Uitspraak · Civiel recht

Gerechtshof Amsterdam, 6 oktober 2026

ECLI:NL:GHAMS:2026:2854Zaaknummer 200.351.460/01

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
6 oktober 2026
Publicatiedatum
21 oktober 2026
Zaaknummer
200.351.460/01
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Hoger beroep
Zittingsplaats
Amsterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Heeft een functionaris (eerst als werknemer later als bestuurder) jegens de vennootschap onrechtmatig gehandeld door met gebruik van valse facturen en buitenlandse entiteiten geld te onttrekken en daar persoonlijk van te profiteren? Hof gaat op grond van de beschikbare stukken voorshands uit van de juistheid van het standpunt van de eisende partij. De functionaris mag dit vermoeden ontzenuwen.

Het hof:

7.1.

verwijst de zaak naar de rol van 3 november 2026 teneinde [geïntimeerde] in de gelegenheid te stellen zich bij akte uit te laten over het in 6.27. overwogene, waarna [appellanten] daar op de rol van 1 december 2026 bij akte op mogen reageren;

7.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.M. Vaessen, J.W.M. Tromp en T.M. Snoep en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De zaak in het kort
  2. 2 Het geding in hoger beroep
  3. 3 Feiten
  4. 4 Procedure bij de rechtbank
  5. 5 Vordering in hoger beroep
  6. 6 Beoordeling
  7. 7 Beslissing

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

team I (handel)

zaaknummer: 200.351.460/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam: C/13/746447/ HA ZA 24-141

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 6 oktober 2026

in de zaak van

1 [appellant] B.V.,

gevestigd te [plaats 1],

2. ONLINESEMINAR INTERNATIONAL B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

advocaat: mr. L.A. van Kooten-Hendriks te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde],

wonend in [plaats 2],

geïntimeerde,

advocaat: mr. S. Sadiekkhan te Amsterdam.

Partijen worden hierna [appellant], OLSI (en samen [appellanten]) en [geïntimeerde] genoemd.

1 De zaak in het kort

[geïntimeerde] was bestuurder van [appellant] en indirect bestuurder van OLSI. Volgens [appellanten] heeft [geïntimeerde] in zijn periode als bestuurder, en in de periode daarvoor, toen hij werknemer was bij een andere vennootschap binnen de groep, onrechtmatig gehandeld door met gebruikmaking van valse facturen gelden van onder meer OLSI over te maken naar buitenlandse entiteiten, waar geen reële tegenprestatie tegenover stond. Volgens [appellanten] zijn deze gelden [geïntimeerde] in privé ten goede gekomen.

Het hof wijst een deel van de vorderingen van [appellanten] af en acht voor het overblijvende deel voorshands aannemelijk dat er met gebruikmaking van valse facturen gelden zijn onttrokken en dat [geïntimeerde] hiervan persoonlijk heeft geprofiteerd. Het is nu aan [geïntimeerde] om dit vermoeden te ontzenuwen.

2 Het geding in hoger beroep

[appellanten] zijn bij dagvaarding van 13 november 2024 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 14 augustus 2024 van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellanten] als eisers en [geïntimeerde] en [bedrijf] als gedaagden.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven met producties 66 t/m 75,

- memorie van antwoord,

- akte vermeerdering van eis met producties 76 t/m 87c,

- antwoordakte vermeerdering van eis met producties 50 en 51.

Op 10 juni 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij namens [appellanten] de zaak is toegelicht door mr. Van Kooten-Hendriks voornoemd en mr. M. van Hooft, advocaat te Amsterdam, en namens [geïntimeerde] door mr. Sadiekkhan voornoemd en mr. L.E. van Leeuwen, advocaat te Amsterdam, allen aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen.

3 Feiten

3.1.

Het hof gaat uit van de volgende feiten.

3.2.

Op 29 januari 2007 is [appellant] opgericht door [appellant] (hierna: [appellant]) als persoonlijke holding. [appellant] is enig aandeelhouder van [appellant] en was aanvankelijk ook de bestuurder.

3.3.

Op 18 maart 2009 is Online Seminar B.V. (hierna: OLS) opgericht, een bedrijf in software en ICT-oplossingen voor online presentaties en webinars. [appellant] werd enig aandeelhouder en bestuurder van OLS.

3.4.

Op 19 augustus 2013 is [geïntimeerde] op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst getreden bij OLS als algemeen manager.

3.5.

Op 29 december 2016 is OLSI opgericht, waarbij [appellant] 75% van de aandelen in OLSI ging houden en OLS 25%. [appellant] is de statutair bestuurder van OLSI.

3.6.

Op 31 december 2018 is Online Seminar The Netherlands B.V. (hierna: OLS NL) opgericht. OLS is de bestuurder van OLS NL.

3.7.

