Uitspraak · Personen- en familierecht
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 24 september 2026
ECLI:NL:GHARL:2026:6136Zaaknummer 200.366.784
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 24 september 2026
- Publicatiedatum
- 27 oktober 2026
- Zaaknummer
- 200.366.784
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Hoger beroep
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Toedeling woning, inboedel, schulden, kinderalimentatie.
Het hof:
zaaknummer 200.366.784/01:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 31 december 2025, voor zover het betreft de beslissingen onder 4.5 (de kinderalimentatie) en 4.8.1 (de voormalig echtelijke woning) en:
deelt de woning aan de [adres] in [woonplaats] toe aan de vrouw tegen de getaxeerde waarde onder de verplichting om de hypothecaire geldlening(en) waarvoor recht van hypotheek is gevestigd op de woning over te nemen, de man te laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van deze hypothecaire geldlening(en) en aan de man de helft van de overwaarde (het verschil tussen de getaxeerde waarde en de hypothecaire restschuld ten tijde van de notariële toedeling) te betalen.
bepaalt dat partijen binnen zes weken na de datum van deze beschikking de notariële levering realiseren, waarbij de kosten van levering voor rekening van partijen samen zijn;
bepaalt voor het geval de woning niet binnen zes weken na de datum van deze beschikking aan de vrouw is geleverd dat partijen de woning moeten verkopen en leveren en de netto-opbrengst daarvan moeten verdelen door:
- samen aan een makelaar opdracht te geven de verkoop van de woning ter hand te nemen;
- opdracht te geven een bodemprijs te hanteren en deze zo nodig te verlagen conform de instructie van de makelaar;
- al datgene te verrichten respectievelijk na te laten wat op instructie van de makelaar noodzakelijk is om tot verkoop en levering te komen;
- mee te werken aan de ondertekening van de verkoopovereenkomst en medewerking te verlenen aan de notariële akte van levering;
- medewerking te verlenen aan de betaling uit de verkoopopbrengst van de daarop vallende kosten, waaronder de makelaarscourtage;
- samen aan de notaris die belast is met de levering van de woning opdracht te geven de netto-verkoopopbrengst bij helfte te verdelen.
bepaalt in aanvulling op de beslissing van de rechtbank onder 4.8.5 dat het Afghaans tapijt zonder nadere verrekening aan de man toekomt;
bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige1] Poya, geboren op 14 augustus 2020, moet betalen:
- met ingang van 31 december 2025 € 117 per maand;
- met ingang van 1 juni 2026 € 153 per maand;
de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 31 december 2025 voor het overige;
compenseert de proceskosten;
wijst af wat verder is verzocht.
zaaknummer 200.366.784/02:
wijst af het verzoek van de vrouw tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad;
zaaknummer 200.366.784/03:
wijst af het verzoek van de vrouw tot het treffen van een voorlopige voorziening.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Lieber, L. Hamer en D.J.I. Kroezen, bijgestaan door mr. M. Knipping-Verbeek als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 24 september 2026.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummers gerechtshof 200.366.784/01
200.366.784/02
200.366.784/03
zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 572308 en 590420
beschikking van 24 september 2026
over de kinderalimentatie en vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk
in de zaak van
[de man]
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. B. Anik
en
[de vrouw] die woont in [woonplaats]advocaat: mr. A. Patist
1 Samenvatting
De rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht (hierna: de rechtbank) heeft in de beschikking van 31 december 2025 (hierna: de bestreden beschikking) een beslissing genomen op de nevenverzoeken die partijen hebben gedaan in het kader van de echtscheidingsprocedure. De rechtbank heeft een beslissing genomen over de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie en de wijze van verdeling gelast van de ontbonden huwelijksgemeenschap. Partijen zijn het beiden op punten niet eens met deze beslissingen van de rechtbank.
