Uitspraak · Socialezekerheidsrecht

Centrale Raad van Beroep, 6 oktober 2026

ECLI:NL:CRVB:2026:1351Zaaknummer 24/1928 BBZ-T

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
6 oktober 2026
Publicatiedatum
27 oktober 2026
Zaaknummer
24/1928 BBZ-T
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep, Tussenuitspraak
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Afwijzing aanvraag om bijstand en bedrijfskapitaal. Bedrijf niet levensvatbaar. Onzorgvuldig deskundigenadvies. Opdracht nieuw besluit. Uit het adviesrapport van het IMK blijkt niet dat de nieuwe bedrijfsactiviteiten van appellant bij het onderzoek zijn betrokken, of dat onderzoek is verricht naar de specifieke markt waarop appellant met de verkoop van (componenten en systemen van) legacy computers opereert. Het rapport maakt ook niet duidelijk hoe groot die markt is en welke rol appellant daarin naar verwachting kan vervullen. Verder zijn de adviseur en het college in bezwaar niet ingegaan op de uitvoerige en onderbouwde kritiek van appellant op het adviesrapport. Het bestreden besluit berust aldus niet op een deugdelijke motivering.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het college op om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 1 augustus 2023 te herstellen met inachtneming van wat de Raad in deze uitspraak heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en P.W. van Straalen en W.A. Timmer als leden, in tegenwoordigheid van L. van Beelen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2026.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) L. van Beelen

Bijlage: voor deze tussenuitspraak belangrijke wettelijke regels

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 3:2:

Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

Artikel 3:9

Indien een besluit berust op een onderzoek naar feiten en gedragingen dat door een adviseur is verricht, dient het bestuursorgaan zich ervan te vergewissen dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.

Artikel 7:12

1. De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. Daarbij wordt, indien ingevolge artikel 7:3 van het horen is afgezien, tevens aangegeven op welke grond dat is geschied.

(…).

Artikel 8:51d

Indien de bestuursrechter in hoogste aanleg uitspraak doet, kan hij het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. De artikelen 8:51a, eerste lid, tweede volzin, en tweede lid, 8:51b, tweede en derde lid, en 8:51c, aanhef en onderdelen b tot en met d, zijn van toepassing.

Participatiewet

Artikel 78f (zoals dat luidde tot 1 januari 2026)

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de verlening van bijstand en bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal op grond van deze wet aan zelfstandigen en aan personen die algemene bijstand ontvangen en voornemens zijn een bedrijf of zelfstandig beroep te beginnen en zich in verband hiermee niet beschikbaar stellen voor arbeid in dienstbetrekking gedurende de voorbereidingsperiode van ten hoogste twaalf maanden, waarbij kan worden afgeweken van de artikelen 9, 10, 11, 32, 34, 40, 41, 45, 58, 69, 77 en de paragrafen 4.2, 6.1 en 7.1.

Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004

Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

c. levensvatbaar bedrijf of zelfstandig beroep: het bedrijf of zelfstandig beroep waaruit de zelfstandige naar verwachting na bijstandsverlening een inkomen zal verwerven dat, samen met het overige inkomen, toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf of zelfstandig beroep en voor de voorziening in het bestaan;

Artikel 2

1. Algemene bijstand kan worden verleend aan:

a. de zelfstandige die gedurende een redelijke termijn als zodanig werkzaam is geweest en wiens bedrijf of zelfstandig beroep levensvatbaar is;

(…)

2. Bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal kan slechts worden verleend aan de zelfstandige, bedoeld in de onderdelen a, b en c van het eerste lid.

Artikel 10

Algemene bijstand kan naar de regels van dit besluit worden verleend in de vorm van een renteloze geldlening, die al dan niet geheel of gedeeltelijk kan worden omgezet in een bedrag om niet of in de vorm van een bedrag om niet.

Artikel 14

1. Bijstand aan een zelfstandige ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal wordt naar de regels van dit besluit verleend in de vorm van een rentedragende lening, een renteloze lening, borgtocht of een bedrag om niet.

(…).

