Uitspraak · Personen- en familierecht

Gerechtshof Amsterdam, 20 oktober 2026

ECLI:NL:GHAMS:2026:2983Zaaknummer 200.364.835/01

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20 oktober 2026
Publicatiedatum
26 oktober 2026
Zaaknummer
200.364.835/01
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Hoger beroep, Beschikking
Zittingsplaats
Amsterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

‘Informatieregeling, omgangsregeling en kinderbijdrage’.

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking ter zake de omgangsregeling en de informatieregeling;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte ten aanzien van de omgangsregeling en informatieregeling af;

vernietigt de bestreden beschikking voor wat betreft de kinderbijdrage en bepaalt met wijziging van de beschikking van 1 april 2020 de door de vader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen:

- met ingang van 14 juli 2020 tot 1 januari 2021 op totaal € 50,- (zegge: VIJFTIG euro) per maand;

- met ingang van 1 januari 2021 tot 1 januari 2022 op € 273,- (zegge: TWEEHONDERDDRIEËNZEVENTIG euro) per maand;

- met ingang van 1 januari 2022 op € 50,- (zegge: VIJFTIG euro) per maand;

bepaalt dat toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling moeten worden voldaan;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. van Baardewijk, mr. F. Kleefmann en mr. S.E. Landheer, in tegenwoordigheid van mr. N.L. Lusink als griffier en is op 20 oktober 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De zaak in het kort
  2. 2 De procedure in hoger beroep
  3. 3 De feiten
  4. 4 De omvang van het hoger beroep
  5. 5 De motivering van de beslissing
  6. 6 De beslissing

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.364.835/01

zaaknummer rechtbank: C/15/361702 / FA RK 25-611

beschikking van de meervoudige kamer van 20 oktober 2026 in de zaak van

[de vader],

wonende te [plaats A],

verzoeker in hoger beroep,

hierna: de vader,

advocaat: mr. A. Azauiyat te Amsterdam,

en

[de moeder],

wonende te [plaats B],

verweerster in hoger beroep,

hierna: de moeder,

advocaat: mr. P.K. de Blieck-Willemsen te Vaassen.

Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:

- de minderjarige [minderjarige 1], hierna: [minderjarige 1], en

- de minderjarige [minderjarige 2], hierna [minderjarige 2].

In de procedure heeft een adviserende taak:

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Den Haag, locatie Alkmaar,

hierna: de raad.

1 De zaak in het kort

De zaak gaat over de informatieregeling tussen de moeder en de vader betreffende [minderjarige 1] (14 jaar oud) en [minderjarige 2] (10 jaar oud), de omgang tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2].

2 De procedure in hoger beroep

2.1

De vader is op 11 februari 2026 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 21 november 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de rechtbank).

2.2

De moeder heeft op 14 april 2026 een verweerschrift ingediend.

2.3

Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:

- een bericht van de zijde van de vader van 6 maart 2026 met bijlagen,

- een bericht van de zijde van de vader van 5 augustus 2026 met bijlagen,

- een bericht van de zijde van de vader van 12 augustus 2026 met bijlagen,

- een bericht van de zijde van de moeder van 3 september 2026 met bijlagen, en

- een bericht van de zijde van de vader van 4 september 2026 met bijlagen.

2.4

De voorzitter heeft voorafgaand aan de zitting met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gesproken. Tijdens de zitting bij het hof is een samenvatting van deze gesprekken gegeven. De vader en de moeder hebben gelegenheid gehad om daarop te reageren.

2.5

De zitting heeft op 7 september 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat; en

- de raad, vertegenwoordigd door K. Westerling.

3 De feiten

3.1

De ouders zijn [in] 2018 in [plaats D] met elkaar gehuwd. Het huwelijk is op 14 juli 2020 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank van 1 april 2020 in de registers van de burgerlijke stand.

3.2

Voorafgaand aan het huwelijk zijn geboren:

- [minderjarige 1], [in] 2011 te [plaats C]; en

- [minderjarige 2], [in] 2016 te [plaats D] (hierna gezamenlijk: de kinderen).

3.3

Bij beschikking van de kinderrechter van 18 december 2019 zijn de kinderen onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: de GI). Deze maatregel heeft tot 18 december 2022 voortgeduurd.

