Uitspraak · Personen- en familierecht

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 8 oktober 2026

ECLI:NL:GHARL:2026:6465Zaaknummer 200.371.717/01 en 200.373.762/01

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
8 oktober 2026
Publicatiedatum
21 oktober 2026
Zaaknummer
200.371.717/01 en 200.373.762/01
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Hoger beroep
Zittingsplaats
Leeuwarden
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing bij de andere gezaghebbende ouder. Het hof bekrachtigt de beschikkingen van de kinderrechter.

Het hof:

200.371.717/01

6.1.

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 16 april 2026, over de verlenging van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1], [de minderjarige2] en [de minderjarige3];

6.2.

wijst het meer of anders verzochte af.

200.373.762/01

6.3.

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 14 augustus 2026, over de uithuisplaatsing van [de minderjarige3] bij de vader;

6.4.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.G. Knot, F. van der Meulen en F. Menso, bijgestaan door mr. S.C. Lok als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Samenvatting
  2. 2 De feiten
  3. 3 De procedure bij de kinderrechter
  4. 4 De procedure bij het hof
  5. 5 Het oordeel van het hof
  6. 6 De beslissing

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden, afdeling civiel

zaaknummers gerechtshof 200.371.717/01 en 200.373.762/01

zaaknummers rechtbank Noord-Nederland 254247 en 260149

beschikking van 8 oktober 2026

over de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1], [de minderjarige2] en [de minderjarige3], en

de uithuisplaatsing van [de minderjarige3],

in de zaak van

[verzoekster] (de moeder),

die woont in [woonplaats],

advocaat: mr. J. Koenen te Rotterdam en mr. L.H.E.M. Berendse-de Gruijl te Rotterdam,

en

de gecertificeerde instelling

Regiecentrum Bescherming en Veiligheid (de GI),

die is gevestigd in Leeuwarden,

en

[verweerder] (de vader), die woont in [woonplaats].

In zijn toetsende en/of adviserende taak is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming (de raad),

regio Noord Nederland, locatie Leeuwarden.

1 Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1], [de minderjarige2] en [de minderjarige3] verlengd tot 28 april 2027. Bij afzonderlijke beschikking heeft de kinderrechter [de minderjarige3] uit huis geplaatst bij de vader tot uiterlijk 28 april 2027. Het hof beslist dat deze beslissingen in stand moeten blijven en legt hierna uit waarom.

2 De feiten

2.1.

De vader en de moeder zijn met elkaar gehuwd geweest en zijn de ouders van:

  • [de minderjarige1], geboren [in] 2009,
  • [de minderjarige2], geboren [in] 2012, en
  • [de minderjarige3], geboren [in] 2017.
2.2.

De ouders hebben samen het gezag over de kinderen.

2.3.

[de minderjarige1] en [de minderjarige2] wonen sinds 2024 bij de vader. [de minderjarige3] verblijft sinds 17 augustus 2026 op grond van een machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader. De kinderen woonden daarvoor bij de moeder.

2.4.

De kinderen staan sinds 28 april 2025 onder toezicht van de GI.

3 De procedure bij de kinderrechter

200.371.717/01

3.1.

De GI heeft verzocht om de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1], [de minderjarige2] en [de minderjarige3] te verlengen voor de duur van een jaar.

3.2.

De kinderrechter heeft het verzoek van de GI toegewezen en de ondertoezichtstelling van de kinderen verlengd tot 28 april 2027.

3.3.

Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 16 april 2026.

200.373.762/01

3.4.

De GI heeft de kinderrechter verzocht om [de minderjarige3], voor de duur van de ondertoezichtstelling, uit huis te mogen plaatsen.

3.5.

De kinderrechter heeft het verzoek van de GI toegewezen en de GI gemachtigd om [de minderjarige3] uit huis te plaatsen bij de vader tot uiterlijk 28 april 2027.

3.6.

Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 14 augustus 2026.

4 De procedure bij het hof

4.1.

De moeder is het niet eens met de beslissingen van de kinderrechter over de verlenging van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1], [de minderjarige2] en [de minderjarige3] en de uithuisplaatsing van [de minderjarige3]. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissingen van de kinderrechter ongedaan maakt.