Het hof wijst een deel van de verzoeken van partijen toe en:
- deelt de voormalig echtelijke woning toe aan de vrouw tegen de getaxeerde waarde,
- bepaalt dat de man in aanvulling op de beslissing van de rechtbank ook het Afghaanse tapijt krijgt, en
- berekent de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie met ingang van 31 december 2025 op € 117 per maand en met ingang van 1 juni 2026 op € 153 per maand.
2 De feiten
Partijen zijn op 28 september 2004 gehuwd in gemeenschap van goederen.
De vrouw heeft op 14 maart 2024 een verzoek tot echtscheiding ingediend. Het huwelijk van partijen is op 5 februari 2026 ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de (echtscheidings)beschikking van de rechtbank.
Partijen zijn de ouders van [minderjarige1] Poya, geboren op 14 augustus 2020 en twee meerderjarige dochters.
3 De procedure bij de rechtbank
De vrouw heeft de rechtbank op 14 maart 2024 gevraagd om de echtscheiding tussen partijen uit te spreken en heeft daarbij verschillende nevenverzoeken gedaan. De man heeft hiertegen verweer gevoerd en heeft vervolgens zelfstandig nevenverzoeken gedaan.
De rechtbank heeft:
- (onder 4.5) bepaald dat de man een bedrag van € 117 per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw moet voldoen;
- (onder 4.8) de wijze van verdeling van de ontbonden gemeenschap gelast, waarbij:
- (onder 4.8.1) ten aanzien van voormalig echtelijke woning is bepaald dat de vrouw vanaf de datum van het taxatierapport drie maanden de tijd krijgt om de woning over te nemen. Als haar dat niet (binnen de gestelde termijn) lukt, krijgt de man daartoe de gelegenheid. Als het hem ook niet (binnen de gestelde termijn) lukt, moet de woning worden verkocht;
- (onder 4.8.3) ten aanzien van het saldo op de peildatum op de privébankrekeningen van de vrouw bepaald dat dat bij helfte moet worden verdeeld;
- (onder 4.8.5) bepaald dat partijen de inboedel verdelen zoals staat op de lijst van de vrouw (productie 16 aan de zijde van de vrouw);
- (onder 4.8.6) ten aanzien van de eenmanszaak bepaald dat:
de Volkswagen Golf met kenteken [kenteken] wordt toegedeeld aan de man tegen een waarde van € 7.942, waarbij de man de helft van dit bedrag aan de vrouw moet betalen;
de Jaguar met kenteken [kenteken] wordt toebedeeld aan de man, waarbij de man draagplichtig is voor de rente- en aflossingsverplichting van het leasecontract verbonden aan deze auto;
het saldo op de peildatum op de zakelijke bankrekening bij de Rabobank eindigend op [rekeningnummer] wordt toegedeeld aan de man onder de verplichting om de helft hiervan aan de vrouw te betalen met de bepaling dat de man binnen twee weken na de beschikking inzage aan de vrouw moet geven in het saldo op de peildatum;
de vrouw voor de helft van de overige schulden van de eenmanszaak op de peildatum draagplichtig is, door de rechtbank begroot op € 2.820.
Deze beslissingen zijn vastgelegd in de bestreden beschikking.
4 De procedure bij het hof
De man is het niet op alle onderdelen eens met de beslissing van de rechtbank. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank gedeeltelijk ongedaan maakt en dat het hof bepaalt dat:
I. de vrouw hem inzage geeft in haar bankrekeningen;
II. aan de man zonder nadere verrekening worden toegedeeld: twee kristallen chandeliers (kroonluchters), twee Afghaanse tapijten en zijn persoonlijke spullen;
III. indien deze inboedelgoederen niet meer aanwezig zijn, de vrouw aan de man een vergoeding van € 5.000 betaalt;
IV. de vrouw de helft van de (ondernemings)schulden op de peildatum (€ 14.978) aan de man voldoet, waarbij de man tevens de wettelijke rente vraagt vanaf de peildatum.