3.4

Bij de echtscheidingsbeschikking van 1 april 2020 is, voor zover hier van belang, de voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling of omgangsregeling) die in een beschikking voorlopige voorzieningen van 9 december 2019 was bepaald gewijzigd in die zin dat de omgang tussen de vader en de kinderen in overleg met de GI plaatsvindt waarbij de kinderen onder begeleiding omgang met de vader hebben. Daarnaast is bepaald dat de vader een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna: de kinderbijdrage) dient te betalen aan de moeder van € 250,- per kind per maand met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

3.4

Bij beschikking van 20 juli 2020 heeft de kinderrechter op verzoek van de GI de zorgregeling gewijzigd en is bepaald dat de kinderen eenmaal per maand één uur begeleide omgang met de vader hebben op een neutrale en veilige plek. Voorafgaand aan de omgang moet de vader via bloed- en urinetesten aantonen dat hij niet onder invloed is. De uitbreiding naar onbegeleide omgang is mogelijk als inzicht komt in de persoonlijkheid van de vader door middel van een persoonlijkheidsonderzoek.

3.5

Bij beschikking van 13 december 2021 heeft de kinderrechter op verzoek van de GI de zorgregeling uit de beschikking van 20 juli 2020 gewijzigd en bepaald dat de kinderen eenmaal per maand gedurende één uur omgang hebben met de vader op een neutrale en veilig plek, onder begeleiding van een professionele organisatie.

3.6

Bij beschikking van 12 september 2022 heeft de rechtbank het gezamenlijk gezag van de ouders beëindigd en is de moeder met het eenhoofdig gezag over de kinderen belast.

4 De omvang van het hoger beroep

4.1

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, het verzoek van de vader om een omgangsregeling vast te stellen afgewezen. Daarnaast heeft de rechtbank bepaald dat de moeder de vader eens per zes maanden, voor het eerst per 1 december 2025 en vervolgens steeds ieder half jaar daarna, informeert over de schoolgang, buitenschoolse activiteiten, gezondheid, medische behandeling en het algehele welzijn met betrekking tot de kinderen. Ten slotte heeft de rechtbank bepaald dat de vader, met wijziging in zoverre van de beschikking van 1 april 2020, een kinderbijdrage dient te voldoen van € 25,- per kind per maand met ingang van 1 augustus 2023, voor wat betreft de toekomstige termijnen bij vooruitbetaling te voldoen.

4.2

De vader verzoekt de bestreden beschikking deels te vernietigen en te bepalen dat:

ten aanzien van de omgang:

- primair een zorgregeling wordt vastgesteld die het hof in het belang van de kinderen geraden acht, waarbij de omgang opbouwend zal verlopen en, indien het hof zulks noodzakelijk acht, in eerste instantie onder professioneel toezicht zal plaatsvinden;

- subsidiair de omgangsregeling zoals vastgesteld bij beschikking van 13 december 2021 te bekrachtigen, inhoudende dat de kinderen eenmaal per maand gedurende één uur omgang hebben met de vader op een neutrale en veilige locatie, onder begeleiding van een professionele organisatie;

ten aanzien van de informatieregeling:

te bepalen dat de moeder de vader met ingang van de datum van de beschikking tenminste eenmaal per maand, hetzij eenmaal per twee maanden, althans een frequentie die het hof in het belang van de kinderen en de betrokkenheid van de vader als vader geraden acht, schriftelijk zal informeren over de gewichtige aangelegenheden betreffende onderwijs, medische zaken, financiële zaken en juridische zaken met betrekking tot de kinderen;

ten aanzien van de kinderbijdrage:

te bepalen dat de vader met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, hetzij met ingang van 1 januari 2020, hetzij met ingang van 1 januari 2021, hetzij met ingang van 1 januari 2022, hetzij met ingang van 1 januari 2023, hetzij met ingang van 1 augustus 2023 niet langer is gehouden een kinderbijdrage te voldoen en deze kinderbijdrage op nihil te stellen, dan wel een bijdrage van € 25,- per maand in totaal te bepalen, althans een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als het hof juist acht;