4.2.

De GI wil dat de beslissingen van de kinderrechter in stand blijven.

De informatie die het hof heeft ontvangen

4.3.

Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:

200.371.717/01

  • het beroepschrift ontvangen op 13 juli 2026;
  • het verweerschrift;
  • de stukken van de moeder ingediend op 27 juli 2026;
  • de brief van de raad van 31 juli 2026, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting;
  • de stukken van de GI ingediend op 4 september 2026;

200.373.762/01

  • het beroepschrift ontvangen op 1 september 2026;
  • een brief van de GI ingediend op 8 september 2026.
4.4.

[de minderjarige1], [de minderjarige2] en [de minderjarige3] hebben op 14 september 2026 gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof. Zij hebben verteld wat zij vinden van de ondertoezichtstelling.

[de minderjarige3] heeft ook verteld wat zij vindt van de uithuisplaatsing.

4.5.

De zitting bij het hof was op 16 september 2026. Aanwezig waren:

  • de moeder met mr. F. Staal (die waarneemt voor mr. Koenen en mr. Berendse-de Gruijl);
  • de vader;
  • twee vertegenwoordigers van de GI. Namens de GI is het woord mede aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota gevoerd.

5 Het oordeel van het hof

De ondertoezichtstelling (200.371.717/01)

5.1.

De kinderrechter kan een kind onder toezicht stellen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling.

Ook moet vast komen te staan dat de ouders niet of niet genoeg meewerken aan vrijwillige hulpverlening. Ten slotte moet de kinderrechter ervan kunnen uitgaan dat de ouders de opvoeding en verzorging binnen een aanvaardbare termijn weer helemaal zelf op zich kunnen nemen[_1a51ebb9-a18c-4da6-9b53-8e338fc9caf7]. Dat is de periode van onzekerheid die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade op te lopen in zijn ontwikkeling. De kinderrechter kan de ondertoezichtstelling verlengen. Dat mag steeds voor maximaal een jaar.[_bca1e139-238d-4e4a-af2f-ee4410aecc31]

5.2.

Het hof is van oordeel dat uit de stukken en de verklaringen tijdens de mondelinge behandeling voldoende is gebleken dat aan de wettelijke criteria voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. Het hof heeft hierbij het volgende in aanmerking genomen.

5.3.

Nadat de ouders uit elkaar zijn gegaan, woonden de kinderen aanvankelijk alle drie bij de moeder. [de minderjarige1] en [de minderjarige2] zijn vanwege incidenten met de moeder bij hun vader gaan wonen, [de minderjarige1] in februari 2024 en [de minderjarige2] in oktober 2024. Het gebiedsteam was toen al betrokken bij het gezin. Naar aanleiding van een melding van de kinderarts van [de minderjarige2] is het gezin ook bij Veilig Thuis in beeld gekomen. Veilig Thuis heeft na onderzoek geconcludeerd dat er sprake is van kindermishandeling. Ook heeft Veilig Thuis zorgen geuit over de gemoedstoestand van de moeder en de mogelijkheden van de moeder om [de minderjarige3] de pedagogische ondersteuning te bieden die zij in de opvoeding nodig heeft.

Eind 2024 heeft er een intake bij [naam1] plaatsgevonden. [de minderjarige1], [de minderjarige2] en de vader stonden open voor (systemische) hulp maar de moeder niet. Het traject is daarom afgesloten. [naam1] had zorgen over de mogelijkheden van de moeder om echt naar haar kinderen te kijken en naar wat zij nodig hebben. Kort na de intake bij [naam1] heeft de moeder te kennen gegeven dat zij geen verdere bemoeienis meer wil vanuit het gebiedsteam.

5.4.

[de minderjarige1] en [de minderjarige2] hebben tot op heden vrijwel geen contact met de moeder.

In de kindgesprekken is naar voren gekomen dat zij op zich wel contact zouden willen met de moeder.

