Uitspraak · Civiel recht
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22 september 2026
ECLI:NL:GHARL:2026:6086Zaaknummer 200.345.194
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 22 september 2026
- Publicatiedatum
- 26 oktober 2026
- Zaaknummer
- 200.345.194
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Hoger beroep
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Onbetaalde facturen. Wie is opdrachtgever? Meerwerk opgedragen?
Het hof:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem van 1 mei 2024, behoudens 5.6 waar het meer of anders gevorderde is afgewezen, en beslist in aanvulling daarop:
veroordeelt Bouwmanagement tot betaling aan Duurzaam van een bedrag van € 2.129,62 plus € 1.498,46 (dus in totaal € 3.628,08), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over de toegewezen bedragen, vanaf 30 dagen na de respectievelijke factuurdatums tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt Bouwmanagement tot betaling aan Duurzaam van een bedrag van € 487,81 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 juni 2023 tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt Bouwmanagement tot betaling van de volgende proceskosten van Duurzaam in het principaal hoger beroep:
€ 2.175 aan griffierecht
€ 2.580 aan salaris van de advocaat van Duurzaam (2 procespunten x het toepasselijke tarief II);
bepaalt in het incidenteel hoger beroep dat iedere partij de eigen kosten draagt;
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt in het incidenteel hoger beroep;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.E. Lucassen, W.C. Haasnoot en R. Verkijk, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 22 september 2026.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.345.194
zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem 421049
arrest van 22 september 2026
in de zaak van
Bouwmanagement Gelderland B.V.
die is gevestigd in Tiel
advocaat: mr. D.S. Muller
(hierna: Bouwmanagement)
en
Duurzaam TS B.V.
die is gevestigd in Scherpenzeel
advocaat: mr. J.W. Mouthaan
(hierna: Duurzaam)
1 Het verloop van de procedure in hoger beroep
Bouwmanagement heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, (hierna: de rechtbank) op 1 mei 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep
- de memorie van grieven
- de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep
- de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep
- het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 27 januari 2026 is gehouden
- het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 3 juli 2026 is gehouden.
Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.
2 De kern van de zaak
Partijen hebben op meerdere bouwprojecten samengewerkt. Bouwmanagement schakelde Duurzaam dan in als installateur. Tussen partijen is een geschil ontstaan over facturen van Duurzaam die Bouwmanagement onbetaald liet.
Duurzaam heeft bij de rechtbank gevorderd dat Bouwmanagement wordt veroordeeld tot betaling van een hoofdsom van € 33.874,93, te vermeerderen met rente en buitengerechtelijke kosten.
De rechtbank heeft deze vorderingen voor een deel toegewezen. Verder zijn die afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep van Bouwmanagement (het principaal hoger beroep) is dat een deel van de toegewezen vorderingen alsnog worden afgewezen. Duurzaam heeft ook hoger beroep ingesteld (het incidenteel hoger beroep). De bedoeling van dat hoger beroep is dat een deel van de afgewezen vorderingen alsnog wordt toegewezen.
Het hof zal beslissen dat Duurzaam alsnog een ander deel van zijn vorderingen krijgt toegewezen en licht dat hierna toe. Het hof laat het vonnis van de rechtbank deels in stand en beslist voor een deel anders.
3 De toelichting op de beslissing van het hof
Achtergrond van de zaak
Bouwmanagement is een bouwkundig adviesbureau. Ten tijde van de relevante feiten heette Bouwmanagement nog [naam B.V.] maar ook als het over die periode gaat zal het hof haar aanduiden als ‘Bouwmanagement’. [(indirecte) bestuurder 1] en [(indirecte) bestuurder 2] waren de (indirect) bestuurders van Bouwmanagement.
Duurzaam is een installatiebedrijf dat wordt geleid door [naam].
In de periode 2018-2020 hebben partijen op verschillende projecten samengewerkt.
Bouwmanagement heeft facturen van Duurzaam voor werkzaamheden op een aantal verschillende projecten onbetaald gelaten.