4.3

De moeder verzoekt de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep althans de verzoeken van de vader in hoger beroep af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

Omgang

Het wettelijk kader

5.1

Op grond van artikel 1:377a, eerste lid, BW heeft het kind recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Op grond van het tweede lid van dit artikel stelt de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt hij, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang. In het derde lid van dit artikel is bepaald dat de rechter het recht op omgang slechts ontzegt indien:

a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of

b. de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of

c. het kind dat twaalf jaar of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder of met degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of

d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

Standpunten

5.2

De vader stelt dat de rechtbank zijn verzoek ten aanzien van de omgang met de kinderen ten onrechte heeft afgewezen. De vader mist de kinderen heel erg en vindt het pijnlijk dat hij al vier jaar geen rol van betekenis heeft kunnen spelen in het leven van de kinderen. De vader wil het contact met de kinderen graag herstellen en volgens hem is het in het belang van de kinderen om wel contact met hun vader te hebben. Het negatieve beeld dat de kinderen van de vader hebben, moet volgens de vader worden weggenomen. De vader is bereid alle medewerking te verlenen aan een geleidelijke en verantwoorde opbouw van het contact, desnoods onder professionele begeleiding. Ter zitting heeft de vader aangegeven dat er door het hof ook eerst nog een raadsonderzoek kan worden gelast en/of voor de kinderen een bijzondere curator kan worden benoemd, zodat iets in gang gezet wordt om een contactmoment in de toekomst mogelijk te maken.

5.3

De moeder is van mening dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat omgang tussen de vader en de kinderen op dit moment in strijd is met de zwaarwegende belangen van de kinderen, dit gelet op de structurele onveiligheid in het contact tussen de vader en de kinderen in het verleden en de nog steeds voortdurende angst van de kinderen voor de vader. Het belang van de kinderen bij welzijn, emotionele stabiliteit en veiligheid weegt zwaarder dan het recht op omgang van de vader. De kinderen staan niet open voor contact met de vader, waardoor een omgangsregeling averechts zal werken. Dat de in de beschikking van 13 december 2021 bepaalde omgangsregeling nooit is uitgevoerd is te wijten aan de vader zelf, omdat hij zich niet aan de voorwaarden van de rechtbank heeft gehouden. Een raadsonderzoek is te belastend voor de kinderen. De huidige positieve ontwikkelingen van de kinderen moeten niet verstoord worden, aldus de moeder.

Het advies van de raad

5.4

De raad is van oordeel dat er geen ruimte is voor een omgangsregeling tussen de vader en de kinderen. De raad maakt zich zorgen over de voortdurende angst die de kinderen van de vader ervaren. De angst speelt bij de kinderen door de huidige procedure momenteel sterk op, maar is ook op de achtergrond in hun leven aanwezig. De raad vraagt zich af in hoeverre de kinderen hun ervaringen achter zich kunnen laten wanneer er geen omgang met de vader tot stand komt. De raad benadrukt graag beweging in de situatie te willen zien, maar kijkt ook naar de belastbaarheid van de kinderen. Enerzijds bevinden de kinderen zich in een leeftijdsfase waarin zij steeds meer een leven buitenshuis hebben. Dat zou de kinderen de kans kunnen bieden om het vertrouwen in de vader te herstellen. Anderzijds ziet de raad een vader die van de kinderen houdt, maar onvoldoende zelfinzicht toont. De vader spreekt vooral over zijn eigen behoeften en gekwetstheid en ontkent dat hij de kinderen iets heeft aangedaan. Volgens de raad is het zelfinzicht bij de vader over zijn rol in het niet plaatsvinden van het contact met de kinderen wel noodzakelijk om het contact met de kinderen te herstellen. Zolang dit zelfinzicht bij de vader ontbreekt is het geforceerd herstellen van het contact voor de kinderen te belastend. Volgens de raad zal een raadsonderzoek niet leiden tot meer inzicht in de wijze waarop de situatie kan worden opgelost. De raad denkt eerder aan de benoeming van een bijzondere curator.

De beoordeling door het hof

5.5

Aan het hof ligt de vraag voor of een omgangsregeling moet worden vastgesteld tussen de vader en de kinderen.