De vrouw is het niet eens met het verzoek in hoger beroep van de man. Zij wil dat het hof de verzoeken van de man afwijst. De vrouw is het ook niet op alle onderdelen eens met de beslissingen van de rechtbank en komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissingen van de rechtbank over de kinderalimentatie en de echtelijke woning gedeeltelijk ongedaan maakt. De vrouw verzoekt het hof te bepalen dat:
- de man met ingang van 1 januari 2026 een kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen van € 327 per maand;
- de vrouw de gelegenheid krijgt tot notariële toedeling en ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de man en betaling aan hem van de overbedelingssom tot één maand na de beschikking van het hof.
Verder verzoekt de vrouw schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraadverklaring van de beslissingen van de rechtbank en vraagt een voorlopige voorziening te bepalen.
De man is het niet eens met de verzoeken van de vrouw. Hij wil dat het hof de verzoeken van de vrouw afwijst.
De verzoeken van partijen in de hoofdzaak zijn bij het hof geregistreerd onder zaaknummer 200.366.784/01. De incidentele verzoeken van de vrouw zijn bij het hof apart geregistreerd. Het verzoek tot schorsing is geregistreerd onder zaaknummer 200.366.784/02 en het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is geregistreerd onder zaaknummer 200.366.784/03.
De informatie die het hof heeft ontvangen
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
- het beroepschrift ontvangen op 25 maart 2026
- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep
- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep
- de stukken van de vrouw ingediend op 13 juli 2026, 20 juli 2026 en 22 juli 2026
- de stukken van de man ingediend op 16 juli 2026
De zitting bij het hof was op 22 juli 2026. Aanwezig waren partijen met hun advocaat.
5 Het oordeel van het hof
Peildatum
De rechtbank is uitgegaan van 14 maart 2024 (de dag van indiening van het echtscheidingsverzoek door de vrouw) als peildatum voor de samenstelling en omvang van de huwelijksgemeenschap. Hiertegen hebben partijen geen grief gericht, zodat het hof ook van deze peildatum uitgaat.
Voormalig echtelijke woning
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking geoordeeld dat de belangafweging voor toedeling van de woning in het voordeel van de vrouw uitvalt, zodat zij eerst in de gelegenheid is gesteld om het aandeel van de man in de woning over te nemen. Dit oordeel is door partijen niet bestreden. Verder heeft de rechtbank bepaald dat de vrouw na de datum van het taxatierapport drie maanden de tijd heeft om op haar kosten een notariële toedeling te realiseren. Als haar dat niet (binnen de gestelde termijn) lukt, wordt de man in de gelegenheid gesteld om de woning over te nemen binnen drie maanden na de mededeling van de vrouw dat het haar niet lukt. Als het de man ook niet (binnen de gestelde termijn) lukt om op zijn kosten de notariële toedeling te realiseren, heeft de rechtbank beslist dat de woning moet worden verkocht.
Uit de verklaringen van partijen tijdens de zitting volgt dat de marktwaarde van de woning in het taxatierapport van 8 dan wel 11 februari 2026 is geschat op € 740.000. De vrouw heeft volgens het spoorboekje van de rechtbank tot 8 dan wel 11 mei 2026 de tijd gehad om het aandeel van de man in de woning over te nemen. Vast staat dat de vrouw deze termijn niet heeft gehaald. De vrouw heeft de man op 4 mei 2026 een sms gestuurd waarin zij aangeeft de financiering niet binnen de gestelde termijn te kunnen regelen. Dit wordt door de man erkend. De man heeft op basis van deze mededeling tot 4 augustus 2026 de tijd om het aandeel van de vrouw in de woning over te nemen. Op de zitting van 22 juli 2026 heeft de man gezegd dat hij zijn best doet om de woning over te nemen. Wegens de korte termijn die de man nog heeft om de financiering van de toedeling aan hem te regelen, gaat het hof ervan uit dat de man niet aannemelijk heeft gemaakt in staat te zijn om de woning tijdig over te nemen. Gelet op de door de man ingediende stukken acht het hof het onwaarschijnlijk dat hij hiertoe in staat is. De juistheid van de stelling van de man dat hij financieel zal worden bijgestaan door zijn vader en zijn broer, is niet onderbouwd.