[de minderjarige1] heeft hierover aangegeven dat er in het contact met de moeder vaak ruzie ontstaat en dat de moeder de therapieën niet uit de weg moet gaan. [de minderjarige2] vindt dat de moeder eerst aan zichzelf moet werken en naar zichzelf gaat kijken, voordat er contact kan zijn. Het contact tussen de vader en de moeder is ook nog steeds verstoord. Hun visie en aanpak met betrekking tot de opvoeding van de kinderen lopen op veel punten, zoals ten aanzien van de medische behandeling van [de minderjarige2] en [de minderjarige3], ver uiteen. Dit gaat niet onopgemerkt aan de kinderen voorbij. Zij worden daardoor belast met volwassenenproblematiek en blootgesteld aan de spanningen en onrust die dit oplevert. Omdat de ouders niet in staat zijn om samen beslissingen te nemen en afspraken te maken in het belang van de kinderen, heeft de raad, in het onderzoek dat aan de ondertoezichtstelling ten grondslag ligt, geadviseerd om (opnieuw) professionele ondersteuning in te zetten van bijvoorbeeld het Kenniscentrum Kind en Scheiding (KKE) of [naam1]. Evenals het gebiedsteam, Veilig Thuis, het KKE en [naam1] heeft de raad zijn zorgen geuit over het pedagogisch handelen van de moeder. De raad vindt dat de moeder onvoldoende aansluit bij de behoeftes en belangen van de kinderen. Volgens de raad is het in het belang van de kinderen dat er hulpverlening voor hen wordt ingezet en heeft ook de moeder individuele hulpverlening nodig.

5.5.

Sinds de start van de ondertoezichtstelling in april 2025 is het de GI niet gelukt om zicht te krijgen op het functioneren van de moeder en haar pedagogische vaardigheden.

Door de GI is geprobeerd om de benodigde hulpverlening bij de moeder en voor de kinderen in te zetten. Er is een aanmelding gedaan bij het KKE. Het traject was voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] gericht op contactherstel met de moeder en voor [de minderjarige3] op het wegnemen van loyaliteitsproblematiek. Na een aantal gesprekken heeft de moeder aangegeven niet meer mee te willen werken, zodat dit traject is gestagneerd. De GI heeft daarnaast geprobeerd de moeder te motiveren voor hulpverlening in de thuissituatie, maar ook dit heeft zij geweigerd.

Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft de moeder verklaard dat zij inmiddels hulp heeft gezocht, omdat zij een vorm van autisme heeft, ADHD en darmklachten.

De moeder heeft verteld dat zij een eerste gesprek met een psycholoog heeft gehad en in het ziekhuis is geweest voor lichamelijk onderzoek. Uitslagen zijn nog niet bekend en nadere onderzoeken en gesprekken moeten nog plaatsvinden. Of er een behandeling zal worden ingezet, is op dit moment nog onduidelijk. De moeder laat wat betreft de inzet van hulpverlening steeds hetzelfde patroon zien. Zij lijkt in eerste instantie mee te werken totdat er een professional iets van haar verwacht of kritisch is ten aanzien van haar handelen.

Het voor [de minderjarige3] noodzakelijk geachte brede diagnostische onderzoek heeft vertraging opgelopen, omdat de moeder alleen wil meewerken als het onderzoek uitsluitend is gericht op de vraag of er bij [de minderjarige3] sprake is van autisme. De rechtbank heeft in februari 2026 vervangende toestemming gegeven voor de inzet van diagnostiek. [de minderjarige3] is in afwachting van brede diagnostiek bij het diagnostiekteam van de GI, zodat er duidelijkheid kan komen over haar ontwikkeling en wat zij hierin nodig heeft van haar ouders. Voor [de minderjarige2] is het wel gelukt om hulpverlening vanuit Kick jongenscoaching in te zetten. [de minderjarige2] heeft dit traject positief afgesloten.

5.6.

Gelet op het voorgaande, zijn de door de rechtbank in de bestreden beschikking geformuleerde concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de kinderen nog actueel.

Er is nog geen sprake van een onbelast contact van de kinderen met beide ouders.