Artikel 22 (zoals dat luidde van 1 januari 2023 tot 1 januari 2024)

Bijstand in de behoefte aan bedrijfskapitaal kan aan een zelfstandige als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, worden verleend in de vorm van een bedrag om niet tot ten hoogste € 12.403,00, indien het inkomen van de zelfstandige duurzaam lager is dan de som van de bijstandsnorm, bedoeld in hoofdstuk 3, paragraaf 3.2 en 3.3. van de wet, en de verleende bijzondere bijstand en diens vermogen de grens genoemd in artikel 3, eerste lid, niet te boven gaat. Deze bijstand gaat niet samen met bijstand als bedoeld in artikel 20.

Beleidsregels Besluit bijstandsverlening zelfstandigen gemeente Schouwen-Duiveland 2020

Artikel 2

Het college onderzoekt of de aanvrager tot de doelgroep van het Bbz behoort en doet vervolgens onderzoek naar de levensvatbaarheid van het bedrijf op basis van de informatie en gegevens die door de zelfstandige zijn geleverd. Een startende zelfstandige moet onder andere een ondernemingsplan inleveren, andere zelfstandigen een plan van aanpak of doorstartplan.

Indien nodig geeft het college opdracht aan een externe deskundige voor een levensvatbaarheidsonderzoek. Het college vraagt in ieder geval een extern onderzoek op als er een krediet wordt aangevraagd dat € 5.000,- of meer bedraagt. Bij een aanvraag voor een lager krediet bedrag beoordeelt de klantmanager Bbz of er een extern onderzoek wordt opgevraagd.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. SAMENVATTING
  2. PROCESVERLOOP
  3. OVERWEGINGEN
  4. Inleiding
  5. Het oordeel van de Raad
  6. Conclusies en gevolgen
  7. BESLISSING
  8. Bijlage: voor deze tussenuitspraak belangrijke wettelijke regels
  9. Algemene wet bestuursrecht
  10. Participatiewet
  11. Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004

24/1928 BBZ-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ZeelandWestBrabant van 1 augustus 2024, 23/8986 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Schouwen-Duiveland (college)

Datum uitspraak: 6 oktober 2026

SAMENVATTING

Deze zaak gaat over de afwijzing van een aanvraag van appellant om bijstand op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Volgens het college is het bedrijf van appellant niet levensvatbaar. Het college baseert dit standpunt op een adviesrapport van een deskundige. Appellant voert aan dat het onderzoek van de deskundige niet zorgvuldig is geweest en dat het adviesrapport inhoudelijk onjuist is. Hij krijgt daarin gelijk. Dit leidt tot het oordeel dat het besluit waarbij de afwijzing na bezwaar is gehandhaafd niet zorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd. De Raad draagt het college op dit gebrek te herstellen.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 25 augustus 2026. Daar is de zaak gevoegd behandeld met zaak 25/1768 BBZ over de terugvordering van aan appellant verstrekte voorschotten. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M.N. Packbier. In zaak 25/1768 BBZ heeft de Raad het onderzoek heropend.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1.

Appellant heeft op 9 februari 2023 een aanvraag ingediend om bijstand voor levensonderhoud en bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal om niet op grond van het Bbz 2004 ten behoeve van zijn bedrijf in de vorm van een webshop. Met deze webshop is appellant sinds 1 januari 2011 actief. Zijn webshop richtte zich aanvankelijk op de verkoop van gebruikte computer-hardware uit de periode 1985-2000 aan liefhebbers. De webshop richt zich nu op zakelijke klanten. Hierover staat in het bij de aanvraag ingediende ‘doorstartplan’ het volgende:

“Sinds de verkoop van oude pc hardware heeft [de webshop] een nieuw soort klant gekregen, namelijk de zakelijke klant die een werkend compleet systeem of componenten voor oude computers zoekt, ten behoeve van de aansturing van oude machines en installaties. Het gaat om zogenaamde ’legacy' computers’ die al 20 jaar of nog langer niet meer worden ondersteund. Het vervangen van machines en installaties kan een zeer dure aangelegenheid zijn, zeer complex zijn, risicovol zijn en/of niet noodzakelijk zijn. Emulatie met een recente computer is niet altijd een oplossing omdat sommige functionaliteit ontbreekt. Daarom gaan sommige bedrijven op zoek naar oude computers dan wel componenten. Soms gaat een oude computer plotseling kapot (of men zag het aankomen maar is nalatig geweest) en heeft men direct vraag naar een oplossing. Om die reden is het voor [de webshop] aantrekkelijk om een voorraad aan te houden. [De webshop] koopt tegenwoordig zogenaamde ‘new old stock’ componenten via handelaren over de hele wereld in om die zowel los te verkopen als om legacy systemen mee te assembleren en te configureren. Dat is lastig als nauwelijks geld voorhanden is om te investeren in onderdelen en voorraad.”

