Uitspraak · Strafrecht
Gerechtshof Amsterdam, 12 juli 2018
ECLI:NL:GHAMS:2018:2430Zaaknummer 23-000944-15
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 12 juli 2018
- Publicatiedatum
- 16 juli 2018
- Zaaknummer
- 23-000944-15
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Hoger beroep
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Palminvest. Profijtontneming. Het hof heeft in de strafzaak de verdachte vrijgesproken. Als gevolg daarvan heeft het hof het vonnis van de rechtbank, waarbij de officier van justitie niet ontvankelijk is verklaard in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, bevestigd.
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.P.M. van Rijn, mr. N.A. Schimmel en mr. R.P. den Otter, in tegenwoordigheid van mr. A. Scheffens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 12 juli 2018.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 23-000944-15 (ontneming)
Datum uitspraak: 12 juli 2018
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 25 februari 2015 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 13-845109-07 tegen de veroordeelde
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
adres: [adres].
Procesgang
Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 150.082,00. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal de vordering gematigd tot een bedrag van € 136.982,00.
De veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 25 februari 2015 in de strafzaak vrijgesproken van het ten laste gelegde.
Voorts heeft de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 25 februari 2015 de officier van justitie niet ontvankelijk verklaard in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.
Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 12 juli 2018 het vonnis van de rechtbank in de strafzaak
bevestigd, met uitzondering van de beslissing inzake de benadeelde partijen die zich in hoger beroep opnieuw hebben gevoegd.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 september 2017, 26 juni 2018 en 28 juni 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de veroordeelde en de raadsman naar voren is gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen.
BESLISSING
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.P.M. van Rijn, mr. N.A. Schimmel en mr. R.P. den Otter, in tegenwoordigheid van mr. A. Scheffens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 12 juli 2018.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.