Uitspraak · Civiel recht
Gerechtshof Amsterdam, 13 oktober 2026
ECLI:NL:GHAMS:2026:2920Zaaknummer 200.347.825/01
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 13 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 22 oktober 2026
- Zaaknummer
- 200.347.825/01
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Hoger beroep
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Bemiddeling bij vastgoedherfinanciering op basis van no cure no pay. Overeenkomst komt voortijdig ten einde door inroepen verlengingsoptie bestaande financiering, welke optie niet vooraf aan opdrachtnemer was medegedeeld. Geen aanspraak op success fee, wel op redelijk loon o.g.v. art. 7:411 BW. Schadevergoeding zou niet hoger uitkomen, geen belang bij ontbinding of wijziging overeenkomst indien zou zijn gedwaald. Geen verzuim, geen contractuele rente toewijsbaar
Het hof:
vernietigt het bestreden vonnis en doet opnieuw recht:
veroordeelt DRI tot betaling aan CBRE van een bedrag van € 100.320,-, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 26 juni 2023 tot de voldoening;
veroordeelt DRI tot terugbetaling van al hetgeen door CBRE aan haar is voldaan ter voldoening aan het bestreden vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling door CBRE aan DRI tot de voldoening;
verklaart de onder 7.2. en 7.3. gegeven veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af;
bepaalt dat partijen hun eigen proceskosten in beide instanties dragen.
Dit arrest is gewezen door mrs. L. Alwin, O.J. van Leeuwen en M. Chébti en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2026.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
team I (handel)
zaaknummer: 200.347.825/01
zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam: C/13/743263/HA ZA 23-1094
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 13 oktober 2026
in de zaak van
CBRE DEBT & STRUCTURED FINANCE B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
appellante,
advocaat: mr. L.F.P. Coehorst te Utrecht,
tegen
DRI III HOLDCO A B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerde,
advocaat: mr. G.C. Berkhout te Amsterdam.
Partijen worden hierna CBRE en DRI genoemd.
1 De zaak in het kort
CBRE heeft in opdracht van DRI bemiddeld en geadviseerd ten behoeve van de herfinanciering van een vastgoedportefeuille op basis van een success fee. De opdracht is voortijdig geëindigd doordat DRI koos voor gebruikmaking van een verlengingsoptie van de lopende financiering.
De vorderingen van CBRE strekken tot betaling van het bedrag van de overeengekomen success fee of een redelijk loon voor haar werkzaamheden.
De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen. Het hof oordeelt ook dat de volledige success fee niet verschuldigd is. Het hof acht, anders dan de rechtbank, plaats voor toepassing van art. 7:411 BW en stelt een redelijk deel van het loon vast.
2 Het geding in hoger beroep
CBRE is bij dagvaarding van 29 oktober 2024 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 31 juli 2024 van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen CBRE als eiseres en Dutch Residential Investments III B.V. en DRI als gedaagden, voor zover dit gewezen is tussen CBRE en DRI.
Bij tussenarrest van 26 november 2024 is een mondelinge behandeling na aanbrengen gelast. Deze is niet doorgegaan nadat partijen te kennen hebben gegeven dat zij van het houden hiervan wensten af te zien.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven;-
- memorie van antwoord met producties;
Op 3 maart 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten en hun kantoorgenoten mrs. G.R.M. van Lieshout respectievelijk W.K. de Pree hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft CBRE producties toegezonden.
Vervolgens hebben partijen arrest gevraagd.
3 Feiten
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.7 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in het geschil en dienen derhalve ook voor het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten, komen de feiten neer op het volgende.
CBRE is gespecialiseerd in het bemiddelen bij (her)financiering van vastgoed.
DRI is een vastgoedinvesteringsvehikel waarin beleggingen van een aantal (buitenlandse) vastgoedbeleggers zijn ondergebracht. Als asset manager (beheerder) treedt op Round Hill Capital Netherlands B.V. te Amsterdam (hierna: RHC).
Eind 2022 heeft DRI (onder meer) CBRE benaderd omdat zij op zoek was naar een mogelijkheid voor herfinanciering, per 31 maart 2023, van een vastgoedportefeuille (hierna: de [naam 1] -portefeuille) die ten dele, voor een bedrag van € 88 miljoen, gefinancierd was door Blackstone met een financiering met een looptijd van drie jaar met twee maal een eenzijdig door DRI uit te oefenen verlengingsoptie van telkens één jaar (hierna: de verlengingsoptie) en een rente-opslag van 2,4 % (240 basispunten) per jaar.
Volgens het door DRI opgestelde Financing Request diende het te gaan om een bij voorkeur aflossingsvrije financiering met een looptijd van vijf jaar voor een bedrag van 50-60% LTV (loan to value). De waarde van de [naam 1] -portefeuille werd toen geraamd tussen circa € 146 miljoen en € 151 miljoen.
