Uitspraak · Personen- en familierecht

Gerechtshof Amsterdam, 12 augustus 2025

ECLI:NL:GHAMS:2025:2164Zaaknummer 200.320.560/01

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12 augustus 2025
Publicatiedatum
3 augustus 2026
Zaaknummer
200.320.560/01
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Hoger beroep, Beschikking
Zittingsplaats
Amsterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

(vervolg op 13-5-25) definitieve benoeming van deskundige na reactie partijen op voornemen van het hof tot benoeming deskundige. Tussenuitspraak ECLI:NL:GHAMS:2025:1240 ECLI:NL:GHAMS:2024:2795 ECLI:NL:GHAMS:2024:706 Eiduitspraak ECLI:NL:GHAMS:2026:1851

Het hof:

zaaknummer 200.320.560/01:

(ter vervanging van het dictum in de beschikking van 13 mei 2025:)

ten aanzien van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden:

beveelt een onderzoek door een deskundige ter beantwoording van de volgende vragen:

1. Wat is de onderhandse verkoopwaarde van de woonark gelegen aan de [A-straat] te [plaats A]:

- vóór de verbouwing in 2010, waarbij de taxatiedatum wordt gesteld op 1 januari 2010;

- vóór de verbouwing in 2016, waarbij de taxatiedatum wordt gesteld op 1 juli 2016;

- vóór de verbouwing in 2019, waarbij de taxatiedatum wordt gesteld op 1 juli 2019;

- op 13 juli 2021.

Bij de taxatie is uitgangspunt dat de werkzaamheden genoemd in rechtsoverweging 3.7 van de beschikking van 13 mei 2025 per periode op de genoemde taxatiedatum nog niet hebben plaatsgevonden, zoals onder 3.10 van de beschikking van 13 mei 2025 uiteen is gezet. Ook dient u ervan uit te gaan dat de woonark voldoet aan alle eisen van de gemeente en sprake is van een ligplaatsvergunning en de benodigde vergunningen voor de verbouwing/uitbreiding van de woonark;

2. Geeft het onderzoek u aanleiding tot aanvullende opmerkingen? Zo ja, welke?

benoemt tot deskundige om dit onderzoek te verrichten:

de heer [naam],

[X],

[adres]

;

wijst de deskundige op het bepaalde in artikel 198 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, met name op de verplichting om bij het onderzoek partijen in de gelegenheid te stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen en om in het schriftelijk bericht te doen blijken dat aan dit voorschrift is voldaan, onder vermelding van de inhoud van de opmerkingen en/of verzoeken;

bepaalt dat de deskundige het onderzoek overigens zelfstandig - in de zin van artikel 198 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, dat wil zeggen niet onder leiding van het hof - zal verrichten;

bepaalt dat de deskundige een voorschot toekomt van € 3.500,- (inclusief btw);

bepaalt dat partijen ieder een bedrag van € 1.750,- binnen twee weken na ontvangst van de na te noemen nota, als voorschot van de deskundige zullen voldoen;

bepaalt dat partijen van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak een nota met betaalinstructies zullen ontvangen;

bepaalt dat de griffier onmiddellijk na betaling van het desbetreffende voorschot de deskundige hiervan in kennis zal stellen en dat de deskundige pas dan met het onderzoek behoeft te beginnen;

benoemt tot raadsheer-commissaris, onder wiens leiding het onderzoek zal plaatsvinden: mr. A.R. Sturhoofd;

bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van deze beschikking aan de deskundige zal zenden;

bepaalt dat de (advocaat van de) man voor 26 augustus 2025 een afschrift van in ieder geval de volgende processtukken ter beschikking van de deskundige zal stellen;

- de beschikkingen van 8 oktober 2024 en 13 mei 2025;

- het bericht van de man van 4 november 2024 met bijlagen;

- het bericht van de vrouw van 2 december 2024 met bijlagen.