5.6

Als uitgangspunt geldt dat een kind en een ouder recht hebben op contact met elkaar. Het is in het algemeen voor een kind van groot belang om beide ouders te kennen en een goede band met hen te onderhouden. Er kunnen echter omstandigheden zijn die maken dat het zwaarwegend belang van het kind met zich brengt dat door de rechter geen omgangsregeling wordt vastgesteld. Naar het oordeel van het hof is op dit moment sprake van dergelijke omstandigheden. Hiertoe overweegt het hof als volgt.

5.7

Uit de stukken in het dossier en uit wat op de zitting is besproken blijkt het volgende. De ouders hebben een belast verleden met elkaar, en er is sprake van veel spanning tussen hen. De kinderen hebben in de thuissituatie tussen de vader en de moeder veel meegemaakt en zijn getuige geweest van fysiek en verbaal geweld vanuit de vader naar de moeder. In 2025 is de vader tweemaal bij de woning van de moeder gekomen, terwijl de kinderen aanwezig waren. Daarbij heeft hij zich agressief gedragen. Volgens de moeder is de vader ook recentelijk nog bij het huisadres van haar ouders verschenen. Het gedrag van de vader heeft een grote invloed gehad op zowel de moeder als de kinderen. Inmiddels is er ruim vier jaar geen contact meer tussen de vader en de kinderen. [minderjarige 2] is vanwege haar angst nog niet in staat om over de vader praten, en volgt om die reden geen therapie. [minderjarige 1] heeft langdurige therapie gevolgd en heeft haar behandeltraject afgerond.

5.8

Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank op juiste gronden geoordeeld dat contact op dit moment niet in het belang van de kinderen is. Naar het oordeel van het hof erkent de vader de negatieve impact van zijn gedrag op de moeder en de kinderen onvoldoende. Tijdens de zitting in hoger beroep heeft de vader verklaard dat hij slechts twee fouten heeft gemaakt, namelijk dat hij verliefd is geworden op een andere vrouw en dat hij te hard heeft gewerkt. Daarnaast houdt hij vooral de moeder verantwoordelijk voor hetgeen hem is overkomen. Het hof overweegt dat de vader daarmee onvoldoende inzicht heeft getoond in zijn eigen handelen, terwijl dit inzicht wel noodzakelijk is voor een eventueel contactherstel met de kinderen. Verder weegt mee dat de kinderen uitdrukkelijk aan het hof hebben aangegeven geen contact met de vader willen. Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat het vaststellen van een omgangsregeling, dan wel het forceren van contactherstel, op dit moment in strijd is met zwaarwegende belangen van de kinderen. Het hof onderschrijft daarom het oordeel van de rechtbank dat nu geen omgangsregeling dient te worden vastgesteld. Het hof zal het verzoek van de vader afwijzen en de bestreden beschikking op dit punt bekrachtigen. De vader verzoekt subsidiair in hoger beroep een omgangsregeling zoals vastgesteld bij beschikking van 13 december 2021 te bekrachtigen. Het hof stelt vast dat er geen uitvoering aan deze zorgregeling is gegeven. Zoals hiervoor is overwogen, is contact tussen de vader en de kinderen thans in strijd met zwaarwegende belangen van de kinderen. Het hof zal dit verzoek van de vader dan ook afwijzen.

5.9

Het hof ziet geen aanleiding om een raadsonderzoek te gelasten. Zoals de raad ter zitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht, zal een raadsonderzoek naar verwachting geen nieuwe inzichten opleveren in de mogelijkheden van contactherstel. Ook is het hof van oordeel dat het belang van de kinderen zich tegen een raadsonderzoek verzet, omdat het de kinderen zal belasten. Het is van belang dat de positieve ontwikkeling die de kinderen doormaken niet verstoord wordt door een onderzoek waarin met de kinderen gesproken zal moeten worden. Het wachten op de resultaten van het onderzoek zal bovendien voor de kinderen opnieuw een onzekere periode met zich brengen.

