Uitspraak · Belastingrecht
Gerechtshof Amsterdam, 22 september 2026
ECLI:NL:GHAMS:2026:2835Zaaknummer 25/2070 en 25/2071
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 22 september 2026
- Publicatiedatum
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- 25/2070 en 25/2071
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Hoger beroep
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Aanslagen IB/PVV 2019 en 2022 met verzuimboete. Tijdigheid. Vereiste aangifte. Betwisting ontvangst aanmaning. Bewijslastverdeling.
7 Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mrs. M. Ferrier, voorzitter, H.E. Kostense en W.J. Blokland, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. I.A. Kranenburg als griffier. De beslissing is op 22 september 2026 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerken 25/2070 en 25/2071
22 september 2026
uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X], wonende te [Z], belanghebbende,
tegen de uitspraak van 9 september 2025 in de zaken met kenmerken HAA 24/5666 en HAA 25/1926 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
1 Ontstaan en loop van het geding
Jaar 2019 (kenmerken 25/2070 en HAA 24/5666)
De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 23 december 2022 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2019 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 78.235. Daarbij is een vergrijpboete opgelegd van € 15.025 en een bedrag aan belastingrente in rekening gebracht van € 134.
Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar van 1 juni 2024 heeft de inspecteur het bezwaar gegrond verklaard. De aanslag is verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 68.374, de beschikking belastingrente is dienovereenkomstig verminderd en de vergrijpboete is vernietigd.
Jaar 2022 (kenmerken 25/2071 en HAA 25/1926)
De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 6 november 2024 een aanslag IB/PVV voor het jaar 2022 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 161.589. Daarbij is aan belanghebbende een verzuimboete opgelegd van € 385 en een bedrag aan belastingrente in rekening gebracht van € 3.017.
Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar van 5 maart 2025 heeft de inspecteur het bezwaar gegrond verklaard. De aanslag is verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 160.626 en de beschikking belastingrente is dienovereenkomstig verminderd.
Beide jaren
Tegen de uitspraken op bezwaar heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de rechtbank. In de bestreden uitspraak heeft de rechtbank de beroepen ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. De inspecteur heeft voor elk jaar een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft op 26 augustus 2026 een nader stuk (“pleitnota”) ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 september 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2 Feiten
Het Hof neemt de volgende feiten, zoals door de rechtbank vastgesteld over (belanghebbende wordt in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als “eiser” en de inspecteur als “verweerder”):
“HAA 24/56661. Op 30 juni 2020 heeft eiser de aangifte ib/pvv 2019 ingediend. Het verzamelinkomen bedraagt € 12.196 en bestaat uit:
Belastbare winst € - 46.319Belastbaar loon € 73.053
Aftrekbare scholingsuitgaven € 14.537
Verzamelinkomen € 12.196
2. Verweerder heeft (…) een definitieve aanslag ib/pvv 2019 opgelegd. Het verzamelinkomen is vastgesteld op € 78.235. Bij beschikking is € 134 aan belastingrente berekend en is aan eiser een vergrijpboete opgelegd van € 15.025. De aanslag is naar het bij de Belastingdienst bekend staande woonadres van eiser verzonden namelijk [straat 1] 9, [plaats 1].
HAA 25/1926
3. Op 28 februari 2023 wordt eiser uitgenodigd tot het doen van aangifte ib/pvv 2022. Eiser verzoekt op 17 april 2023 uitstel voor het indienen van de aangifte ib/pvv 2022. Het uitstel wordt verleend tot 1 september 2023.
4. Op 22 september 2023 herinnert verweerder eiser aan het doen van aangifte ib/pvv 2022. (…) Eiser heeft geen aangifte ingediend.
5. Verweerder stelt ambtshalve de aanslag ib/pvv 2022 vast met dagtekening6 november 2024. Het verzamelinkomen bedraagt € 161.589. Tevens is er € 3.017 aan belastingrente in rekening gebracht en is er een verzuimboete opgelegd van € 385.
6. Verweerder stuurt eiser op 13 januari 2025 een voorgenomen beslissing op het bezwaarschrift. Eiser is daarbij gewezen op het hoor- en inzagerecht. Verweerder verzoekt voor 3 februari 2025 te reageren. Op 12 februari 2025 heeft verweerder nogmaals een e-mailbericht gestuurd naar eiser met een rappel hoorrecht en verzoekt uiterlijk op 18 februari 2025 te reageren. Een reactie van eiser blijft uit.