Op enig moment zijn de aandelen die [appellant] in OLS hield, gecertificeerd. Op 30 december 2019 heeft [appellant] 15% van de certificaten in OLS verkocht en geleverd aan [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ), de persoonlijke holding van [geïntimeerde], voor een koopprijs van € 200.000,00. [bedrijf] heeft dit betaald met een rentedragende lening die werd afgesloten bij [appellant]. [geïntimeerde] was de bestuurder van [bedrijf].

3.8.

In 2020 kampte [appellant] met burn-outklachten en vertrok hij naar Aruba voor een sabatical. Naar aanleiding daarvan is [bedrijf] op 28 december 2020 de bestuurder van [appellant] geworden. [geïntimeerde] werd daarmee ook middellijk bestuurder van OLS, OLSI en OLS NL. De functie van [geïntimeerde] werd sindsdien aangeduid als CEO en bedrijfsleider van de OLS-groep.

3.9.

De vastgestelde jaarrekeningen 2020 en 2021 van OLS en OLSI zijn beide op respectievelijk 9 september 2021 en 26 oktober 2022 tijdig gedeponeerd. Het bestuur is telkens decharge verleend.

3.10.

Op 15 maart 2023 zijn OLS en OLS NL, daags nadat de vennootschappen zelf om surseance van betaling hadden gevraagd, in staat van faillissement verklaard. Een (groot) deel van de onderneming is door de curator verkocht aan een doorstarter. Een softwareproduct en de daarbij behorende activa is door de curator aan [appellant] verkocht. De faillissementen zijn inmiddels opgeheven.

3.11.

Op 22 maart 2023 is [bedrijf] ontslagen als bestuurder van [appellant]. [geïntimeerde] is daarna in dienst getreden bij de doorstarter.

3.12.

Vanaf november 2023 heeft [appellant] de boeken van OLSI en [appellant] doorgelicht en aan de eigen accountant en aan [geïntimeerde] twijfels geuit over de verantwoording van mutaties. Het gaat daarbij met name om betalingen aan bedrijven uit Spanje en de VS.

3.13.

In de administratie van OLSI zijn de volgende facturen aangetroffen van “Rental Service Spain/Rental Service Barcelona”. Deze facturen zijn gericht aan “OLSI, t.a.v. M. [geïntimeerde] ”. Op de facturen is geen rekeningnummer van Rental Service Spain opgenomen.

FactuurdatumBedragFactuurnr.BetreftBetalingsdetails
16 december 2019€ 3.401,48[nummer 2]Rental Equipment Studio Rental Q3 & Q4 2019Paid via American Express *** [nummer 1]
24 september 2020€ 1.655[nummer 3]Rental Equipment Studio Rental BaxterPaid via American Express *** [nummer 1]
13 januari 2021€ 13.400[nummer 4]Rental Equipment Studio Rental Broadcasts 2020
30 december 2021€ 35.418[nummer 4] (Final Reconciliation 2021)Purchase of Webinar Equipment Barcelona StudioPaid per banco: € 35.418,00, total amount due: € 4.885,63
19 mei 2022€ 16.554[nummer 5] (Final Reconciliation 2022)Purchase of Camera and Studio EquipmentPaid per banco: € 14.769,63, total amount credit: € 1.784,37
TOTAAL€ 70.428,48
3.14.

In door [appellanten] overgelegde bankafschriften staat dat vanuit OLSI de volgende overboekingen zijn gedaan op het rekeningnummer [nummer 6] ten name van Rental Service Barcelona.

DatumBedragOmschrijving
26 juli 2020€ 1.889,00Invoice [nummer 7]
26 augustus 2020€ 1.736,00Inv [nummer 8]
27 oktober 2020€ 2.633,36Invoice [nummer 9]
28 december 2020€ 3.205,55Invoice [nummer 10]
27 januari 2021€ 1.865,00Inv [nummer 11]
16 februari 2021€ 1.685,00[nummer 12]
10 maart 2021€ 865,55Invoice [nummer 13]
21 april 2021€ 1.355,69[nummer 14]
TOTAAL€ 15.235,15
3.15.

Verder staat in door [appellanten] overgelegde bankafschriften dat vanuit OLSI de volgende overboekingen zijn gedaan ten gunste van de Amerikaanse vennootschap Studio & Streaming Services:

DatumBedragOmschrijvingen / tegenrekening
2 juli 2020€ 3.667,79[nummer 15] / account [nummer 15]
22 december 2020€ 13.350,00[nummer 15] / account [nummer 15]
TOTAAL€ 17.017,79
3.16.

Op 12 januari 2024 heeft [appellanten] conservatoir (derden)beslag gelegd op de privéwoning van [geïntimeerde] en onder verschillende banken, ten laste van onder meer [geïntimeerde].

4 Procedure bij de rechtbank

4.1.

OLSI heeft bij de rechtbank - voor zover in hoger beroep van belang - ten aanzien van [geïntimeerde] gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren dat [geïntimeerde] onrechtmatig jegens OLSI heeft gehandeld en gehouden is tot vergoeding van door OLSI geleden schade van € 214.901,56, vermeerderd met (handels)rente, of anders tot verwijzing naar de schadestaatprocedure.