Op basis van het voorgaande stelt het hof vast dat het beide partijen niet is gelukt het de toedeling van de woning aan zichzelf te realiseren binnen de door de rechtbank gestelde termijnen. Het hof ziet daarin aanleiding om opnieuw te oordelen over de toedeling van de woning. Uit de door de vrouw overgelegde stukken volgt dat de hypotheekverstrekker inmiddels akkoord is en dat zij in staat is om de woning alsnog over te nemen. Het hof zal daarom de woning aan de vrouw toedelen onder de verplichting en voorwaarde om de schuld(en) waarvoor een recht van hypotheek is gevestigd op de woning over te nemen, de man te laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid en waarbij de vrouw aan de man de helft van de overwaarde moet voldoen. Door de woning aan de vrouw toe te delen wordt ook de wens van de man om uit de onverdeeldheid te komen vervuld.
Het hof acht het redelijk dat partijen samen de kosten van de notaris voor de akte van verdeling dragen en zal dit dan ook zo bepalen. De vrouw zal vanaf de datum van deze beschikking zes weken de tijd krijgen om de notariële toedeling te realiseren. Lukt dat niet dan moeten partijen de woning alsnog verkopen en de netto-opbrengst samen delen. De vierde grief in het incidenteel hoger beroep van de vrouw slaagt in zoverre.
Bankrekeningen
De rechtbank heeft op basis van de beschikbare gegevens bepaald dat de op de peildatum aanwezige saldi op de bankrekeningen van de vrouw bij helfte moeten worden verdeeld.
De man is het niet met deze beslissing eens. In zijn eerste grief in principaal hoger beroep voert hij aan dat sprake zou kunnen zijn van benadeling van de gemeenschap. In dat kader wenst hij inzage in de bankrekeningen van de vrouw. Hij baseert dat verzoek uitdrukkelijk op artikel 194 het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd.
Het hof overweegt als volgt. Artikel 194 Rv bepaalt dat een partij bij een rechtsbetrekking tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking, recht heeft op inzage, afschrift of uittreksel van die gegevens als zij daarbij voldoende belang heeft.
De man heeft inzage in de bankrekeningen van de vrouw verzocht, omdat volgens hem sprake zou kunnen zijn van benadeling van de gemeenschap. Van benadeling op grond van artikel 1:164 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan sprake zijn bij het lichtvaardig maken van schulden, verspilling of het verrichten van rechtshandelingen als bedoeld in artikel 1:88 BW zonder toestemming van de ander. Dat sprake zou zijn van een van deze gronden is door de man in het geheel niet gesteld. Het hof is van oordeel dat de man daarom niet voldoende belang heeft bij zijn verzoek tot de verzochte inzage. Het hof zal daarom dit verzoek van de man afwijzen. De eerste grief van de man faalt.
Inboedel
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking bepaald dat partijen de inboedel moeten verdelen volgens de lijst die door de vrouw is overgelegd.
De man is het niet eens met deze beslissing. In zijn tweede grief in principaal hoger beroep voert hij aan de door de vrouw ingediende lijst niet volledig is. In aanvulling daarop wil hij ook graag zonder nadere verrekening toegedeeld krijgen: twee kristallen chandeliers (kroonluchters), twee Afghaanse tapijten en zijn eigen persoonlijke spullen zoals (merk)kleding, schoenen en horloges.
De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd. Volgens haar zijn de kroonluchters overeenkomstig de lijst al aan de man toegedeeld. Er is slechts één Afghaans tapijt en de vrouw is akkoord met toedeling daarvan aan de man. De vrouw heeft verklaard dat de persoonlijke spullen die de man noemt niet meer in de woning aanwezig zijn.