7. Verweerder doet op 5 maart 2025 uitspraak op bezwaar. Hij verklaart het bezwaar gegrond en vermindert de aanslag ib/pvv 2022 gedeeltelijk. Het verzamelinkomen is verminderd naar € 160.626, de beschikking belastingrente is evenredig verminderd naar€ 2.968 en de verzuimboete is gehandhaafd.”
Het Hof vult deze feiten als volgt aan.
Over de aanslag IB/PVV 2019 heeft een bij name genoemde persoon met de functie “Medewerker Verwerken en Behandelen” van de Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen een “Rapport Datum Verzending” opgemaakt waarin ander andere staat:
“Ik heb op 7 oktober 2024 (…) de volgende systemen geraadpleegd[de namen van 9 systemen]
Ik heb in ABS ten aanzien van betrokkene, inzake het document Definitieve aanslag 2019 IB/PV het volgende waargenomen:
Dat met einddatum 08-12-2022, onder het BSN [# 8] en naam [X], een Definitieve aanslag BIN, middel IB/PV en een uitgaand bericht ten behoeve van een Definitieve aanslag IB/PV met aanslagnummer [# 1] met dagtekening 23-12-2022, is geregistreerd.
Ik heb in DOSHISTORIE ten aanzien van betrokkene, inzake het document Definitieve aanslag 2019 IB/PV het volgende waargenomen:
Dat deze op 09-12-2022, in een partij documenten systeem IB en Applid [# 2], dagtekening 23-12-2022, met het [# 3], in een aantal van 471 stuks, is opgemaakt.
Ik heb in DOSHISTORIE ten aanzien van betrokkene, inzake het document Definitieve aanslag 2019 IB/PV het volgende waargenomen:
Dat op 12-12-2022, de partij documenten met het [# 3], is samengevoegd in een samengestelde partij documenten dagtekening 21-12-2022, in een aantal van 12571 stuks, met het [# 4].
(…)Ik heb in ZP05 waargenomen dat de partij documenten met het [# 4] en eindproductnummer [# 5] op 15-12-2022, is aangeboden aan PostNL (48 uurs), ter postbezorging.
Ik heb in VAO3 ten aanzien van betrokkene, inzake het document Definitieve aanslag 2019 IB/PV het volgende waargenomen:
Dat de partij documenten ( [# 2] Aanslag IBPV Vz), met het [# 4] en eindproductnummer [# 5], met het verkoopordernummer [# 6], in een aantal van 12.571, tijdig en zonder problemen is aangeboden aan de postleverancier ter verzending.
(…)
Ik heb in DAS ten aanzien van betrokkene, inzake het document Definitieve aanslag 2019 IB/PV het volgende waargenomen:
Dat er op 16-12-2022, onder zoeksleutel [# 7] en berichtsjabloon BDA02, een Aanslag 2019 IB met aanslagnummer [# 1] en dagtekening 23 december 2022, t.n.v. [X] is gearchiveerd en deze is verzonden aan het adres [straat 1] 9, [plaats 1] .”
Over de aanmaning voor het doen van aangifte IB/PVV 2022 heeft een bij name genoemde persoon met de functie “Medewerker Verwerken en Behandelen” van de Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen een “Rapport Datum Verzending” opgemaakt waarin ander andere staat:
“Ik heb op 28 november 2025 (…) de volgende systemen geraadpleegd[de namen van 8 systemen]
Ik heb in ABS ten aanzien van betrokkene, inzake het document Aanmaning aangifte IB 2022 het volgende waargenomen:
Dat er op BSN [# 8], [X], een fiscale afspraak (Aanmaning tot het doen van de definitieve aangifte) met dagtekening 23-10-2023 en een uiterste reactiedatum 06-11-2023, is geregistreerd.
Ik heb in FAA ten aanzien van betrokkene, inzake het document Aanmaning aangifte IB 2022 het volgende waargenomen:
Dat er op 09-10-2023 t.b.v. het BSN [# 8], [X], een Aanmaning is geselecteerd met dagtekening 23-10-2023 en een uiterste reactietermijn van 06-11-2023.
