Uitspraak · Personen- en familierecht

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 20 oktober 2026

ECLI:NL:GHARL:2026:6750Zaaknummer 200.364.258/01

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20 oktober 2026
Publicatiedatum
27 oktober 2026
Zaaknummer
200.364.258/01
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Hoger beroep
Zittingsplaats
Leeuwarden
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Inperking van de zorgregeling met de vader tijdens de ondertoezichtstelling. Jarenlang patroon van emotionele belasting door de vader. Door de minderjarige uitgesproken wens om evenveel bij beide ouders en dus minder bij de moeder te willen zijn moet worden gezien in het licht van het loyaliteitsconflict waarvan hij last heeft.

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 19 december 2025;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, mr. F. van der Meulen en mr. E.F. Groot, bijgestaan door mr. D.M. Welbergen als griffier, en is op 20 oktober 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Samenvatting
  2. 2 De feiten
  3. 3 De procedure bij de rechtbank
  4. 4 De procedure bij het hof
  5. 5 Het oordeel van het hof
  6. 6 De beslissing

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.364.258/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 202532)

beschikking van 20 oktober 2026

over de zorgregeling van [de minderjarige]

in de zaak van

[verzoekster] (de vader),

die woont in [woonplaats1],

advocaat: mr. M.R. Rauwerda te Leeuwarden,

en

de gecertificeerde instelling

Regiecentrum Bescherming en Veiligheid (de GI),

gevestigd te Leeuwarden,

en

[verweerster] (de moeder),

die woont in [woonpaats2] ,advocaat mr. H.D. Postma te Leeuwarden.

Als adviseur van het gerechtshof

de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad)regio Noord Nederland, locatie Leeuwarden.

1 Samenvatting

De rechtbank heeft de zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige] ingeperkt. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2 De feiten

2.1.

De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige]. Hij is geboren [in] 2017. De ouders zijn na een relatie van zeventien jaar enkele maanden na de geboorte van [de minderjarige] uit elkaar gegaan. [de minderjarige] heeft zijn hoofdverblijf bij de moeder. De ouders oefenen samen het gezag uit over [de minderjarige]. Sinds 2018 is de communicatie tussen de ouders moeizaam en is het [teamnaam] betrokken geraakt. In de eerste levensjaren van [de minderjarige] was er beperkt omgang tussen de vader en [de minderjarige].

2.2.

[de minderjarige] staat sinds 11 november 2020 onder toezicht van de GI. De huidige termijn van de ondertoezichtstelling loopt tot 11 november 2026. De GI is van plan geen verlenging te vragen, omdat het gedwongen kader niets meer toevoegt voor [de minderjarige]. De raad moet dit besluit nog toetsen.

2.3.

Bij beschikking van 10 maart 2021 heeft de rechtbank een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders (de zorgregeling) vastgesteld die inhield dat [de minderjarige], na een opbouw, met ingang van 10 juli 2021 iedere woensdag van 9.00 uur tot 17.00 uur en eenmaal per veertien dagen van zaterdag 9.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de vader verbleef.

2.4.

Met de betrokken hulpverlening en in overleg met de GI hebben de ouders de zorgregeling per september 2024 gewijzigd en afgesproken dat [de minderjarige] vanaf toen afwisselend twee weken achter elkaar bij de moeder en twee weken achter elkaar bij de vader zou zijn.

2.5

[de minderjarige] is het enige kind van de vader. De moeder is in 2021 een geregistreerd partnerschap aangegaan met haar huidige partner. Uit dit partnerschap zijn twee dochters geboren.

3 De procedure bij de rechtbank

3.1.

De GI heeft de kinderrechter op 3 november 2025 verzocht de zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige] in te perken.

3.2.

De kinderrechter heeft het verzoek van de GI toegewezen en de zorgregeling als volgt gewijzigd:

- [de minderjarige] verblijft één keer in de twee weken op zaterdag na de voetbalwedstrijd van

[de minderjarige] tot dinsdagmorgen voor school bij de vader, alsmede gedurende de helft van de vakanties, waarbij de GI de regie krijgt over de verdeling wanneer de ouders daarover onderling niet tot overeenstemming komen;

- de moeder brengt [de minderjarige] op zaterdag na de voetbalwedstrijd bij de vader en als [de minderjarige] geen wedstrijd heeft om 11:00 uur.

3.3.

Deze beslissing is vastgelegd in een beschikking van 19 december 2025, hierna te noemen: de bestreden beschikking.

4 De procedure bij het hof

4.1.

De vader is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij wil het liefst dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt en het verzoek van de GI alsnog afwijst. Als het hof dat niet direct doet wil de vader dat het hof de beslissing over de zorgregeling aanhoudt en de Raad een onderzoeksopdracht geeft.

4.2.

De GI is het eens met de beslissing van de rechtbank en wil dat het hof de beslissing in stand laat.

4.3.

De moeder wil ook dat de beslissing van de rechtbank in stand blijft.

4.4.