In deze hoger beroepsprocedure gaat het alleen nog over facturen voor de projecten [projectnaam 1] en [projectnaam 2].
[projectnaam 1] project
Het [projectnaam 1] project betreft de woning van de familie [famillienaam1], het gezin van de dochter van [(indirecte) bestuurder 1] aan de [straatnaam] in [woonplaats 1]. Duurzaam heeft daar een aantal werkzaamheden verricht en Bouwmanagement daarvoor gefactureerd. Bouwmanagement heeft een bedrag van € 4.477 onbetaald gelaten.
Bouwmanagement betwist niet dat de werkzaamheden hebben plaatsgevonden en ook de hoogte van de factuur staat tussen partijen niet ter discussie. Bouwmanagement betwist echter wel dat zij de opdrachtgever van deze werkzaamheden was. Volgens Bouwmanagement was dat de familie [famillienaam1]. Het hof is van oordeel dat Bouwmanagement onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat zij de opdrachtgever was van de werkzaamheden. In de eerste plaats heeft [(indirecte) bestuurder 1], bestuurder van Bouwmanagement, Duurzaam verzocht de woning te bekijken en een en ander op te meten. Dit gebeurde vanaf een zakelijk e-mail adres van Bouwmanagement. De offerte van Duurzaam is vervolgens gericht aan Bouwmanagement. De facturen in dit project zijn steeds aan Bouwmanagement gericht en in ieder geval twee facturen zijn ook door Bouwmanagement betaald. Daarbij heeft Bouwmanagement op geen enkel moment aangegeven dat niet zij, maar [famillienaam1] de opdrachtgever was en dat de facturen aan [famillienaam1] moesten worden gericht. Integendeel, [(indirecte) bestuurder 2] schrijft op 21 april 2020 namens Bouwmanagement aan Duurzaam over de factuur die nu in geschil is: “Afhandeling [straatnaam] is akkoord. Op moment dat er overeenstemming is tussen [bouwmanagement prive] en [projectnaam 2] zullen wij het bedrag van de [straatnaam] overmaken.” Kortom, Duurzaam had geen enkele aanleiding om aan te nemen dat niet Bouwmanagement, maar de familie [famillienaam1] haar opdrachtgever was. Het betoog dat de schoonzoon van [(indirecte) bestuurder 1] per email op de offerte heeft gereageerd, dat hij niet bevoegd was Bouwmanagement te vertegenwoordigen en dat Duurzaam daaruit had moeten afleiden dat [famillienaam1] contractspartij was, is niet voldoende om een andere conclusie te rechtvaardigen. Bij deze email stond het algemene e-mailadres van Bouwmanagement als medegeadresseerde in de cc en in de e-mail wordt nergens genoemd dat de offerte niet op naam van Bouwmanagement maar op naam van [famillienaam1] had moeten worden gesteld of dat [famillienaam1] zelf de opdrachtgever was. Ook het betoog van Bouwmanagement dat [(indirecte) bestuurder 2] alleen op de facturen heeft gereageerd omdat [famillienaam1] daar geen verstand van had, overtuigt niet. Hij heeft dat voorbehoud niet gemaakt. Sterker nog, in een e-mail die mede betrekking heeft op het project [projectnaam 1] schrijft [(indirecte) bestuurder 1] op 3 juni 2020 expliciet aan Duurzaam: “Alle projecten lopen via [naam B.V.] (…).” Kortom, naar het oordeel van het hof heeft Duurzaam op goede gronden aangenomen dat Bouwmanagement haar opdrachtgever was en Bouwmanagement moet de facturen voor dit project aan Duurzaam betalen.
[projectnaam 2] project
Het [projectnaam 2] project betrof de verbouwing van een bedrijfsverzamelgebouw. Bouwmanagement had daarin de rol van hoofdaannemer en Duurzaam was haar onderaannemer. In dit project spelen meerdere discussies tussen partijen.