Ik heb in DOSHISTORIE ten aanzien van betrokkene, inzake het document Aanmaning aangifte IB 2022 het volgende waargenomen:
Dat deze op 09-10-2023, in een partij documenten dagtekening 23-10-2023, systeem FAA, Applid FAAB01, met het [# 9] en het [# 10], in een aantal van 69174 stuks, is opgemaakt.
Ik heb in GID/Mijn Belastingdienst ten aanzien van betrokkene, inzake het document Aanmaning aangifte IB 2022 het volgende waargenomen:
Dat er met betrekking tot het BSN [# 8], [X], een Aanmaning aangifte
inkomstenbelasting 2022 met dagtekening 23-10-2023, afzender Belastingdienst (per post), is geregistreerd.
Ik heb in BBA ten aanzien van betrokkene, inzake het document Aanmaning aangifte IB 2022 het volgende waargenomen:
Dat er op 14-10-2023 een bericht van de applicatie MHS, code FAA10, over de periode 01-01-2022 t/m 31-12-2022, betreffende een Papieren Formulier met dagtekening 23-10-2023 en kenmerk FAA10. [# 8], is geregistreerd.
Ik heb in een query vanuit TSOP/DAS ten aanzien van betrokkene, inzake het document Aanmaning aangifte IB 2022 het volgende waargenomen:
Dat deze op 14-10-2023 in een partij met het [# 9] en parameters Groep G02, Partitie [# 11], Archiefdatum 17-10-2023 en Volgn [# 12], ten behoeve van het BSN [# 8], is geregistreerd ten behoeve van de applicatie DAS.
Ik heb in DAS ten aanzien van betrokkene, inzake het document Aanmaning aangifte IB 2022 het volgende waargenomen:
Dat op 17-10-2023, onder zoeksleutel [# 13] en bericht sjabloon FAA10, een Aanmaning aangifte 2022 met dagtekening 23 oktober 2023 en kenmerk FAA10. [# 8], t.n.v. [X], is gearchiveerd en deze is verzonden aan het adres [straat 2] 53, [plaats 2].
Ik heb in ZP05 ten aanzien van betrokkene, inzake het document Aanmaning aangifte IB 2022 geconstateerd:
Dat dit document is opgenomen in de partij documenten, genaamd FAAB01 MED
HERINNERING/AANMANING met het [# 9] en eindproductnummer [# 14], in een aantal van 50.000 en 19.174 stuks.
Ik heb in ZP05 waargenomen dat de partij documenten met het [# 9] en eindproductnummer [# 14] op 18-10-2023 is aangeboden aan PostNL (48 uurs), ter verzending.
Ik heb in VA03 ten aanzien van betrokkene, inzake het document Aanmaning aangifte IB 2022 het volgende waargenomen:
Dat de partij documenten (FAAB01 MED HERINNERING/AANMANING) met het [# 9] en eindproductnummer [# 14], onder het verkoopordernummer [# 15], in een aantal van 69.174 stuks, tijdig en zonder problemen is aangeboden ter verzending.
Met postbedrijf PostNL heeft de Belastingdienst voor het kalenderjaar 2023 een overeenkomst vastgelegd ten behoeve van de postbezorging. De overeenkomst tussen de Belastingdienst en PostNL ziet, op grond van artikel 16 en 17 van de Postwet, op de bezorging van binnenlandse (48 uurs) en buitenlandse post na aanbieding.”
3 Geschil in hoger beroep
In hoger beroep is voor het jaar 2019 uitsluitend nog de tijdigheid van de aanslag IB/PVV in geschil.
In hoger beroep is voor het jaar 2022 is in geschil of de aanslag, zoals deze na de vermindering is komen te luiden, en de verzuimboete terecht en zo ja, naar te hoge bedragen zijn vastgesteld. Daarnaast is in geschil of de inspecteur de hoorplicht heeft geschonden.