[appellant] heeft ten aanzien van [bedrijf] gevorderd dat zij wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van in hoofdsom € 145.507,15 in verband met de geldlening van 30 december 2019, een en ander met veroordeling van [geïntimeerde] en [bedrijf] in de kosten.

4.2.

De rechtbank heeft op 14 augustus 2024 de vorderingen van OLSI. ten aanzien van [geïntimeerde] afgewezen. [bedrijf] is in verband met de geldlening van 30 december 2019 veroordeeld tot betaling aan [appellant] van € 44.837,00, vermeerderd met rente ten kosten.

4.3.

Op 19 september 2024 is [bedrijf] in staat van faillissement verklaard.

5 Vordering in hoger beroep

5.1.

[appellanten] zijn niet in hoger beroep gekomen tegen de veroordeling van [bedrijf]. Zij hebben alleen [geïntimeerde] in hoger beroep betrokken. [appellanten] vorderen vernietiging van het bestreden vonnis ten aanzien van [geïntimeerde] en vorderen een verklaring voor recht dat [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [appellanten] en aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade.

Nadat [geïntimeerde] zijn memorie van antwoord had genomen, hebben [appellanten] hun eis vermeerderd met een vordering tot schadevergoeding. Zij vorderen primair dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling van € 94.824,79, of een in goede justitie te betalen bedrag, vermeerderd met rente. Subsidiair vorderen [appellanten] verwijzing naar de schadestaatprocedure. Tevens vorderen [appellanten] veroordeling van [geïntimeerde] in de werkelijke proceskosten en de kosten voor onderzoek van samen € 82.442,79 (exclusief btw), of anders veroordeling in de proceskosten in beide instanties, met nakosten, beslagkosten en rente.

5.2.

Volgens [geïntimeerde] moet het hof de vorderingen van [appellanten] afwijzen en het vonnis bekrachtigen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellanten] in de proceskosten, met nakosten en rente.

6 Beoordeling

De grondslag van de vordering

6.1.

In hoger beroep hebben [appellanten] hun vordering op [geïntimeerde] beperkt tot de hoogte van de betalingen waarvan [appellanten] stellen dat die (i) door OLSI, OLS en OLS NL (hierna: OSL-vennootschappen) zijn verricht aan de Spaanse vennootschap Rental Service Spain; en (ii) door OLSI zijn verricht aan de Amerikaanse vennootschap Studio & Streaming Services. Volgens [appellanten] heeft [geïntimeerde] langs deze weg gelden vanuit de vennootschappen weggesluisd en daar persoonlijk van geprofiteerd.

6.2.

[appellanten] stellen dat [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld door zich schuldig te maken aan het vervalsen van facturen, het heimelijk onttrekken van gelden c.q. activa, het verrichten van betalingen zonder rechtsgrond en het voeren van een onjuiste administratie en zodoende gelden te onttrekken aan de vennootschappen om zichzelf te verrijken.

Volgens [appellanten] heeft [geïntimeerde] valse facturen opgemaakt, waar geen tegenprestatie tegenover stond, die hij door de OLS-vennootschappen heeft laten betalen aan entiteiten in Spanje en de VS, waarvan hijzelf de uiteindelijke begunstigde is.

Het benadelen van de vennootschappen is volgens [appellanten] onrechtmatig van [geïntimeerde], ook als niet komt vast te staan dat [geïntimeerde] zelf is verrijkt.

6.3.

Het hof stelt voorop dat voor persoonlijke aansprakelijkheid van [geïntimeerde] voor de schade van [appellanten] wegens onrechtmatig handelen, ook moet komen vast te staan dat [geïntimeerde] daarvan persoonlijk heeft geprofiteerd. Indien alleen komt vast te staan dat onder het bestuur van [geïntimeerde] gelden uit de onderneming zijn gevloeid, zonder dat daar een tegenprestatie tegenover stond, kan er sprake zijn van slecht of ontoereikend bestuur. Voor persoonlijke aansprakelijkheid van [geïntimeerde] is in dat geval nodig dat hem als bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Op die grondslag is de vordering echter niet ingesteld. Desgevraagd is ter zitting namens [appellanten] ook bevestigd dat hun vordering niet ziet op bestuurdersaansprakelijkheid.

6.4.

Voor de periode dat [geïntimeerde] (slechts) werknemer was binnen de groep, is voor aansprakelijkheid vereist dat sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid (artikel 7:661 BW). In de stellingen van [appellanten] ligt besloten dat zij menen dat [geïntimeerde] opzettelijk heeft gehandeld. Indien komt vast te staan dat [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld door kort gezegd op basis van valse facturen geld te onttrekken aan de onderneming en daarvan persoonlijk heeft geprofiteerd, ligt daarin tevens besloten dat hij, voorzover hij dit ook mocht hebben gedaan in de periode dat hij werknemer was, opzettelijk heeft gehandeld.