1.2.

Het college heeft het Instituut Midden- en Kleinbedrijf (IMK) verzocht een onderzoek in te stellen naar de levensvatbaarheid van het bedrijf. Op 30 maart 2023 heeft een ondernemersadviseur van het IMK (adviseur) een adviesrapport uitgebracht. Daarin heeft de adviseur geconcludeerd dat de webshop niet levensvatbaar is.

1.3.

Met een besluit van 14 april 2023 heeft het college de aanvraag van appellant onder verwijzing naar het adviesrapport van de adviseur afgewezen. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. De adviseur heeft op verzoek van het college op het bezwaarschrift van appellant gereageerd met een e-mailbericht van 7 juni 2023. Deze reactie luidt als volgt:

“Het bezwaarschrift bevat geen elementen die nieuw zijn. [Appellant] voldoet niet aan de eisen die gesteld worden aan een marginale zelfstandige (ook wel zelfstandige op bescheiden schaal genoemd) waardoor een krediet om niet nou eenmaal onmogelijk is.”

1.4

Met een besluit van 1 augustus 2023 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het college, onder verwijzing naar het advies van de commissie bezwaarschriften, kamer sociale zekerheid, ten grondslag gelegd dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat het rapport van de adviseur op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, feitelijke onjuistheden bevat of ondeugdelijk is gemotiveerd. Appellant heeft ook geen objectieve gegevens ingebracht die zijn stelling dat het bedrijf levensvatbaar is, onderbouwen. Ook is hij niet met een tegenrapport van een andere ter zake deskundig te achten persoon of instantie gekomen.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank geoordeeld dat het college het bestreden besluit heeft kunnen baseren op het rapport van de adviseur. Dit adviesrapport is, in combinatie met de toelichting die het college en de adviseur ter zitting hebben gegeven, voor zover het betreft de conclusie dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat het bedrijf levensvatbaar is, voldoende inzichtelijk en concludent. Het is de rechtbank niet gebleken dat het adviesrapport feitelijke onjuistheden bevat. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn bedrijf wel levensvatbaar is.

Het standpunt van appellant

3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de afwijzing van bijstand op grond van het Bbz 2004 in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze tussenuitspraak.

4.1.

Tussen partijen is in geschil of het bedrijf van appellant levensvatbaar is in de zin van artikel 1, aanhef en onder c, van het Bbz 2004. Voor de beoordeling van de levensvatbaarheid van een bedrijf is bepalend de situatie van het bedrijf ten tijde van het besluit op de aanvraag.

4.2.

Een bijstandverlenende instantie kan zich over de levensvatbaarheid van een bedrijf laten adviseren door een deskundige instantie als het IMK en zijn besluitvorming baseren op het advies van deze instantie daarover. Het college mag bij de besluitvorming daarom in beginsel uitgaan van het advies van het IMK, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies of aan de inhoud daarvan. Dit volgt uit vaste rechtspraak.[_d39f304d-bf87-4f69-861a-a89c0e894e07]

4.3.