4 Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft over het geschil als volgt overwogen:
“Tijdigheid aanslag (HAA 24/5666)
9. Ingevolge artikel 11, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) vervalt de bevoegdheid tot het vaststellen van de aanslag door verloop van drie jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Indien voor het doen van aangifte uitstel is verleend, wordt deze termijn met de duur van dit uitstel verlengd. In artikel 5 AWR is bepaald dat de dagtekening van het aanslagbiljet geldt als de dagtekening van de vaststelling van de aanslag.
10. Bekendmaking van een aanslag gebeurt door toezending of uitreiking van het aanslagbiljet, zoals geregeld in artikel 3:41 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).
11. Artikel 8 eerste lid van de Invorderingswet 1990 bepaalt dat bekendmaking van een aanslag geschied door de ontvanger, die de aanslag bekend maakt door verzending of uitreiking van het door de Inspecteur voor het belastingschuldige opgemaakte aanslagbiljet.
12. Er is voor het 2019 geen uitstel verleend door verweerder. Verweerder heeft de aanslag vastgesteld op 23 december 2022, wat dus binnen de termijn van drie jaar is gebeurd. En deze aanslag is per post verstuurd aan eiser door de verweerder. Echter stelt eiser zich op het standpunt dat hij de aanslag heeft ontvangen in januari 2023.
13. Volgens eiser ligt het op de weg van verweerder om te bewijzen dat de aanslag op 23 december 2022 is verzonden. De rechtbank oordeelt dat verweerder enkel aannemelijk dient te maken dat de aanslag op tijd is verstuurd. Voorts oordeelt de rechtbank dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de aanslag 15 december 2023 [het Hof verstaat: 2022] is verzonden. Verweerder heeft stukken overgelegd met dagtekening 7 oktober 2024 uit de verzendadministratie van de Belastingdienst. Met betrekking tot het jaar 2019 acht rechtbank aannemelijk dat de aanslag aan het juiste adres is geadresseerd. Uit het verzendrapport volgt dat in de periode van 8 december 2022 tot en met 16 december 2022 de aanslag is aangeboden aan Post NL.
14. Eiser stelt dat verzending via PostNL ondeugdelijk is, onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 augustus 2023 (ECLI:NL:RBROT:2023:7257), waarin is geoordeeld dat structurele tekortkomingen bestaan in de bezorging van aangetekende post door PostNL.
15. De enkele verwijzing naar het bestaan van klachten of fouten bij PostNL leidt niet tot de conclusie dat verzending van aanslagen via PostNL ongeldig of onbetrouwbaar is. Tenzij eiser aannemelijk maakt dat in zijn specifieke geval de verzending niet heeft plaatsgevonden of dat sprake was van een zodanig gebrek dat het aanslagbiljet hem niet kon bereiken, wordt uitgegaan van correcte verzending en rechtsgeldige bekendmaking.
16. Voorts stelt eiser dat het verzendrapport van verweerder niet gebruikt kan worden als bewijs van verzending, omdat [naam] de verzoeker was van het rapport en het rapport geen handtekening heeft van de rapporteur. Dat het verzendrapport is opgevraagd door een medewerker van de Belastingdienst en niet is ondertekend, maakt dit op zichzelf niet ongeschikt als bewijsmiddel.
17. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder voor het jaar 2019 tijdig een aanslag ib/pvv heeft opgelegd.
HAA 25/1926
Vereiste aangifte
18. Op grond van artikel 8 van de van de AWR moet iedereen die daartoe is uitgenodigd duidelijk, stellig en zonder voorbehoud aangifte doen (de vereiste aangifte). Er is sprake van het niet doen van de vereiste aangifte indien de belastingplichtige niet binnen de gestelde termijnen heeft gereageerd op een uitnodiging tot het doen van aangifte op grond van artikel 6 van de AWR en niet heeft gereageerd op een aanmaning tot het doen van aangifte in de zin van artikel 9, derde lid, van de AWR (Hoge Raad 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1268 en Hoge Raad 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:675). Gelet hierop dient de rechtbank te beoordelen of de uitnodiging en aanmaning tot het doen van aangifte ib/pvv 2019 door eiser zijn ontvangen.
19. Niet in geschil is dat eiser bij brief van 28 februari 2023 uitgenodigd is tot het doen van aangifte ib/pvv vóór 1 april 2023. Eveneens is niet in geschil dat eiser ten tijde van de dagtekening van de uitnodiging tot het doen van aangifte, de herinnering en de aanmaning op het aangegeven adres woonde.
