Uitspraak · Socialezekerheidsrecht
Centrale Raad van Beroep, 14 oktober 2026
ECLI:NL:CRVB:2026:1375Zaaknummer 25/1606 Wajong
- Instantie
- Centrale Raad van Beroep
- Datum uitspraak
- 14 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- 25/1606 Wajong
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroep
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Weigering Wajong-uitkering toe te kennen. Appellante vindt dat zij duurzaam niet over arbeidsvermogen beschikte en daarom jonggehandicapte in de zin van de Wajong is. De Raad volgt dit standpunt niet. Herhaling van gronden in beroep en verwijzing naar aangevallen uitspraak. De Raad voegt toe dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep afdoende heeft toegelicht dat de overgelegde medische informatie geen aanleiding heeft gegeven tot een andersluidend medisch oordeel. Voor wat betreft de beroepsgrond met betrekking tot het speciaal onderwijs, constateert de Raad dat appellante deze niet met bewijsstukken heeft onderbouwd. De conclusies die het Uwv op basis van de beschikbare informatie over de opleiding van appellante getrokken heeft, zijn navolgbaar.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van G.T. Hunsel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2026.
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) G.T. Hunsel
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
25/1606 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van
26 juni 2025, 24/2178 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 14 oktober 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een uitkering op grond van de Wajong toe te kennen. Appellante vindt dat zij duurzaam niet over arbeidsvermogen beschikte en daarom jonggehandicapte in de zin van de Wajong is. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. E. Düsünceli, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 2 september 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Düsünceli. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.W. de Paus.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellante is geboren op [geboortedatum] 1994 en achttien jaar geworden op [geboortedatum] 2012. Zij was vanaf 10 juli 2017 werkzaam als Verzorgende Individuele Gezondheidszorg gedurende 27,82 uur per week. Op 5 januari 2018 heeft zij zich ziekgemeld als gevolg van rugklachten met uitstraling naar haar linkerbeen tot in haar voet. Aansluitend heeft zij ziekengeld ontvangen op grond van de Ziektewet (ZW). Per 30 juni 2018 is haar dienstverband beëindigd.
In het kader van haar ziekmelding heeft op 16 november 2018 een Eerstejaars Ziektewetbeoordeling (EZWb) plaatsgevonden. Na een medisch en arbeidsdeskundig onderzoek, heeft het Uwv besloten om de ZW-uitkering van appellante per 5 februari 2019 te beëindigen. Het door appellante ingestelde bezwaar en beroep tegen die beëindiging is door het Uwv ongegrond verklaard.
Appellante heeft op 12 augustus 2022 een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). In dat kader heeft een verzekeringsarts dossierstudie verricht en de door appellante aangeleverde medische informatie bij de beoordeling betrokken. Uit deze informatie blijkt dat appellante sinds 2017 klachten en beperkingen heeft ten gevolge van een medische stoornis en in 2018 is onderzocht en behandeld. Er werd geen aanvullende diagnostiek verricht en er zijn ook geen ernstige afwijkingen geconstateerd. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat appellante per 12 augustus 2022 vier uur per dag belastbaar is en één uur aaneengesloten kan werken. Dit is gebaseerd op de aard van de medische problematiek (de rugklachten), haar opleidings- en arbeidsverleden, de uitkomst van eerdere beoordelingen (in het kader van de ZW) en haar dagverhaal (de zorg voor haar kinderen en het huishouden).
De arbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat appellante beschikt over basale werknemersvaardigheden. Zij heeft in het verleden diverse reguliere werkgevers gehad, voor een wisselend aantal uren per week. Zij begreep opdrachten en kon deze uitvoeren. Ook kon zij zich aan afspraken houden. Daarnaast heeft zij diverse opleidingen gevolgd en een Mbo-opleiding niveau 3 afgerond. Appellante beschikt volgens de arbeidsdeskundige over arbeidsvermogen. Bij besluit van 13 maart 2023 heeft het Uwv geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen omdat zij beschikt over arbeidsvermogen.
Bij besluit van 27 februari 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 13 maart 2023 ongegrond verklaard. Aan dit besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek van het Uwv zorgvuldig is geweest. Het Uwv heeft terecht geoordeeld dat appellante niet fysiek hoefde te worden onderzocht door de verzekeringsarts bezwaar en beroep, omdat op verzoek van appellante een telefonische hoorzitting heeft plaatsgevonden. Tijdens de hoorzitting zijn geen nieuwe medisch objectiveerbare feiten naar voren gekomen, op grond waarvan een spreekuurcontact nodig zou zijn geweest.