De eiswijziging

6.5.

[appellanten] stellen dat de eiswijziging gerechtvaardigd is omdat zij na de memorie van antwoord de beschikking hebben gekregen over nieuw bewijs. Uit een zogenoemde IBAN-naamcheck door een betaling via de app van de Rabobank, is hen bekend geworden dat de Spaanse bankrekening waaraan de OSL-vennootschappen betalingen hebben gedaan, op naam van [geïntimeerde] privé stond. Op grond van dit nieuwe gegeven hebben zij nogmaals de administratie van de OSL-vennootschappen tegen het licht gehouden en hun schadevordering geconcretiseerd. [geïntimeerde] bestrijdt dat er sprake is van een nieuw feit, omdat de IBAN-naamcheck ook al eerder uitgevoerd had kunnen worden en meent dat de eisvermeerdering daarom niet toelaatbaar is.

Het hof overweegt als volgt. Sinds 9 oktober 2025 zijn banken in de EU verplicht een IBAN-naam check uit te voeren bij betalingen naar het buitenland. Deze nieuwe verplichting bood [appellanten] de mogelijkheid de tenaamstelling van het rekeningnummer te controleren. Op basis van wat daaruit is gebleken, willen [appellanten] hun eis vermeerderen. Onverkorte toepassing van de regel dat de eis in hoger beroep na de memorie van grieven niet meer kan worden vermeerderd, is naar het oordeel van het hof in dit geval in strijd met de goede procesorde. De enkele stelling van [geïntimeerde] dat de app van de Rabobank al eerder de mogelijkheid van een IBAN-naam check bood, heeft zij verder niet onderbouwd. Dit had wel op haar weg gelegen, nu de wijze waarop de app werkt, bepalend is voor welke gegevens daarmee boven tafel gehaald kunnen worden. Uit haar stellingen volgt onvoldoende dat de app van Rabobank vóór 9 oktober 2025 voor internationale betalingen op exact dezelfde wijze werkte als thans. Aan haar verweer dat de gegevens waar [appellanten] zich nu op beroepen al eerder achterhaald hadden kunnen worden, gaat het hof daarom voorbij. Het moet ervoor worden gehouden dat de feitelijke mogelijkheid dit onderzoek uit te voeren, pas is ontstaan nadat op 25 augustus 2025 de memorie van grieven was genomen en de eis in hoger beroep is geformuleerd. Tegen deze achtergrond is de door [appellanten] gevorderde eisvermeerdering, die erop neerkomt dat de schade concreet wordt begroot en dat een veroordeling in de werkelijke proceskosten wordt gevorderd, in dit geval daarom toelaatbaar, temeer nu een en ander ter zitting ook inhoudelijk is besproken. Beslist zal daarom worden op de vermeerderde eis.

6.6.

Wat betreft de betalingen naar het buitenland, begrijpt het hof de eisvermeerdering - die rudimentair is toegelicht door [appellanten] - als volgt. [appellanten] hebben in de akte waarin de eis is vermeerderd gesteld dat een bedrag van € 72.019,00 naar de Spaanse bankrekening is overgemaakt en een bedrag van € 22.895,79 naar de bankrekening in de VS, tezamen € 94.824,79.

Aanvankelijk is gesteld dat € 60.916,00 naar Spanje is overgemaakt. In de kort voor de zitting ingediende akte waarbij de eis is vermeerderd, hebben [appellanten] onder verwijzing naar hun aanvullende producties 78 en 79 betoogd dat gebleken is van drie extra betalingen door OLS naar Spanje van in totaal € 16.891,00. Tegelijkertijd blijkt uit deze stukken (productie 78), zo heeft het hof geconstateerd, dat op de overgelegde grootboekkaart met als opschrift Rental Service Spain, ook een betaling staat van € 5.788,00 die ziet op een betaling naar de VS en daar dus niet thuishoort. Aldus is de rekensom met betrekking tot de betalingen naar Spanje van [appellanten] kennelijk geweest: € 60.916,00 + € 16.891,00 -/- € 5.788,00 = € 72.019,00.

Het oorspronkelijk genoemde bedrag dat naar de VS zou zijn overgemaakt (€ 17.017,79) hebben [appellanten] vervolgens verhoogd met € 5.788,00 tot het hiervoor genoemde bedrag van € 22.805,79.

[appellant]

6.7.

Het hof stelt vast dat niet is gesteld of gebleken dat door [appellant] betalingen zijn gedaan aan de genoemde buitenlandse vennootschappen. Zij is dus niet zelf benadeeld door het beweerdelijk handelen van [geïntimeerde], zodat de vorderingen van [appellant] tegen [geïntimeerde] niet toewijsbaar zijn. Omdat er niet van kan worden uitgegaan dat [geïntimeerde] jegens [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld, delen de vorderingen van [appellant] uit hoofde van proces- en onderzoekskosten in dit lot. [appellanten] hebben ter zitting in hoger beroep desgevraagd meegedeeld dat [appellant] als aandeelhouder geen afgeleide schade vordert.

