Uitspraak · Civiel recht

Gerechtshof Amsterdam, 10 april 2018

ECLI:NL:GHAMS:2018:1253Zaaknummer 200.210.631/01

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10 april 2018
Publicatiedatum
9 november 2018
Zaaknummer
200.210.631/01
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Hoger beroep
Zittingsplaats
Amsterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Aanvulling van arrest 20 februari 2018.

Het hof:

verklaart de veroordeling van Middenmeer in de kosten van het geding in beide instanties, uitvoerbaar bij voorraad;

vult het op 20 februari 2018 in deze zaak uitgesproken arrest in deze zin aan;

stelt de verbetering op de minuut van dat arrest.

Dit arrest is gewezen door mrs. D.J. Oranje, E.M. Polak en P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 10 april 2018.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het geding in hoger beroep
  2. 2 Beoordeling
  3. 3 Beslissing

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.210.631/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam: C/13/621739 / KG ZA 17-20

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 10 april 2018

inzake

B.R. INVESTMENTS B.V.,

gevestigd te Oosteind, gemeente Oosterhout,

appellante,

advocaten: mr. P.A. Josephus Jitta en mr. H. Ruiter te Amsterdam,

tegen

MIDDENMEER B.V.,

gevestigd te Beverwijk,

geïntimeerde,

advocaat: mr. R.A.M. Schram te Haarlem.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna BRI en Middenmeer genoemd.

Het hof heeft in deze zaak op 20 februari 2018 een arrest uitgesproken. Bij faxbericht/brief van 27 februari 2018 heeft mr. Josephus Jitta zich namens partij BRI op het standpunt gesteld dat het hof heeft verzuimd de veroordeling van Middenmeer in de kosten van het geding in beide instanties, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Bij e‑mailbericht van 8 maart 2018 heeft mr. Schram zich namens partij Middenmeer verzet tegen toewijzing van dit verzoek. Mr. Schram heeft zich in dit e-mailbericht van 8 maart 2018 namens partij Middenmeer op het standpunt gesteld dat het arrest een (andere) kennelijke fout/omissie bevat en herstel daarvan verzocht. Bij e‑mailbericht van 14 maart 2018 heeft mr. Ruiter zich namens partij BRI vervolgens verzet tegen toewijzing van dit verzoek.

2 Beoordeling

BRI heeft er terecht op gewezen dat het hof heeft verzuimd de veroordeling van Middenmeer in de kosten van het geding in beide instanties, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Het hof zal tot de door BRI verzochte aanvulling overgaan en het door BRI gevorderde op de voet van artikel 32 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) alsnog toewijzen.

Middenmeer stelt zich op het standpunt dat het hof heeft nagelaten BRI te veroordelen in de proceskosten terzake de door BRI ingestelde reconventionele vordering.Het hof heeft echter de vorderingen van Middenmeer afgewezen en Middenmeer veroordeeld in de kosten van het geding in beide instanties. Het meer of anders gevorderde heeft het hof uitdrukkelijk afgewezen. Van een kennelijke fout/omissie is derhalve geen sprake. Het verzoek van Middenmeer zal worden afgewezen.

3 Beslissing

Het hof:

verklaart de veroordeling van Middenmeer in de kosten van het geding in beide instanties, uitvoerbaar bij voorraad;

vult het op 20 februari 2018 in deze zaak uitgesproken arrest in deze zin aan;

stelt de verbetering op de minuut van dat arrest.

Dit arrest is gewezen door mrs. D.J. Oranje, E.M. Polak en P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 10 april 2018.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Samenhangende uitspraken

Aangehaald in

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.