Het eerste discussiepunt betreft factuur [factuur1] ter hoogte van € 4.840. De rechtbank heeft de vordering tot betaling van die factuur voor de helft toegewezen, omdat dat deel niet door Bouwmanagement werd betwist. Dat deel (ter hoogte van € 2.420) staat in dit hoger beroep ook niet meer ter discussie. Duurzaam heeft voor deze factuur een creditfactuur gestuurd van € 921,54 omdat er maar één in plaats van twee lichtkoepels is geplaatst. Duurzaam stelt dat Bouwmanagement het resterende gedeelte alsnog moet voldoen, dat wil zeggen € 2.420 - € 921,54 = € 1.498,46, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 30 dagen na factuurdatum. Volgens Duurzaam heeft deze factuur niet alleen betrekking op het plaatsen van de lichtkoepels, maar omvat deze meer werkzaamheden. De factuur heeft volgens Duurzaam betrekking op deelprijs 6 van de overeenkomst, met omschrijving “dakbedekking/pluvia”. Bouwmanagement is van mening dat deze factuur alleen betrekking heeft op de plaatsing van twee lichtkoepels en dat vanwege het niet plaatsen van beide lichtkoepels, maar van slechts één lichtkoepel, zij slechts de helft van de factuur hoeft te voldoen. Volgens Bouwmanagement had Duurzaam de lichtkoepels aan haar geprijsd voor een bedrag van € 2.000 per stuk, zodat een bedrag van € 2.000 aan haar had moeten gecrediteerd. Naar het oordeel van het hof heeft Bouwmanagement Duurzaams stelling dat factuur [factuur1] meer omvat dan de plaatsing van twee lichtkoepels onvoldoende gemotiveerd betwist. Duurzaam heeft de omschrijving van de elementen van deelprijs 6 in het geding gebracht. Uit deze omschrijving blijkt dat de werkzaamheden meer omvatten dan enkel de plaatsing van twee lichtkoepels. Bouwmanagement heeft niet betwist dat deze factuur betrekking had op de werkzaamheden als omschreven onder deelprijs 6, zodat het hof daarvan uitgaat. Uit de overgelegde stukken blijkt niet dat Duurzaam de lichtkoepels voor een bedrag van € 2.000 per stuk heeft aangeboden. De stelling van Duurzaam dat het bedrag van de creditnota van € 921,54 in dit verband een realistische weergave is van de waarde van de niet geplaatste lichtkoepel en de niet uitgevoerde werkzaamheden in dat verband, heeft Bouwmanagement onvoldoende gemotiveerd betwist. Het hof zal het bedrag van € 1.498,46, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 30 dagen na factuurdatum daarom toewijzen.
Het tweede discussiepunt over het [projectnaam 2] project betreft 21 meerwerkfacturen van 30 en 31 juli 2020 met een totaalbedrag van € 9.784,34. Duurzaam maakt aanspraak op betaling van die facturen. Bouwmanagement betwist niet dat de werkzaamheden door Duurzaam zijn verricht. Bouwmanagement betwist echter wel dat zij Duurzaam opdracht heeft gegeven tot het uitvoeren van die werkzaamheden als meerwerk. Ten aanzien van een groot aantal facturen stelt Bouwmanagement dat het werkzaamheden betrof die onder het afgesproken werk vielen en dus geen meerwerk waren. Ten aanzien van een aantal andere facturen heeft Bouwmanagement gesteld dat er sprake was van herstel van eerdere werkzaamheden, zodat ook wat die facturen betreft geen sprake is van meerwerk. Bouwmanagement had ook geen toestemming tot het opdragen van meerwerk van zijn opdrachtgever, wat volgens Bouwmanagement betekent dat zij ook geen meerwerk bij Duurzaam heeft neergelegd.