6.8.

Daarmee gaat het in deze zaak alleen om de gewraakte betalingen die zijn gedaan vanuit OLSI aan Rental Service Spain in Spanje en Studio & Streaming Services in de VS.

Rental Service Spain

6.9.

Volgens [appellanten] zijn vanuit OLSI en vanuit OLS en OLS NL betalingen gedaan aan Rental Service Spain tot een bedrag van in totaal € 72.019,00. Hiervoor onder 6.6. is uiteengezet hoe [appellanten] tot dit bedrag zijn gekomen.

6.10.

In het bedrag van € 72.019,00 zijn ook betalingen begrepen die door de gefailleerde vennootschappen OLS en OLS NL zijn gedaan. Als er sprake was van fraude zoals door [appellanten] gesteld, komt aan deze vennootschappen de vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen toe. Uit het feit dat in de boekhouding kennelijk deze betalingen in rekening-courant ten laste van OLSI zijn geboekt, volgt nog niet dat OLSI jegens [geïntimeerde] een vorderingsrecht uit onrechtmatige daad heeft gekregen, te minder nu ter zitting is toegelicht dat de curator weliswaar heeft geprobeerd om de rekening-courantvorderingen van OLS en OLS NL te innen bij OLSI, maar dat dit blijkbaar niet is gelukt omdat OLSI niet wilde of niet kon betalen. Er kan daarom niet van worden uitgegaan dat de betreffende betalingen ten laste van OLSI zijn gekomen en dat OLSI een vorderingsrecht heeft op [geïntimeerde] ter zake van onrechtmatig gedane betalingen vanuit OLS en OLS NL. De betalingen die vanuit OLS en OLS NL zijn gedaan, blijven daarom buiten beschouwing in de beoordeling. Daarbij gaat het om een bedrag van in totaal € 52.128,85.

6.11.

Uit de stellingen van [appellanten] en de door hen overgelegde stukken, volgt dat vanuit OLSI een bedrag van € 19.890,15 (€ 72.019,00 -/- € 52.128,85) is overgemaakt naar het Spaanse rekeningnummer op naam van Rental Service Spain.

Voor € 15.235,15 van dit bedrag zijn ter onderbouwing ook rekeningafschriften overgelegd van de ABN Amro-rekening van OLSI met rekeningnummer 54.06.45.982. Aan de juistheid van die afschriften heeft [geïntimeerde] niet afgedaan. Er kan daarom van worden uitgegaan dat deze betalingen zijn gedaan door OLSI.

De resterende € 4.655,00 zijn volgens [appellanten] op 1 maart 2023 voldaan aan Rental Service Spain vanaf de rekening van OLSI met IBAN [nummer 17] met als omschrijving “Factura [nummer 16] ”. Dit zou volgen uit het grootboek van OLSI (een grootboekkaart met de titel “Rental Service” is als productie 78 overgelegd) en een uitdraai uit haar boekhoudsysteem Yuki, die is overgelegd als productie 79. [geïntimeerde] betwist weliswaar dat een vastlegging in het grootboek of in het boekhoudsysteem betekent dat er ook daadwerkelijk is betaald naar het Spaanse rekeningnummer, maar nu hij op 1 maart 2023 zelf nog de middellijk bestuurder was van OLSI en hij in die hoedanigheid ervoor heeft in te staan dat de administratie en boekhouding, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3:15i BW, aldoor een correct beeld hebben gegeven, is die enkele betwisting niet voldoende. Het ligt op zijn weg om gemotiveerd uiteen te zetten waarom de boeken en administratie het verkeerde beeld geven dat naar het Spaanse rekeningnummer zou zijn betaald. Nu hij dit heeft nagelaten, moet aan zijn betwisting voorbij worden gegaan. Het moet ervoor worden gehouden dat ook een bedrag van € 4.655,00 door OLSI is overgemaakt naar het Spaanse rekeningnummer.

6.12.

Van het hiervoor bedoelde bedrag van € 19.890,15 is € 9.463,91 overgeboekt voordat [geïntimeerde] (indirect) bestuurder was van OLSI. Een bedrag van € 10.426,24 is overgeboekt in de periode dat [geïntimeerde] (vanaf december 2020) via [bedrijf] middellijk statutair bestuurder was. Voor in ieder geval het boekjaar 2021 geldt dat de onder het bestuur van [bedrijf] opgestelde jaarrekening is vastgesteld en goedgekeurd en dat daarvoor aan [bedrijf] als bestuurder decharge is verleend. Indien echter komt vast te staan dat het om valse facturen gaat en dat [geïntimeerde] het geld kort gezegd OLSI heeft ontfutseld, kan hij aan die decharge in redelijkheid geen rechten of aanspraken ontlenen omdat dan tevens vast staat dat de jaarrekening waarvoor de decharge is verleend, door zijn toedoen geen waarheidsgetrouw beeld heeft gegeven.

6.13.