De adviseur heeft in zijn rapport geconcludeerd dat het bedrijf van appellant naar verwachting niet levensvatbaar zal zijn. De adviseur heeft onderzoek gedaan naar de ondernemerscapaciteiten van appellant, een commerciële analyse verricht van de markt voor webshops en in het bijzonder webshops voor consumentenelektronica, en een financiële analyse verricht van de door appellant verstrekte gegevens. De adviseur concludeert dat appellant op commercieel gebied te inactief is. Zo maakt appellant geen gebruik van social media als Instagram, Facebook en TikTok. Verder zijn de marktmogelijkheden volgens de adviseur gering, gelet op de bedrijfsformule, te weten een zeer kleinschalige, gespecialiseerde webshop die zich richt op een ‘nichemarkt’. De adviseur heeft geen uitbreiding van de voorraad in het onderzoek betrokken. De reden hiervoor is dat appellant alleen bijstand voor bedrijfskapitaal om niet wenst en niet in de vorm van een geldlening. Appellant komt echter niet in aanmerking voor bijstand om niet, omdat hij niet voldoet aan de ouderenregeling en ook niet als een marginale zelfstandige kan worden aangemerkt. Op basis van licht geïntensiveerde marktbewerking, de voorraadhoogte en de historische omzetten, verwacht de adviseur voor 2023 een omzet van € 20.000,- en voor 2024 een omzet van € 22.500,-, waarbij wordt uitgegaan van een exploitatieresultaat van respectievelijk € 5.500,- en € 5.900,- en een lage privéonttrekking van € 1.135,- per maand gebaseerd op het bestaansminimum. De adviseur acht het bedrijf van appellant niet levensvatbaar als hoofdinkomstenbron. Met een (parttime) baan in loondienst zou het bedrijf van appellant prima te combineren zijn.

4.4.

Appellant voert net als in bezwaar en beroep aan dat het onderzoek van de adviseur niet zorgvuldig is geweest en dat het advies inhoudelijk niet juist is. Wat appellant ter onderbouwing hiervan naar voren heeft gebracht komt er in de kern op neer dat zijn ondernemerscapaciteiten niet goed zijn beoordeeld, omdat hij wel degelijk gebruikmaakt van social media, dat het levensvatbaarheidsonderzoek onvolledig is, omdat dit onderzoek gaat over webshops in het algemeen en niet over de markt waarin zijn webshop actief is, en dat de geprognosticeerde omzetcijfers in het adviesrapport niet herleidbaar zijn en ook niet met een berekening zijn onderbouwd. Ook heeft appellant naar voren gebracht dat de adviseur de gevraagde bijstand voor bedrijfskapitaal ten onrechte niet heeft meegenomen in het onderzoek naar de levensvatbaarheid van zijn bedrijf, terwijl beoordeeld moet worden of het bedrijf na bijstandsverlening levensvatbaar is. Deze beroepsgrond slaagt. Dat wordt hierna toegelicht.

4.4.1.

Het college heeft er ter zitting op gewezen dat het adviesrapport van het IMK richtinggevend is, dat appellant niet met een tegenadvies is gekomen en niet met wat hij zelf zegt het IMK-rapport onderuit kan halen en dat het college bij gebreke van een tegenadvies uitgaat van de juistheid van dit rapport.

Maar anders dan waarvan het college uitgaat, kan een adviesrapport als dat van de adviseur niet alleen worden bestreden met een rapport van een andere deskundige. Dat volgt uit eerdere rechtspraak.[_fb38f79a-ed83-4833-95c4-8a0bb4c32a2b] De niet onderbouwde eigen verwachtingen van een betrokkene over bijvoorbeeld de te behalen omzet van zijn bedrijf zijn in beginsel ontoereikend om te twijfelen aan de conclusies van een deskundige. Dit volgt ook uit eerdere rechtspraak.[_89f768b6-b242-4ee3-84ac-af1eba919e7f] Maar het is wel mogelijk om op andere wijze dan met een rapport van een deskundige de conclusies van de deskundige in twijfel te trekken. Dit kan bijvoorbeeld door te wijzen op gebreken in het onderzoek, op fouten of op inconsistenties in het rapport, waardoor er aanleiding is om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming of de juistheid van het advies.

4.4.2.

Zoals appellant terecht aanvoert, blijkt uit het adviesrapport van het IMK niet dat de nieuwe bedrijfsactiviteiten van appellant, te weten de verkoop van (systemen of componenten van) legacy computers op de zakelijke markt, bij het onderzoek zijn betrokken. Appellant heeft ook terecht aangevoerd – wat het college ter zitting heeft erkend – dat het adviesrapport alleen blijk geeft van een algemene marktanalyse van webshops, specifiek voor consumentenelektronica in Nederland. Niet duidelijk wordt welke betekenis daaraan toekomt voor de webshop van appellant. Het adviesrapport geeft er geen blijk van dat onderzoek is verricht naar de specifieke markt waarop appellant met de verkoop van (componenten en systemen van) legacy computers opereert. Het rapport maakt in het verlengde daarvan ook niet duidelijk hoe groot die markt is en welke rol appellant daarin naar verwachting kan vervullen. Ter onderbouwing van de geprognosticeerde omzet voor 2023 en 2024 is wel gewezen op de ‘licht geïntensiveerde marktbewerking’, maar dit ziet niet op de markt waarin appellant opereert. De te verwachten omzet uit de verkoop van de legacy computers blijft in het adviesrapport dan ook onbesproken. Het adviesrapport is gelet hierop onvolledig.

