Uitspraak · Socialezekerheidsrecht

Centrale Raad van Beroep, 14 oktober 2026

ECLI:NL:CRVB:2026:1372Zaaknummer 25/1559 WIA-T

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14 oktober 2026
Publicatiedatum
28 oktober 2026
Zaaknummer
25/1559 WIA-T
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep, Tussenuitspraak
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Beëindiging WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is. De Raad ziet aanleiding om aan te sluiten bij de inzichtelijk gemotiveerde conclusies van de door appellante overgelegde informatie en FML van een verzekeringsarts en draagt het Uwv op om uitgaande van deze FML een arbeidskundige beoordeling te verrichten en te beoordelen of deze beoordeling gevolgen heeft voor het bestreden besluit.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van G.T. Hunsel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2026.

(getekend) F.M. Rijnbeek

(getekend) G.T. Hunsel

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. SAMENVATTING
  2. PROCESVERLOOP
  3. OVERWEGINGEN
  4. Inleiding
  5. Het oordeel van de Raad
  6. Conclusies en gevolgen
  7. BESLISSING
  8. (getekend) F.M. Rijnbeek

25/1559 WIA-T

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank

Zeeland-West-Brabant van 24 juni 2025, 24/1372 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 14 oktober 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv appellant per 12 mei 2022 terecht geen WIAuitkering heeft toegekend, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Appellant vindt dat hij meer (medische) beperkingen heeft en de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies niet kan vervullen. Appellant heeft ter onderbouwing van zijn standpunt twee rapporten ingezonden van verzekeringsarts F. Sheikkariem, die appellant ten aanzien van meerdere belastingitems meer beperkt acht. Het Uwv heeft naar aanleiding van deze rapporten aanleiding gezien iets meer beperkingen aan te nemen voor appellant, maar niet in de mate zoals geadviseerd door Sheikkariem. De Raad ziet aanleiding om aan te sluiten bij de inzichtelijk gemotiveerde conclusies van Sheikkariem en de door haar opgestelde FML en draagt het Uwv op om uitgaande van deze FML een arbeidskundige beoordeling te verrichten en te beoordelen of deze beoordeling gevolgen heeft voor het bestreden besluit.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. V.M.C. Verhaegen, advocaat, hoger beroep ingesteld en een expertiserapport ingezonden. Het Uwv heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

Appellant heeft een nader expertiserapport ingezonden.

Het Uwv heeft onder toezending van rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep gereageerd op het nader expertiserapport en een schriftelijke vraag van de Raad.

Appellant heeft nadere stukken ingezonden.

Appellant heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 2 september 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Verhaegen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Vermeijden.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1.

Appellant heeft voor het laatst gewerkt als pakketbezorger voor 36,34 uur per week. Op 14 mei 2020 heeft hij zich ziekgemeld met nek- en hoofdpijn, cognitieve klachten en angstklachten na een kop-staartbotsing. Nadat appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een arts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De arts heeft vastgesteld dat bij appellant sprake is van een whiplashtrauma met PTSS-klachten, waardoor appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 23 juni 2022. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd en berekend dat appellant 24,26% arbeidsongeschikt is. Het Uwv heeft bij besluit van 6 juli 2022 geweigerd appellant met ingang van 12 mei 2022 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.2.

Bij besluit van 3 januari 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aanleiding gezien om de voor appellant vastgestelde FML aan te passen en heeft de belastbaarheid van appellant vastgelegd in een FML van 18 december 2023. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft appellant ongewijzigd 24,26% arbeidsongeschikt geacht.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft appellant niet gevolgd in zijn standpunt dat de verzekeringsarts contact had moeten opnemen met zijn bedrijfsarts omdat de FML van deze bedrijfsarts meer beperkingen bevat dan de verzekeringsarts heeft vastgesteld. Hiertoe is overwogen dat het vaste rechtspraak van de Raad is dat er niet aan voorbijgegaan kan worden dat een door de bedrijfsarts opgestelde FML bedoeld is om de re-integratiemogelijkheden van de betrokkene in kaart te brengen en dus een ander doel heeft dan de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid. De rechtbank ziet om die reden ook geen aanleiding om aan te sluiten bij de FML van de bedrijfsarts. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten dat de verzekeringsartsen van het Uwv de beperkingen van appellant hebben onderschat. De in beroep ingebrachte medische informatie bevat voor het merendeel geen nieuwe informatie over de klachten van appellant en is al betrokken bij de beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft benoemd dat bij appellant sprake is van een pijnsyndroom en posttraumatische stressstoornis. De verzekeringsartsen hebben afdoende gemotiveerd dat er geen aanleiding is voor meer beperkingen ten aanzien van het sociaal en persoonlijk functioneren. Bij appellant zijn geen aanwijzingen voor ernstige problematiek omdat het ontbreekt aan neurologische stoornissen en/of evidente psychopathologie of cognitieve stoornissen. De rechtbank acht de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep gegeven toelichting dat er in de medische gegevens en eigen onderzoeksbevindingen geen onderbouwing is te vinden voor een urenbeperking navolgbaar. De rechtbank heeft geen reden gezien om een onafhankelijke deskundige te benoemen en heeft de voor appellant geselecteerde functies in medisch opzicht passend geacht.