De stelling van [appellanten] is dat [geïntimeerde] van de gewraakte betalingen persoonlijk heeft geprofiteerd. In dat kader hebben zij (bij de akte vermeerdering van eis) een bij Rabobank uitgevoerde IBAN-naam check van het Spaanse rekeningnummer overgelegd. [appellanten] hebben daarbij toegelicht dat sinds 9 oktober 2025, telkens als een klant in het systeem van een bank een betaalopdracht naar het buitenland invoert, de bank automatisch moet controleren of de naam van de ontvanger overeenkomt met de ingevoerde IBAN. Wanneer de naam overeenkomt met het rekeningnummer, verschijnt een groen vinkje en kan de betaling zonder verdere waarschuwing worden uitgevoerd. Namens OLSI is als ‘naam ontvanger’ [geïntimeerde] ingevuld, met het genoemde Spaanse rekeningnummer, waarbij het systeem van de bank vervolgens als suggestie gaf: “bedoel je [geïntimeerde] ?”. Hiermee is wat OLSI betreft aangetoond dat de Spaanse rekening op naam staat althans heeft gestaan van [geïntimeerde] en dat [geïntimeerde] persoonlijk heeft geprofiteerd van betaling. Ook zijn door OLSI als productie 76 screenshots overgelegd waaruit blijkt dat de betreffende rekening niet op naam staat van Rental Service Spain.

6.14.

[geïntimeerde] betwist dat uit de door OLSI overgelegde screenshots blijkt dat het Spaanse rekeningnummer op zijn naam staat. Hij heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat de rekening niet van hem is en heeft aangevoerd dat de door OLSI overgelegde ‘IBAN-check’ is ‘gefabriceerd’. Hij betwist daarmee de echtheid van de overgelegde screenshots. De screenshots melden volgens [geïntimeerde] slechts dat de naam en het rekeningnummer zijn gecontroleerd. [geïntimeerde] heeft op zijn beurt screenshots in het geding gebracht waaruit volgens hem blijkt dat er geen match is tussen [geïntimeerde] en het Spaanse rekeningnummer. Namens [geïntimeerde] is verklaard dat deze screenshots zijn gemaakt op 5 juni 2026. Verder heeft [geïntimeerde] een aan hem gerichte e-mail overgelegd van 8 juni 2026 van Open Bank S.A. (afkomstig van het e-mailadres info@openbank.com), waar de betreffende rekening wordt aangehouden, met daarin de mededeling: “Hierbij bevestigen wij dat u in de periode 1-1-2020 tot en met 31-12-2023 geen betaalrekening had bij Openbank.”

6.15.

Het hof overweegt als volgt. De door [appellanten] overgelegde screenshots bieden een aanwijzing dat de rekening mogelijk enige tijd op naam van [geïntimeerde] heeft gestaan. Het verweer van [geïntimeerde] dat het zou gaan om gefabriceerde stukken is weinig overtuigend. Uit de door [geïntimeerde] overgelegde e-mail van Open Bank S.A. blijkt slechts dat in de periode 2020 tot en met 2023 op naam van [geïntimeerde] geen rekening werd aangehouden bij Open Bank S.A. De e-mail ontkracht op zichzelf niet de door OLSI overgelegde IBAN-check met de link tussen het Spaanse rekeningnummer bij Open Bank S.A. en [geïntimeerde], die kennelijk recent is uitgevoerd. Ook vormt de e-mail geen bewijs dat [geïntimeerde] nooit een rekening bij Open Bank S.A. heeft gehad. Of de e-mail van Open Bank S.A. een authentieke e-mail is, kan daarom in het midden blijven, nu daaraan niet de door [geïntimeerde] gestelde conclusies kunnen worden verbonden.

Het gegeven dat de naam van [geïntimeerde] niet tevoorschijn komt wanneer thans dezelfde IBAN-naam check wordt gedaan, rechtvaardigt hooguit de conclusie dat de rekening nu niet op naam staat van [geïntimeerde]. Hieruit volgt echter niet dat de Spaanse bankrekening nooit op naam van [geïntimeerde] heeft gestaan.

6.16.

Gelet op deze omstandigheden valt dan ook niet uit te sluiten dat er een nauwe betrokkenheid bestaat of heeft bestaan tussen [geïntimeerde] en Rental Service Spain. Het gegeven dat er door [geïntimeerde] tot op heden geen stukken zijn overgelegd waaruit volgt dat Rental Service Spain een daadwerkelijk bestaand bedrijf is of ten minste een handelsnaam van een (rechts)persoon of personenvennootschap die in Spanje in het handelsregister is opgenomen, draagt bij aan de twijfel over het bestaan c.q. de hoedanigheid van Rental Service Spain en over wie haar aandeelhouder(s) of ultimate benificiary owner(s) is/zijn indien sprake is van een rechtspersoon.

