Uitspraak · Socialezekerheidsrecht

Centrale Raad van Beroep, 29 september 2026

ECLI:NL:CRVB:2026:1360Zaaknummer 25/1235 PW-PV

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29 september 2026
Publicatiedatum
27 oktober 2026
Zaaknummer
25/1235 PW-PV
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep, Proces-verbaal
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag. Bijzondere bijstand voor tandartskosten. Voorliggende voorziening. Geen zeer dringende redenen. Met overgelegde informatie van de tandarts heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een situatie waarin het niet verlenen van bijstand tot ernstige gevolgen voor zijn gezondheid leidt. Met name de mededeling van de tandarts dat zonder plaatsing van implantaten de overige elementen binnen een termijn van vijf jaar verloren zouden kunnen gaan, wijst niet zonder meer op een acute noodsituatie.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

  • Appellant heeft op 18 december 2023 bijzondere bijstand aangevraagd voor tandartskosten tot een bedrag van € 1.585,83. Ter onderbouwing van zijn aanvraag heeft hij twee facturen van Infomedics overgelegd.
  • Met een besluit van 29 januari 2024 heeft het college de aanvraag afgewezen. Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt, maar het college is met een besluit van 24 mei 2024 (bestreden besluit) bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. De reden van de afwijzing is dat appellant niet in aanmerking komt voor bijzondere bijstand voor tandartskosten, omdat de Zorgverzekeringswet (Zvw) een voorliggende, toereikende en passende voorziening is. Niet is gebleken van zeer dringende redenen om toch bijstand te verlenen.
  • De rechtbank heeft met de aangevallen uitspraak, voorzover van belang, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
  • Tussen partijen is niet geschil dat de Zvw in dit geval een voorliggende voorziening is als bedoeld in artikel 15 van de Participatiewet (PW). Volgens appellant is sprake van zeer dringende redenen om toch bijzondere bijstand te verlenen. Ook heeft het college volgens appellant onzorgvuldig gehandeld door daar geen nader onderzoek naar te doen en geen medisch deskundige in te schakelen.
  • Een bestuursorgaan kan aan een persoon die op grond van een voorliggende voorziening geen recht op bijstand heeft, toch bijstand verlenen als zeer dringende redenen dat noodzakelijk maken. Deze uitzonderingsmogelijkheid staat in artikel 16, eerste lid van de PW.
  • Zeer dringende redenen als bedoeld in deze bepaling doen zich voor als er een acute noodsituatie is en de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. Dit is vaste rechtspraak.[_9e0948d4-50b5-4a14-a0f8-95c337b00af6] Een acute noodsituatie kan zich bijvoorbeeld voordoen als een situatie levensbedreigend is of als blijvend ernstig geestelijk of lichamelijk letsel of invaliditeit daarvan het gevolg kan zijn. Een acute noodsituatie doet zich voor als het niet-verlenen van bijstand voor de betrokkene tot ernstige gevolgen leidt, met name voor diens gezondheid. De wetgever heeft bij het begrip ‘zeer dringende redenen’ gedacht aan een extreme situatie en heeft nadrukkelijk niet beoogd een algemene ontsnappingsclausule te bieden. Daarom moet het gaan om een schrijnende situatie waarvan het evident is dat weigering van bijstand zonder meer onaanvaardbaar is. Dit volgt uit eerdere rechtspraak.[_7a86ddae-ee2f-4176-b17e-461eec36da8e]

7. Appellant doet met zijn beroep op artikel 16, eerste lid, van de PW een beroep op de uitzondering op de hoofdregel van artikel 15, eerste lid, van de PW. Daarom moet appellant aannemelijk maken dat aan de voorwaarden voor die uitzondering is voldaan. Dit volgt uit vaste rechtspraak.[_2883e42c-da4e-4198-a815-222874f91bc2]

8. Appellant heeft ter ondersteuning van zijn standpunt informatie van zijn tandarts overgelegd. Met deze informatie heeft appellant echter niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een situatie waarin het niet verlenen van bijstand tot ernstige gevolgen voor zijn gezondheid leidt. Uit de verklaringen van zijn tandarts blijkt dat appellant een slecht gebit heeft, dat hij zich daardoor ongelukkig voelde en minder goed kan kauwen. Ook volgt uit de stukken dat het uit tandheelkundig oogpunt wenselijk is om implantaten te plaatsen en dat zonder die behandeling verdere achteruitgang en mogelijk verlies van overige elementen kan optreden. Daarmee heeft appellant echter nog niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een acute noodsituatie. Met name de mededeling van de tandarts dat zonder plaatsing van implantaten de overige elementen binnen een termijn van vijf jaar verloren zouden kunnen gaan, wijst niet zonder meer op een acute noodsituatie. Er is weliswaar sprake van een ernstige en mogelijk progressieve tandheelkundige problematiek, maar niet is gebleken van een zodanig extreme schrijnende situatie dat weigering van bijstand zonder meer onaanvaardbaar is. Het college hoefde in de overgelegde informatie, mede gelet op de in 7 weergegeven bewijslast, ook geen aanleiding te zien voor een nader onderzoek.

9. Uit voorgaande volgt dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat zich zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW voordoen.

10. De conclusie is dat het hoger beroep niet slaagt. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag in stand blijft.