Volgens de rechtbank zijn de naar voren gebrachte klachten (rugklachten) van appellante op een deugdelijke en kenbare wijze betrokken bij de medische beoordeling. Niet is gebleken dat de verzekeringsarts medische aspecten heeft gemist en aanleiding had moeten zien nadere informatie op te vragen bij de behandelend sector. Daar komt bij dat appellante ook zelf medische stukken had kunnen aanleveren die zij van belang achtte. Bij een laattijdige aanvraag zoals in dit geval, rust de bewijslast op haar. Het enkele feit dat appellante een machtiging heeft ondertekend, betekent niet dat het Uwv gehouden is om daar gebruik van te maken.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het arbeidskundig onderzoek ook zorgvuldig is geweest. Het Uwv heeft de gegevens over de door appellante gevolgde opleidingen opgehaald bij DUO en Suwinet. Appellante heeft geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit volgt dat er aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van deze gegevens. Uit het rapport van de arbeidsdeskundige volgt dat appellante zelf heeft verklaard het reguliere basisonderwijs te hebben gevolgd en dit in de reguliere acht jaar te hebben afgerond. Appellante heeft geen gegevens overgelegd waaruit volgt dat zij geen regulier onderwijs heeft gevolgd. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om appellante alsnog de gelegenheid te geven die gegevens aan te leveren, nu zij daarvoor voldoende gelegenheid heeft gehad.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende en navolgbaar gemotiveerd waarom appellante tenminste vier uur per dag belastbaar is en een uur aaneengesloten kan werken, gelet op haar dagverhaal, de zorg voor haar kinderen en het huishouden. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgt dat appellante beperkt wordt geacht voor fysiek zwaar belastende activiteiten vanwege haar rugklachten. Volgens de rechtbank valt met name, gelet op het arbeidsverleden van appellante, niet in te zien waarom zij niet in staat is om vier uur per dag, en minstens een uur aangesloten, te werken. De stelling van appellante dat zij haar werk steeds niet kon volhouden, is niet onderbouwd en kan daarom niet leiden tot een ander oordeel. Dat inmiddels de diagnose discopathie is vastgesteld, maakt niet dat er meer beperkingen aangenomen moeten worden. Uit vaste rechtspraak van de Raad volgt namelijk dat niet de diagnose, maar de medisch objectiveerbare beperkingen van belang zijn voor een juiste beoordeling van de medische belastbaarheid. Wat betreft de door appellante geclaimde migraine heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep opgemerkt dat hierover niets is opgenomen in het medisch onderzoeksverslag in het kader van de EZWb. Ook blijkt hieruit niet dat zij medicatie nam vanwege migraine. Evenmin is hierover iets terug te vinden in het rapport van de verzekeringsarts. Appellante heeft ook overigens niet met objectieve medische informatie aannemelijk gemaakt dat zij vanwege migraine niet belastbaar zou zijn.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende en navolgbaar gemotiveerd dat appellante beschikt over basale werknemersvaardigheden en een taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie. Rekening houdend met de door de verzekeringsartsen gestelde beperkingen, heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep gemotiveerd waarom de taken (‘afstoffen’ en ‘plaatsen van onderdelen op een printplaat’) passend zijn voor appellante. Deze taken zijn fysiek licht van aard, bieden voldoende mogelijkheid tot afwisseling van houding en kunnen op routine worden uitgevoerd. Appellante heeft niet met (medische) informatie aannemelijk gemaakt dat zij niet zou beschikken over basale werknemersvaardigheden of niet een taak zou kunnen uitoefen in een arbeidsorganisatie.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv op inzichtelijke en navolgbare wijze heeft gemotiveerd dat appellante over arbeidsvermogen beschikt.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij heeft – kort samengevat – aangevoerd dat zij geen arbeidsvermogen heeft, omdat zij geen vier uur per dag kan werken en niet beschikt over basale werknemersvaardigheden. Het Uwv heeft verzuimd om na de telefonische hoorzitting appellante uit te nodigen voor een lichamelijk onderzoek. Het Uwv is ten onrechte uitgegaan van regulier onderwijs terwijl zij op speciaal onderwijs heeft gezeten. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft appellante informatie van de radioloog en een huisartsenjournaal overgelegd.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het bestreden besluit over de weigering van een Wajong-uitkering terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Een betrokkene heeft recht op een Wajong-uitkering als hij jonggehandicapte is in de zin van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong. Daarvan is sprake als een betrokkene geen arbeidsvermogen heeft. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten heeft een betrokkene geen arbeidsvermogen als hij (a) geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie, (b) niet over basale werknemersvaardigheden beschikt, (c) niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur, of (d) niet ten minste vier uur per dag belastbaar is. Het Uwv moet dus beoordelen of een betrokkene voldoet aan (ten minste) een van deze vier genoemde voorwaarden. De beoordeling van het arbeidsvermogen is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
In geschil is of het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante arbeidsvermogen heeft. Op grond van vaste rechtspraak van de Raad[_aca438af-cad4-4682-af48-400873b6fa13] ligt de bewijslast bij een laattijdige aanvraag als die van appellante, bij de aanvrager, omdat het medisch beeld met het verstrijken van de tijd steeds moeilijker is vast te stellen.
Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, vormt in essentie een herhaling van de gronden die zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze gronden uitvoerig besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. De Raad voegt daaraan het volgende toe.
De beroepsgrond dat het Uwv een nader (lichamelijk) onderzoek had moeten doen, slaagt niet. Het Uwv heeft op verzoek van appellante in de primaire fase een telefonische hoorzitting gehouden en blijkens het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 22 februari 2024 geen aanleiding gezien om appellante uit te nodigen voor een lichamelijk onderzoek. In hoger beroep heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep met het rapport van 28 augustus 2026 afdoende toegelicht dat de overgelegde medische informatie geen aanleiding heeft gegeven tot een andersluidend medisch oordeel. Voor wat betreft de beroepsgrond met betrekking tot het speciaal onderwijs, constateert de Raad dat appellante deze niet met bewijsstukken heeft onderbouwd. De conclusies die het Uwv op basis van de beschikbare informatie over de opleiding van appellante getrokken heeft, zijn navolgbaar.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering om een Wajong-uitkering aan appellante toe te kennen in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van G.T. Hunsel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2026.
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) G.T. Hunsel
Voetnoten
- Zie de uitspraak van de Raad van 18 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1348.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.