[appellanten] stellen verder ook terecht vraagtekens bij de gang van zaken rond de betalingen aan Rental Service Spain en hoe deze in de administratie en boekhouding van OLSI zijn verwerkt. Het bevreemdt dat er betalingen zijn gedaan op grond van facturen met een latere datum, terwijl facturen ook pas lijken te zijn aangemaakt op een moment na de factuurdatum. Bovendien zijn bij de overboekingen wel factuurnummers vermeld, maar die komen niet overeen met de factuurnummers op de aangetroffen facturen. Ook zijn veel kleine(re) betalingen gedaan, terwijl de facturen op andere, grotere bedragen zien. De op de aangetroffen facturen vermelde betalingsdetails (gedeeltelijke betalingen, zowel per bank als creditcard) roepen ook vragen op.

6.17.

Tijdens de mondelinge behandeling is [geïntimeerde] bevraagd over de gebruikelijke gang van zaken bij het doen van bestellingen. Hij heeft daarop verklaard dat offertes werden aangevraagd, dat die vervolgens werden beoordeeld door iemand van het managementteam, waarna toestemming werd gegeven om iets te bestellen. Een factuur werd dan vervolgens door [geïntimeerde] of iemand anders van het managementteam geaccordeerd, zodat er kon worden betaald. Als er iets werd betaald voordat er een factuur was, dan was er een pro forma factuur, aldus [geïntimeerde]. Het hof constateert echter dat geen pro forma facturen of offertes zijn overgelegd. Bovendien wijkt de hiervoor onder 6.16. beschreven gang van zaken bij de betalingen aan Rental Service Spain af van de gebruikelijke gang van zaken zoals door [geïntimeerde] geschetst.

6.18.

Tot slot hebben [appellanten] gesteld dat [geïntimeerde] de facturen die zijn aangetroffen, zelf heeft gemaakt. Dit zou blijken uit de ‘metadata’ van deze facturen. Daarbij wijzen ze erop dat op de facturen geen IBAN staat, dat er geen betalingstermijnen op staan en dat ze alleen vage omschrijvingen bevatten. De overgelegde facturen zien (anders dan de naam Rental Service Spain zou kunnen doen vermoeden), niet alleen op het huren maar ook op de aankoop van apparatuur. [appellanten] stellen dat zij in de onderneming geen tegenprestaties hebben kunnen ontwaren. Zo ontbreken fysieke goederen of apparatuur die met de betalingen in verband kunnen worden gebracht. Ook ontbreken in de administratie kennelijk stukken als offertes, contracten, bestelbonnen, afleverbonnen en installatierapporten. Ook dit voedt de twijfel aan de echtheid van de facturen, aldus [appellanten]

6.19.

Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] op de concrete verwijten die hem worden gemaakt ontwijkend en niet afdoende gereageerd (onder meer in de memorie van antwoord onder 5.11), terwijl het zowel in zijn eerste rol als algemeen manager als in zijn latere rol van statutair bestuurder, op zijn weg ligt om hierover duidelijkheid te verschaffen. Daarbij kan niet uit het oog worden verloren dat hij kennelijk de voornaamste (en mogelijk enige) contactpersoon van Rental Service Spain was. Zijn reactie blijft echter steken in algemeenheden, zonder dat hij concreet heeft gemaakt welke tegenprestaties Rental Service Spain heeft geleverd.

6.20.

De conclusie is dat er gerede twijfel bestaat over de echtheid van de facturen van Rental Service Spain. Verder zijn er aanwijzingen dat [geïntimeerde] heeft geprofiteerd van de betalingen die OLSI op basis van deze facturen heeft gedaan.

Studio & Streaming Services

6.21.

[appellanten] stellen na eisvermeerdering dat in totaal € 22.805,79 vanuit OLSI is overgemaakt naar Studio & Streaming Services in de VS.

Uit overgelegde bankafschriften van juli en december 2020 (zie onder 3.14) blijken twee overboekingen van samen € 17.017,79 vanaf de ABN Amro-rekening van OLSI met rekeningnummer 54.06.45.982 naar Studio & Streaming Services in de VS. Dat die betalingen zijn verricht, staat daarmee voldoende vast. Dit was in de periode dat [geïntimeerde] nog geen (indirect) statutair bestuurder was van OLSI.

Verder is volgens [appellanten] kort voor de zitting aan het licht gekomen dat onder het bestuur van [geïntimeerde] op 21 maart 2022 nog eens € 5.788,00 is overgemaakt door OLSI naar Studio & Streaming Services. Zij onderbouwen deze stelling met een verwijzing naar een grootboekkaart uit de boekhouding van OLSI. Van de betreffende betaling is echter geen bankafschrift overgelegd. Er zijn ook geen facturen van Studio & Streaming Services overgelegd. Volgens [appellanten] zijn die niet aangetroffen. Wel zijn diverse facturen overgelegd van Studio & Streaming Services ten name van OLS en gericht aan [geïntimeerde].

6.22.