Indien een partij daarnaast andere stukken uit het dossier toestuurt aan de deskundige, dient daarvan melding te worden gemaakt aan de wederpartij;

bepaalt dat partijen verder alle door de deskundige gewenste inlichtingen zullen verstrekken;

bepaalt dat de deskundige een schriftelijk, ondertekend bericht zal inleveren ter griffie van het hof vóór 21 oktober 2025;

stelt de man in de gelegenheid om binnen vier weken na ontvangst van het deskundigenbericht zich uit te laten over het rapport en de consequenties daarvan voor de verrekenvordering, waarna de vrouw de gelegenheid krijgt om binnen vier weken na ontvangst van de reactie van de man zich uit te laten over het rapport en de consequenties daarvan voor de verrekenvordering;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.R. Sturhoofd, mr. H.A. van den Berg en mr. M.C. Schenkeveld, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 12 augustus 2025 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
  2. 2 De beoordeling door het hof
  3. 3 De beslissing

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummer: 200.320.560/01

Zaaknummer rechtbank: C/13/715942 / FA RK 22-2081

Beschikking van de meervoudige kamer van 12 augustus 2025 inzake

[de man],

wonende te [plaats A],

verzoeker in principaal hoger beroep,

verweerder in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. A. Krim te Haarlem,

en

[de vrouw],

wonende te [plaats A],

verweerster in principaal hoger beroep,

verzoekster in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. A.D. Leuftink te Amsterdam.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof verwijst voor het verloop van de procedure naar hetgeen is opgenomen in zijn beschikkingen van 19 maart 2024, 8 oktober 2024 en 13 mei 2025. Bij de beschikking van 13 mei 2025 heeft het hof een onderzoek bevolen door een deskundige ter beantwoording van de vragen vermeld in het dictum van die beschikking. Daartoe is de heer [naam] tot deskundige benoemd voor het geval geen van partijen uiterlijk op 10 juni 2025 aan het hof aangeeft zich over de benoeming te willen uitlaten.

1.2

Na de beschikking van 13 mei 2025 heeft het hof de volgende stukken ontvangen:

- een bericht van de man van 2 juni 2025;

- een bericht van de vrouw van 10 juni 2025.

1.3

De man heeft opmerkingen gemaakt die verband houden met de benoeming van de deskundige. Dit brengt mee dat heer [naam] nog niet benoemd is als deskundige. Het hof zal hierna de door de man naar voren gebrachte punten bespreken.

2 De beoordeling door het hof

Aanwezigheid partijen bij taxatie

2.1

De man heeft zich op het standpunt gesteld dat hij aanwezig wil zijn bij de taxatie. Als hij daarbij niet aanwezig mag zijn, dan wenst hij dat de taxateur ervoor zal zorgdragen dat de vrouw en haar partner ook niet aanwezig zijn bij de taxatie.

De vrouw acht het niet wenselijk dat de man aanwezig is bij de taxatie in haar woonark.

2.2

Het hof overweegt het volgende. Zoals de vrouw terecht opmerkt in haar bericht van 10 juni 2025 is de Leidraad deskundigen in civiele zaken hier van toepassing. Onder 11.4 staat het volgende: ‘Zo nodig moet u het object waarop uw onderzoek betrekking heeft bezichtigen. In dat geval moet u zowel partijen als hun advocaten of gemachtigden tijdig van de voorgenomen bezichtiging op de hoogte stellen en hen in de gelegenheid stellen bij die bezichtiging aanwezig te zijn.’

Het hof ziet in hetgeen partijen naar voren hebben gebracht geen aanleiding van deze Leidraad af te wijken. Dit betekent dat zowel de man, als de vrouw alsmede hun advocaten in de gelegenheid dienen te worden gesteld aanwezig te zijn bij de taxatie van de woonark.

Gelegenheid tot reactie

2.3

De man merkt op dat het hof onder 3.14 van de beschikking van 13 mei 2025 heeft aangegeven dat partijen (eerst de man en daarna de vrouw) mogen reageren op het taxatierapport, terwijl in het dictum staat dat partijen in de gelegenheid worden gesteld uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van het deskundigenbericht hun reactie daarop bij het hof in te dienen. De man is van mening dat hij in zijn belang wordt geschaad wanneer de vrouw het standpunt van de man weet en haar standpunt daarop kan aanpassen. Hij wenst daarom dat beide partijen onafhankelijk van elkaar en uiterlijk vier weken na ontvangst van het deskundigenbericht hun reactie dienen te geven.