In een hierop gehouden pitch heeft CBRE onder meer naar voren gebracht:
“You are looking for a new loan to (at least) refinance your current loan facility with an LTV rating between 50 – 60%. Bullet repayment with no amortization is preferred, with a desired loan term of 5 years.”
Partijen hebben vervolgens in januari 2023 hun afspraken vastgelegd in een door CBRE opgestelde Engagement Letter (hierna: de overeenkomst), die als onderwerp vermeldt ‘Refinancing DRI III – [naam 1] ’ en die – voor zover van belang – het volgende inhoudt:
“(CBRE) is pleased to present this engagement letter for debt advisory services (…) for the DRI III [hof: de [naam 1] portefeuille] (…)
CBRE Role: You have requested CBRE assistance in analysing, sourcing, syndicating, co-ordinating, negotiating the above debt transaction (the ‘Transaction’).
For this Transaction, CBRE will serve as the Borrowers' and the Client’s exclusive financial advisor.
(…)
Transaction CBRE will provide a teaser document to gauge the appetite of financiers bytheTiming 16th of January
We will produce an information package bv the 23rd of January and strive to have indicative term sheets by the 6th of February. We anticipate to close the Financing before the 31st of March.
CBRE Scope
- Analysing the transaction;
- Delivering a financing strategy covering a.o. approach, lender selection and timing;
- Preparing marketing documentation including a financial model;
- Marketing the financing to the pre-agreed group of lenders;
- Soliciting, negotiating and analysing indicative Financing offers;
- Assisting in selecting lenders;
- Co-ordinating lender’s credit approval process including any required due diligence;
- Negotating and analysing binding Financing offers;
- Co-ordinating lender’s closing process.
Financing Fee Our remuneration ( ’Financing Fee ’) for aforementioned Engagement is
success based and calculated as 0.285% (…) of the gross loan amount of the Financing closed.
CBRE will also be due the Financing Fee if within a 12 month period after
Termination of this Agreement (without having closed the financing during the Engagement), You or an affiliate raise financing from anv lender for the Properties for the purpose substantially envisaged under this Engagement with CBRE.
The Financing Fee is due and payable after You have signed and closed the loan agreement associated with the Financing and subsequently receive the loan amount.
Payment of the Financing Fee will be based on an invoice which will be provided to,and paid by the Notary executing the mortgage for the financing.
Cancelaton Fee If, after commencement of the Engagement, You decide to no longer pursue a
Financing CBRE will be due a fee (‘ Cancelation Fee’) of € 12.500.
De hiervoor bedoelde vergoedingen worden hierna aangeduid als de Financing Fee en
deCancelation Fee.
De overeenkomst vermeldt bij ‘Status of this Agreement’:
This letter contains the entire Agreement among the parties related to the subject matter thereof and supersedes all oral statements and prior writings. This letter mav only be modified bv a written agreement of the parties. This letter may be executed in counterparts, each of which shall constitute an original and all of which shall constitute one and the same instrument.
In de overeenkomst zijn voorts de algemene voorwaarden van CBRE van toepassing verklaard, die – voor zover van belang – het volgende bepalen:
Artikel 4.4: De Opdrachtgever zal zich gedurende de duur van de Opdracht onthouden van activiteiten die een goede uitvoering van de Opdracht kunnen belemmeren en/of verhinderen.
Artikel 4.5: De Opdrachtgever is gehouden om medewerking te verlenen aan CBRE en om tijdig alle relevante gegevens ter beschikking te stellen die noodzakelijk zijn of kunnen zijn voor een goede en snelle uitvoering van de Opdracht door CBRE.
Artikel 6.6: Bij beëindiging van de Opdracht – door opzegging door Opdrachtgever – is de Opdrachtgever gehouden aan CBRE de verschuldigde Vergoeding, overeenkomstig hetgeen terzake in de Opdrachtbevestiging en in artikel 7 van deze Voorwaarden is bepaald, te voldoen naar de stand van het werk, alsmede om aan CBRE de door CBRE bij de uitvoering van of in verband met de Opdracht gemaakte kosten te vergoeden.
Artikel 7: De hoogte van de Vergoeding dan wel de uitgangspunten voor de berekening van de Vergoeding indien de Vergoeding afhankelijk is van de uitvoering van de Opdracht, zal door CBRE worden bevestigd in de Opdrachtbevestiging.
Artikel 8.2: Behoudens andersluidende schriftelijke afspraken in de Opdrachtbevestiging, zijn vorderingen op Opdrachtgever wegens verschuldigde Vergoeding opeisbaar (…) uiterlijk indien en zodra de Opdracht is uitgevoerd of om een andere reden eindigt.