20. Op 22 september 2023 is een herinnering verstuurd aan eiser met het verzoek om uiterlijk 6 oktober 2023 aangifte ib/pvv 2022 te doen. Op 23 oktober 2023 is er een aanmaning verstuurd met het verzoek om uiterlijk 6 november 2023 aangifte ib/pvv 2022 te doen. Verweerder stelt dat eiser niet de vereiste aangifte heeft gedaan, omdat eiser geen aangifte heeft ingediend binnen de in de aanmaning gestelde termijn, te weten uiterlijk op6 november 2023. Verweerder stelt dat daarom sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast.
21. Eiser heeft in zijn bezwaarschrift van 14 december 2024 laten weten dat hij met een belastingconsulent bezig is om tot een juiste aangifte te komen. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Nu eiser binnen de daartoe gestelde termijnen geen aangifte heeft gedaan was de inspecteur bevoegd de aanslagen ambtshalve vast te stellen (artikel 11, tweede lid, van de AWR).
Omkering en verzwaring van de bewijslast
22. Verweerder beroept zich ten aanzien van de aanslag op omkering en verzwaring van de bewijslast op de grond dat eiser niet de vereiste aangifte heeft gedaan.
23. Artikel 27e, eerste lid, van de AWR bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien de vereiste aangifte niet is gedaan het beroep ongegrond wordt verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is. De belastingplichtige dient dan te doen blijken, dat wil zeggen overtuigend aan te tonen, dat de opgelegde belastingaanslag onjuist is.
24. Naar het oordeel van de rechtbank is omkering en verzwaring van de bewijslast van toepassing nu eiser niet de vereiste aangifte heeft gedaan. De rechtbank zal daarom beoordelen of eiser overtuigend heeft aangetoond dat de aanslag tot een te hoog bedrag is vastgesteld en of sprake is van een redelijke schatting. Eiser stelt dat verweerder een te hoog bedrag aan winst uit onderneming in aanmerking heeft genomen. Eiser heeft dit echter op geen enkele wijze onderbouwd. Gezien het feit dat de verzwaarde bewijslast op eiser rust oordeelt de rechtbank dat eiser niet heeft doen blijken dat er sprake is van een te hoge aanslag.
Redelijke schatting
25. De omkering en verzwaring van de bewijslast doet er niet aan af dat verweerder bij het vaststellen van de belastingaanslag uit moet gaan van een redelijke schatting.
26. De rechtbank is van oordeel dat hier sprake is van een redelijke schatting van de belastingaanslag. Verweerder heeft namelijk de loongegevens overgelegd. Uit deze gegevens blijkt dat eiser € 157.737 heeft ontvangen van zijn drie werkgevers.
Verzuimboete
27. Eiser is bij brief van 28 februari 2023 uitgenodigd tot het doen van aangifte ib/pvv 2019 vóór 1 mei 2023. Eiser heeft uitstel aangevraagd en deze is door verweerder verleend tot 1 september 2023. Verweerder heeft op 22 september 2023 een herinnering verstuurd aan eiser met het verzoek om uiterlijk 6 oktober 2023 aangifte te doen. En op 23 oktober 2023 heeft verweerder een aanmaning verstuurd om uiterlijk 6 november 2023 aangifte te doen.
28. Op grond van artikel 67a van de AWR kan de inspecteur een verzuimboete opleggen wanneer niet binnen een in de aanmaning gestelde termijn aangifte wordt gedaan. Op grond van paragraaf 21, tweede lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (hierna: BBBB) wordt er in dat geval een boete opgelegd van € 385. Eiser stelt zich niet op het standpunt dat hij de uitnodiging tot het doen van aangifte en de aanmaning daartoe niet heeft ontvangen. Ook heeft eiser geen andere reden naar voren gebracht waarom hij de vereiste aangifte niet heeft kunnen doen of waarom de verzuimboete vernietigd dient te worden. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de verzuimboete terecht is opgelegd.
Schending hoorrecht
29. Voorts stelt eiser zich op het standpunt dat het hoorrecht is geschonden, omdat verweerder de definitieve aanslag heeft vastgesteld zonder eiser te horen.