2.4

Gelet op het feit dat het hof het taxatierapport van belang acht ter vaststelling van de waarde van de woonark per peildatum en daarnaast ook om de hoogte van de verrekenvordering in verband met de investering bij de aankoop van de woonark en de aflossing op de hypothecaire geldlening te kunnen vaststellen (zie ook: onder 3.9 en 3.10 van de beschikking van 13 mei 2025), heeft het hof onder 3.14 van de beschikking van 13 mei 2025 overwogen dat partijen de gelegenheid zullen krijgen (eerst de man, daarna de vrouw) zich uit te laten over het rapport en de consequenties daarvan voor de verrekenvordering. Dit is abusievelijk niet juist in het dictum opgenomen. Het hof zal daarom het dictum op dit punt aanpassen en bepalen dat eerst de man de gelegenheid zal worden gegeven te reageren op het taxatierapport en de consequenties daarvan voor de verrekenvordering en daarna de vrouw. Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat daarmee het beginsel van hoor en wederhoor wordt veronachtzaamd.

Overleggen stukken aan deskundige

2.5

Verder stelt de man dat in het dictum is bepaald dat de (advocaat van de) vrouw en/of de man voor 10 juni 2025 een afschrift van de overige processtukken ter beschikking van de deskundige zal stellen en dat partijen alle door deze gewenste inlichtingen zullen verstrekken. De man stelt dat ‘de overige processtukken’ een breed begrip is en dat het voor hem niet duidelijk is wat het hof daarmee bedoelt.

Wat de vrouw betreft, gaat het om de eerder gedeelde stukken, alsook WOZ-beschikkingen. Het is dan aan partijen om de stukken die relevant zijn voor de deskundige met de deskundige te delen, met de andere partij in de cc die - indien gewenst - de procestukken kan aanvullen, aldus de vrouw.

2.6

Uitgangspunt is dat het gehele dossier aan de deskundige wordt verstrekt. In deze zaak is het echter de vraag of alle stukken relevant zijn voor de taxatie. Het is aan partijen de stukken die relevant zijn te delen met de deskundige. Het hof kan zich voorstellen dat in ieder geval de volgende stukken aan de deskundige worden verstrekt:

- de beschikkingen van het hof van 8 oktober 2024 en 13 mei 2025;

- het bericht van de man van 4 november 2024 met bijlagen;

- het bericht van de vrouw van 2 december 2024 met bijlagen.

Omdat het een verzoek van de man betreft, ligt het naar het oordeel van het hof op zijn weg deze processtukken aan de deskundige te verstrekken. Het hof zal het dictum ook op dit punt hierna aanpassen. Indien een partij daarnaast andere stukken uit het dossier toestuurt aan de deskundige, dient deze partij daarvan melding te maken aan de wederpartij, terwijl partijen eveneens aan de deskundige de stukken dienen te verstrekken die de deskundige zelf wenst te ontvangen.

Verschillende data taxatie

2.7

De man kan zich niet vinden in het voorstel van het hof om één datum in het midden van de periode van de investeringen van 2009 tot en met 2020 te kiezen en acht het voor een correcte waardering van de woonark van belang dat er wordt getaxeerd op de verschillende data, zoals is geformuleerd onder 3.11 van de beschikking van 13 mei 2025. Het hof zal dan ook bepalen dat getaxeerd dient te worden tegen de verschillende data, zoals genoemd in de beschikking van 13 mei 2025.

2.8

Door partijen is geen bezwaar gemaakt tegen de benoeming van de heer [naam] als deskundige en de door hem te beantwoorden vragen. Voor de duidelijkheid ten aanzien van de hiervoor besproken punten, zal het hof het (aangepaste) dictum opnieuw opnemen in deze beschikking, ter vervanging van het dictum in de beschikking van 13 mei 2025.

