Uitspraak · Strafrecht
Gerechtshof Den Haag, 21 oktober 2026
ECLI:NL:GHDHA:2026:3104Zaaknummer 22-001695-25
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 21 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 27 oktober 2026
- Zaaknummer
- 22-001695-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Hoger beroep
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Invoeren van goederen van krokodillenleer uit Thailand naar Nederland zonder vereiste invoervergunning, art. 3.37 Wet natuurbescherming. Vrijspraak opzet. Verwerping avas-verweer.
Het hof:
Vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking d.d. 11 februari 2021, onder CJIB nummer [nummer].
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het impliciet primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het impliciet subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 300,00 (driehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 3 (drie) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit arrest is gewezen door mr. K. Versteeg, voorzitter, mr. A. de Lange en mr. G.J.K. Elsen, leden, in bijzijn van de griffier mr. C. Hol.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 21 oktober 2026.
Mr. A. de Lange is buiten staat dit arrest te ondertekenen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
PROMIS
Rolnummer: 22-001695-25
Parketnummer: 83-030964-21
Datum uitspraak: 21 oktober 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de economische kamer van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Rotterdam van 10 mei 2022 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [plaats] op [dag] 1970,
[adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en -na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden- het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het impliciet primair, als misdrijf, tenlastegelegde veroordeeld tot een geldboete van € 500,00, subsidiair tien dagen hechtenis, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Dit gerechtshof heeft – in een andere samenstelling – de verdachte bij arrest van 8 februari 2024 (onder rolnummer 22-001445-22) - met vernietiging van de eerder uitgevaardigde strafbeschikking, alsmede met vernietiging van het vonnis - ter zake van het impliciet primair, als misdrijf, tenlastegelegde veroordeeld tot een geldboete van € 500,00, subsidiair tien dagen hechtenis, voorwaardelijk, met een proeftijd van één jaar.
Namens de verdachte is tegen dat arrest beroep in cassatie ingesteld.
De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 27 mei 2025 voornoemde uitspraak van het hof vernietigd en de zaak teruggewezen naar dit gerechtshof, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan. Daarbij heeft de Hoge Raad - kort gezegd - geoordeeld dat het hof ontoereikend heeft gemotiveerd dat het opzet van de verdachte was gericht op het zonder invoervergunning binnenbrengen van de in de tenlastelegging genoemde goederen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 7 december 2019 tot en met 22 januari 2020 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, al dan niet opzettelijk, heeft gehandeld in strijd met bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen, immers heeft hij gehandeld in strijd met artikel 4 van de CITES-Basisverordening 338/97, door
-één paar schoenen vervaardigd van krokodillenleer ( Crocodylus slamensis) en/of
-één riem vervaardigd van krokodillenleer ( Crocodylus slamensis) en/of
-één gesp vervaardigd van krododillenleer ( Crocodylus slamensis) en/of
-één pasjeshouder geheel of gedeeltelijk vervaardigd van krokodillenleer ( Crocodylus slamensis), althans specimens van in bijlage A bij deze verordening genoemde soorten in de Gemeenschap heeft binnengebracht, zonder dat een invoervergunning was voorgelegd die afgegeven had moeten worden door een administratieve instantie van de Lid- Staat van bestemming, te weten de Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland in Nederland;
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het impliciet primair, als misdrijf, tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 250,00, subsidiair vijf dagen hechtenis, voorwaardelijk, met een proeftijd van één jaar.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Vrijspraak
Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte opzettelijk heeft gehandeld in strijd met bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen, door de in de tenlastelegging bedoelde schoenen, riem, gesp en pasjeshouder geheel of gedeeltelijk vervaardigd van krokodillenleer zonder invoervergunning in de Gemeenschap binnen te brengen. Het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting bieden onvoldoende steun voor het oordeel dat het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte gericht is geweest op het ontbreken van de betreffende invoervergunning. Niet kan worden vastgesteld dat de verdachte met zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de tenlastegelegde goederen zonder dat een invoervergunning was voorgelegd die afgegeven had moeten worden door een administratieve instantie van de Lidstaat van bestemming, in de Gemeenschap zouden worden binnengebracht.