Een bijzondere curator (artikel 1:250 BW) heeft als doel om kinderen in een procedure een stem te geven in geschillen waarin de belangen van de ouders met gezag in strijd komen met de belangen van een kind. Het hof is van oordeel dat van een dergelijke belangentegenstelling in deze zaak geen sprake is. Daarbij komt dat de benoeming van een bijzondere curator de kinderen aanzienlijk zal belasten. Zij zouden dan opnieuw gesprekken moeten voeren over de vader. Het hof acht het van belang dat de kinderen de rust behouden en ziet daarom ook geen aanleiding om een bijzondere curator te benoemen.

Informatieregeling

Wettelijk kader

5.10

Uit artikel 1:377b, lid 1 BW volgt dat de ouder die met het gezag is belast, gehouden is de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind en deze ouder te raadplegen over te nemen beslissingen. Op verzoek van een ouder kan de rechter ter zake een regeling vaststellen. Op grond van het tweede lid van die bepaling kan de rechter bepalen dat het eerste lid buiten toepassing blijft indien het belang van het kind zulks vereist.

Standpunten

5.11

De vader stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat een informatieregeling met een frequentie van eens per half jaar passend is. Het doet geen recht aan de betrokkenheid die de vader wil hebben bij de ontwikkeling en het welzijn van de kinderen. In zes maanden tijd kan namelijk veel gebeuren in het leven van een kind. De vader wil dan ook dat een uitgebreidere informatieregeling wordt vastgesteld. Het is onduidelijk waarom een informatieregeling te belastend zou zijn voor de moeder en de kinderen. De vader heeft aangegeven dat hij niet zal reageren op de berichten van de moeder, waardoor van enige belasting van de moeder en de kinderen geen sprake is. Het opstellen van een periodiek e-mailbericht vergt slechts een beperkte inspanning van de moeder, aldus de vader.

5.12

De moeder is van mening dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat een beperkte informatieregeling passend en in het belang van de kinderen is. Een frequentere regeling is een belasting voor de moeder en indirect ook voor de kinderen, mede gelet op de bewogen voorgeschiedenis en de nog altijd voortdurende angst van de kinderen voor de vader. De veiligheid van de kinderen en de moeder kan bij frequente communicatie met de vader niet gegarandeerd worden. Met een uitgebreidere regeling bestaat een risico op conflicten en spanning. De moeder betwijfelt of de vader niet op de berichten van de moeder zal reageren. De vader wordt met een halfjaarlijkse regeling voldoende geïnformeerd over het onderwijs, gezondheid, buitenschoolse activiteiten en welzijn van de kinderen.

Het advies van de raad

5.13

De raad overweegt dat de informatieregeling eenzijdig is. De raad vindt het bevorderend voor de situatie als de vader ook informatie zou delen met de moeder. Die openheid van de vader richting de moeder kan de moeder ook geruststellen.

De beoordeling door het hof

5.14

Het hof ziet geen aanleiding voor een frequentere informatieregeling, zoals door de vader verzocht. Er is gebleken dat de moeder de door de rechtbank vastgestelde informatieregeling uitvoert en de vader de informatie over de kinderen elke zes maanden ontvangt. Een frequentere informatieregeling zou, gelet op de weerstand van met name [minderjarige 2] daartegen, niet in hun belang zijn. Ook biedt de bestaande informatieregeling, waarbij de moeder de vader elke zes maanden informeert over de schoolgang, buitenschoolse activiteiten, gezondheid, medische behandeling en het algemene welzijn met betrekking tot de kinderen, de vader voldoende gelegenheid om op de hoogte te blijven van de ontwikkeling en het welzijn van de kinderen. Het hof zal daarom het verzoek van de vader afwijzen en de bestreden beschikking op dit punt bekrachtigen. Ten overvloede overweegt het hof dat de vastgestelde informatieregeling geen ruimte biedt voor of een uitnodiging is aan de vader om middels een reactie informatie te geven over ontwikkelingen in zijn leven, tenzij daar expliciet door de moeder om wordt gevraagd.