Volgens [appellanten] betreft het bedrag van € 5.788,00 een betaling die door OLSI is verricht voor OLS. Los van de vraag of OLSI hierdoor schade heeft geleden, moet het hof er in ieder geval van kunnen uitgaan dat er daadwerkelijk € 5.788,00 is betaald door OLSI. De stellingen van [appellanten] bieden in combinatie met de overgelegde producties daarvoor onvoldoende grond. Het enige bewijsstuk dat op de bewuste betaling duidt is de als productie 80 overgelegde grootboekkaart met betrekking tot OLSI uit de boekhouding van OLSI. Een daarmee corresponderend bankafschrift ontbreekt, terwijl ook overigens uit niets blijkt waarvoor er betaald zou zijn. Bij die stand van zaken hebben [appellanten] naar het oordeel van het hof hun stelling dat er vanuit OLSI voor OLS € 5.788,00 is betaald aan Studio & Streaming Services onvoldoende onderbouwd, zodat daaraan voorbij moet worden gegaan.

6.23.

Wat betreft de hiervoor bedoelde twee overboekingen van in totaal € 17.017,79, stellen [appellanten] dat ook hier geen tegenprestatie is geleverd voor de door OLSI verrichte betalingen. Ook Studio & Streaming Services zou ten tijde van de betalingen in juli en december 2020 niet hebben bestaan.

6.24.

[geïntimeerde] betwist allereerst dat uit een uitdraai uit de administratie van OLSI blijkt dat zij daadwerkelijk heeft betaald aan Studio & Streaming Services. Zoals hiervoor reeds is overwogen, volgt uit de inmiddels overgelegde bankafschriften afdoende dat er indertijd wel degelijk betalingen zijn verricht vanuit OLSI naar de VS.

Verder stelt [geïntimeerde] dat Studio & Streaming Services een bestaande vennootschap is die apparatuur aan OLSI heeft verhuurd en medewerkers ter beschikking heeft gesteld voor bepaalde projecten. Daarnaast stelt [geïntimeerde] dat de betalingen verband houden met de aankoop van apparatuur.

6.25.

[appellanten] wijzen er onweersproken op dat in de administratie van OLSI geen facturen en/of correspondentie zijn aangetroffen die erop wijzen dat er zaken zijn gedaan met Studio & Streaming Services. Evenmin is gemotiveerd betwist dat Studio & Streaming Services pas in oktober 2023 - dus na het ontslag van [geïntimeerde] als statutair bestuurder en nadat hem vragen over de betalingen naar de VS werden gesteld - online vindbaar is. Het daarbij vermelde adres in Californië betreft volgens [appellanten] slechts een postbusadres, waar veel meer bedrijven gevestigd zijn. Dit is niet goed te rijmen met de stelling dat er zaken zijn gedaan met een verhuurder en verkoper van apparatuur. Daarvoor lijkt een fysieke vestiging onontbeerlijk. De omstandigheden waaronder de betalingen aan Rental Services Spain en aan Studio & Streaming Services zijn gedaan vertonen enige gelijkenis. Vandaar dat, onder verwijzing naar hetgeen het hof hiervoor heeft bepaald in rov. 6.19., het ook hier op de weg ligt van [geïntimeerde] om meer duidelijkheid te verschaffen over de twee overboekingen die zijn gedaan en de leveringen van producten of diensten die daaraan ten grondslag liggen.

Voorshands aannemelijk dat er met gebruikmaking van valse facturen gelden zijn onttrokken

6.26.

Op grond van alle hiervoor geschetste feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, oordeelt het hof het voorshands aannemelijk dat [geïntimeerde] met gebruikmaking van valse facturen via betalingen naar een Spaanse en naar een Amerikaanse bankrekening een bedrag van in totaal € 36.970,94 (€ 19.890,15 + € 17.017,79) heeft onttrokken aan OLSI en hiervan persoonlijk heeft geprofiteerd. Het is aan [geïntimeerde] om dit vermoeden te ontzenuwen. Als [geïntimeerde] er niet in slaagt het hiervoor omschreven vermoeden te ontzenuwen, zal het hof uitgaan van de juistheid van dit vermoeden. In dat geval is de vordering van [appellanten] tot een bedrag van in hoofdsom € 36.970,94 toewijsbaar.

6.27.

De zaak wordt naar de rol verwezen teneinde [geïntimeerde] in de gelegenheid te stellen hoe hij het hiervoor bedoelde vermoeden wil ontzenuwen. [appellanten] zullen daar vervolgens op kunnen reageren.

6.28.

Het hof houdt iedere verdere beslissing aan. Dit geldt ook voor het oordeel over een reële proceskostenvergoeding.

7 Beslissing

Het hof:

7.1.

verwijst de zaak naar de rol van 3 november 2026 teneinde [geïntimeerde] in de gelegenheid te stellen zich bij akte uit te laten over het in 6.27. overwogene, waarna [appellanten] daar op de rol van 1 december 2026 bij akte op mogen reageren;

7.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.M. Vaessen, J.W.M. Tromp en T.M. Snoep en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2026.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.