Het standpunt van appellant

3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft aangevoerd meer beperkt te zijn dan het Uwv heeft aangenomen. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft appellant een expertiserapport van 26 augustus 2025 van verzekeringsarts F. Sheikkariem van Lechnerconsult ingebracht met een bijgevoegde FML. Volgens Sheikkariem is appellant als gevolg van een posttraumatische stressstoornis, een depressieve stoornis door somatische aandoening (matig ernstig) en chronisch whiplashletsel meer beperkt te achten dan door het Uwv is aangenomen. De verzekeringsartsen van het Uwv hebben bij hun beoordeling ten onrechte niet betrokken dat bij appellant sprake is van een depressieve stoornis en een ongespecificeerde slaap-waakstoornis. De slaapstoornis moet bezien worden in het kader van de psychische aandoening van appellant. Appellant is hierdoor beperkt ten aanzien van de duurbeperking. Zowel op energetisch gebied als ten aanzien van recuperatie. Door zijn medicatiegebruik is er sprake van sufheid, overdag in slaap vallen en cognitieve problemen ten aanzien van aandacht. Daarnaast is er een opvallende traagheid passend bij zijn medicatiegebruik en depressieve stoornis. Ook is er een vermoeden van longproblemen met invloed op de energetische belastbaarheid. Appellant heeft benutbare mogelijkheden, waarbij volgens Sheikkariem een aantal beperkingen aan de FML zouden moeten worden toegevoegd. Een beperking voor belastingaspect 1.8.1 (werk zonder afleiding door anderen en harde geluiden), 1.8.3 (werk zonder veelvuldige storingen en onderbrekingen), 1.8.5 (werk zonder hoog handelingstempo in fysiek en mentaal complex werk), 2.7 (eigen gevoelens uiten), 2.8 (omgaan met conflicten), 2.12.1 en 2.12.2 (aangewezen op werk met weinig/geen direct klantcontact/patiëntcontact/contact met hulpbehoevenden), 4.10 (frequent buigen tijdens het werk) en werktijden. Appellant kan maximaal zes uur per dag en dertig uur per week werken, waarbij sprake moet zijn van regelmatige werktijden.

Het standpunt van het Uwv

4. Het Uwv heeft onder verwijzing naar een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 3 oktober 2025 gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van Sheikkariem geen reden gezien het standpunt te wijzigen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft beschreven dat het spreekuurcontact tussen Sheikkariem en appellant, dat de basis vormt voor de conclusies van Sheikkariem, heeft plaatsgevonden ver na de datum in geding. De bevindingen van de primaire arts op 23 juni 2022 geven een realistischer beeld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep weerspreekt dat het Uwv geen aandacht heeft geschonken aan de depressieve klachten van appellant. Aan de diagnose depressieve stoornis en ongespecificeerde slaapwaakstoornis alleen komt geen doorslaggevende betekenis toe bij het vaststellen van beperkingen.

Nadere proceshandelingen

5. In een aanvullend rapport van 12 februari 2026 is door Sheikkariem gereageerd op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 3 oktober 2025 en toegelicht waarom zij bij haar bevindingen blijft.

6. Het Uwv heeft onder toezending van een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 13 maart 2026 met bijgevoegde FML van gelijke datum en een nader rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep gereageerd op het aanvullend rapport van Sheikkariem en vragen van de Raad. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aanleiding gezien om appellant aanvullend beperkt te achten voor belastingaspect 1.8.3 (werk zonder veelvuldige storingen en onderbrekingen), 1.8.5 (werk zonder hoog handelingstempo), 2.8 (omgaan met conflicten) en de belastingitems 2.12.1 (uitsluitend oppervlakkig en/of kortdurende klachtencontacten) en 2.12.2 (uitsluitend oppervlakkig en/of kortdurende patiëntencontacten). De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft op basis van een deels gewijzigde functieselectie berekend dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is (24,26%).