Het gerechtshof heeft de volgende stukken ontvangen:

 het beroepschrift ontvangen op 26 januari 2026

  • het verweerschrift van de GI
  • het verweerschrift van de moeder
  • de brief van de Raad van 3 februari 2026, waarin de Raad zich afmeldt voor de zitting
  • de stukken van de vader ingediend op 23 en 27 februari 2026, 13 maart 2026 en

17 april 2026

  • de stukken van de GI ingediend op 16 april 2026
  • de stukken van de moeder ingediend op 17 april 2026 en 14 en 24 augustus 2026.
4.5.

[de minderjarige] heeft op 24 augustus 2026 gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof. Hij heeft verteld wat hij vindt van de wijziging van de zorgregeling.

4.6.

De mondelinge behandeling is op 27 augustus 2026 begonnen. Verschenen zijn:

- de advocaat van de vader;

- de moeder met haar advocaat;

- twee vertegenwoordigers van de GI.

In verband met afwezigheid van de vader wegens ziekte is de behandeling van de zaak ter zitting aangehouden.

4.7.

De mondelinge behandeling is op 22 september 2026 voortgezet. Verschenen zijn:

- de vader met zijn advocaat;

- de moeder met haar advocaat;

- twee vertegenwoordigers van de GI.

5 Het oordeel van het hof

5.1.

In de wet staat dat de kinderrechter voor de duur van de ondertoezichtstelling op verzoek van de gecertificeerde instelling een zorgregeling kan vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is (artikel 1:265g, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek).

5.2.

In de verlengingsbeschikking van 25 april 2025 over de ondertoezichtstelling die gold toen de GI dit verzoek deed, staan de volgende concrete bedreigingen in de ontwikkeling van [de minderjarige] opgenomen:

- de vader accepteert de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken niet. Als gevolg daarvan ontstaat onrust waardoor [de minderjarige] wordt belast;

- de vader belast [de minderjarige] met volwassen zaken en emoties, waardoor het risico bestaat dat [de minderjarige] in een loyaliteitsconflict terechtkomt.

5.3.

De kinderrechter heeft de door de GI gevraagde inperking van de zorgregeling met de vader in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk geacht. Het hof vindt dat een goede beslissing. Het hof acht zich voldoende voorgelicht om tot die conclusie te kunnen komen en ziet geen noodzaak om een nader onderzoek te gelasten. [de minderjarige] staat al bijna zes jaar onder toezicht van de jeugdbescherming. Via de GI en de door de GI ingezette hulpverlening (gezinscoach, jeugdcoach, speltherapie) is voldoende zicht gekomen op de ontwikkeling van [de minderjarige] en de zorgregeling. Bovendien zal nader onderzoek de onduidelijkheid over de zorgregeling bij [de minderjarige] opnieuw doen toenemen en dat vindt het hof niet in zijn belang. Verdere onzekerheid over de zorgregeling zou zijn emotionele belasting alleen maar vergroten en nog meer klachtgedrag in de hand kunnen werken. De vader heeft in hoger beroep niets aangevoerd dat aanleiding geeft om anders te beslissen dan de kinderrechter heeft gedaan. De beslissing van de kinderrechter zal in stand blijven (worden bekrachtigd), met dien verstande dat het hof heeft gezien dat de door de kinderrechter gewijzigde afspraken van de ouders over de zorgregeling niet in september 2025 maar in september 2024 zijn gemaakt. De kinderrechter heeft haar beslissing inhoudelijk gedegen gemotiveerd. Het hof kan zich in die motivering vinden en neemt die - na eigen onderzoek - over. In aanvulling daarop overweegt het hof nog als volgt.

5.4.

Het hof vindt de situatie van [de minderjarige] en het aandeel van de vader daarin nog steeds heel zorgelijk. Het hof heeft het eerder door de kinderrechter in verschillende beschikkingen beschreven patroon bij de vader in hoger beroep bevestigd gezien. De vader heeft nog altijd onvoldoende inzicht in zijn eigen aandeel en zoekt de oorzaak van de (gedrags)problemen (van [de minderjarige]) bij de moeder. De vader werkt onvoldoende mee aan de benodigde hulpverlening en komt gemaakte afspraken niet na. De vader zoekt steeds weer de grenzen van de moeder en de hulpverlening op en overschrijdt deze ook. Ook na de bestreden beschikking blijft de vader, in strijd met de gemaakte afspraken, op verschillende manieren contact met [de minderjarige] zoeken in de tijd dat [de minderjarige] bij de moeder is. Nog een terugkerend patroon en actueel probleem is dat de vader [de minderjarige] afmeldt voor afspraken en activiteiten (therapie, sport, feestjes, clubs) wanneer [de minderjarige] bij hem is, omdat de vader deze tijd zelf met [de minderjarige] wil doorbrengen. Net als de GI acht het hof dat niet goed voor de ontwikkeling van [de minderjarige].

5.5.