Derhalve dient de verdachte te worden vrijgesproken van het aan hem impliciet primair, als misdrijf, tenlastegelegde.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het impliciet subsidiair, als overtreding, tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij in of omstreeks de periode van 7 december 2019 tot en met 22 januari 2020 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, al dan niet opzettelijk, heeft gehandeld in strijd met bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen, immers heeft hij gehandeld in strijd met artikel 4 van de CITES-Basisverordening 338/97, door
-één paar schoenen vervaardigd van krokodillenleer (Crocodylus siamensis) en/of
-één riem vervaardigd van krokodillenleer (Crocodylus siamensis) en/of
-één gesp gedeeltelijk vervaardigd van krokodillenleer (Crocodylus siamensis) en/of
-één pasjeshouder geheel of gedeeltelijk vervaardigd van krokodillenleer (Crocodylus siamensis), althans specimens van in bijlage A bij deze verordening genoemde soorten in de Gemeenschap heeft binnengebracht, zonder dat een invoervergunning was voorgelegd die afgegeven had moeten worden door een administratieve instantie van de Lidstaat van bestemming, te weten de Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland in Nederland;
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Nadere bewijsoverwegingen, bespreking van verweren en een voorwaardelijk getuigenverzoek
Gevoerde verweren
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep onder verwijzing naar de tijdens de vorige, aan de cassatieprocedure voorafgegane, behandeling van de zaak in hoger beroep overgelegde pleitnota aangevoerd dat de verdachte een beroep op afwezigheid van alle schuld toekomt.
Voorts heeft zij betoogd dat geen sprake is van functioneel daderschap nu de verdachte niet heeft aanvaard dat de invoer zonder vergunning plaatsvond.
Feiten en omstandigheden
Het hof gaat op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting uit van het navolgende.
Tijdens een verblijf in Thailand in 2019 heeft de verdachte een paar krokodillen leren schoenen gekocht bij [bedrijf] te Bangkok. Deze schoenen moesten nog worden gemaakt en zouden samen met andere door de verdachte in Thailand gekochte goederen naar Nederland verscheept worden. Bij de prijs inbegrepen waren een van krokodillenleer vervaardigde riem met gesp, een met krokodillenleer vervaardigde gesp en een van krokodillenleer vervaardigde pasjeshouder (deze goederen en die schoenen hierna gezamenlijk te noemen: de goederen). Op 28 oktober 2019 is de creditcard van de verdachte gedebiteerd voor 30.000 Thaise bath (p. 81 dossier) ten behoeve van [bedrijf] te Bangkok. In het dossier bevindt zich een document, afgegeven door de Thaise autoriteiten op 12 november 2019 en gedagtekend 16 januari 2020 (p. 24 dossier).
Hierop is onder meer vermeld:
Export
[verdachte]
Freshwater crocodile
Crocodylus siamensis Shoes
Countri of origin Thailand.
Op 7 december 2019 is een container met daarin een pakket met de goederen in Rotterdam binnengekomen. Op 31 januari 2020 is namens de verdachte een zogeheten retrospectieve Aanvraag CITES-vergunning ingediend bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Bij beslissing van 27 maart 2020 is de aanvraag van de CITES-vergunning door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland afgewezen.
Afwezigheid van alle schuld
Ter onderbouwing van het standpunt dat sprake is van afwezigheid van alle schuld is door de verdediging bij pleidooi - kort gezegd - aangevoerd dat de verdachte verontschuldigbaar heeft gedwaald. Niet alleen heeft de verdachte vooraf informatie verzameld over de (winkel van) verkoper (middels aanbevelingen van lokale vrienden, vermelding in een reisgids en positieve internetreviews), de verdachte is bovendien - zo heeft de raadsvrouw naar voren gebracht met een beroep op het zich bij de stukken bevindende schriftelijke “statement” in de Engelse taal van de verkoper - afgegaan op de toezegging van de verkoper dat deze zou zorgdragen en ook verantwoordelijk was voor het organiseren van de juiste vergunningen.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep in dat kader verklaard dat de verkoper in de winkel hem een boekwerk had laten zien met daarin een overzicht van krokodillensoorten en de (invoer) vereisten die daar per land voor gelden. Ook heeft de verdachte -aldus zijn ter terechtzitting afgelegde verklaring- een app van de Nederlandse douane geraadpleegd waar hij - naar eigen zeggen - nadat hij op een plaatje van een krokodil klikte, las dat hij “een vergunning” nodig had, die naar hij (dus) aannam door de verkoper zou worden geregeld, en dat hij er op heeft vertrouwd dat de verkoper het goed zou regelen, aldus de verdachte. Hij wist niet meer of hij de douane-app voor of na de aankoop had geraadpleegd.
Het hof overweegt dat de verdachte had behoren te weten dat import van goederen, gemaakt van een beschermde diersoort, aan beperkingen is onderworpen. Van hem mag worden verwacht dat hij zich voldoende op de hoogte stelt van de geoorloofdheid van de voorgenomen invoer van dergelijke goederen. Dat verdachte zich zeer bewust was van importrestricties blijkt uit zijn verklaringen. Zo heeft de verdachte zelf verklaard dat hij tegen de verkoper zou hebben gezegd dat hij in Nederland woont en dat Nederland streng is met de invoer van bedreigde diersoorten (p. 18 dossier) en ter terechtzitting bij het hof heeft de verdachte verklaard dat hij zich in Thailand al realiseerde dat er mogelijk restricties zaten op de invoer van krokodillenleer.