Het oordeel van de Raad

7. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het bestreden besluit terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

7.1.

Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.

7.2.

Volgens appellant had de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten minste alle door Sheikkariem in haar expertiserapporten vermelde beperkingen moeten overnemen. Ter zitting heeft appellant toegelicht dat hij zichzelf nog meer beperkt acht dan beschreven door Sheikkariem.

7.3.

De Raad overweegt ten aanzien van de expertiserapporten van Sheikkariem dat deze getuigen van een zorgvuldig en uitgebreid onderzoek waarbij de conclusies inzichtelijk en navolgbaar zijn gemotiveerd. De Raad heeft geen aanleiding om aan te nemen dat het medisch onderzoek van Sheikkariem niet gericht zou zijn op de datum in geding (12 mei 2022). In haar rapport van 12 februari 2026 heeft Sheikkariem dit gemotiveerd toegelicht. Zij is tot de conclusie gekomen dat bij appellant sprake is van een posttraumatische stressstoornis, depressieve stoornis door een somatische aandoening (matig-ernstig) en chronisch whiplash letsel. Naar het oordeel van de Raad heeft Sheikkariem in haar rapporten van 26 augustus 2025 en 12 februari 2026 inzichtelijk gemotiveerd waarom zij vasthoudt aan haar conclusie dat appellant aanvullend beperkt te achten is zoals neergelegd in de FML die deel uitmaakt van haar rapport van 26 augustus 2025.

7.4.

Over belastingitem 1.8.1 heeft Sheikkariem gerapporteerd dat in het medisch onderzoeksverslag van 23 juni 2022 is beschreven dat de concentratie van appellant duidelijk afnam na een uur. Een aanvullend telefonisch spreekuur werd na 45 minuten beëindigd omdat appellant aangaf toenemend last te hebben van pijn. De toelichting van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat er telefonisch geen aanwijzingen waren voor sufheid of traagheid of aanwijzingen voor psychopathologie of cognitieve stoornissen, legt daar tegenover onvoldoende gewicht in de schaal. Daarbij is verder van belang dat ook de brief van psychiater R. Calero van 4 april 2022 aanknopingspunten biedt voor concentratieproblemen bij appellant. Sheikkariem benadrukt dat de UWV-beoordelingen momentopnames betreffen en niet één-op-één van toepassing kunnen zijn op een werksituatie. De concentratie en aandacht die nodig zijn bij dagelijkse activiteiten verschillen wezenlijk van de eisen die in werk worden gesteld. Dat appellant in staat was om activiteiten met prikkels te ondernemen, is derhalve niet representatief voor het functioneren in een arbeidssituatie. In de stukken is consistent beschreven dat appellant overprikkeld was en angst ervaarde voor harde (auto)geluiden. Ook ervaarde hij irritatie bij harde geluiden. Dergelijke klachten/belemmeringen worden vaker gezien bij een depressieve stoornis en/of een posttraumatische stressstoornis. Conform het CBBS-handboek behoren onder andere een depressieve stoornis en een posttraumatische stressstoornis tot de stoornissen die gepaard kunnen gaan met een verhoogde afleidbaarheid en/of een verminderde concentratie.

7.5.

Ten aanzien van belastingitem 2.7 (eigen gevoelens uiten) heeft Sheikkariem beschreven dat dit beoordelingspunt conform het CBBS-handboek bedoeld is om beperkingen te beoordelen die voortkomen uit een stoornis die kan leiden tot gevoelsuitingen die door anderen als overdreven of vreemd worden ervaren. Ook het nauwelijks of geen uiting kunnen geven aan gevoelens (blokkeren) terwijl de context van het contact daarom vraagt, moet als een beperking worden beschouwd. Dit kan onder andere voorkomen bij een ernstige depressieve stoornis waarbij de interactie met anderen totaal geblokkeerd raakt. Dit is bij appellant het geval.

7.6.

Sheikkariem heeft verder toegelicht waarom de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet gevolgd kan worden in zijn standpunt dat appellant niet beperkt is te achten op item 4.10 (frequent buigen) omdat de kramp die appellant ervaart bij vooroverbuigen geen directe aanleiding is voor een beperking op dit item. Sheikkariem heeft toegelicht dat het bij dit belastingitem gaat het om de frequentie waarmee iemand het bovenlichaam gedurende elk uur van de werkdag voorover kan buigen en weer kan terugkeren in de uitgangshouding. Als iemand bij het vooroverbuigen beperkt is door pijn/kramp in zijn nek/schouder in het kader van een chronisch pijnsyndroom, wordt de frequentie van vooroverbuigen daardoor per definitie beperkt.

