Uitspraak · Strafrecht
Gerechtshof Amsterdam, 5 oktober 2026
ECLI:NL:GHAMS:2026:3024Zaaknummer 23-001969-24
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 5 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 26 oktober 2026
- Zaaknummer
- 23-001969-24
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Hoger beroep
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Bewezenverklaring van mishandeling levensgezel. Het hof acht de verklaring van de verdachte volstrekt ongeloofwaardig en daarmee niet aannemelijk. De raadsman heeft gesteld dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Dit verweer wordt verworpen. Gelet op het NIFP rapport – waarin de psychiater adviseert het bewezenverklaarde in verminderde mate toe te rekenen – ziet het hof reden om af te wijken van de LOVS-oriëntatiepunten. Oplegging van een voorwaardelijke geldboete van 150 euro.
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 150,00 (honderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 (één) dag hechtenis.
Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Duker, mr. M. Iedema en mr. J. Boksem, in tegenwoordigheid van mr. J.P.M. Veerman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 5 oktober 2026.
De jongste raadsheer is buiten staat het arrest mede te ondertekenen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001969-24
datum uitspraak: 5 oktober 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 10 januari 2024 in de strafzaak onder parketnummer 13-181121-23 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1968,
adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 11 juni 2025 en 21 september 2026.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
zij op of omstreeks 18 juli 2023 te Amsterdam haar levensgezel, [slachtoffer], heeft mishandeld door (meermaals) (met) een asbak tegen het achterhoofd, althans het hoofd, te duwen/drukken en/of te slaan;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.
Bewijsoverweging
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat de aangifte en het proces-verbaal van bevindingen van de politie niet op elkaar aansluiten. Daarnaast sluit het proces-verbaal van bevindingen ook niet aan op de foto’s die zich in het dossier bevinden.
Het hof overweegt als volgt.
De aangever heeft verklaard dat de verdachte hem tot drie keer toe met een zware asbak op het hoofd heeft geduwd, wat een hard drukkend en onaangenaam en pijnlijk gevoel gaf. Vervolgens is tussen hen een worsteling ontstaan. Volgens de aangever is tijdens deze worsteling zijn nagel gescheurd en heeft hij de verdachte in haar hand gebeten om ervoor te zorgen dat zij de asbak zou loslaten. Op de zich in het dossier bevindende foto’s is te zien dat de aangever een kleine verwonding op zijn achterhoofd en een verwonding aan een vinger heeft. De verwonding aan het achterhoofd merkt het hof aan als een gevolg van het pijnlijk duwen van de asbak tegen het hoofd.
De verbalisanten die kort na het incident ter plaatse zijn gekomen, hebben in de woning gebroken glas en verspreid liggende documenten aangetroffen. Naar het oordeel van het hof passen deze bevindingen bij de door de aangever beschreven gang van zaken. Het hof acht het aannemelijk dat de aangever, nadat de verdachte de asbak tegen zijn hoofd had gedrukt, heeft geprobeerd deze af te pakken en dat daarbij een worsteling is ontstaan. De bij de aangever geconstateerde verwondingen bieden daarvoor eveneens steun.
Daar komt bij dat de verbalisanten rode vlekken op de rechterhand van de verdachte hebben waargenomen. Zij hebben de verdachte meerdere keren gevraagd of zij dit wilde laten zien. De verdachte plaatste hierop de mouwen van haar trui over haar handen, zodat deze aan het zicht van de verbalisanten werden onttrokken. Dit vormt naar het oordeel van het hof een verdere aanwijzing die past bij de verklaring van de aangever dat hij de verdachte in haar hand heeft gebeten. De omstandigheid dat die rode vlekken niet (meer) duidelijk zichtbaar zijn op de foto in het dossier doet het hof zonder meer niet twijfelen aan de bevindingen van de verbalisanten ter plaatse.
Het hof is van oordeel dat de hiervoor genoemde omstandigheden, bezien in onderlinge samenhang, voldoende steun bieden aan de verklaring van de aangever. De verklaring van de verdachte, inhoudende dat er niets is gebeurd, dat zij boven was en dat zij door de komst van de verbalisanten werd verrast, vindt geen steun in het dossier en acht het hof, gelet op het hiervoor overwogene, volstrekt ongeloofwaardig en daarmee niet aannemelijk.
Het hof acht, gelet op het vorenstaande, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte haar echtgenoot heeft mishandeld door een asbak tegen diens hoofd te drukken.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
zij op 18 juli 2023 te Amsterdam haar levensgezel, [slachtoffer], heeft mishandeld door meermaals met een asbak tegen het achterhoofd te duwen/drukken.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
mishandeling, begaan tegen haar levensgezel.
Strafbaarheid van de verdachte
De raadsman heeft namens de verdachte gesteld dat zij moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, maar heeft dat nauwelijks verder onderbouwd. Noch hetgeen is aangevoerd, noch de inhoud van het over de verdachte opgemaakte psychiatrische rapport geven het hof aanleiding om te concluderen dat zij ten tijde van het tenlastegelegde volledig ontoerekenbaar is geweest, zodat het beroep op ontoerekenbaarheid, voor zover als zodanig bedoeld, wordt verworpen.
De verdachte is strafbaar, omdat ook overigens geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van 200 euro, met aftrek van het voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van 150 euro, met aftrek van het voorarrest.
De raadsman van de verdachte heeft verzocht rekening te houden met het advies van de psychiater in de NIFP rapportage van 13 november 2025.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van haar echtgenoot door met een zware asbak op zijn achterhoofd te duwen/duwen. De verdachte heeft door op deze manier te handelen een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van haar echtgenoot. De mishandeling heeft plaatsgevonden in de woning van de verdachte en haar echtgenoot; een plek waar hij zich bij uitstek veilig moest kunnen voelen. De aangever heeft verklaard dat hij bang was en dat hij zich onveilig voelde in zijn huis.
Bij de straftoemeting neemt het hof als uitgangspunt dat bij een veroordeling wegens huiselijk geweld in beginsel geen geldboete wordt opgelegd. Gelet op de omstandigheden van het onderhavige geval ziet het hof aanleiding van dit uitgangspunt af te wijken. Daarbij betrekt het hof in het bijzonder de NIFP rapportage van 13 november 2025, waaruit onder meer volgt dat bij de verdachte sprake is van een autismestoornis en dat deze stoornis ook ten tijde van het bewezenverklaarde aanwezig was. De psychiater adviseert het bewezenverklaarde in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.
Het hof neemt het advies van de psychiater over en rekent het bewezenverklaarde in verminderde mate aan de verdachte toe.
Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte passend en geboden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 150,00 (honderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 (één) dag hechtenis.
Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Duker, mr. M. Iedema en mr. J. Boksem, in tegenwoordigheid van mr. J.P.M. Veerman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 5 oktober 2026.
De jongste raadsheer is buiten staat het arrest mede te ondertekenen.
Wetsartikelen in deze uitspraak
- Artikel 378a Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 14a Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 14b Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 14c Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 23 Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 24 Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 24c Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 300 Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 304 Sr meer uitspraken over dit artikel
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.