Uitspraak · Socialezekerheidsrecht
Centrale Raad van Beroep, 15 oktober 2026
ECLI:NL:CRVB:2026:1380Zaaknummer 25/1424 WIA
- Instantie
- Centrale Raad van Beroep
- Datum uitspraak
- 15 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- 25/1424 WIA
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroep
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Het Uwv heeft terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant vastgesteld op 40,17%. Voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van M.J.D. van Haren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2026.
(getekend) D.S. de Vries
(getekend) M.J.D. van Haren
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
25/1424 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 juni 2025, 24/8660 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 15 oktober 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 13 februari 2023 heeft vastgesteld op 40,17%. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan hij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage juist heeft vastgesteld.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A. Dinc, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 13 mei 2026. Voor appellant is mr. Dinc verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M.W. Beers.
De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst om het Uwv gelegenheid te geven om een verzekeringsarts bezwaar en beroep te laten reageren op de door appellant in hoger beroep ingediende medische stukken.
Het Uwv heeft een rapport van 2 juni 2026 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep overgelegd.
Met toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gelaten, waarna het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb is gesloten.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als schoonmaker voor gemiddeld 47,69 uur per week. Op 15 februari 2021 heeft hij zich ziekgemeld met lichamelijke en psychische klachten. Nadat appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 30 juli 2023. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd en een mate van arbeidsongeschiktheid berekend van 22,71%. Het Uwv heeft appellant bij besluit van 14 augustus 2023 per 13 februari 2023 een WIA-uitkering geweigerd omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Appellant heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Bij beslissing op bezwaar van 12 augustus 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant gegrond verklaard. Het Uwv heeft het besluit van 14 augustus 2023 herroepen en aan appellant alsnog per 13 februari 2023 een vervolguitkering op grond van de Wet WIA toegekend. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 13 juni 2024 een aantal beperkingen toegevoegd aan de FML wegens de psychische klachten van appellant. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens de primair geselecteerde functies opnieuw beoordeeld en geconcludeerd dat er onvoldoende geschikte functies overblijven voor appellant. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft nieuwe functies geselecteerd, op basis waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 40,17%.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv een zorgvuldig medisch onderzoek heeft verricht. Ook heeft de rechtbank geen aanleiding gezien voor twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling door het Uwv. De rechtbank heeft daarom het verzoek van appellant om een deskundige te benoemen afgewezen. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht passend zijn voor appellant. De rechtbank komt tot de conclusie dat het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 13 februari 2023 heeft vastgesteld op 40,17%.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat het medisch onderzoek door het Uwv onvoldoende zorgvuldig is geweest omdat de verzekeringsarts bezwaar heeft afgezien van een lichamelijk onderzoek. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft niet onderzocht of de drugsverslaving van appellant andere medische problematiek veroorzaakt. Appellant heeft ook zijn standpunt gehandhaafd dat er aanleiding is om een urenbeperking aan te nemen wegens zijn slaapproblemen, die worden veroorzaakt door zijn lichamelijke en psychische klachten. Appellant acht zich niet in staat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te kunnen verrichten. Appellant heeft ook in hoger beroep verzocht om benoeming van een onafhankelijke deskundige.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het Uwv heeft verwezen naar de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 13 juni 2024 en 2 februari 2025 en van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 28 juni 2024 en 28 februari 2025, die aan het bestreden besluit ten grondslag liggen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 40,17% in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Medische beoordeling
Appellant wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat het medisch onderzoek van het Uwv onzorgvuldig is. Hiertoe wordt overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende heeft gemotiveerd dat kon worden afgezien van een spreekuurcontact in bezwaar. In het rapport van 13 juni 2024 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat er een zorgvuldig en uitgebreid onderzoek is verricht door de verzekeringsarts. Ook zijn er in bezwaar geen medische gegevens aangevoerd waaruit blijkt dat de verzekeringsarts een onjuist of onvolledig beeld heeft gehad van de medische problematiek van appellant. De verzekeringsarts heeft appellant gezien tijdens een spreekuurcontact, waarbij de verzekeringsarts een psychisch onderzoek heeft verricht. De verzekeringsarts heeft in het rapport van 21 juli 2023 vermeld dat het niet mogelijk was om een lichamelijk onderzoek te verrichten omdat appellant te gespannen is voor een functieonderzoek van de heupen en knieën. De verzekeringsarts heeft opgemerkt dat er geen sprake is van hydrops en geen instabiliteit in de knieën. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft bovendien de in het dossier aanwezige medische informatie van de behandelend specialisten en van de huisarts kenbaar meegenomen in de heroverweging.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak terecht geoordeeld dat geen aanleiding bestaat voor twijfel aan de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid. Ook wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van het medisch oordeel van het Uwv. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is in de FML uitvoerig rekening gehouden met een aanzienlijk beperkte mentale belastbaarheid en de beperkte belastbaarheid van het bewegingsapparaat. Dit standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt gevolgd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 13 juni 2024 voldoende gemotiveerd dat er geen aanleiding is voor het aannemen van een urenbeperking. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is met de slaapproblemen van appellant voldoende rekening gehouden door een beperking voor ’s nachts werken en het aangewezen zijn op regelmatige werktijden. De lichamelijke klachten van appellant en zijn psychische klachten zijn weliswaar factoren die de slaap negatief beïnvloeden, maar uit de medische stukken blijkt niet, anders dan appellant stelt, dat hij een slaapstoornis heeft. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep meegewogen dat appellant om negen uur kan opstaan en dat uit het dagverhaal geen noodzakelijke recuperatiemomenten blijken. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aandacht besteed aan het cannabisgebruik van appellant. Informatie hierover is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep meegenomen. Dat op basis van deze gegevens onvoldoende rekening zou zijn gehouden met de problematiek volgt de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet. Appellant heeft in hoger beroep nog nadere medische stukken overgelegd die dateren van november 2024 tot en met april 2026. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in een rapport van 2 juni 2026 voldoende gemotiveerd dat deze stukken geen nieuwe informatie bevatten over de medische situatie van appellant rond de datum in geding.
Nu de Raad geen reden heeft om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling, wordt het verzoek van appellant om een onafhankelijke deskundige te benoemen afgewezen.
Arbeidskundige beoordeling
De rechtbank heeft ook terecht geoordeeld dat, uitgaande van de juistheid van de FML van 13 juni 2024, het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant. Appellant heeft in hoger beroep geen nadere arbeidskundige gronden aangevoerd.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de toekenning van de WIA-uitkering aan appellant waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 40,17% in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van M.J.D. van Haren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2026.
(getekend) D.S. de Vries
(getekend) M.J.D. van Haren
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.