Uitspraak · Socialezekerheidsrecht
Centrale Raad van Beroep, 18 december 2018
ECLI:NL:CRVB:2018:4243Zaaknummer 17/4304 PW-PV
- Instantie
- Centrale Raad van Beroep
- Datum uitspraak
- 18 december 2018
- Publicatiedatum
- 7 januari 2019
- Zaaknummer
- 17/4304 PW-PV
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroep
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Terugvordering in verband met niet gemelde bijschrijvingen op bankrekening. Geen dringende redenen.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:
1. Het college heeft terecht de bijstand van appellant over de periode van 1 januari 2015 tot en met 30 september 2015 herzien en de teveel betaalde bijstand tot een bedrag van € 2928,50 teruggevorderd in verband met stortingen op zijn bankrekening. Die stortingen heeft het college terecht als inkomen aangemerkt en in mindering gebracht op de bijstand.
2. De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn, behoudens het beroep op dringende redenen om van terugvordering af te zien, in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen waarop dat oordeel rust en maakt dit oordeel en de overwegingen tot de zijne.
3. Dringende redenen als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de PW om van terugvordering af te zien, kunnen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. In wat appellant heeft aangevoerd liggen geen dringende redenen besloten als hiervoor bedoeld. Bovendien moet de tenuitvoerlegging van een besluit tot terugvordering zodanig geschieden dat appellant blijft beschikken over een inkomen gelijk aan de beslagvrije voet, zoals bedoeld in artikel 475d van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
4. Het hoger slaagt beroep niet. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
F. Demiroğlu M. Hillen
md
Volledige tekst
17 4304 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 mei 2017, 16/6758 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 18 december 2018
Zitting heeft: M. Hillen
Griffier: F. Demiroğlu
Voor appellant is mr. H. Selçuk, advocaat, verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J.M. Tang.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:
1. Het college heeft terecht de bijstand van appellant over de periode van 1 januari 2015 tot en met 30 september 2015 herzien en de teveel betaalde bijstand tot een bedrag van € 2928,50 teruggevorderd in verband met stortingen op zijn bankrekening. Die stortingen heeft het college terecht als inkomen aangemerkt en in mindering gebracht op de bijstand.
2. De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn, behoudens het beroep op dringende redenen om van terugvordering af te zien, in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen waarop dat oordeel rust en maakt dit oordeel en de overwegingen tot de zijne.
3. Dringende redenen als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de PW om van terugvordering af te zien, kunnen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. In wat appellant heeft aangevoerd liggen geen dringende redenen besloten als hiervoor bedoeld. Bovendien moet de tenuitvoerlegging van een besluit tot terugvordering zodanig geschieden dat appellant blijft beschikken over een inkomen gelijk aan de beslagvrije voet, zoals bedoeld in artikel 475d van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
4. Het hoger slaagt beroep niet. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
F. Demiroğlu M. Hillen
md
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.