30. In artikel 7:2, eerste lid, van de Awb is opgenomen dat voordat een bestuursorgaan beslist op het bezwaar, eiser in de gelegenheid gesteld moet worden om gehoord te worden. En in artikel 7:3, onder d, van de Awb kan van horen worden afgezien wanneer eiser niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht om gehoord te worden.
31. Met dagtekening 13 januari 2025 heeft verweerder aan eiser een “een voorgenomen beslissing” verstuurd. Verweerder heeft eiser in deze brief gewezen op het hoor- en inzagerecht. Daarbij zat een reactieformulier waarop eiser kon aangeven of hij gehoord wilde worden en een opgaaf van zijn verhinderdata kon doen. Verweerder heeft daarin gevraagd of eiser vóór 3 februari 2025 het formulier in te vullen en terug te sturen. Vervolgens heeft verweerder op 12 februari 2025 een e-mail naar eiser gestuurd om hem te herinneren aan zijn hoorrecht. Hij verzoekt om uiterlijk op 18 februari 2025 te reageren. De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft gereageerd op dit verzoek. Niet gebleken is dat eiser van zijn hoorrecht gebruik wilde maken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarom mogen afzien van het horen op grond van artikel 7:3, onder d, van de Awb.
Belastingrente
32. De rechtbank zal het beroep van eiser ongegrond verklaren. Dit betekent dat de beschikking belastingrente tevens in stand blijft.
Proceskosten
33. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”
5 Beoordeling van het geschil
Vooraf
Belanghebbende heeft een niet geconcretiseerd aanbod tot het “zo nodig” leveren van getuigenbewijs gedaan. Hij heeft echter geen getuige meegebracht naar de zitting van het Hof en heeft geen melding gedaan van een door hem opgeroepen getuige, terwijl hij op die mogelijkheden in de uitnodiging voor de zitting bij het Hof is gewezen (artikel 8:60, lid 4, Awb). Voor zover belanghebbende al bedoelde het Hof te verzoeken om een getuige te horen, ziet het Hof daartoe gelet op de vaagheid van het verzoek en het niet voldoen aan de voorschriften van 8:60, lid 4, Awb, geen aanleiding (Hoge Raad 15 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1786).
Tevens heeft belanghebbende aangeboden om “zo nodig” (zelf) nader bewijs te leveren en het Hof verzocht om “zo nodig” de inspecteur te gelasten nader bewijs van verzendgegevens te overleggen. Het Hof acht het echter niet nodig de inspecteur te gelasten om nader bewijs te leveren. Wat betreft bewijslevering door belanghebbende zelf heeft hij daartoe in deze procedure ruimschoots de gelegenheid gehad en heeft hij geen reden gegeven waarom bewijs eerst in hoger beroep geleverd zou kunnen worden. Ook de volgens belanghebbende klaarstaande aangifte over het jaar 2022, heeft hij nog altijd niet ingediend.
De aanslag IB/PVV 2019
Een belastingaanslag dient binnen de daarvoor geldende termijn te worden vastgesteld (artikel 11, lid 3, Awr). Als vaststellingsdatum van de aanslag kan in geval van een gestelde gebrekkige bekendmaking van de aanslag, niet zonder meer uitgegaan worden van de datum van dagtekening van de aanslag (artikel 5 Awr). Dan moet – afhankelijk van de ingenomen stellingen – worden bepaald of de bekendmaking juist is geweest, dan wel wanneer deze heeft plaatsgevonden (zie Hoge Raad 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:930). De inspecteur draagt dan de bewijslast om de tijdigheid van de aanslag aannemelijk te maken.
De aanslag IB/PVV 2019 diende uiterlijk op 31 december 2022 te zijn vastgesteld. De aanslag heeft als dagtekening 23 december 2022. Inmiddels is buiten geschil dat belanghebbende de aanslag heeft ontvangen, maar belanghebbende stelt wel dat de ontvangst pas in januari of op 5 januari 2023 is geweest en dat dit twijfel oproept over de tijdigheid van de verzending per post. De inspecteur heeft in reactie op de ingenomen stellingen negen systemen van de Belastingdienst laten raadplegen, waarin gegevens over de aanslag voorkomen, waarvan de resultaten zijn vastgelegd in een rapport (zie 2.3).