Kinderbijdrage

Wettelijk kader

5.15

Op grond van artikel 1:401, vierde lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud worden gewijzigd, indien zij van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

Standpunten

5.16

De vader stelt zich op het standpunt dat de rechtbank de kinderbijdrage ten onrechte heeft gewijzigd in een bijdrage van € 25,- per kind per maand. Ten tijde van het huwelijk had de vader een verzamelinkomen van € 27.370,-. In de jaren daarna had de vader het volgende verzamelinkomen:

- in 2020 een negatief verzamelinkomen van € 16.498,-;

- in 2021 € 27.667,-;

- in 2022 € 9.175,-;

- in 2023 € 4.516,-;

- in 2024 € 12.636,-.

Het is dan ook volstrekt onbegrijpelijk dat de rechtbank heeft overwogen dat met de door de vader overgelegde definitieve aanslagen inkomstenbelasting over de jaren 2019 tot en met 2024 onvoldoende inzichtelijk wordt wat het inkomen van de vader is geweest vanaf 2020. Het is de vader onduidelijk waarom hij daarnaast nog loonstroken en/of jaarcijfers zou moeten overleggen om zijn standpunt nader te onderbouwen. De vader heeft evenwel alsnog ook de aangiften inkomstenbelasting in hoger beroep overgelegd. De rechtbank heeft ten onrechte niet aangenomen dat de in de echtscheidingsbeschikking van 1 april 2020 vastgestelde kinderbijdrage vanaf de aanvang niet aan de wettelijke maatstaven voldoet.

Als het beroep op artikel 1:401 lid 4 BW niet wordt gehonoreerd is sprake van een wijziging van omstandigheden aangezien de vader de afgelopen jaren een (veel) lager inkomen ontvangt op het niveau van een bijstandsuitkering. De vader is inmiddels toegelaten tot een schuldsaneringstraject en de rechtbank heeft hier ten onrechte geen rekening mee gehouden bij de beoordeling van de draagkracht. De kinderbijdrage dient bij een dergelijk traject immers in beginsel op nihil te worden gesteld.

5.17

De moeder is van mening dat de destijds vastgestelde kinderbijdrage van € 250,- per kind per maand op een juiste wijze tot stand is gekomen en dat daar vanuit moet worden gegaan. De vader heeft in 2020 in de echtscheidingsprocedure de gelegenheid gehad om verweer te voeren of hoger beroep in te stellen maar heeft daar geen gebruik van gemaakt. Dat dient dan voor zijn rekening en risico te blijven.

Het standpunt van de vader dat hij financieel niet in staat is om de vastgestelde bijdrage te voldoen wordt betwist. De vader heeft gedurende het huwelijk regelmatig zwart inkomsten ontvangen en hij beschikte over voldoende inkomen. De vader heeft een wijziging in zijn financiële situatie nooit aan de moeder gecommuniceerd.

De beoordeling door het hof

5.18

Het hof zal eerst beoordelen of het beroep van de vader op artikel 1:401 lid 4 BW terecht of onterecht is afgewezen. De rechtbank heeft het beroep van de vader op dit artikel namelijk afgewezen en de kinderbijdrage per 1 augustus 2023 gewijzigd op grond van artikel 1:401 lid 1 BW.

Het hof is van oordeel dat in de echtscheidingsbeschikking van 1 april 2020, waarbij de door de vader aan de moeder te betalen kinderbijdrage is vastgesteld op € 250,- per kind per maand, uit is gegaan van onjuiste gegevens die een herbeoordeling van de kinderbijdrage rechtvaardigen en dat het beroep van de vader op artikel 1:401 lid 4 BW moet worden toegewezen. De vader heeft in hoger beroep zijn aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2020 overgelegd waaruit zijn toenmalig inkomen blijkt. De behoefte van de kinderen en de draagkracht van de ouders is in de beschikking van 1 april 2020 niet vastgesteld. Het hof is aldus van oordeel dat de kinderbijdrage zoals destijds is vastgesteld, opnieuw dient te worden beoordeeld en zal de behoefte en draagkracht van de ouders bepalen.

Behoefte

5.19

Het huwelijk van partijen is op 14 juli 2020 ontbonden. Het hof zal daarom het jaar 2019 als peiljaar nemen om de behoefte van de kinderen te bepalen.