Gegeven de complexiteit van de betreffende de wet- en regeling die ziet op het in de Gemeenschap binnenbrengen van de in de bewezenverklaring genoemde producten, ter zake waarvan de verdachte niet geldt als deskundige, had het op de weg van de verdachte gelegen zelf meer onderzoek te doen naar de onderwerpelijke wet- en regelgeving en de daaruit voortvloeiende vereisten dan hij blijkens zijn hiervoor aangehaalde verklaringen heeft gedaan. Het enkele raadplegen van de douane-app beschouwt het hof in dat kader onvoldoende en de verdachte kon zich evenmin verlaten op informatie van lokale vrienden, een vermelding van de winkel in een reisgids en het raadplegen van reviews op het internet. Dat de verdachte zich ter plaatse door de verkoper heeft laten informeren over het product en de (invoer)vereisten die per land gelden, maakt dat oordeel niet anders. Geenszins heeft de verdachte hieraan het vertrouwen kunnen ontlenen dat de verkoper een expert was op het gebied van de CITES-bepalingen. Naar het oordeel van het hof viel aan de verkoper, die bovendien een commercieel belang had, niet een zodanig gezag toe te kennen dat de verdachte in redelijkheid op de mededelingen van hem mocht afgaan.
Daarnaast had de verdachte zich er, ondanks de toezegging van de verkoper dat de winkel de vergunning(en) zou verzorgen, minst genomen ervan moeten vergewissen of de betreffende benodigde (invoer)vergunning was afgegeven alvorens de goederen te (laten) verschepen, bijvoorbeeld door voor verscheping rechtstreeks contact op te nemen met de ter zake kundige Nederlandse autoriteiten of door dit bij de verkoper na te gaan. Immers, is de verdachte normadressaat van de bepaling waarop de bewezenverklaarde tenlastelegging is toegesneden. Hij, en niet de verkoper, was degene die de goederen zou invoeren in Nederland. De verdachte heeft aldus niet de maximaal te vergen zorg betracht met het oog op het voorkomen van het binnenbrengen van de goederen in de gemeenschap zonder dat een invoervergunning was voorgelegd.
Het beroep op verontschuldigbare dwaling - en dus afwezigheid van alle schuld - wordt mitsdien verworpen.
Functioneel daderschap
Ook het verweer met betrekking tot het functioneel daderschap kan naar het oordeel van het hof niet slagen.
Uit hetgeen in het voorgaande is overwogen, volgt immers dat de verdachte er op heeft vertrouwd dat de verkoper zou zorgdragen voor de vereiste vergunning(en), maar dat hij zich er niet van heeft vergewist dat de vereiste (invoer)vergunning was afgegeven alvorens de goederen te (laten) verschepen, terwijl van hem wel mag worden verwacht dat hij zich voldoende op de hoogte stelt van de geoorloofdheid van de voorgenomen invoer van goederen. Aldus heeft de verdachte niet de zorg betracht die in redelijkheid van hem kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de tenlastegelegde gedraging.
Het hof verwerpt het verweer.
Voorwaardelijk getuigenverzoek
De raadsvrouw van de verdachte heeft - overeenkomstig haar overgelegde pleitnota (randnummer 36.) - het voorwaardelijk verzoek gedaan om [verkoper], de verkoper, als getuige te horen. De pleitnota houdt in:
“36. De situatie wordt echter fundamenteel anders indien uw hof op een voor de
bewezenverklaring of het beroep op AVAS wezenlijk punt niet van die verklaringen [hof: van [verkoper] wenst uit te gaan. De verdediging formuleert het daarom aldus, dat indien uw hof de
schriftelijke verklaringen van [verkoper] niet geloofwaardig of onvoldoende
betrouwbaar acht, dan wel niet aannemelijk acht dat [verkoper] v66r de
verzending aan cliënt heeft toegezegd dat hij, althans zijn winkel, de voor invoer in
Nederland vereiste vergunning zou verzorgen, dan wel niet aannemelijk acht dat cliënt
op grond van die toezegging ervan is uitgegaan dat de goederen niet zonder de vereiste
invoervergunning zouden worden verzonden, de verdediging verzoekt het onderzoek
niet te sluiten, althans het onderzoek te heropenen, en als getuige te
horen, al dan niet op afstand, alvorens einduitspraak te doen.”