Het Hof constateert dat in het genoemde rapport de tijdlijn van de aanslag begint op 8 december 2022, met een bericht in het Aanslag Belastingen Systeem, en dat deze eindigt op 16 december 2022, met het archiveren van de aanslag in het Digitaal Archief Systeem. Het aanslagtraject volgt een logisch en chronologisch patroon. Volgens deze tijdlijn is het aanslagbiljet op 15 december 2022 aangeboden aan PostNL voor 48-uursbezorging en hebben zich daarbij geen problemen voorgedaan. Daartegenover is belanghebbende met wisselende verklaringen gekomen over het niet of wel en, zo ja, wanneer, ontvangen zijn van de aanslag. Die wisselende standpunten dragen niet bij aan de geloofwaardigheid ervan. Maar ook geheel los daarvan acht het Hof op basis van het verzendrapport aannemelijk dat de aanslag IB/PVV 2019 op 15 december 2022 en dus tijdig is bekendgemaakt.
Het zojuist overwogene brengt mee dat de aanslag IB/PVV 2019 tijdig is vastgesteld en dat deze in stand blijft.
De aanslag IB/PVV 2022 en de boete
Een belastingplichtige die is uitgenodigd om aangifte te doen, maar dat achterwege laat, zal aan zijn verplichting worden herinnerd en uiteindelijk ook daartoe worden aangemaand. De combinatie van de (vruchteloze) uitnodiging en aanmaning is essentieel voor de vaststelling dat de vereiste aangifte niet is gedaan (zie HR 10 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1500). De gevolgen van die vaststelling zijn dat de bewijslast dient te worden omgekeerd en verzwaard (artikel 25, lid 3, en 27e Awr) en dat een verzuimboete kan worden opgelegd (artikel 67a, lid 1, Awr).
Indien de belastingplichtige stelt dat de aanmaning hem niet heeft bereikt, rust wat betreft de belastingaanslag op de inspecteur de (normale) bewijslast om de ontvangst van de aanmaning aannemelijk te maken (zie Hoge Raad 15 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ4416). Voor boeten geldt echter de (zwaardere) bewijslast dat de aanwezigheid van een bestanddeel van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan (Hoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526, Hof 20 april 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:1296). Tot die vereiste feiten en omstandigheden moet – in geval van een geschil daarover – ook de ontvangst van de aanmaning worden gerekend, aangezien de vaststelling van dit feit dan noodzakelijk is voor de conclusie dat het bestanddeel bewezen is dat de aangifte niet binnen de in de aanmaning gestelde termijn is voldaan.
Vast staat dat belanghebbende geen aangifte IB/PVV 2022 heeft gedaan en dat hij die wel had moeten doen. Ook staat vast dat belanghebbende is uitgenodigd voor het doen van de aangifte. Tot in hoger beroep heeft belanghebbende er niet over gerept dat hij de aanmaning niet zou hebben ontvangen. Pas in zijn hogerberoepschrift schrijft belanghebbende dat de rechtbank niet heeft gemotiveerd op basis van welk bewijs de aanmaning ter post is aangeboden. Hierop regeert de inspecteur met een verzendrapport (zie 2.4). In zijn pleitnota in hoger beroep schrijft belanghebbende: “Voor 2022 betwist ik de ontvangst van de aanmaning”. Deze volgorde der dingen draagt (wederom) niet bij aan de geloofwaardigheid van belanghebbendes laatst ingenomen stelling.
Het verzendrapport van de aanmaning (zie 2.4) is opgemaakt op 1 december 2025, (logischerwijze – belanghebbende klaagt hierover) pas nadat belanghebbende de ontvangst van de aanmaning bestreed. Het Hof constateert dat voor dit rapport acht systemen van de Belastingdienst zijn geraadpleegd, hetgeen leidt tot een coherent en goed te volgen tijdlijn wat betreft de verzending van de aanmaning. Deze is volgens het rapport op 18 oktober 2023 aangeboden aan PostNL voor 48-uursbezorging aan belanghebbendes adres en daarbij hebben zich geen problemen voorgedaan. Het Hof acht de verzending van de aanmaning niet alleen aannemelijk, maar ook overtuigend aangetoond. Het Hof acht, mede gelet op de zeer laat in de procedure en klaarblijkelijk om formele redenen ingenomen stelling van belanghebbende, buiten redelijke twijfel dat de aanmaning op juiste wijze aan belanghebbende is aangeboden, of door hem is ontvangen.