Artikel 8.5: Ingeval van verzuim van Opdrachtgever is Opdrachtgever een rente verschuldigd over het openstaande bedrag van 2% per kalendermaand waarbij een gedeelte van een kalendermaand geldt als een gehele kalendermaand. Voorts is Opdrachtgever gehouden tot vergoeding van de door CBRE te maken buitengerechtelijke en gerechtelijke incassokosten, ten bedrage van tenminste 15% van het openstaande bedrag meteen minimumbedrag van
€ 250 per Opdracht.
Ter uitvoering van de opdracht heeft CBRE onder meer een Information Memorandum en een Teaser opgesteld en aan verschillende partijen gestuurd, hebben partijen geregeld met elkaar overlegd en ook gezamenlijk gesprekken met potentiële financiers gehouden, ook met Blackstone (waarbij tevens de mogelijkheid van financiering van een door de fondsen achter DRI nieuw te verwerven woningportefeuille aan de orde was).
Op 22 februari 2023 heeft Blackstone telefonisch gesproken met CBRE en de asset manager van DRI.
CBRE heeft DRI op 24 februari 2023 laten weten dat vier partijen interesse hadden om de vastgoedportefeuille te herfinancieren. Het gunstigste aanbod was van ING en zag op een bedrag van 80,3 miljoen euro, minder dan de bestaande financiering van Blackstone, maar met een gunstiger opslagpercentage dan de aanbiedingen van de drie andere partijen voor een financiering van € 88 miljoen.
In elk geval op 24 februari 2023 heeft DRI aan CBRE laten weten dat de financiering bij Blackstone een verlengingsoptie had van twee keer een jaar.
Daarna is CBRE doorgegaan, in overleg met DRI, met het bieden van ondersteuning bij zoeken naar en adviseren over een herfinanciering voor de [naam 1] -portefeuille, waarbij in de advisering ook vergelijkingen werden gemaakt met de situatie in het geval van het gebruik maken van de verlengingsoptie bij Blackstone.
Begin mei 2023 heeft DRI aan CBRE medegedeeld dat zij gebruik zou maken van de verlengingsoptie bij Blackstone. De effectuering hiervan heeft DRI geheel zelf, zonder betrokkenheid van CBRE, bewerkstelligd.
Op 26 mei 2023 heeft CBRE DRI een pro forma factuur gestuurd voor een bedrag van € 250.800 (0,285% x € 88 miljoen) en op 30 mei 2023 een definitieve factuur.
4 Procedure bij de rechtbank
CBRE heeft in eerste aanleg veroordeling van DRI tot betaling van € 288.420,- ,-(bestaande uit een hoofdsom van € € 250.800,- plus € 37.620,- buitengerechtelijke kosten) gevorderd, vermeerderd met primair contractuele rente, subsidiair wettelijke handelsrente ex art. 6:119a BW en meer subsidiair wettelijke rente ex art. 6:119 BW. CBRE stelt daartoe primair dat de Financing Fee op grond van de overeenkomst verschuldigd en opeisbaar is. Subsidiair stelt zij dat, indien en voor zover zij een voorwaardelijke vordering met betrekking tot de Financing Fee zou hebben, de redelijkheid en billijkheid verlangen dat de gestelde voorwaarde is vervuld. Meer subsidiair maakt zij aanspraak op redelijk loon zoals bedoeld in art. 7:411 BW voor de uitgevoerde werkzaamheden. Uiterst subsidiair vordert zij ontbinding van de overeenkomst, met veroordeling van DRI tot betaling van € 288.420,-, met rente.
De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen en CBRE in de proceskosten verwezen.
5 Hoger beroep
CBRE concludeert, samengevat, dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen, alsnog haar vorderingen zal toewijzen en DRI zal veroordelen tot terugbetaling van hetgeen CBRE ter uitvoering van het vonnis heeft voldaan, met veroordeling van DRI in de kosten van het geding in beide instanties, met rente. CBRE voert hiertoe zes grieven tegen het vonnis aan.
CBRE heeft bij de mondelinge behandeling in hoger beroep toegelicht dat zij haar vorderingen en grondslagen niet langer als primair tot en met meer subsidiair bedoelt, maar alternatief. CBRE heeft in haar grieven een aantal grondslagen aan haar vorderingen toegevoegd en een aantal subsidiaire – en thans dus als alternatief geformuleerd te beschouwen – varianten van haar vorderingen aangeduid.
CBRE beroept zich in hoger beroep aanvullend op dwaling vanwege het niet door DRI meedelen van de verlengingsoptie en maakt op de voet van art. 6:230 lid 2 BW aanspraak op opheffing van haar gestelde nadeel van € 200.640,- of € 188.100,-. Dit bedrag is opgebouwd uit een fee van € 167.200,- en een vergoeding voor het extra werk. CBRE stelt dat zij vanwege onrechtmatige schending van de spreekplicht door DRI het bedrag van de Financing Fee dan wel € 228.855,- (de Financing Fee gebaseerd op het ING-leningsbedrag van € 80,3 miljoen), althans € 200.640,-, € 188.100,- althans € 167.200,- als schade heeft geleden.
