van (een van) de ouders een regeling kan vaststellen over de uitoefening van het ouderlijk gezag, welke regeling een toedeling aan de ouders van de zorg- en opvoedingstaken kan bevatten. Verder moet bij de toetsing van een verzoek tot verhuizing onder meer rekening worden gehouden met de verdeling van de zorgtaken. Het vorenstaande betekent dat de grief van de moeder dat de rechtbank ten onrechte een zorgregeling tussen de vader en [kind] heeft vastgelegd in de bestreden beschikking omdat tijdens de echtscheidingsprocedure niet op grond van artikel 1:253a BW de zorgregeling kan worden gewijzigd of vastgesteld, faalt.

Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

3.10.5.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft het hof uitgebreid met partijen gesproken over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. De vader heeft inmiddels een eigen woning in [woonplaats] zodat de geldende regeling is de ene week van woensdag van 09.00 uur tot vrijdag 09.00 uur bij de vader en de andere week van woensdag 09.00 uur tot donderdag 18.00 uur en van vrijdag 19.00 uur tot zondag 19.00 uur. Gelet op de jonge leeftijd van [kind] is het belangrijk dat hij met beide ouders voldoende contact heeft, maar in de huidige regeling loopt de moeder tegen praktische problemen aan. Er is geen reden om het contact tussen de vader en [kind] te beperken. [kind] gaat nog niet naar school en de vader kan het zo organiseren met zijn werk dat hij de zorg voor [kind] ook op twee doordeweekse dagen kan dragen. Niet in geschil is dat er een goed contact is tussen de vader en [kind]. Het is begrijpelijk dat de moeder [kind] mist als hij bij de vader is, maar het hof is van oordeel dat het belang van [kind] prevaleert. Alles afwegende komt het hof daarom tot de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken:

  • [kind] verblijft in de ene week van donderdagochtend 08.00 uur tot vrijdagavond 19.00 uur bij de vader. De vader haalt [kind] op donderdagochtend op bij de moeder, de moeder haalt [kind] op vrijdagavond op bij de vader.
  • in de andere week verblijft [kind] van donderdagochtend 08.00 uur tot zondagmiddag 16.00 uur bij de vader. De vader haalt [kind] op donderdagochtend op bij de moeder. De moeder haalt [kind] op zondagmiddag op bij de vader.
3.10.6.

Zoals tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is gebleken hebben de ouders moeite om samen afspraken te maken over, in dit geval, de (reguliere) verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Het hof geeft de ouders mee dat het hen beiden kan helpen om met hulp van professionele begeleiding hierover in gesprek te gaan. Dit is niet alleen nu in het belang van [kind], maar ook van belang voor de toekomst. Beide ouders hebben tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep toegezegd, ongeacht de beslissing van het hof over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, op dit gebied hulp te accepteren.

Vervangende toestemming

3.10.7.

Omdat het hof de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zal wijzigen, komt het hof toe aan het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van de vader dat ziet op de vervangende toestemming voor de verhuizing van de moeder en [kind] naar [plaats 1]. Inmiddels is gebleken dat de woning in [plaats 2] is verkocht en dat de vader is verhuisd naar [woonplaats]. Naar het oordeel van het hof heeft de vader in het licht van deze (gewijzigde) situatie niet voldoende toegelicht waarom hij vindt dat de moeder en [kind] in [plaats 2] moeten blijven wonen en niet mogen verhuizen. Het hof wijst het incidenteel hoger beroep van de vader af.

Conclusie

3.11.

Op grond van het voorgaande zal het hof de beschikking waarvan beroep vernietigen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, daarom uitsluitend voor zover deze ziet op de (reguliere) verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Omwille van de duidelijkheid zal het hof hierna de zorgregeling in het geheel opnemen in het dictum.

Het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep van de vader zal het hof afwijzen en de bestreden beschikking op dit punt bekrachtigen

3.12.

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, gelet op de relatie waarin partijen tot elkaar staan.

4 De beslissing

Het hof:

In het principaal en incidenteel hoger beroep:

vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 3 januari 2025 voor zover deze ziet op de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de vader en [kind] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar:

  • in de ene week van donderdagochtend 08.00 uur tot vrijdagavond 19.00 uur. De vader haalt [kind] op donderdagochtend op bij de moeder, de moeder haalt [kind] op vrijdagavond op bij de vader;
  • in de andere week van donderdagochtend 08.00 uur tot zondagmiddag 16.00 uur. De vader haalt [kind] op donderdagochtend op bij de moeder. De moeder haalt [kind] op zondagmiddag op bij de vader;
  • [kind] heeft in het weekend dat hij bij de ene ouder verblijft op zondagochtend van 11.00 uur tot 11.30 uur facetime contact met de andere ouder;
  • de vakanties en de feestdagen worden bij helfte verdeeld, nader in onderling overleg door partijen te regelen;
  • op zijn verjaardag verblijft [kind] bij de ouder waar hij op dat moment is tot 13.30 uur. Vanaf 13.30 uur tot 19.00 verblijft [kind] op zijn verjaardag bij de andere ouder.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking wat betreft de vervangende toestemming voor de verhuizing;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. S.P.A. Wensink-Vergunst, E.M.C. Dumoulin en M.A. Ossentjuk en is op 4 november 2025 door mr. E.M.C. Dumoulin uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.