Het hof overweegt als volgt. Partijen zijn het erover eens dat de man de twee kroonluchters en één Afghaans tapijt mag hebben. De kroonluchters staan al op de lijst van de vrouw en dit verzoek is dor de rechtbank al toegewezen. De vrouw betwist dat zij nog over de persoonlijke spullen van de man beschikt. De man heeft niet nader onderbouwd dat deze spullen nog in de woning aanwezig zijn en heeft in dat kader ook geen bewijsaanbod gedaan. De tweede grief van de man slaagt voor het Afghaans tapijt en faalt voor het overige.
Schulden
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking bepaald dat de vrouw draagplichtig is voor de helft de schulden op de peildatum en blijkend uit de jaarstukken. De rechtbank heeft daarbij een schuld van € 5.640 in aanmerking genomen.
De man is het niet eens met deze beslissing. Hij heeft in zijn derde grief in principaal hoger beroep aangevoerd dat partijen op de peildatum een schuldenlast van in totaal € 14.978,- hadden. Hij meent dat de vrouw voor de helft draagplichtig is voor deze schulden.
De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd. De vrouw heeft de hoogte van de schuldenlast betwist en is van mening dat zij alleen draagplichtig is voor zover de man aantoonbaar deze schulden heeft voldaan.
Het hof overweegt als volgt. Uit de door de man overgelegde stukken volgt dat op de peildatum (14 maart 2024) de volgende schulden aanwezig waren:
| IH 2019 | € 2.041 |
| ZVW 2019 | € 116 |
| ZVW 2022 | € 820 |
| Omzetbelasting periode 2020 – 2023 | € 5.821 |
| ZVW 2022 | € 85 |
| ZVW 2023 | € 1.089 |
| Omzetbelasting Q1 2024 | € 5.006 |
| Totaal | € 14.978 |
Naar het oordeel van het hof heeft de man met overlegging van een schuldenoverzicht van de belastingdienst en de relevante jaarstukken voldoende onderbouwd dat deze schulden op de peildatum aanwezig waren en dus tot de ontbonden huwelijksgemeenschap van partijen behoren. In zoverre slaagt de derde grief van de man. Voor zover de man meer dan de helft van deze schulden heeft voldaan, heeft hij voor dat meerdere een regresvordering op de vrouw. Het is onduidelijk gebleven hoeveel de man exact heeft betaald. Het hof kan om die reden niet bepalen dat of in hoeverre de vrouw gehouden is de helft van de schulden aan de man te voldoen. Het hof wijst dat verzoek van de man dan ook af. In zoverre faalt de derde grief van de man.
De kinderalimentatie
Behoefte [minderjarige1]
Tussen partijen is niet in geschil dat de basisbehoefte van [minderjarige1] in 2025 € 615 per maand bedraagt. Na indexering bedraagt deze behoefte in 2026 (afgerond) € 643 per maand. Partijen verschillen van mening over de vraag of de behoefte moet worden verhoogd met de netto kinderopvangkosten. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking geoordeeld dat de behoefte niet moet worden verhoogd met de netto kinderopvangkosten.
De vrouw is het niet met deze beslissing eens. In haar eerste grief in het incidenteel hoger beroep heeft zij aangevoerd dat de netto kinderopvangkosten van € 134 dermate hoog zijn in verhouding tot de verblijfsoverstijgende kosten van [minderjarige1] dat dit moet leiden tot een verhoging van de behoefte.
De man heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.