Artikel 6.6 algemene voorwaarden biedt volgens CBRE grondslag voor toewijzing van € 200.640,-, € 188.100,- althans € 167.200,-.
CBRE stelt dat op grond van art. 7:411 BW het bedrag van de Financing Fee verminderd met 10 tot 20% aan besparingen toewijsbaar is, dan wel een bedrag aan redelijk loon van € 188.100,- tot € 200.640,- of € 167.200,-.
CBRE stelt haar ontbindingsschade op het bedrag van de Financing Fee, subsidiair op € 228.855,- dan wel € 167.200 en vordert deze bedragen eveneens als schadevergoeding uit hoofde van wanprestatie van DRI. Uiterst subsidiair stelt CBRE dat het bedrag van de annuleringsvergoeding (€ 12.500,-) moet worden toegewezen.
Het bedrag van € 167.200 (tweederde van de Financing Fee) is steeds de vergoeding die CBRE naar eigen zeggen, als DRI haar over de verlengingsoptie had verteld, zou hebben bedongen voor de situatie dat DRI die optie zou gebruiken in plaats van te herfinancieren.
DRI concludeert tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van CBRE in de kosten van het geding in beide instanties, met nakosten en rente.
Zowel CBRE als DRI hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.
6 Beoordeling
Kort gezegd gaat het in deze zaak om het volgende. CBRE heeft ter uitvoering van de overeenkomst werkzaamheden verricht. Door en vanaf het (alsnog) door DRI inroepen van haar verlengingsoptie is aan de overeenkomst geen verdere uitvoering meer gegeven. CBRE maakt op verschillende gronden aanspraak op betaling van het bedrag van de Financing Fee, althans een deel daarvan. DRI is alleen bereid de Cancelation Fee te betalen omdat zij meent dat zij de overeenkomst rechtsgeldig heeft geannuleerd.
CBRE betoogt met haar grief 1 dat de Financing fee op grond van de overeenkomst verschuldigd is omdat de verlengingsoptie valt onder de term ‘Financing’ in de omschrijving van de opdracht, waar de term ‘Transaction’ naar verwijst.
Beoordeling van deze grief vergt uitleg van de overeenkomst. Daarbij komt het aan op de tekst van de overeenkomst en op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs daaraan mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat het gaat om een door CBRE opgestelde zakelijke overeenkomst, die is gesloten door twee professionele partijen en die een betrekkelijk overzichtelijke, in een aantal stappen geconcretiseerde, commerciële opdracht inhoudt. Bij de uitleg van de overeenkomst kan betekenis worden toegekend aan hetgeen partijen voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst hebben besproken en stukken die zij toen hebben uitgewisseld. De onder 3.6. bedoelde bepaling (‘entire agreement clause’) staat daaraan niet in de weg. Een dergelijke clausule beoogt veelal te bewerkstelligen dat partijen niet zijn gebonden aan eerdere op de overeenkomst betrekking hebbende afspraken die daarmee in strijd zijn, indien die afspraken niet in de overeenkomst zijn opgenomen en de overeenkomst evenmin daarnaar verwijst, en staat niet zonder meer eraan in de weg dat voor de uitleg van de in de overeenkomst vervatte bepalingen betekenis wordt toegekend aan verklaringen die zijn afgelegd dan wel gedragingen die zijn verricht in het stadium voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst. Dat geldt ook in dit geval, waarin niet blijkt dat de bepalingen over de Financing Fee resp. de Cancelation Fee voorafgaand aan de overeenkomst ter sprake zijn gekomen, deze zijn opgenomen in een bondig opgestelde, overzichtelijke overeenkomst en beide partijen zich voor de uitleg van de overeenkomst beroepen op wat voorafgaand aan de overeenkomst wel en niet zou zijn besproken en de daarbij uitgewisselde stukken.
De overeenkomst bevat een gedetailleerde regeling van de verschuldigdheid en de opeisbaarheid van de Financing Fee. Op zichzelf is juist dat de daarbij gehanteerde term ‘Financing’ ruim geformuleerd is. Uit de voorafgaand aan de overeenkomst door partijen uitgewisselde documenten blijkt echter dat DRI op zoek was naar een nieuwe langjarige financiering van de [naam 1] -portefeuille per 31 maart 2023 en de overeenkomst met CBRE hiervoor is aangegaan. Zo volgt uit DRI’s Financing Request (zie onder 3.4.) dat het moest gaan om een lening van vijf jaar, bij voorkeur aflossingsvrij, van minimaal € 73 miljoen (50 % van € 146 miljoen) en maximaal € 90,6 miljoen (60 % van € 151 miljoen); deze herfinanciering is de ‘Transaction’ waarop de overeengekomen bemiddeling van CBRE zag.