Ter zitting kwam naar voren dat school recent nieuwe zorgen heeft geuit over de ontwikkeling van [de minderjarige]. Met name rondom de zorgweekenden met de vader laat [de minderjarige] onhandelbaar gedrag zien op school. Uit de informatie van de school blijkt dat [de minderjarige] op de maandagen die in het weekend van de vader vallen geregeld wordt ziekgemeld of dat de vader hem dan eerder ophaalt van school (omdat [de minderjarige] zich niet lekker zou voelen). School ziet de laatste tijd veel boosheid bij [de minderjarige]. Volgens de GI zijn het vooral vaders behoeften en emoties waar [de minderjarige] last van heeft.

5.6.

De betrokken hulpverlening heeft de vader meermalen het advies gegeven om

psychologische hulp te zoeken bij het omgaan met zijn emoties ten opzichte van de moeder

en daarbij vooral inzicht te krijgen in wat deze emoties bij [de minderjarige] teweegbrengen. Hoewel

de vader steeds gezegd heeft daarmee aan de slag te zullen gaan is dat er in de praktijk niet

van gekomen, althans het hof heeft daar niets van gezien. De vader erkent en herkent de

problemen niet en stelt zich niet begeleidbaar op. Bij gebrek aan een eigen hulpvraag toont

hij zich niet gemotiveerd. Desondanks heeft de vader zich na de bestreden beschikking

alsnog aangemeld bij [geestelijke gezondheidszorg]. Volgens de vader is daar uitgekomen dat bij hem geen sprake

is van trauma of diagnoses. Hoewel de GI meermalen om de rapportage van [geestelijke gezondheidszorg] heeft

verzocht, heeft de vader ervoor gekozen deze niet met de GI te delen. Ook de stand van

zaken van de contacten die de vader met de POH-GGZ zegt te hebben is voor de GI nog

altijd onbekend. De opstelling van de vader staat in de weg aan het halen van de doelen van

de ondertoezichtstelling. In de laatste verlengingsbeschikking van 20 april 2026 staan voor

[de minderjarige] exact dezelfde ontwikkelingsbedreigingen opgenomen als een jaar daarvoor.

5.7.

[de minderjarige] heeft aan het hof verteld dat hij graag terug wil naar de oude regeling, waarbij hij om de beurt twee weken bij de vader en twee weken bij de moeder is. De GI gelooft dat dat de authentieke wens van [de minderjarige] is. Hij geeft dat al vanaf de laatste wijziging aan. Toch vinden de GI en de betrokken hulpverlening een 50/50-regeling niet in het belang van [de minderjarige]. Het hof is het daarmee eens. De wens van [de minderjarige] om evenveel bij beide ouders te zijn moet worden gezien in het licht van het loyaliteitsconflict waar hij last van heeft. [de minderjarige] gaf bij de raadsheer aan dat hij een gelijke verdeling eerlijker vindt. Hij vindt het vervelend voor de vader dat die zich alleen voelt als [de minderjarige] niet bij hem is. [de minderjarige] zei dat voordat de oude 50/50-regeling wat hem betreft weer ingaat de huidige regeling eerst maar eens een half jaar moest worden omgedraaid, zodat de moeder zou kunnen voelen hoe het nu voor de vader is. Net als de GI en de hulpverlening vindt het hof dat geen uitspraken die passen bij een jongen van negen jaar.

5.8.

Hoewel de huidige zorgregeling nog steeds onrust oplevert bij de overdrachten, zijn er minder wisselmomenten tussen de ouders waardoor [de minderjarige] langer rust heeft en minder boos hoeft te zijn. Dat maakt dat de situatie voor [de minderjarige] sinds de wijziging iets overzichtelijker is geworden, ook al is deze nog altijd lastig genoeg. De gezinscoach beschrijft (evaluatie maart 2026) dat [de minderjarige] in de langere periodes bij de moeder rustiger gedrag laat zien dan voorheen. De onrust en boosheid bij [de minderjarige] nemen toe als het zorgweekend van de vader in zicht komt en na het zorgweekend heeft hij enkele dagen nodig om weer te acclimatiseren bij de moeder. De momenten van boosheid manifesteren zich ook als [de minderjarige] bijvoorbeeld bij de moeder een brievenbuspakketje van de vader krijgt of snoepjes tevoorschijn haalt, die de vader altijd eet (Fisherman’s Friend) en die hij meegekregen heeft van de vader. Ook de jeugdcoach beschrijft dat [de minderjarige] sinds januari 2026 rustiger is. Zij kan tijdens de sessies aan het gedrag van [de minderjarige] zien of hij bij de moeder of de vader verblijft. [de minderjarige] is opener, rustiger, vriendelijker en praat over zaken die hem bezighouden als hij bij de moeder is en laat het tegenovergestelde gedrag zien als hij bij de vader is. Door de toegenomen basisrust in de zorgregeling ontstaat voor [de minderjarige] meer ruimte voor andere ontwikkeltaken. Net als de GI en de hulpverlening vindt het hof dat belangrijk voor een jongen van zijn leeftijd.

De beslissing van de kinderrechter zal daarom worden bekrachtigd.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 19 december 2025;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, mr. F. van der Meulen en mr. E.F. Groot, bijgestaan door mr. D.M. Welbergen als griffier, en is op 20 oktober 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.