Het hof overweegt als volgt. Het is mogelijk de behoefte van een kind te verhogen met kinderopvangkosten als deze kosten dusdanig hoog zijn dat deze niet gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten. Uit de door de vrouw ingediende facturen (productie K) volgt dat zij maandelijks € 762,27 aan kinderopvangkosten kwijt is. Uit de voorschotbeschikking van de belastingdienst (productie M) volgt dat de vrouw in 2026 een kinderopvangtoeslag ontvangt van € 8.454. Dit komt neer op een maandelijkse tegemoetkoming van € 704,50. Gelet hierop bedragen de netto kinderopvangkosten € 57,77 per maand. Naar het oordeel van het hof zijn de netto kinderopvangkosten niet dermate hoog dat deze niet gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten. Het hof ziet dus geen aanleiding de behoefte van [minderjarige1] te verhogen. De eerste grief in het incidenteel hoger beroep van de vrouw faalt dan ook.
Draagkracht van de man
De rechtbank is in de bestreden beschikking uitgegaan van een werkweek van 35 uur tegen een uurtarief als rijinstructeur van € 48. Op basis van deze uitgangspunten heeft de rechtbank gerekend met een winst uit onderneming van € 45.281 bruto per jaar. Het netto besteedbare inkomen van de man is berekend op € 3.157 per maand en de draagkracht op € 630 per maand.
De vrouw is het niet eens met de berekening van de rechtbank. Zij heeft in haar tweede grief in het incidenteel hoger beroep aangevoerd dat de man in het verleden altijd meer uren heeft gewerkt. Zij is van mening dat de man veertig uur per week kan werken. Verder is zij van mening dat gerekend moet worden met een uurtarief van minimaal € 55.
De man heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.
Het hof oordeelt als volgt. De man heeft betwist dat hij meer uren kan werken dan hij nu doet. Over het uurtarief heeft de man tijdens de zitting uitleg gegeven en verteld dat de door de vrouw genoemde tarieven de tarieven betreffen die de ANWB bij een klant in rekening brengt. Dit is niet het uurtarief dat de man vervolgens verdient. Gelet op de gemotiveerde betwisting van de man, had het op de weg van de vrouw gelegen om aan te tonen dat de man meer uren tegen een hoger tarief kan werken. Zij heeft niet aangeboden haar stelling te bewijzen. Wegens het ontbreken van een nadere onderbouwing en het ontbreken van een bewijsaanbod, ziet het hof geen aanleiding uit te gaan van een hoger inkomen dan de rechtbank heeft gedaan. De tweede grief van de vrouw faalt dan ook.
Draagkracht van de vrouw
De rechtbank heeft partijen gevolgd in hun berekening dat de vrouw een draagkracht heeft van € 1.224 per maand.
De vrouw heeft in haar derde grief in incidenteel hoger beroep gesteld dat zij per februari 2026 wegens ziekte 70% van haar salaris ontvangt. Zij is van mening dat per februari 2026 een nieuwe berekening moet worden gemaakt.
De man heeft hiertegen verweer gevoerd.
Het hof overweegt als volgt. De vrouw heeft met de indiening van meerdere salarisspecificaties (producties D en L) en het rapport arbeidsdeskundig onderzoek (productie N) voldoende onderbouwd dat zij ziek is en als gevolg daarvan vanaf februari 2026 nog maar 70% van haar salaris ontvangt. De vrouw heeft een draagkrachtberekening op basis van dit inkomen overgelegd (productie J). Tegen deze draagkrachtberekening heeft de man geen bezwaar gemaakt, zodat het hof deze berekening volgt voor de tweede periode. De derde grief van de vrouw slaagt in zoverre.
Ingangsdatum
Tegen de door de rechtbank bepaalde ingangsdatum van 31 december 2025 is niet gegriefd, zodat het hof daarvan uitgaat. De man heeft verweer gevoerd tegen een wijziging van de kinderalimentatie met terugwerkende kracht. Hoewel de vrouw vanaf februari 2026 een lager inkomen heeft, heeft zij voor het eerst in haar incidenteel hoger beroep melding gemaakt van een lager inkomen. Het incidenteel hoger beroep is op 13 mei 2026 ingekomen bij het hof. Vanaf dat moment heeft de man rekening kunnen houden met een wijziging in de door hem te betalen bijdrage. Het hof zal daarom met ingang van de daaropvolgende maand (1 juni 2026) de kinderalimentatie wijzigen.