DRI meent ten onrechte dat het niet anders kan dan dat CBRE voor of bij het sluiten van de overeenkomst bekend was met de verlengingsoptie; dat volgt niet uit de door haar genoemde feiten en omstandigheden, waaronder het feit dat CBRE voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst vele vragen heeft gesteld aan DRI en dat een andere potentiële opdrachtnemer wel bekend was met de verlengingsoptie. Het bestaan van de verlengingsoptie heeft geen enkele rol gespeeld bij de totstandkoming van de overeenkomst. In de gegeven omstandigheden kon CBRE ervan uitgaan dat DRI de [naam 1] -portefeuille moest herfinancieren, op zoek was naar een langjarige herfinanciering en CBRE daarvoor wilde inschakelen.
Er zijn onvoldoende aanknopingspunten dat de wil van partijen in de gegeven omstandigheden erop gericht was dat CBRE ook bij gebruikmaking van de verlengingsoptie aanspraak zou hebben op de Financing Fee en/of dat CBRE erop kon vertrouwen dat zij hoe dan ook de Financing Fee zou ontvangen. Het door CBRE benadrukte nalaten door DRI om de verlengingsoptie te noemen voor of bij het sluiten van de overeenkomst is daartoe onvoldoende. De door CBRE voorgestane uitleg strookt ook niet met het gegeven dat de Financing Fee blijkens de overeenkomst ‘success based’ is, wat impliceert dat daarop alleen aanspraak bestaat bij het behalen van het overeengekomen resultaat (in dit geval: het sluiten van een herfinancieringsovereenkomst met langjarige financiering), en met de bepalingen dat de Financing Fee ‘due and payable’ is als DRI een nieuwe financieringsovereenkomst heeft getekend en het leningsbedrag heeft ontvangen en dat deze wordt afgerekend als de hypotheek wordt gepasseerd, wat alleen aan de orde is bij herfinanciering. Ook de bepaling dat de Financing Fee verschuldigd is als DRI binnen twaalf maanden na beëindiging van de Overeenkomst ‘raise(s) financing from any lender’ duidt erop dat CBRE alleen aanspraak kan maken op deze vergoeding bij de door DRI gewenste herfinanciering voor de duur van vijf jaar. De door CBRE voorgestane uitleg strookt verder niet met de aard van de overeenkomst die onbetwist is te kwalificeren als een overeenkomst van opdracht als bedoeld in art. 7:400 e.v. BW. Het is, meer in het bijzonder, een bemiddelingsovereenkomst (art. 7:425 BW), waarbij een ‘no cure no pay’ vergoedingsafspraak te doen gebruikelijk is (zie art. 7:426 lid 1 BW).
Het hof volgt, gezien het voorgaande, niet het betoog van CBRE, dat iedere vorm van financiering, ook gebruikmaking van de bestaande verlengingsoptie, moet worden beschouwd als ‘Financing’ en een success in de zin van de overeenkomst en dus leidt tot verschuldigdheid van de Financing Fee. Er is geen nieuwe financiering tot stand gekomen met betrekking tot de [naam 1] -portefeuille. Dit betekent dat de Financing Fee niet verschuldigd is. Grief 1 faalt hiermee.
Met haar grief 2 stelt CBRE dat DRI zich niet kan beroepen op rechtsgeldige annulering van de overeenkomst en betoogt zij dat DRI (een deel van) de Financing Fee verschuldigd is op grond van art. 7:411 BW.
Onbesproken kan blijven of DRI de Overeenkomst heeft geannuleerd en of de overeengekomen annuleringsregeling van toepassing is in de zich hier voordoende situatie. Indien deze regeling van toepassing zou zijn en DRI de overeenkomst zou hebben geannuleerd, kan DRI namelijk in de gegeven omstandigheden niet volstaan met betaling van de annuleringsvergoeding. Het betoog van CBRE dat zij aanspraak kan maken op met toepassing van art. 7:411 BW te bepalen loon slaagt. Daartoe is het volgende redengevend.
Het hof stelt voorop dat de aard van een “no cure no pay” afspraak niet in de weg staat aan een beroep op dit art. 7:411 BW (zie HR 23 maart 2013, ECLI:NL:HR: 2003:AF4626). In zijn algemeenheid kan niet worden gezegd dat bij no cure no pay contracten de opdrachtnemer (ook) het risico heeft geaccepteerd dat hij bij opzegging door de opdrachtgever of bij anderszins voortijdige beëindiging niets zou ontvangen. In dit geval is uit de afspraken van partijen niet af te leiden dat CBRE ook het risico heeft geaccepteerd dat zij in de gegeven omstandigheden in het geheel geen loon zou ontvangen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat redelijke uitleg van de overeenkomst inhoudt dat met ‘annulering’ wordt gedoeld op opzegging van de overeenkomst. Er zijn geen, althans onvoldoende aanknopingspunten dat CBRE met de gemaakte afspraken het risico heeft aanvaard dat zij bij iedere vorm van (feitelijke) beëindiging van de overeenkomst met inbegrip van het hier aan de orde zijnde geval alleen de annuleringsvergoeding zou ontvangen. CBRE kan daarom aanspraak maken op redelijk loon zoals bedoeld in art. 7:411 BW.
