Uitspraak · Socialezekerheidsrecht

Centrale Raad van Beroep, 13 oktober 2026

ECLI:NL:CRVB:2026:1355Zaaknummer 24/2344 WIA

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13 oktober 2026
Publicatiedatum
21 oktober 2026
Zaaknummer
24/2344 WIA
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering toe te kennen. Appellante is minder dan 35% arbeidsongeschikt. Onderzoek door onafhankelijk deskundige. De Raad volgt de deskundige. Het onderzoek was zorgvuldig, inzichtelijk en consistent. Ook de arbeidskundige beoordeling wordt gevolgd. Maatmaninkomen juist vastgesteld. De pgb-inkomsten zijn terecht buiten beschouwing gelaten. Pas in hoger beroep toereikende motivering. Toepassing artikel 6:22 Awb. Vergoeding griffierecht. Vergoeding proceskosten, waaronder die voor door appellante ingeschakelde deskundige. Geen vergoeding voor werkzaamheden die de deskundige niet zelf heeft verricht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 5.544,76;

- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 188,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van B. Uçurum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2026.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

(getekend) B. Uçurum

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. PROCESVERLOOP
  2. OVERWEGINGEN
  3. Het oordeel van de Raad
  4. Conclusie en gevolgen
  5. BESLISSING

24/2344 WIA

Datum uitspraak: 13 oktober 2026

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 11 september 2024, 23/7619 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht appellante per 17 februari 2021 geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan zij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. T.E. van der Bent, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is verwezen naar de enkelvoudige kamer.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2025. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Bent. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.R. van Piggelen.

De Raad heeft het onderzoek heropend en F.J. Perquin, arts arbeid en gezondheid (verzekeringsarts en bedrijfsarts) benoemd als onafhankelijke deskundige.

De deskundige heeft op 2 maart 2026 een rapport uitgebracht.

Partijen hebben hun zienswijzen en nadere stukken ingediend.

De Raad heeft de deskundige verzocht om te reageren op de zienswijzen van partijen.

De deskundige heeft op 23 juli 2026 een reactie gegeven.

Onder toepassing van artikel 8:57, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Appellante is van 1 augustus 2018 tot 1 augustus 2019 werkzaam geweest als begeleidster gehandicaptenzorg bij stichting [naam stichting] voor 24 uur per week. Zij heeft zich op

20 januari 2019 ziekgemeld als gevolg van psychische klachten. Naast haar werk ontvangt appellante inkomsten uit een persoonsgebonden budget (pgb) in verband met de zorg voor haar oudste kind. Nadat appellante een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft. Die beperkingen zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 1 juli 2021. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk als begeleidster gehandicaptenzorg. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 16 juli 2021, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 augustus 2022, geweigerd appellante met ingang van 17 februari 2021 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.1.

Bij uitspraak van 5 juli 2023 heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 16 augustus 2022 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. De rechtbank heeft daarbij bepaald dat het Uwv opnieuw op het bezwaar tegen het besluit van 16 juli 2021 moet beslissen. Voorts is het Uwv opgedragen om appellante alsnog fysiek op een spreekuur te onderzoeken of te motiveren dat een spreekuurcontact geen toegevoegde waarde heeft in het licht van de aard van de klachten en de beschikbare medische informatie.

1.2.

Ter uitvoering van deze uitspraak van de rechtbank heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep appellante op een spreekuur gezien en op 9 november 2023 een rapport opgesteld. Het Uwv heeft op basis hiervan geen aanleiding gezien voor wijziging van zijn standpunt. Bij besluit van 30 november 2023 (bestreden besluit) is een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellante genomen waarbij het bezwaar opnieuw ongegrond is verklaard.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geconcludeerd dat sprake is geweest van een voldoende