Het hof gaat bij de bepaling van de behoefte van de kinderen uit van het netto besteedbaar gezinsinkomen (hierna: NBGI) ten tijde van de samenleving van partijen en stelt op basis daarvan de behoefte ingevolge de gangbare NIBUD-tabellen vast. Het netto besteedbaar inkomen (hierna: NBI) van iedere ouder wordt, in beginsel, vastgesteld door het bruto inkomen en de werkelijke inkomsten uit vermogen, te verminderen met de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn.

5.20

Uit de aanslag inkomstenbelasting 2019 van de vader blijkt dat zijn verzamelinkomen € 27.370,- bedroeg. De belastingdienst heeft dit bedrag in 2023 gecorrigeerd in een negatief bedrag en de vader heeft daarover ter zitting verklaard dat dit is gedaan omdat hij als ondernemer veel aftrekposten had. Deze correctie is door de vader echter niet nader onderbouwd en het hof ziet daarom aanleiding om uit te gaan van het verzamelinkomen volgens de oorspronkelijke aanslag uit 2019, zijnde € 27.370,-. Het hof heeft ook niet kunnen vaststellen of de vader in 2019 al dan niet ondernemer was. Het hof zal het inkomen van de vader in 2019 daarom aanmerken als inkomen uit loon. Uitgaande hiervan becijfert het hof het NBI van de vader op € 1.896,- per maand in 2019.

5.21

De moeder heeft onbetwist gesteld dat haar inkomen uit loon in 2019 € 16.491,- bruto bedroeg. Het hof zal hier vanuit gaan. Zij heeft daaraan de conclusie verbonden dat de behoefte van de kinderen in 2019 € 713,- per maand bedraagt. Uitgaande hiervan becijfert het hof het NBI van de moeder op € 1.364,- per maand in 2019.

5.22

De leeftijd van de kinderen ten tijde van het uiteengaan van partijen en het daarbij behorende tabelpunt van 6 in aanmerking nemende en rekening houdend met het kindgebonden budget, is de behoefte van de kinderen op basis van de tabel van 2019 € 708,- per maand. Dit komt neer op € 354,- per kind per maand in 2019. Geïndexeerd naar 2020 bedraagt de behoefte € 726,- per maand, zijnde € 363,- per kind per maand. Geïndexeerd naar 2021 bedraagt de behoefte € 747,- per maand, zijnde € 374,- per kind per maand.

Draagkracht ouders

5.23

De kinderbijdrage is in de beschikking van 1 april 2020 vastgesteld met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. De echtscheidingsbeschikking is op 14 juli 2020 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Dit betekent dat de kinderbijdrage met ingang van die datum wordt vastgesteld. Het hof zal wel rekening houden met verschillende periodes aangezien de inkomens van de ouders over de afgelopen jaren erg wisselde.

Het hof houdt rekening met de volgende periodes:

- periode 1: met ingang van 14 juli 2020 tot 1 januari 2021;

- periode 2: met ingang van 1 januari 2021 tot 1 januari 2022;

- periode 3: met ingang van 1 januari 2022.

Periode 1

5.24

De eerste periode ziet op de periode vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking tot 1 januari 2021. Gebleken is dat de vader in 2020 een negatief inkomen had. Gelet hierop zal het hof een minimale bijdrage van € 25,- per kind per maand vastleggen. Het hof komt niet toe aan het bespreken van de draagkracht van de moeder gelet op de hoogte van het inkomen van de vader.

Periode 2

5.25

De tweede periode ziet op de periode van 1 januari 2021 tot 1 januari 2022. Gebleken is dat de vader toen een inkomen had van € 27.667,- (zo blijkt uit de aanslag en de verklaring van de belastingdienst). Bij gebrek aan een nadere onderbouwing van de door de vader overgelegde stukken zal het hof ervan uitgaan dat het inkomen uit loon betreft. In eerste instantie nam de vader het standpunt in dat de verklaring van de belastingdienst niet klopt omdat hij een periode gedetineerd is geweest maar ter zitting in hoger beroep heeft de vader aangegeven dat de verklaring van de belastingdienst wel klopt. Uitgaande hiervan berekent het hof het NBI van de vader op € 1.986,- per maand waarbij rekening is gehouden met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. De draagkracht van de vader in deze periode bedraagt € 273,- per maand op basis van de formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 1.000,-)].