Ten overvloede overweegt het hof DRI in de gegeven omstandigheden niet kon volstaan met het betalen van de annuleringsvergoeding. Daarvoor is het volgende redengevend. Zoals hiervoor is overwogen, is de ‘Transaction’ waarop de overeengekomen bemiddeling van CBRE zag, een langjarige herfinanciering van de [naam 1] -portefeuille. DRI was initieel op zoek naar langjarige financiering op aflossingsvrije basis, maar uit latere documentatie, zoals de door CBRE opgestelde Teaser en het Information Memorandum blijkt, dat (ook) werd gedacht aan een leningsbedrag van € 88 miljoen, dus even hoog als de bestaande financiering, maar dan wel met aflossing (‘bullet repayment’). Op deze basis zijn door CBRE, in overleg met DRI, offertes aangevraagd. Uit de verdere correspondentie blijkt dat ook steeds analyses zijn gemaakt over de verschillende variabelen binnen dit kader, zoals de maximale hoogte van de lening en welk rente, beide in relatie tot aflossingsvrij dan wel met aflossing.
Toen de door CBRE aangedragen opties DRI niet bevielen, heeft zij de overeenkomst niet opgezegd (geannuleerd) met betaling van de annuleringsvergoeding, maar is zij gebruik blijven maken van de diensten van CBRE, die daarna in samenspraak met DRI ondersteuning heeft geboden bij het zoeken naar alternatieven voor de verlengingsoptie. Uit de niet, althans onvoldoende weersproken stellingen van CBRE volgt dat CBRE, dit heeft gedaan nadat omdat de heer [naam 2], toen senior vice president - head of Dutch & Danish Acquisitions bij RHC, haar telefonisch had toegezegd dat het met betaling van de fee wel goed zou komen, wat CBRE in redelijkheid heeft kunnen opvatten als geruststelling dat zij loon zou ontvangen voor het door haar verrichte werk. Niet in geschil is dat DRI het resultaat van CBRE’s werkzaamheden heeft gebruikt om haar beslissing over financiering van de [naam 1] -portefeuille te nemen.
Aan de orde is nu de vraag wat een naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon als bedoeld in artikel 7:411 lid 1 BW is. Het hof is van oordeel dat, ondanks dat het einde van de overeenkomst aan DRI als opdrachtgever is toe te rekenen, geen sprake is van de situatie in lid 2 van die bepaling dat recht bestaat op het volle loon omdat betaling daarvan (minus gerealiseerde besparingen), gelet op alle omstandigheden van het geval, redelijk is. Hieraan staat allereerst in de weg dat CBRE naar eigen zeggen normaal gesproken bij het inroepen van een verlengingsoptie een fee van 2/3e deel van de success fee bedingt. Daarnaast kan onder meer op basis van hetgeen met partijen is besproken bij de mondelinge behandeling in hoger beroep worden vastgesteld dat van de in de overeenkomst opgenomen CBRE Scope (zie onder 3.6.) de eerste vier fasen zijn doorlopen, de vijfde (“Soliciting, negotating and analysing indicative Financing offers”) slechts gedeeltelijk en de vier daarop volgende stadia niet. Onder deze omstandigheden is betaling van het volle loon niet redelijk, ook als in aanmerking wordt genomen dat CBRE ‘extra’ werkzaamheden heeft verricht bij de ondersteuning van DRI in het onderzoeken van alternatieven voor de verlengingsoptie. De subsidiaire aanspraak van CBRE op het volle loon verminderd met 10-20% aan besparingen deelt dit lot.
In navolging van partijen neemt het hof bij de bepaling van het redelijk deel van het loon vervolgens tot uitgangspunt de stand van het werk naar analogie van het bepaalde in artikel 6.6. van de Algemene Voorwaarden (zie onder 3.7) c.q. het percentage dat de verrichte werkzaamheden vormen ten opzichte van de werkzaamheden die CBRE zou hebben verricht als zij alle stappen van de Overeenkomst zou hebben doorlopen uitmondend in de door DRI gewenste herfinanciering, met dien verstande dat hierop een (opwaartse) correctie moet worden toegepast wegens de extra werkzaamheden als hiervoor bedoeld. Omdat de Financing Fee is gekoppeld aan het behalen van dat resultaat, gaat het daarbij de vraag welk percentage de doorlopen stappen (zie rov. 6.11) vormen van de geschatte hoeveelheid werk om dat resultaat te behalen. Het hof ziet geen aanleiding om bij de bepaling van het redelijk loon rekening te houden met het feit dat CBRE naar zij stelt in dit geval een substantieel lagere success fee had bedongen dan gewoonlijk, in de hoop een bestendige relatie met DRI op te bouwen en gezien de samenhang met haar werkzaamheden voor de financiering van de Igor-portefeuille van DRI, die wel is geslaagd. Dit maakt immers niet anders dat de maximaal te verdienen beloning bij herfinanciering van de [naam 1] -portefeuille bij een hoogte van € 88 miljoen € 250.800 zou zijn geweest. Evenmin ziet het hof aanleiding om bij de vaststelling van het redelijk loon aan te knopen bij de fee die CBRE naar eigen zeggen zou hebben bedongen als zij voor of bij het sluiten van de overeenkomst op de hoogte was geweest van de verlengingsoptie (€ 167.200,-).