Het hof stelt voorop dat partijen het erover eens zijn dat de algemene voorwaarden van Duurzaam van toepassing zijn. Die bevatten in artikel 14.2 het uitgangspunt dat aanvullende werkzaamheden schriftelijk en als meerwerk worden opgedragen, maar ook dat bij het ontbreken van een schriftelijke opdracht op een andere wijze kan worden bewezen dat het meerwerk is opgedragen. Tussen partijen staat vast dat het gestelde meerwerk in ieder geval niet separaat schriftelijk is opgedragen met een offerte van de zijde van Duurzaam en een schriftelijk akkoord van Bouwmanagement. Er zijn wel e-mails tussen partijen waarin werkzaamheden worden genoemd, maar deze e-mails bevatten naar het oordeel van het hof niet een ondubbelzinnige opdracht tot het uitvoeren van meerwerk. Bouwmanagement betwist dat ook. Dat betekent dat Duurzaam – behoudens ten aanzien van de vier hierna te vermelden facturen – conform 14.2 van de algemene voorwaarden op een andere wijze moet kunnen bewijzen dat het meerwerk is opgedragen. Het hof is van oordeel dat Duurzaam daar niet in is geslaagd.
Tijdens de mondelinge behandeling op 3 juli 2026 heeft de raadsheer-commissaris alle relevante facturen met partijen besproken. Bouwmanagement heeft toen alsnog het bestaan van een meerwerkopdracht erkend ten aanzien van de volgende facturen:
[factuur2] van € 163,35
[factuur3] van € 1.669,51
[factuur4] van € 85,14
[factuur5] van € 211,62.
Zoals hiervoor overwogen heeft Bouwmanagement voor de overige werkzaamheden erkend (of niet voldoende gemotiveerd betwist) dat Duurzaam de gefactureerde werkzaamheden heeft uitgevoerd. Het geschil spitst zich daarom toe op de vraag of die werkzaamheden als meerwerk waren opgedragen of dat zij onder het afgesproken werk vielen. Bouwmanagement stelt namelijk dat dit laatste het geval was. Beide partijen wezen tijdens deze mondelinge behandeling op de offerte van 11 april 2018 en de verdere detaillering in de deelprijzen waaruit al dan niet zou blijken of bepaalde werkzaamheden onder het afgesproken werk vielen (onderbouwing betwisting Bouwmanagement) of meerwerk betroffen (onderbouwing stelling Duurzaam). De specificatie van deze deelprijzen zijn echter niet in het geding gebracht, zodat het hof daarvan geen kennis heeft kunnen nemen.
Duurzaam stelt zich op het standpunt dat het in dit project gebruikelijk was dat Bouwmanagement haar op het werk mondeling meerwerkopdrachten gaf. Ook als dit juist zou zijn, heeft Duurzaam naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd dat sprake is van verschillende daadwerkelijk gegeven meerwerkopdrachten, bijvoorbeeld door aan de hand van de detaillering van de overeengekomen werkzaamheden uit te leggen waarom de gefactureerde (meer)werkzaamheden daar niet onder vielen en wie daar dan op welk moment specifiek opdracht toe heeft gegeven. Gelet op het verweer van Bouwmanagement had dit wel van Duurzaam verwacht mogen worden. Het enkele feit dat de werkzaamheden zijn uitgevoerd, is immers onvoldoende om te kunnen beslissen dat er dus sprake was van een opdracht tot het uitvoeren van meerwerk.
De slotsom hiervan is dat het hof het deel van de vordering dat alsnog is erkend, met een totaalbedrag van € 2.129,62, zal toewijzen, naast het al genoemde bedrag van € 1.498,46 in verband met de werkzaamheden vermeld op factuur [factuur1] (waaronder de lichtkoepels). Dat betekent dat ook de buitengerechtelijke incassokosten over dit bedrag zullen worden toegewezen. Bouwmanagement heeft deze immers niet betwist, anders dan dat er volgens Bouwmanagement geen aanleiding is voor toewijzing nu de hoofdvorderingen van Duurzaam niet zouden moeten worden toegewezen. Voor het overige zal het hof de vordering van de meerwerkfacturen afwijzen.
Partijen verwijten elkaar nog over en weer dat zij in strijd met artikel 21 Rv hebben gehandeld omdat zij bewust onjuiste stellingen zouden hebben ingenomen. Het hof gaat hieraan voorbij. Het is inherent aan een discussie waar partijen het niet eens zijn over de feiten dat partijen over en weer stellingen innemen die de andere partij als onjuist ervaart. Het hof ziet in het dossier geen aanknopingspunten voor het oordeel dat één van partijen bewust onjuiste stellingen heeft ingenomen.