Het Hof komt voorts tot het oordeel dat de bewijslast terecht is omgekeerd en verzwaard, dat de schatting redelijk is, dat niet overtuigend is aangetoond dat het in aanmerking genomen inkomen onjuist is en dat de boete voor het niet tijdig doen van aangifte IB/PVV 2022 terecht is opgelegd. Belanghebbende heeft een aanzienlijk looninkomen genoten uit zijn werkzaamheden voor het ministerie van Defensie van € 98.180 en heeft zelf – althans twee van zijn eigen BV’s hebben – een loon opgegeven van in totaal € 59.557. Daarnaast had belanghebbende blijkens zijn omzetbelastinggegevens een eenmanszaak op het gebied van belastingaangifte en -advies met een omzet van € 3.852. Het inkomen van € 160.626 is daarmee goed toegelicht, onderbouwd en voornamelijk gebaseerd op gegevens van belanghebbende zelf. Het Hof heeft belanghebbende ter zitting voorgehouden, en hij heeft vervolgens beaamd, dat hij daar niets concreets tegenin heeft gebracht. Belanghebbende heeft tevens geschreven: “Feit is dat ik te laat aangifte heb gedaan” en “Ik erken dat de aangifte 2022 niet tijdig is ingediend”. Er is – wat betreft de opgelegde verzuimboete – dan ook geen sprake van afwezigheid van alle schuld of van een pleitbaar standpunt. Het Hof acht de boete dan ook passend en geboden. De redelijke termijn voor berechting is niet overschreden.
Het hierboven overwogene brengt mee dat de aanslag IB/PVV 2022 en de daarbij gegeven boetebeschikking terecht zijn opgelegd en dat deze in stand blijven.
Horen
Belanghebbende heeft in zijn bezwaarschrift niet verzocht om te worden gehoord. Verder geeft hij toe dat hij de brief van 13 januari 2025 en de e-mail van 12 februari 2025 van de inspecteur, waarin hem de kans werd geboden te reageren als hij gehoord wilde worden over zijn bezwaar, heeft ontvangen. Belanghebbende heeft niet gereageerd en dus niet binnen de gestelde termijnen kenbaar gemaakt dat hij gehoord wilde worden. De inspecteur kon daarom van het horen afzien (artikel 7:3, aanhef en onderdeel d, Awb). Belanghebbende stelt niettemin dat hij ten onrechte niet is gehoord, omdat “bij twijfel over de ontvangst” en bij aanwezigheid van een boete een “actieve invulling” van het de hoorplicht nodig is. Volgens het dossier bestond op dat moment echter geen reden te twijfelen aan ontvangst van de brief of e-mail. De inspecteur heeft belanghebbende (zelfs twee keer) actief een hoorgesprek aangeboden en belanghebbende heeft – zonder reden – nagelaten daarop te reageren. De wet en de zorgvuldigheid vereisen niet meer dan de inspecteur heeft gedaan. De hoorplicht is niet geschonden.
Slotsom
Zoals hierboven reeds is geconcludeerd zijn de aanslag IB/PVV 2019, de aanslag IB/PVV 2022 en de daarbij opgelegde boete tijdig, respectievelijk terecht aan belanghebbende opgelegd. Er is geen sprake van schending van rechten of rechtsbeginselen, noch van overschrijding van de redelijke termijn voor berechting. Al hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Het door belanghebbende ingestelde hoger beroep is ongegrond.
6 Kosten
Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten.
7 Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mrs. M. Ferrier, voorzitter, H.E. Kostense en W.J. Blokland, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. I.A. Kranenburg als griffier. De beslissing is op 22 september 2026 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op
Wetsartikelen in deze uitspraak
- Artikel 11 AWR meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 5 AWR meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 3:41 Awb meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 8 IW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 6 AWR meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 9 AWR meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 27e AWR meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 67a AWR meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 7:2 Awb meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 8:60 Awb meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 7:3 Awb meer uitspraken over dit artikel
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.