Conclusie
Op basis van voorgaande gegevens en uitgaande van een zorgkorting van 15% heeft het hof een draagkrachtberekening gemaakt. Het hof zal deze draagkrachtberekening aan deze beschikking hechten en tot uitgangspunt nemen.
Uit de draagkrachtberekening volgt dat de man vanaf juni 2026 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige1] aan de vrouw moet betalen van € 153 per maand. Vanwege het gewijzigde inkomen van de vrouw zal het hof de door de rechtbank vastgestelde kinderalimentatie met ingang van 1 juni 2026 wijzigen.
Schorsingsverzoek en verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening
Gelet op hetgeen is overwogen over de hoofdzaak heeft de vrouw geen belang meer bij haar verzoeken tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking en het treffen van een voorlopige voorziening. Deze verzoeken zullen daarom worden afgewezen.
Conclusie
Gelet op het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking ongedaan maken (vernietigen) voor zover het de kinderalimentatie en de voormalig echtelijke woning betreft en aanvullen voor zover het de inboedel betreft. Het hof zal de bestreden beschikking voor het overige in stand laten (bekrachtigen).
6 De beslissing
Het hof:
zaaknummer 200.366.784/01:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 31 december 2025, voor zover het betreft de beslissingen onder 4.5 (de kinderalimentatie) en 4.8.1 (de voormalig echtelijke woning) en:
deelt de woning aan de [adres] in [woonplaats] toe aan de vrouw tegen de getaxeerde waarde onder de verplichting om de hypothecaire geldlening(en) waarvoor recht van hypotheek is gevestigd op de woning over te nemen, de man te laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van deze hypothecaire geldlening(en) en aan de man de helft van de overwaarde (het verschil tussen de getaxeerde waarde en de hypothecaire restschuld ten tijde van de notariële toedeling) te betalen.
bepaalt dat partijen binnen zes weken na de datum van deze beschikking de notariële levering realiseren, waarbij de kosten van levering voor rekening van partijen samen zijn;
bepaalt voor het geval de woning niet binnen zes weken na de datum van deze beschikking aan de vrouw is geleverd dat partijen de woning moeten verkopen en leveren en de netto-opbrengst daarvan moeten verdelen door:
- samen aan een makelaar opdracht te geven de verkoop van de woning ter hand te nemen;
- opdracht te geven een bodemprijs te hanteren en deze zo nodig te verlagen conform de instructie van de makelaar;
- al datgene te verrichten respectievelijk na te laten wat op instructie van de makelaar noodzakelijk is om tot verkoop en levering te komen;
- mee te werken aan de ondertekening van de verkoopovereenkomst en medewerking te verlenen aan de notariële akte van levering;
- medewerking te verlenen aan de betaling uit de verkoopopbrengst van de daarop vallende kosten, waaronder de makelaarscourtage;
- samen aan de notaris die belast is met de levering van de woning opdracht te geven de netto-verkoopopbrengst bij helfte te verdelen.
bepaalt in aanvulling op de beslissing van de rechtbank onder 4.8.5 dat het Afghaans tapijt zonder nadere verrekening aan de man toekomt;
bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige1] Poya, geboren op 14 augustus 2020, moet betalen:
- met ingang van 31 december 2025 € 117 per maand;
- met ingang van 1 juni 2026 € 153 per maand;
de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 31 december 2025 voor het overige;
compenseert de proceskosten;
wijst af wat verder is verzocht.
zaaknummer 200.366.784/02:
wijst af het verzoek van de vrouw tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad;
zaaknummer 200.366.784/03:
wijst af het verzoek van de vrouw tot het treffen van een voorlopige voorziening.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Lieber, L. Hamer en D.J.I. Kroezen, bijgestaan door mr. M. Knipping-Verbeek als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 24 september 2026.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.