7.7.

Over de diagnose ongespecificeerde slaap-waakstoornis heeft Sheikkariem gerapporteerd dat deze diagnose inhoudt dat er sprake is van een klinisch relevante slaapwaakstoornis, maar dat de klachten niet precies passen in één van de specifiek omschreven slaap-waakstoornissen (zoals insomniastoornis, narcolepsie, slaapapneu et cetera), dan wel dat er onvoldoende informatie is om zo'n specifieke diagnose met zekerheid te stellen. Bij deze aandoening zijn problemen met het slapen of het slaap-waakritme aanwezig, die merkbare last of beperkingen geven in het dagelijks functioneren. De slaapproblemen van appellant houden verband met zijn psychische aandoeningen. Door de slaapproblemen heeft cliënt verminderde recuperatiemogelijkheden. De slaapproblemen zijn consistent gedocumenteerd in de medische informatie van de behandelende sector en de medische onderzoeksverslagen van het Uwv. Appellant werd rond de datum in geding vaak wakker in de nacht door krampende pijn wisselend in de nek, armen en schouders. Ook had hij ongeveer twee tot drie keer per week last van nachtmerries. Doorslapen lukte ook niet doordat appellant vaak moest plassen in de nacht, wat samenhing met het vele drinken omdat appellant door zijn medicatie last kreeg van een droge mond. Appellant werd als gevolg van zijn medicatie suf, waardoor hij overdag in slaap viel. Bij appellant is sprake van meerdere medische aandoeningen waarvan in de ‘Standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid’ is beschreven dat deze invloed hebben op de energetische belastbaarheid, namelijk de door de behandelaars vastgestelde depressieve stoornis en een posttraumatische stressstoornis. Ook wordt vermoed dat bij appellant sprake is van longproblemen met invloed op de energetische belastbaarheid omdat appellant consistent aangeeft kortademigheid te zijn, bij dagelijks roken en het gebruik van longmedicatie (Ventolin). Dit heeft Sheikkariem aanleiding gegeven de belastbaarheid ten aanzien van werktijden vast te stellen zoals hiervoor vermeld bij overweging 7.3. Het gemotiveerde standpunt van Sheikkariem kan worden gevolgd.

7.8.

Wat appellant ter zitting van de Raad en onder verwijzing naar aanvullend ingebrachte (medische) informatie heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding om af te wijken van het standpunt van verzekeringsarts Sheikkariem. Appellant heeft ter zitting van de Raad, evenals bij verzekeringsarts Sheikkariem, naar voren gebracht dat hij zich verdergaand beperkt acht dan vastgesteld door verzekeringsarts Sheikkariem. In haar rapport van 26 augustus 2025 heeft Sheikkariem toegelicht dat bij de verzekeringsgeneeskundige beoordeling uitgegaan dient te worden van de grenswaarden zoals gedefinieerd in het CBBS. De Raad voegt daaraan toe dat appellant zijn standpunt dat hij meer beperkt is ook niet met nadere medische gegevens heeft onderbouwd. De door appellant op 20 april 2026 ingebrachte medische stukken van zijn behandelend psychiater R. Calero zijn door Sheikkariem betrokken bij haar onderzoek.

7.9.

Het voorgaande betekent dat de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid in de FML van 13 maart 2026 nog steeds niet juist is.

Conclusies en gevolgen

8. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd is, zodat het genomen is in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Om te kunnen komen tot een definitieve beslechting van het geschil ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:51d van de Awb het Uwv opdracht te geven de hiervoor genoemde gebreken in het bestreden besluit te herstellen. Het Uwv zal op grond van de FML zoals vastgesteld door verzekeringsarts Sheikkariem in haar rapport van 26 augustus 2025 een nieuwe arbeidskundige beoordeling moeten verrichten door een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep en moeten beoordelen wat de mate van arbeidsongeschiktheid is van appellant. De Raad zal daartoe een termijn van acht weken stellen.

9. Omdat met deze uitspraak nog geen einde is gekomen aan het geding, wordt nog geen oordeel gegeven over de proceskostenvergoeding en het verzoek om schadevergoeding wegens de gestelde overschrijding van de redelijke termijn en de wettelijke rente. Dat gebeurt in de einduitspraak.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van G.T. Hunsel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2026.

(getekend) F.M. Rijnbeek

(getekend) G.T. Hunsel

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.