2.9

Dit leidt tot de volgende beslissing.

3 De beslissing

Het hof:

zaaknummer 200.320.560/01:

(ter vervanging van het dictum in de beschikking van 13 mei 2025:)

ten aanzien van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden:

beveelt een onderzoek door een deskundige ter beantwoording van de volgende vragen:

1. Wat is de onderhandse verkoopwaarde van de woonark gelegen aan de [A-straat] te [plaats A]:

- vóór de verbouwing in 2010, waarbij de taxatiedatum wordt gesteld op 1 januari 2010;

- vóór de verbouwing in 2016, waarbij de taxatiedatum wordt gesteld op 1 juli 2016;

- vóór de verbouwing in 2019, waarbij de taxatiedatum wordt gesteld op 1 juli 2019;

- op 13 juli 2021.

Bij de taxatie is uitgangspunt dat de werkzaamheden genoemd in rechtsoverweging 3.7 van de beschikking van 13 mei 2025 per periode op de genoemde taxatiedatum nog niet hebben plaatsgevonden, zoals onder 3.10 van de beschikking van 13 mei 2025 uiteen is gezet. Ook dient u ervan uit te gaan dat de woonark voldoet aan alle eisen van de gemeente en sprake is van een ligplaatsvergunning en de benodigde vergunningen voor de verbouwing/uitbreiding van de woonark;

2. Geeft het onderzoek u aanleiding tot aanvullende opmerkingen? Zo ja, welke?

benoemt tot deskundige om dit onderzoek te verrichten:

de heer [naam],

[X],

[adres]

;

wijst de deskundige op het bepaalde in artikel 198 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, met name op de verplichting om bij het onderzoek partijen in de gelegenheid te stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen en om in het schriftelijk bericht te doen blijken dat aan dit voorschrift is voldaan, onder vermelding van de inhoud van de opmerkingen en/of verzoeken;

bepaalt dat de deskundige het onderzoek overigens zelfstandig - in de zin van artikel 198 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, dat wil zeggen niet onder leiding van het hof - zal verrichten;

bepaalt dat de deskundige een voorschot toekomt van € 3.500,- (inclusief btw);

bepaalt dat partijen ieder een bedrag van € 1.750,- binnen twee weken na ontvangst van de na te noemen nota, als voorschot van de deskundige zullen voldoen;

bepaalt dat partijen van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak een nota met betaalinstructies zullen ontvangen;

bepaalt dat de griffier onmiddellijk na betaling van het desbetreffende voorschot de deskundige hiervan in kennis zal stellen en dat de deskundige pas dan met het onderzoek behoeft te beginnen;

benoemt tot raadsheer-commissaris, onder wiens leiding het onderzoek zal plaatsvinden: mr. A.R. Sturhoofd;

bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van deze beschikking aan de deskundige zal zenden;

bepaalt dat de (advocaat van de) man voor 26 augustus 2025 een afschrift van in ieder geval de volgende processtukken ter beschikking van de deskundige zal stellen;

- de beschikkingen van 8 oktober 2024 en 13 mei 2025;

- het bericht van de man van 4 november 2024 met bijlagen;

- het bericht van de vrouw van 2 december 2024 met bijlagen.

Indien een partij daarnaast andere stukken uit het dossier toestuurt aan de deskundige, dient daarvan melding te worden gemaakt aan de wederpartij;

bepaalt dat partijen verder alle door de deskundige gewenste inlichtingen zullen verstrekken;

bepaalt dat de deskundige een schriftelijk, ondertekend bericht zal inleveren ter griffie van het hof vóór 21 oktober 2025;

stelt de man in de gelegenheid om binnen vier weken na ontvangst van het deskundigenbericht zich uit te laten over het rapport en de consequenties daarvan voor de verrekenvordering, waarna de vrouw de gelegenheid krijgt om binnen vier weken na ontvangst van de reactie van de man zich uit te laten over het rapport en de consequenties daarvan voor de verrekenvordering;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.R. Sturhoofd, mr. H.A. van den Berg en mr. M.C. Schenkeveld, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 12 augustus 2025 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.