zorgvuldig medisch onderzoek en dat het bestreden besluit berust op een deugdelijke medische grondslag. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de medische belastbaarheid van appellante op 17 februari 2021 (datum in geding) gelet op de psychische en lichamelijke klachten als ook het medicijngebruik op inhoudelijk overtuigende wijze en zonder tegenstrijdigheden heeft gemotiveerd in het rapport van 9 november 2023 en de aanvullende rapporten van 28 februari 2024 en 15 mei 2024. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gemotiveerd gereageerd op de door appellante met verwijzing naar de expertiserapporten van verzekeringsarts De Vries naar voren gebrachte gronden van beroep. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ook voldoende gemotiveerd dat er geen objectieve aanwijzingen zijn voor noodzakelijke extra recuperatieperiodes vanuit de ernst van de onderliggende problematiek, de medische informatie, het dagverhaal en het sociaal functioneren van appellante, zodat er geen aanleiding is voor een urenbeperking. Omdat er geen twijfel is aan de medische grondslag, heeft de rechtbank het verzoek om een deskundige afgewezen. Uitgaande van de juistheid van de medische beperkingen in de FML, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om de geschiktheid van de functies in twijfel te trekken. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat het Uwv bij de bepaling van het maatmaninkomen terecht de inkomsten in verband met pgbwerkzaamheden niet heeft meegenomen.

Standpunt van appellante

3.1.

Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij heeft – kort samengevat – aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met de bijwerkingen van het medicijngebruik, haar concentratiestoornissen, slecht slapen, moeheid en somberheid. Ook is door de rechtbank onvoldoende gewicht toegekend aan het feit dat appellante niet is gestart met een EMDR-behandeling. Daartoe had een urenbeperking vastgesteld moeten worden. Volgens appellante is haar psychische belastbaarheid onvoldoende weergegeven in de FML. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft appellante verwezen naar de expertise van verzekeringsarts De Vries, de informatie van Psygro en de verpleegkundig specialist. Appellante heeft ten slotte nog aangevoerd dat de pgb-inkomsten, die zij ontving in verband met de zorg voor haar dochter, ten onrechte niet zijn betrokken bij de vaststelling van het maatmaninkomen.

Het standpunt van het Uwv

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak. Over het maatmanloon heeft het Uwv het standpunt ingenomen dat de pgb-inkomsten daarin terecht niet zijn opgenomen omdat die inkomsten voor de sociale verzekeringen niet zijn aan te merken als loon.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.

4.1.

Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.

Medische beoordeling

4.2.

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting van 5 juni 2025 is bij de Raad twijfel ontstaan over de juistheid van de medische beoordeling. De Raad heeft daarom de arts arbeid en gezondheid Perquin als deskundige benoemd.

4.3.

De deskundige heeft op 2 maart 2026 een rapport uitgebracht en geoordeeld dat op de datum in geding, 17 februari 2021, bij appellante sprake was van een gegeneraliseerde angststoornis, met als symptomen paniek en moeite met situaties waarin zij niet weg kan. Daarnaast was waarschijnlijk sprake van een depressieve stoornis, licht tot matig van ernst. Verder was sprake van stressklachten. De deskundige heeft voor wat betreft de FML van 1 juli 2021 een aanvullende beperking noodzakelijk geacht voor werken in een situatie of ruimte waarin appellante in het geheel niet weg kan. Voor een aanvullende beperking ten aanzien van de duurbelastbaarheid, of voor andere beperkingen, heeft de deskundige geen onderbouwing gezien.

4.4.

Als uitgangspunt geldt volgens vaste rechtspraak dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt, indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich in deze zaak voor. Het rapport van de door de Raad ingeschakelde deskundige Perquin van 2 maart 2026 geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. De deskundige heeft dossierstudie verricht, appellante onderzocht en heeft alle medische gegevens van de behandelaars van appellante betrokken in zijn oordeelsvorming. Met de reactie van 23 juli 2026 heeft de deskundige gemotiveerd toegelicht dat en waarom de zienswijze van appellante niet leidt tot een ander medisch oordeel. De Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden voor twijfel aan het oordeel van de deskundige.

4.5.

De deskundige heeft een aanvullende beperking noodzakelijk geacht voor werken in een situatie of ruimte waarin zij in het geheel niet weg kan. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft deze beperking overgenomen en vastgelegd in een FML van 13 april 2026. Voor een aanvullende beperking ten aanzien van de uren of andere beperkingen, heeft de deskundige geen aanleiding gezien. Door de Raad zal daarom uitgegaan worden van de juistheid van de FML van 13 april 2026.