4.4.3.

Daar komt bij dat de adviseur en het college in bezwaar in het geheel niet zijn ingegaan op de uitvoerige en onderbouwde kritiek van appellant op het adviesrapport. Appellant heeft over zijn gebruik van sociale media onjuistheden benoemd in het advies en gewezen op zakelijke activiteiten die hij verricht op (andere) social media platforms. Ook heeft hij in bezwaar gronden aangevoerd over het in het advies ten onrechte achterwege laten van de uitbreiding van de voorraad met het aangevraagd bedrijfskapitaal en heeft hij – onder meer onder verwijzing naar in het verleden behaalde omzetcijfers – uitgebreid betoogd dat en waarom de geprognosticeerde omzetcijfers van de adviseur niet herleidbaar en niet juist zijn. De onder 1.3 weergegeven reactie van de adviseur IMK gaat op die gronden niet in. Uit die reactie blijkt verder niet of de adviseur IMK nader onderzoek heeft gedaan, bijvoorbeeld naar de gestelde onjuistheden over het gebruik van social media platforms en welke gevolgen de eventuele onjuiste uitgangspunten hebben voor het uiteindelijke advies. Ter zitting heeft het college geen duidelijkheid op deze punten kunnen geven.

4.4.4.

Net als bij de zitting bij de rechtbank heeft het college ter zitting van de Raad gezegd dat áls appellant het bedrijfskapitaal als lening had aangevraagd, dit bij de beoordeling van de levensvatbaarheid van zijn bedrijf was meegenomen. Maar het college heeft niet kunnen uitleggen waarom uit het enkele feit dat appellant bedrijfskapitaal om niet heeft aangevraagd volgt dat het bedrijfskapitaal buiten beschouwing moet worden gelaten bij de beoordeling van de levensvatbaarheid van zijn bedrijf, waar dat wel wordt meegenomen als het als lening wordt verstrekt.

4.4.5.

Gelet op 4.4 tot en met 4.4.4 is het adviesrapport niet zorgvuldig tot stand gekomen en kan worden getwijfeld aan de inhoud daarvan. In het verlengde daarvan is het bestreden besluit, waaraan dat adviesrapport ten grondslag ligt, niet zorgvuldig voorbereid en berust dat besluit niet op een deugdelijke motivering.

Conclusies en gevolgen

4.4.6. Uit 4.4.5 volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit gebrek ziet op de zorgvuldigheid van de totstandkoming en de inhoud van het adviesrapport van het IMK dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt. Gelet op de voorliggende vraag over de levensvatbaarheid van het bedrijf van appellant lijkt een aanvullend advies van de adviseur dan wel een nieuw advies van een daartoe deskundige instantie aangewezen, waarbij wordt betrokken wat appellant in bezwaar, beroep en hoger beroep heeft aangevoerd en wat onder 4.4.2 tot en met 4.4.4 is overwogen. De Raad ziet hierin aanleiding om met toepassing van artikel 8:51d van de Awb het college op te dragen het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van wat hiervoor is overwogen. Daartoe zal de Raad een termijn van acht weken stellen.

5. Omdat met deze uitspraak nog geen einde aan het geding is gekomen, wordt nog geen oordeel gegeven over de (proces)kostenvergoeding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het college op om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 1 augustus 2023 te herstellen met inachtneming van wat de Raad in deze uitspraak heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en P.W. van Straalen en W.A. Timmer als leden, in tegenwoordigheid van L. van Beelen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2026.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) L. van Beelen

Bijlage: voor deze tussenuitspraak belangrijke wettelijke regels

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 3:2:

Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

Artikel 3:9

Indien een besluit berust op een onderzoek naar feiten en gedragingen dat door een adviseur is verricht, dient het bestuursorgaan zich ervan te vergewissen dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.