5.26

Het inkomen van de moeder in 2021 bedroeg volgens de aangifte IB 2021 € 23.405,-. Uitgaande hiervan berekent het hof het NBI van de moeder op € 2.396,- waarbij rekening is gehouden met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de inkomensafhankelijke combinatiekorting en het kindgebonden budget. De draagkracht van de moeder bedraagt € 474,- per maand op basis van de formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 1.000,-)].

5.27

De draagkracht van de ouders samen bedraagt € 747,-. Dat is gelijk aan de hoogte van de behoefte van de kinderen (zijnde € 747,- per maand in 2021). De vader heeft geen recht op zorgkorting. Dit maakt dat de door hem te betalen kinderbijdrage in periode 2 neerkomt op totaal € 273,- per maand voor beide kinderen tezamen.

Periode 3

5.28

Met ingang van 1 januari 2022 is het inkomen van de vader drastisch gedaald. Uit de aanslag over 2022 blijkt dat het verzamelinkomen van de vader € 4.516,- bedroeg, in 2023 bedroeg het verzamelinkomen € 12.636,-, in 2024 ontving de vader een bijstandsuitkering en in 2025 bedroeg het verzamelinkomen van de vader € 17.782,-.

5.29

De rechtbank heeft de kinderbijdrage met ingang van 1 augustus 2023 gewijzigd naar een bedrag van € 25,- per kind per maand gelet op het lage inkomen van de vader. Het hof komt tot de conclusie dat de vader al met ingang van 1 januari 2022 dit lagere bedrag aan kinderbijdrage dient te betalen omdat zijn inkomen in 2022 al een stuk lager was dan in 2021.

Conclusie

5.30

Het voorgaande betekent dat de vader met ingang van 14 juli 2020 tot 1 januari 2021 een kinderbijdrage dient te voldoen van € 25,- per kind per maand, zijnde € 50,- per maand. Met ingang van 1 januari 2021 tot 1 januari 2022 dient de vader een kinderbijdrage te voldoen van totaal € 273,- per maand en met ingang van 1 januari 2022 dient de vader een kinderbijdrage te voldoen van € 25,- per kind per maand, zijnde € 50,- per maand.

5.31

Op grond van artikel 1:402a BW gaat de wettelijke indexering over de kinderbijdrage die de vader moet betalen per 1 januari 2027 in. Het hof zal niet overgaan tot een ambtshalve indexering van de kinderbijdrage over het verleden, omdat daarmee buiten de grenzen van de rechtsstrijd wordt getreden. De moeder heeft immers in hoger beroep niet gevraagd om een hogere bijdrage vast stellen dan de door de rechtbank met ingang van 1 augustus 2023 vastgestelde bijdrage van € 25,- per maand per kind.

5.32

Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de vader vanaf 14 juli 2020 vrijwel geen kinderbijdrage heeft betaald aan de moeder. Het hof hoeft daarom niet te oordelen over een eventuele terugbetalingsverplichting van de moeder jegens de vader.

5.33

Het hof heeft een behoefteberekening en een draagkrachtberekening voor periode 2 gemaakt. Exemplaren van deze berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht.

5.34

Het voorgaande betekent dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen.

6 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking ter zake de omgangsregeling en de informatieregeling;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte ten aanzien van de omgangsregeling en informatieregeling af;

vernietigt de bestreden beschikking voor wat betreft de kinderbijdrage en bepaalt met wijziging van de beschikking van 1 april 2020 de door de vader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen:

- met ingang van 14 juli 2020 tot 1 januari 2021 op totaal € 50,- (zegge: VIJFTIG euro) per maand;

- met ingang van 1 januari 2021 tot 1 januari 2022 op € 273,- (zegge: TWEEHONDERDDRIEËNZEVENTIG euro) per maand;

- met ingang van 1 januari 2022 op € 50,- (zegge: VIJFTIG euro) per maand;

bepaalt dat toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling moeten worden voldaan;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. van Baardewijk, mr. F. Kleefmann en mr. S.E. Landheer, in tegenwoordigheid van mr. N.L. Lusink als griffier en is op 20 oktober 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.