Uitspraak · Socialezekerheidsrecht
Centrale Raad van Beroep, 5 december 2018
ECLI:NL:CRVB:2018:4280Zaaknummer 17/5809 PW-PV
- Instantie
- Centrale Raad van Beroep
- Datum uitspraak
- 5 december 2018
- Publicatiedatum
- 7 januari 2019
- Zaaknummer
- 17/5809 PW-PV
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroep
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Niet gemelde bijschrijvingen op bankrekening in mindering te brengen op bijstand.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:
1. Het geschil is beperkt tot de vraag of het college het totale bedrag aan bijschrijvingen van € 6.040,- als in aanmerking te nemen middelen op de bijstand in mindering mocht brengen.
2. Appellanten hebben aangevoerd dat zij aannemelijk hebben gemaakt dat een deel van de bijschrijvingen afkomstig is van daadwerkelijke leningen en dat deze bijschrijvingen niet tot de middelen moeten worden gerekend. Deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals vaker overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 12 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2583 en van 12 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:51) is de omstandigheid dat bedragen zijn geleend niet van betekenis en is een geldlening in artikel 31, tweede lid, van de Participatiewet niet uitgezonderd van het middelenbegrip.
3. Appellanten hebben voorts aangevoerd dat in hun geval een uitzondering moet worden gemaakt en aansluiting moet worden gezocht bij de rechtspraak die van toepassing is in die gevallen dat iemand (zonder ander inkomen) in afwachting is van een besluit op zijn aanvraag om algemene bijstand en ter voorziening in de kosten van levensonderhoud is aangewezen op het aangaan van geldleningen.
4. Deze beroepsgrond slaagt evenmin. Appellanten ontvingen in de periode in geding bijstand. Deze bijstand wordt geacht toereikend te zijn om te voorzien in hun levensonderhoud. De onder 3 bedoelde rechtspraak is daarom niet op appellanten van toepassing.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
C.A.E. Bon E.C.R. Schut
md
Volledige tekst
17 5809 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 juli 2017, 16/7571 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] en [Appellante] te [woonplaats] (appellanten)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 5 december 2018
Zitting heeft: E.C.R. Schut
Griffier: C.A.E. Bon
Appellanten zijn niet ter zitting verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door R.J.M. Codrington.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:
1. Het geschil is beperkt tot de vraag of het college het totale bedrag aan bijschrijvingen van € 6.040,- als in aanmerking te nemen middelen op de bijstand in mindering mocht brengen.
2. Appellanten hebben aangevoerd dat zij aannemelijk hebben gemaakt dat een deel van de bijschrijvingen afkomstig is van daadwerkelijke leningen en dat deze bijschrijvingen niet tot de middelen moeten worden gerekend. Deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals vaker overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 12 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2583 en van 12 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:51) is de omstandigheid dat bedragen zijn geleend niet van betekenis en is een geldlening in artikel 31, tweede lid, van de Participatiewet niet uitgezonderd van het middelenbegrip.
3. Appellanten hebben voorts aangevoerd dat in hun geval een uitzondering moet worden gemaakt en aansluiting moet worden gezocht bij de rechtspraak die van toepassing is in die gevallen dat iemand (zonder ander inkomen) in afwachting is van een besluit op zijn aanvraag om algemene bijstand en ter voorziening in de kosten van levensonderhoud is aangewezen op het aangaan van geldleningen.
4. Deze beroepsgrond slaagt evenmin. Appellanten ontvingen in de periode in geding bijstand. Deze bijstand wordt geacht toereikend te zijn om te voorzien in hun levensonderhoud. De onder 3 bedoelde rechtspraak is daarom niet op appellanten van toepassing.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
C.A.E. Bon E.C.R. Schut
md
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:RBROT:2017:5320 http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.