Artikel 7:12

1. De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. Daarbij wordt, indien ingevolge artikel 7:3 van het horen is afgezien, tevens aangegeven op welke grond dat is geschied.

(…).

Artikel 8:51d

Indien de bestuursrechter in hoogste aanleg uitspraak doet, kan hij het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. De artikelen 8:51a, eerste lid, tweede volzin, en tweede lid, 8:51b, tweede en derde lid, en 8:51c, aanhef en onderdelen b tot en met d, zijn van toepassing.

Participatiewet

Artikel 78f (zoals dat luidde tot 1 januari 2026)

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de verlening van bijstand en bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal op grond van deze wet aan zelfstandigen en aan personen die algemene bijstand ontvangen en voornemens zijn een bedrijf of zelfstandig beroep te beginnen en zich in verband hiermee niet beschikbaar stellen voor arbeid in dienstbetrekking gedurende de voorbereidingsperiode van ten hoogste twaalf maanden, waarbij kan worden afgeweken van de artikelen 9, 10, 11, 32, 34, 40, 41, 45, 58, 69, 77 en de paragrafen 4.2, 6.1 en 7.1.

Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004

Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

c. levensvatbaar bedrijf of zelfstandig beroep: het bedrijf of zelfstandig beroep waaruit de zelfstandige naar verwachting na bijstandsverlening een inkomen zal verwerven dat, samen met het overige inkomen, toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf of zelfstandig beroep en voor de voorziening in het bestaan;

Artikel 2

1. Algemene bijstand kan worden verleend aan:

a. de zelfstandige die gedurende een redelijke termijn als zodanig werkzaam is geweest en wiens bedrijf of zelfstandig beroep levensvatbaar is;

(…)

2. Bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal kan slechts worden verleend aan de zelfstandige, bedoeld in de onderdelen a, b en c van het eerste lid.

Artikel 10

Algemene bijstand kan naar de regels van dit besluit worden verleend in de vorm van een renteloze geldlening, die al dan niet geheel of gedeeltelijk kan worden omgezet in een bedrag om niet of in de vorm van een bedrag om niet.

Artikel 14

1. Bijstand aan een zelfstandige ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal wordt naar de regels van dit besluit verleend in de vorm van een rentedragende lening, een renteloze lening, borgtocht of een bedrag om niet.

(…).

Artikel 22 (zoals dat luidde van 1 januari 2023 tot 1 januari 2024)

Bijstand in de behoefte aan bedrijfskapitaal kan aan een zelfstandige als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, worden verleend in de vorm van een bedrag om niet tot ten hoogste € 12.403,00, indien het inkomen van de zelfstandige duurzaam lager is dan de som van de bijstandsnorm, bedoeld in hoofdstuk 3, paragraaf 3.2 en 3.3. van de wet, en de verleende bijzondere bijstand en diens vermogen de grens genoemd in artikel 3, eerste lid, niet te boven gaat. Deze bijstand gaat niet samen met bijstand als bedoeld in artikel 20.

Beleidsregels Besluit bijstandsverlening zelfstandigen gemeente Schouwen-Duiveland 2020

Artikel 2

Het college onderzoekt of de aanvrager tot de doelgroep van het Bbz behoort en doet vervolgens onderzoek naar de levensvatbaarheid van het bedrijf op basis van de informatie en gegevens die door de zelfstandige zijn geleverd. Een startende zelfstandige moet onder andere een ondernemingsplan inleveren, andere zelfstandigen een plan van aanpak of doorstartplan.

Indien nodig geeft het college opdracht aan een externe deskundige voor een levensvatbaarheidsonderzoek. Het college vraagt in ieder geval een extern onderzoek op als er een krediet wordt aangevraagd dat € 5.000,- of meer bedraagt. Bij een aanvraag voor een lager krediet bedrag beoordeelt de klantmanager Bbz of er een extern onderzoek wordt opgevraagd.

Voetnoten

  1. Zie uitspraak van 5 augustus 2014, ECLI:NL: CRVB:2014:2629.
  2. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 18 december 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:4314.
  3. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 9 augustus 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AU0939.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.