Ook is er nog geen duidelijkheid over wanneer [de minderjarige1] en [de minderjarige2] de moeder zien, worden

de kinderen nog steeds belast met volwassenenproblematiek en ontvangt [de minderjarige3] niet de benodigde hulp. De kinderen worden daardoor nog altijd ernstig in hun ontwikkeling bedreigd.

De medische zorgen over [de minderjarige3] zijn, sinds zij met een machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader woont en haar voorgeschreven medicijnen krijgt, niet meer aan de orde.

5.7.

Naar het oordeel van het hof is voldoende komen vast te staan dat de moeder niet in staat is om in het vrijwillige kader ervoor te zorgen dat de ontwikkelingsbedreigingen van de kinderen worden weggenomen. Zoals hiervoor uiteengezet, heeft de moeder telkens geen (blijvende) medewerking verleend aan verschillende hulpverleningstrajecten. Het hof acht het onder de gegeven omstandigheden noodzakelijk dat de GI regie blijft voeren, zodat er alsnog zicht kan worden verkregen op het functioneren van de moeder en haar pedagogische vaardigheden en de voor de kinderen benodigde hulpverlening om de ontwikkelingsbedreigingen weg te nemen, kan worden ingezet en afgerond.

5.8.

De beslissing van de kinderrechter om de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1], [de minderjarige2] en [de minderjarige3] te verlengen tot 28 april 2027 zal daarom in stand blijven (worden bekrachtigd).

De machtiging tot uithuisplaatsing

5.9.

De kinderrechter kan een machtiging geven een kind uit huis te plaatsen. De rechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van een kind of voor onderzoek van een kind[_a7d16894-9cd0-46fb-8642-fae0f6dd0a95].

5.10.

Het hof is van oordeel dat de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige3] terecht heeft verleend tot 28 april 2027.

5.11.

Uit de stukken komt naar voren dat [de minderjarige3] sinds de scheiding van de ouders veel onrust en spanning heeft meegemaakt in de thuissituatie bij de moeder als gevolg van conflicten tussen de ouders. Dit heeft geleid tot de inzet van het gebiedsteam en later ook van Veilig Thuis. Na een melding bij en onderzoek door Veilig Thuis, is er in het vrijwillig kader geprobeerd om hulpverlening in te zetten, onder meer bij [naam1], maar dat is niet van de grond gekomen omdat de moeder daaraan geen medewerking wilde verlenen. Omdat de moeder niet voldeed aan de door Veilig Thuis opgestelde veiligheidsvoorwaarden, is er een melding gedaan bij de raad. Vanwege de gemelde ernstige zorgen over de ontwikkeling van [de minderjarige3] en omdat het niet is gelukt om die zorgen met vrijwillige hulpverlening weg te nemen, is de raad een onderzoek gestart. Ook uit dit onderzoek is gebleken dat er zorgen bestaan over de emotionele veiligheid van [de minderjarige3] in de opvoedsituatie bij de moeder, omdat ze wordt belast met spanningen tussen haar ouders en negatieve uitlatingen over de vader. Hierdoor loopt [de minderjarige3] het risico klem te raken tussen haar ouders en loyaliteitsproblematiek te ontwikkelen of te vergoten. Deze zorgen worden versterkt door de aanhoudende strijd en het wantrouwen tussen de ouders, het verschil van inzicht tussen hen over het gedrag van [de minderjarige3] en het ontbreken van overeenstemming over passende hulpverlening en diagnostiek. Daarnaast volgt de moeder de medische adviezen van de kinderarts ten aanzien van [de minderjarige3] obstipatie niet op. Gelet op de zorgen over [de minderjarige3] is zij in april 2025 op verzoek van de raad onder toerzicht gesteld van de GI. De GI heeft sindsdien tevergeefs geprobeerd om professionele hulp en ondersteuning in de thuissituatie bij de moeder, het KKE, ouder- en kindgesprekken en diagnostiek in te zetten. Deze hulpverlening is onvoldoende van de grond gekomen, omdat de moeder niet of alleen onder voorwaarden wilde meewerken. De GI heeft daardoor tot op heden geen zicht kunnen krijgen op de opvoedsituatie bij de moeder en haar pedagogische vaardigheden, waardoor niet kan niet worden vastgesteld of [de minderjarige3] bij de moeder voldoende rust, structuur, emotionele veiligheid en ontwikkelingsgerichte ondersteuning krijgt. De GI wil hier via een diagnostiektraject zicht op krijgen.