Matiging wettelijke rente
Volgens Bouwmanagement is het in dit geval niet redelijk om, zoals de rechtbank heeft gedaan, de wettelijke handelsrente toe te wijzen vanaf 30 dagen na factuurdatum omdat Duurzaam te traag is geweest in het dagvaarden van Bouwmanagement. De door Duurzaam in deze procedure gevorderde facturen zijn uit 2018, 2019 en 2020 en Duurzaam wist al vrij snel na het versturen ervan dat Bouwmanagement deze betwistte, aldus Bouwmanagement. De wettelijke handelsrente over de toegewezen bedragen zou volgens Bouwmanagement pas moeten gaan lopen vanaf de datum van betekening van de dagvaarding en het hof zou de wettelijke handelsrente in die zin moeten matigen. Duurzaam betwist dit en betoogt dat zij er alles aan heeft gedaan om buiten rechte tot een oplossing te komen en dat de verjaringstermijn op het moment van dagvaarding niet was verstreken.
Het hof is van oordeel dat Bouwmanagement geen beroep op matiging van de wettelijke handelsrente toekomt. Op grond van artikel 6:119a lid 2 BW is de wettelijke handelsrente in dit geval verschuldigd vanaf 30 dagen na de datum waarop de factuur door de schuldenaar is ontvangen omdat tussen partijen niet vaststaat dat een andere termijn is overeengekomen. De rechter kan een wettelijke verplichting tot schadevergoeding, waaronder de schadevergoeding verschuldigd vanwege vertraging in de voldoening van een geldsom, op grond van 6:119a BW matigen. Daarvoor is een voorwaarde dat de toekenning van volledige schadevergoeding tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden, zo volgt uit artikel 6:109 BW. De rechter moet van zijn bevoegdheid tot matiging met terughoudendheid gebruik maken. Nu Bouwmanagement niet heeft gesteld en ook niet uit haar stellingen volgt dat de toewijzing van de wettelijke handelsrente vanaf 30 dagen na factuurdatum (zoals gevorderd en ook toegewezen door de rechtbank) tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen leidt, wijst het hof het verzoek om matiging af.
Geen bewijslevering
Bouwmanagement en Duurzaam hebben geen, voldoende concrete, feiten gesteld die indien bewezen tot een ander oordeel kunnen leiden. Daarom komt het hof niet toe aan bewijslevering.
De conclusie
Het principaal hoger beroep slaagt niet. Omdat Bouwmanagement in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof Bouwmanagement tot betaling van de proceskosten in het principaal hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.[_e22aa729-e7c0-48fc-a007-b1b6c73c338a]
Het incidenteel hoger beroep van Duurzaam
Het incidenteel hoger beroep van Duurzaam slaagt deels. Het hof bepaalt dat iedere partij in het incidenteel hoger beroep zijn eigen kosten moet dragen (compensatie van proceskosten) omdat partijen ieder deels ongelijk hebben gekregen.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
4 De beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem van 1 mei 2024, behoudens 5.6 waar het meer of anders gevorderde is afgewezen, en beslist in aanvulling daarop:
veroordeelt Bouwmanagement tot betaling aan Duurzaam van een bedrag van € 2.129,62 plus € 1.498,46 (dus in totaal € 3.628,08), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over de toegewezen bedragen, vanaf 30 dagen na de respectievelijke factuurdatums tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt Bouwmanagement tot betaling aan Duurzaam van een bedrag van € 487,81 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 juni 2023 tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt Bouwmanagement tot betaling van de volgende proceskosten van Duurzaam in het principaal hoger beroep:
€ 2.175 aan griffierecht
€ 2.580 aan salaris van de advocaat van Duurzaam (2 procespunten x het toepasselijke tarief II);
bepaalt in het incidenteel hoger beroep dat iedere partij de eigen kosten draagt;
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt in het incidenteel hoger beroep;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.E. Lucassen, W.C. Haasnoot en R. Verkijk, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 22 september 2026.
Voetnoten
- HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.