Uitspraak · Strafprocesrecht

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 7 juli 2025

ECLI:NL:GHARL:2025:4160Zaaknummer 21-001861-24

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
7 juli 2025
Publicatiedatum
25 augustus 2025
Zaaknummer
21-001861-24
Rechtsgebied
Strafrecht, Strafprocesrecht
Procedure
Hoger beroep
Zittingsplaats
Arnhem
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Aldus gewezen door

mr. G. Dam, voorzitter,

mr. E.W. van den Heuvel en mr. mr. M.J. Ouweneel, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. G.C. Drenthe, griffier,

en op 7 juli 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 7 juli 2025.

mr. F.A.M. Bakker, voorzitter,

mr. S. Dijkman, advocaat-generaal,

mr. H.A.C. Peters, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

Verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
  2. Procesgang
  3. Onderzoek van de zaak
  4. De beslissing waarvan beroep
  5. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
  6. BESLISSING

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-001861-24

Uitspraak van 7 juli 2025

TEGENSPRAAK

ONTNEMINGSZAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen van 16 april 2024 met parketnummer 05-040795-21 op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1947,

wonende te [adres].

Procesgang

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van

€ 513.136,80 (hoofdelijk).

Betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen van 16 april 2024 in de hoofdzaak onder andere veroordeeld ter zake medeplegen van het op 28 juli 2020 opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

De rechtbank heeft bij beslissing van 16 april 2024 het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 513.136,80, en ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag, waarbij is bepaald dat door de veroordeelde dient te worden voldaan een bedrag van € 513.136,80 (hoofdelijk).

Namens de betrokkene is hoger beroep ingesteld tegen beide uitspraken.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 23 juni 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot afwijzing van de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door betrokkene en zijn raadsman,

mr. D. Bektesevic, naar voren is gebracht.

De beslissing waarvan beroep

Het hof verenigt zich niet met de beslissing waarvan beroep zodat die behoort te worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Betrokkene is bij arrest van dit hof van 7 juli 2024, gewezen onder parketnummer

21-001863-24, vrijgesproken van de gehele tenlastelegging. Gelet hierop is er geen grondslag voor de oplegging van een verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Om die reden zal het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Aldus gewezen door

mr. G. Dam, voorzitter,

mr. E.W. van den Heuvel en mr. mr. M.J. Ouweneel, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. G.C. Drenthe, griffier,

en op 7 juli 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 7 juli 2025.

mr. F.A.M. Bakker, voorzitter,

mr. S. Dijkman, advocaat-generaal,

mr. H.A.C. Peters, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

Verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.