Arbeidskundige beoordeling

4.6.

De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 21 april 2026 op basis van de aanvullende beperking, de geselecteerde functies nogmaals op hun geschiktheid beoordeeld. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat in alle functies de mogelijkheid bestaat om de werkplek te verlaten. Per functie zijn daarbij de aanvullende toelichtingen van de arbeidskundig analist geraadpleegd. Hieruit blijkt dat zich in geen van de functies de situatie voordoet, dat de medewerker in het geheel niet weg zou kunnen. In alle functies kan het werk onderbroken worden voor bijvoorbeeld toiletgang, persoonlijke verzorging of vertreding. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft hiermee voldoende gemotiveerd dat de eerder geselecteerde functies ook met de aanvullende beperking geschikt blijven voor appellante.

4.7.

De Raad is van oordeel dat het Uwv terecht de pgb-inkomsten, die appellante genoot in verband met de zorgtaken voor haar dochter, niet heeft meegenomen bij de vaststelling van het maatmanloon. Gesteld noch gebleken en evenmin aannemelijk is dat appellante deze werkzaamheden verrichtte onder gezagsverhouding van haar – ten tijde in geding negenjarige – dochter en dat in die zin sprake was van loon uit dienstbetrekking. Het Uwv heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat appellante voor deze werkzaamheden niet verzekerd was voor de werknemersverzekeringen, en dat de inkomsten uit die werkzaamheden, gelet op artikel 7 van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, bij de vaststelling van het maatmanloon niet in aanmerking kunnen worden genomen.

Conclusie en gevolgen

5. Het bestreden besluit is, gelet op de aanpassing van de FML door de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de nadere motivering door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, pas in hoger beroep voorzien van een toereikende medische en arbeidskundige onderbouwing. Deze schending van artikel 7:12, eerste lid, van de Awb zal met toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd, omdat aannemelijk is dat appellante hierdoor niet is benadeeld. Ook als het gebrek in het bestreden besluit zich niet zou hebben voorgedaan, zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen. Dit leidt ertoe dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, met verbetering van gronden, moet worden bevestigd. Dit betekent dat de weigering om per 17 februari 2021 aan appellante een WIAuitkering toe te kennen, in stand blijft.

6. De toepassing van artikel 6:22 van de Awb geeft aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 1.868,- in beroep (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-) en € 2.335,- in hoger beroep (1 punt voor het hoger beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de schriftelijke zienswijze, met een waarde per punt van € 934,-) aan kosten van verleende rechtsbijstand.

6.1.

Appellante heeft facturen van het door haar ingeschakelde Medisch adviesbureau ingediend.

6.1.1.

Op grond van artikel 2, eerste lid onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) wordt de vergoeding van de kosten van een door een partij ingeschakelde deskundige vastgesteld met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken. Bij het Besluit tarieven in strafzaken 2003 (Bts) zijn deze tarieven vastgesteld.

6.1.2.

De facturen van het Medisch adviesbureau bedragen in totaal € 2.633,74 (€ 2.328,40 + € 305,34). Gelet op de omschrijvingen en de lagere kosten voor dossieraanmaak en planning, inzage- en correctierecht en afronding rapportage, zoals vermeld in de factuur van € 2.633,74, zijn dit geen werkzaamheden die door de deskundige zélf zijn verricht. Deze kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking omdat artikel 1 van het Bpb niet in deze kosten voorziet. Alleen de uren van de medisch adviseur, besteed aan dossierstudie, onderzoek en reistijd, en opstellen rapportage deel 1 en 2 (zes uur) komen voor vergoeding in aanmerking tegen het in het Bts vermelde uurtarief van € 142,75 per uur. Dit leidt tot een vergoeding van € 856,50 exclusief BTW (€ 1.036,36 inclusief BTW). In totaal dient daarom een bedrag van (€ 1.036,36 + € 305,40 =) € 1.341,76 door het Uwv te worden vergoed.

6.1.3.

In totaal dient door het Uwv een bedrag van € 5.544,76 aan kosten te worden vergoed.

6.1.4.

Ook dient het Uwv het door appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 188,- te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 5.544,76;

- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 188,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van B. Uçurum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2026.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

(getekend) B. Uçurum

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.