Toen duidelijk werd dat de moeder alleen diagnostiek wil om vast te stellen dat [de minderjarige3] autisme heeft en niet zou meewerken aan een breed diagnostisch beeld over de algehele opvoedsituatie en wat [de minderjarige3] hierin nodig heeft, is de inzet van onderzoek en hulpverlening opnieuw vertraagd. Tijdens een huisbezoek aan de moeder op 7 juli 2026, dat voortijdig werd beëindigd door de GI omdat sprake was van een onveilige situatie, werden de zorgen van de GI bevestigd en zijn deze verder toegenomen. De GI heeft vervolgens een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige3] bij de vader verzocht.

5.12.

Het hof is met de kinderrechter van oordeel dat een uithuisplaatsing van [de minderjarige3] bij

de vader in het belang van haar verzorging en opvoeding noodzakelijk is. Het hof verwijst daartoe naar de motivering van de kinderrechter in de bestreden beschikking, neemt deze na eigen onderzoek over en maakt deze tot de zijne, en voegt daaraan nog het volgende toe.

5.13.

Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof is naar voren gekomen dat het in te zetten brede diagnostiektraject door de GI, waarvoor door de rechtbank vervangende toestemming is gegeven, sinds de uithuisplaatsing van [de minderjarige3] bij de vader ‘on hold’ is gezet voor een periode van drie maanden. Dit omdat [de minderjarige3] eerst moet wennen aan haar nieuwe opvoedsituatie bij de vader. Voorkomen moet worden dat het afnemen van diagnostiek in een nog ongewone en daarmee mogelijk onrustige situatie de resultaten beïnvloedt.

Omdat het diagnostiektraject van [de minderjarige3] nog moet aanvangen, ziet het hof geen aanleiding om de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing te beperken, zoals door de moeder subsidiair is verzocht. De machtiging tot uithuisplaatsing geldt nog tot 28 april 2027 en die tijd is nodig voor het starten en afronden van diagnostiektraject. Het is van belang dat er zicht komt op de opvoedsituatie bij de moeder en haar pedagogische vaardigheden en, indien dat nodig blijkt, dat hulpverlening voor [de minderjarige3], en mogelijk ook voor de moeder, kan worden ingezet.

Hoewel duidelijk is dat [de minderjarige3] haar moeder mist, is gebleken dat het goed met haar gaat bij de vader en zij steeds meer went aan de nieuwe situatie. Hulpverlening in de thuissituatie bij de vader is op dit moment niet nodig. De vader werkt goed samen met de GI en heeft een groot netwerk dat hem goed ondersteunt. De vader heeft tijdens de zitting verklaard dat [de minderjarige3], in de week dat hij nachtdiensten heeft, bij zijn zus (de tante van [de minderjarige3]) logeert. De vader brengt [de minderjarige3] ‘s avonds zelf naar bed en de volgende dag naar school. In de andere week slaapt [de minderjarige3] bij de vader thuis. Het hof volgt de moeder niet in haar stelling dat hierdoor de machtiging tot uithuisplaatsing feitelijk niet wordt geeffectueerd.

5.14.

Gelet op het voorgaande, zal ook de beslissing van de kinderrechter over de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige3] bij de vader in stand blijven (worden bekrachtigd).

6 De beslissing

Het hof:

200.371.717/01

6.1.

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 16 april 2026, over de verlenging van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1], [de minderjarige2] en [de minderjarige3];

6.2.

wijst het meer of anders verzochte af.

200.373.762/01

6.3.

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 14 augustus 2026, over de uithuisplaatsing van [de minderjarige3] bij de vader;

6.4.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.G. Knot, F. van der Meulen en F. Menso, bijgestaan door mr. S.C. Lok als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2026.

Voetnoten

  1. Artikel 1:255 lid 1 onder a en b BW.
  2. Artikel 1:260 lid 1 BW.
  3. Artikel 1:265b lid 1 BW.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.