Bij de bepaling van de hoogte van het redelijk loon neemt het hof in aanmerking dat DRI voordeel heeft genoten van de werkzaamheden van CBRE, aangezien zij op basis van die aangedragen opties voor een langjarige financiering en de ondersteuning van CBRE bij het zoeken naar alternatieven voor de verlengingsoptie een (beter) beredeneerde keuze kon maken om (toch) gebruik te maken de verlengingsoptie.
Hoewel DRI betoogt dat de door CBRE verrichte werkzaamheden (zowel de uitvoering van de opdracht als de ‘extra’ werkzaamheden) al met al een beperkte omvang hadden, blijkt niet dat deze zodanig beperkt waren dat € 12.500,- (het bedrag dat DRI bereid is te voldoen) als een redelijk loon daarvoor kan worden aangemerkt. In het kader van de partijdiscussie over het redelijk loon uitgedrukt in een percentage van de Financing Fee stelt DRI zelf al dat 25% van het werk was verricht. De daarbij behorende fee is € 62.720,-.
Uitgaande van de door haar verrichte werkzaamheden maakt CBRE aanspraak op een redelijk loon van € 200.640,- of € 188.100,-. CBRE stelt dat zij de opdracht zo goed als voltooid had, op de closing na. In rov. 6.12. is echter vastgesteld dat CBRE minder ver was in de uitvoering van de werkzaamheden. DRI heeft bij MvA pt. 42 en 43 gemotiveerd gesteld dat CBRE slechts 20-25% van de in de overeenkomst voorziene werkzaamheden heeft verricht. CBRE heeft, mede in het licht daarvan en gezien de stappen die nog moesten worden doorlopen, onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat de opdracht bijna voltooid was of dat de door haar verrichte werkzaamheden met inbegrip van de ondersteuning bij het zoeken naar een alternatief voor de verlengingsoptie gelijk te stellen zijn aan 75-80% van de totale opdracht. Gelet op hetgeen CBRE heeft gedaan, kan echter evenmin worden uitgegaan van de door DRI bepleite 25 % van de Financing Fee, nu zij hierbij de onder 3.12. en 6.11. bedoelde werkzaamheden bagatelliseert en, zo begrijpt het hof, op nihil waardeert. Een deel van de argumentatie van DRI berust bovendien op de reeds in die fee verdisconteerde omstandigheid dat een deel van de werkzaamheden door ‘junior medewerkers’ wordt uitgevoerd.
Gezien het aantal stappen dat is doorlopen ter uitvoering van de opdracht en de ‘extra’ werkzaamheden en wat partijen daarover over en weer hebben gesteld in de stukken en bij de mondelinge behandeling in hoger beroep, concludeert het hof dat 40% van de Financing Fee kan worden aangemerkt als redelijk loon voor de door CBRE verrichte werkzaamheden. Dat betekent dat de vordering, die ook tot het ‘mindere’ dan de concreet gevorderde bedragen kan worden toegewezen, tot een beloop van € 100.320,- toewijsbaar is.
De slotsom is dat de op art. 7:411 BW gegronde vordering van CBRE gedeeltelijk toewijsbaar is. Grief 2 slaagt ten dele. De andere door CBRE gestelde grondslagen van haar vorderingen en de daarop betrekking hebbende grieven leiden niet tot een andere uitkomst. Het hof licht dat als volgt toe.