De voorwaarden zoals gesteld bij het voorwaardelijk gedane verzoek tot het horen van deze getuige zijn niet vervuld, zodat het hof op dat verzoek geen beslissing hoeft te nemen. Het hof wil uitgaan van de juistheid van de bedoelde schriftelijke verklaring van [verkoper] (de hiervoor genoemde “statement”) en aannemen dat [verkoper] aan de verdachte heeft toegezegd hij de vereiste vergunning zou verzorgen en dat de verdachte op grond van die toezegging ervan is uitgegaan dat de goederen niet zonder de vereiste invoervergunning zouden worden verzonden. Echter, dat neemt niet weg dat de verdachte niet de zorg heeft betracht die van hem kon worden gevergd, zoals bovenbedoeld.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het impliciet subsidiair bewezenverklaarde levert op:
overtreding van een voorschrift, gesteld bij of krachtens artikel 3.37 eerste lid, van de Wet natuurbescherming.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft goederen, vervaardigd van/met leer van een gekweekte variant van een bedreigde diersoort in Nederland gebracht zonder dat hij daarvoor de vereiste invoervergunning had. Daarbij heeft de verdachte onvoldoende oog gehad voor de wettelijke voorschriften ter regulering van de invoer van producten van bedreigde diersoorten.
Dat is een strafbaar feit, waarvoor in beginsel oplegging van een geheel onvoorwaardelijke geldboete passend is. In dat verband neemt het hof in aanmerking dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelwijze.
Het hof heeft voorts acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 22 september 2026 waaruit blijkt dat hij geen andere veroordelingen voor soortgelijke feiten op zijn naam heeft staan.
Gelet op het feit dat de schoenen, die een aanzienlijke waarde vertegenwoordigen, en de overige goederen waarschijnlijk inmiddels zijn vernietigd en de overige persoonlijke omstandigheden, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken, is het hof van oordeel dat kan worden volstaan met een geheel voorwaardelijke geldboete, als waarschuwing aan de verdachte om zich in de toekomst op de hoogte te stellen van de vigerende regelgeving en zich daaraan te houden. Gegeven de ernst van het bewezenverklaarde feit kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met de toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
Gelet op het tijdsverloop en de relatieve ouderdom van het bewezenverklaarde feit zal worden volstaan met een proeftijd van één jaar.
Het hof heeft bij het bepalen van de hoogte van de geldboete rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.
Ten slotte overweegt het hof dat naar zijn oordeel - anders dan de door de raadsvrouw is bepleit - geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van berechting
in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Daarbij neemt het hof het volgende in aanmerking.
Als aanvangsmoment van de redelijke termijn van berechting geldt naar het oordeel van het hof 12 mei 2021, de datum waarop de parketsecretaris van het Openbaar Ministerie aan de toenmalige raadsvrouw per e-mail berichtte dat de verdachte zal worden opgeroepen om
voor de Economische Politierechter te verschijnen om de zaak inhoudelijk af te doen indien niet binnen drie wegen na genoemde datum verzetsgronden worden ingediend.
De procedure in eerste aanleg is op 10 mei 2022 - en aldus binnen 2 twee jaren na aanvang van de redelijke termijn - afgerond met een eindvonnis, zodat bedoelde termijn in eerste aanleg niet is overschreden.
Vervolgens in namens de verdachte op 23 mei 2022 hoger beroep ingesteld.
In hoger beroep heeft het hof binnen twee jaren op 8 februari 2024 einduitspraak gedaan, zodat in die fase van het geding evenmin sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van berechting.
Daarna is namens de verdachte op 13 februari 2024 beroep in cassatie ingesteld.
De Hoge Raad heeft vervolgens binnen twee jaren, op 27 mei 2025, uitspraak gedaan, waarna dit hof - na terugwijzing van de zaak en na ontvangst van het dossier ter griffie op 4 juni 2025 - op 21 oktober 2026 einduitspraak doet, zodat ook in die procesfase geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van berechting.
Daaraan voegt het hof toe dat geen sprake is van een geval waarin de totale duur van het geding zodanig is dat een inbreuk op art. 6, eerste lid, EVRM moet worden aangenomen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 63 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 3.37 van de Wet natuurbescherming, artikel 3.14 van de Regeling natuurbescherming en artikel 4 en bijlage A4 van de Basisverordening EG nr. 338/97, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking d.d. 11 februari 2021, onder CJIB nummer [nummer].
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het impliciet primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het impliciet subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 300,00 (driehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 3 (drie) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit arrest is gewezen door mr. K. Versteeg, voorzitter, mr. A. de Lange en mr. G.J.K. Elsen, leden, in bijzijn van de griffier mr. C. Hol.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 21 oktober 2026.
Mr. A. de Lange is buiten staat dit arrest te ondertekenen.
Wetsartikelen in deze uitspraak
- Artikel 9a Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 6 EVRM meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 14a Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 14b Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 14c Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 23 Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 24 Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 24c Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 63 Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 1a WED meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 2 WED meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 6 WED meer uitspraken over dit artikel
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:HR:2025:811 http://psi.rechtspraak.nl/terugverwijzing
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.