11. Dit betekent ook dat appellant geen vergoeding voor de proceskosten en het griffierecht krijgt.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer

(getekend) S.P.A. Elzer (getekend) A.M. Overbeeke

Volledige tekst

25/1235 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 6 juni 2025, 24/3051 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Velsen (college)

Datum uitspraak: 29 september 2026

Zitting heeft: A.M. Overbeeke

Griffier: S.P.A. Elzer

De zitting is gehouden op 29 september 2026. Namens appellant zijn verschenen mr. G.J. Mulder en mr. T.A. van der Kloos, beiden advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. Zandvliet.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

  • Appellant heeft op 18 december 2023 bijzondere bijstand aangevraagd voor tandartskosten tot een bedrag van € 1.585,83. Ter onderbouwing van zijn aanvraag heeft hij twee facturen van Infomedics overgelegd.
  • Met een besluit van 29 januari 2024 heeft het college de aanvraag afgewezen. Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt, maar het college is met een besluit van 24 mei 2024 (bestreden besluit) bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. De reden van de afwijzing is dat appellant niet in aanmerking komt voor bijzondere bijstand voor tandartskosten, omdat de Zorgverzekeringswet (Zvw) een voorliggende, toereikende en passende voorziening is. Niet is gebleken van zeer dringende redenen om toch bijstand te verlenen.
  • De rechtbank heeft met de aangevallen uitspraak, voorzover van belang, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
  • Tussen partijen is niet geschil dat de Zvw in dit geval een voorliggende voorziening is als bedoeld in artikel 15 van de Participatiewet (PW). Volgens appellant is sprake van zeer dringende redenen om toch bijzondere bijstand te verlenen. Ook heeft het college volgens appellant onzorgvuldig gehandeld door daar geen nader onderzoek naar te doen en geen medisch deskundige in te schakelen.
  • Een bestuursorgaan kan aan een persoon die op grond van een voorliggende voorziening geen recht op bijstand heeft, toch bijstand verlenen als zeer dringende redenen dat noodzakelijk maken. Deze uitzonderingsmogelijkheid staat in artikel 16, eerste lid van de PW.
  • Zeer dringende redenen als bedoeld in deze bepaling doen zich voor als er een acute noodsituatie is en de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. Dit is vaste rechtspraak.[_9e0948d4-50b5-4a14-a0f8-95c337b00af6] Een acute noodsituatie kan zich bijvoorbeeld voordoen als een situatie levensbedreigend is of als blijvend ernstig geestelijk of lichamelijk letsel of invaliditeit daarvan het gevolg kan zijn. Een acute noodsituatie doet zich voor als het niet-verlenen van bijstand voor de betrokkene tot ernstige gevolgen leidt, met name voor diens gezondheid. De wetgever heeft bij het begrip ‘zeer dringende redenen’ gedacht aan een extreme situatie en heeft nadrukkelijk niet beoogd een algemene ontsnappingsclausule te bieden. Daarom moet het gaan om een schrijnende situatie waarvan het evident is dat weigering van bijstand zonder meer onaanvaardbaar is. Dit volgt uit eerdere rechtspraak.[_7a86ddae-ee2f-4176-b17e-461eec36da8e]

7. Appellant doet met zijn beroep op artikel 16, eerste lid, van de PW een beroep op de uitzondering op de hoofdregel van artikel 15, eerste lid, van de PW. Daarom moet appellant aannemelijk maken dat aan de voorwaarden voor die uitzondering is voldaan. Dit volgt uit vaste rechtspraak.[_2883e42c-da4e-4198-a815-222874f91bc2]

8. Appellant heeft ter ondersteuning van zijn standpunt informatie van zijn tandarts overgelegd. Met deze informatie heeft appellant echter niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een situatie waarin het niet verlenen van bijstand tot ernstige gevolgen voor zijn gezondheid leidt. Uit de verklaringen van zijn tandarts blijkt dat appellant een slecht gebit heeft, dat hij zich daardoor ongelukkig voelde en minder goed kan kauwen. Ook volgt uit de stukken dat het uit tandheelkundig oogpunt wenselijk is om implantaten te plaatsen en dat zonder die behandeling verdere achteruitgang en mogelijk verlies van overige elementen kan optreden. Daarmee heeft appellant echter nog niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een acute noodsituatie. Met name de mededeling van de tandarts dat zonder plaatsing van implantaten de overige elementen binnen een termijn van vijf jaar verloren zouden kunnen gaan, wijst niet zonder meer op een acute noodsituatie. Er is weliswaar sprake van een ernstige en mogelijk progressieve tandheelkundige problematiek, maar niet is gebleken van een zodanig extreme schrijnende situatie dat weigering van bijstand zonder meer onaanvaardbaar is. Het college hoefde in de overgelegde informatie, mede gelet op de in 7 weergegeven bewijslast, ook geen aanleiding te zien voor een nader onderzoek.

9. Uit voorgaande volgt dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat zich zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW voordoen.

10. De conclusie is dat het hoger beroep niet slaagt. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag in stand blijft.

11. Dit betekent ook dat appellant geen vergoeding voor de proceskosten en het griffierecht krijgt.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer

(getekend) S.P.A. Elzer (getekend) A.M. Overbeeke

Voetnoten

  1. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 17 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1028.
  2. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:985.
  3. Zie de uitspraak van 27 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1192.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.