In beginsel dient schadevergoeding een benadeelde zoveel mogelijk in de toestand te brengen waarin hij zou hebben verkeerd indien de schadeveroorzakende gebeurtenis zou zijn uitgebleven. Dat brengt met zich dat de omvang van de schade moet worden bepaald door een vergelijking van de toestand zoals deze in werkelijkheid is met de toestand zoals die (vermoedelijk) zou zijn geweest indien het schadeveroorzakende feit niet zou hebben plaatsgevonden. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten dat CBRE zonder deze gebeurtenissen de opdracht zou hebben voltooid en dus aanspraak zou hebben gehad op de volledige Financing Fee, nu het blijkbaar in de heersende marktomstandigheden niet mogelijk was om een financiering aan te trekken die voor DRI gunstiger was dan het vooralsnog continueren van de bestaande financiering. Daarbij neemt het hof onder meer in aanmerking dat CBRE ten onrechte meent dat het DRI uit hoofde van de artikelen 4.4 en 4.5 van de algemene voorwaarden niet vrij stond om (toch) de verlengingsoptie in te roepen. Ook meent zij ten onrechte dat DRI de ING-financiering zou hebben afgenomen. Uitgaande van de totale verrichte werkzaamheden, kan zij geen aanspraak maken op vergoeding van
€ 200.640,- of € 188.100,- (zie rov. 6.13). Mede gezien de gemotiveerde betwisting van DRI heeft CBRE voorts onvoldoende gesteld dat partijen, als de verlengingsoptie voor of bij het sluiten van de overeenkomst ter sprake was gekomen, de gestelde vergoeding van € 167.200,- waren overeengekomen. Een schadebegroting uitgaande van het verrichte werk heeft geen andere uitkomst dan de hiervoor opgenomen bepaling van het redelijk loon. CBRE heeft ook geen belang bij de gevorderde ontbinding van de Overeenkomst.
De door CBRE verlangde toepassing van art. 6:230 lid 2 BW betreft een discretionaire bevoegdheid met een ruime beoordelingsruimte. Daarbij zal CBRE in de situatie moeten worden gebracht waarin zij zou hebben verkeerd indien zij niet hadden gedwaald. Daartoe wordt een vergelijking gemaakt tussen de situatie waarin is gedwaald en de hypothetische situatie waarin dat niet het geval is. De omstandigheden waarop het gesteld nadeel van
€ 200.640,- of € 188.100,- is gegrond kunnen niet als juist kunnen worden aanvaard; niet kan worden aangenomen dat partijen, als DRI had verteld over de verlengingsoptie, (ook) de gestelde fee van € 167.200,- zouden zijn overeengekomen (zie rov. 6.13) en CBRE kan gezien de door haar verrichte werkzaamheden geen aanspraak maken op deze bedragen (zie rov. 6.15). Nu de door CBRE aan de gestelde dwaling verbonden gevolgen niet tot een ander resultaat kunnen leiden, kan in het midden blijven of CBRE daadwerkelijk heeft gedwaald.
CBRE vordert voorts op grond van artikel 8.5 algemene voorwaarden € 37.620 aan buitengerechtelijke incassokosten. Een redelijke uitleg van deze bepaling, waarin is geregeld dat ingeval van verzuim contractuele rente verschuldigd is en ‘voorts’ het daar genoemde percentage aan buitengerechtelijke kosten, houdt deze kosten alleen in geval van verzuim verschuldigd zijn. Niet blijkt dat DRI in verzuim is komen te verkeren.
De andere vorderingen en grondslagen kunnen verder onbesproken blijven. Bij verdere bespreking van de grieven bestaat geen belang.
Bij de gedeeltelijk toewijsbaar bevonden vordering vordert CBRE primair de in artikel 8.5 van de algemene voorwaarden bedoelde contractuele rente vanaf 26 juni 2023, zijnde de laatste dag voor betaling van haar factuur. Het hof gaat daarom voorbij aan haar betoog bij MvG pt. 123 dat de fee op 2 mei 2023 al opeisbaar was.
De contractuele rente is verschuldigd ingeval van verzuim. Zoals hiervoor is overwogen blijkt niet dat DRI in verzuim is geraakt. De contractuele rente is dan ook niet toewijsbaar. De subsidiair gevorderde wettelijke handelsrente is wel toewijsbaar.
Het bestreden vonnis moet worden vernietigd met inbegrip van de daarin gegeven proceskostenveroordeling. Partijen hebben geen bewijs aangeboden van stellingen die, indien bewezen, tot een ander oordeel leiden. De vordering van CBRE om DRI te veroordelen tot restitutie van hetgeen door CBRE is voldaan ter voldoening aan het bestreden vonnis is toewijsbaar. Nu partijen over en weer op punten in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten in beide instanties worden gecompenseerd.
7 Beslissing
Het hof:
vernietigt het bestreden vonnis en doet opnieuw recht:
veroordeelt DRI tot betaling aan CBRE van een bedrag van € 100.320,-, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 26 juni 2023 tot de voldoening;
veroordeelt DRI tot terugbetaling van al hetgeen door CBRE aan haar is voldaan ter voldoening aan het bestreden vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling door CBRE aan DRI tot de voldoening;
verklaart de onder 7.2. en 7.3. gegeven veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af;
bepaalt dat partijen hun eigen proceskosten in beide instanties dragen.
Dit arrest is gewezen door mrs. L. Alwin, O.J. van Leeuwen en M. Chébti en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2026.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.