Uitspraak · Socialezekerheidsrecht
Centrale Raad van Beroep, 12 december 2018
ECLI:NL:CRVB:2018:4209Zaaknummer 18/2999 WMO15-PV
- Instantie
- Centrale Raad van Beroep
- Datum uitspraak
- 12 december 2018
- Publicatiedatum
- 3 januari 2019
- Zaaknummer
- 18/2999 WMO15-PV
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroep
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Proces-verbaal mondelinge uitspraak. Verzoek om appellant een maatwerkvoorziening beschermd wonen te verstrekken terecht afgewezen. Hieraan heeft het college terecht ten grondslag gelegd dat appellant geen rechtmatig verblijf heeft.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:
Bij besluit van 18 oktober 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 30 oktober 2017 (bestreden besluit), heeft het college het verzoek van appellant om hem een maatwerkvoorziening beschermd wonen te verstrekken afgewezen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant geen rechtmatig verblijf heeft.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, onder verwijzing naar artikel 1.2.2 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015).
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij beschermd wonen nodig heeft. Nu de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (staatssecretaris) dit niet wil bieden zal het college dit moeten doen. Verder werkt artikel 122a van de Zorgverzekeringswet niet zoals het zou moeten.
Appellant is geen vreemdeling als bedoeld in artikel 1.2.2, eerste lid, van de Wmo 2015 en is ook niet op grond van artikel 2.1, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 met een Nederlander gelijkgesteld.
Zoals eerder overwogen in de uitspraak van 3 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3022, kan een vreemdeling zoals appellant geen aanspraak maken op een maatwerkvoorziening beschermd wonen op grond van de Wmo 2015. Hetgeen appellant in deze zaak meer of anders heeft aangevoerd leidt de Raad niet tot een ander oordeel dan in die uitspraak. Appellant kan, indien hij meent dat hij van de staatssecretaris niet de benodigde hulp krijgt, daartegen beroep en vervolgens hoger beroep bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State instellen.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) R.P.W. Jongbloed (getekend) L.M. Tobé
KS
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
18 2999 WMO15-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 mei 2018, 17/6582 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Datum uitspraak: 12 december 2018
Zitting heeft: L.M. Tobé
Griffier: R.P.W. Jongbloed
Ter zitting is verschenen: mr. W.G. Fischer, advocaat, namens appellant
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:
Bij besluit van 18 oktober 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 30 oktober 2017 (bestreden besluit), heeft het college het verzoek van appellant om hem een maatwerkvoorziening beschermd wonen te verstrekken afgewezen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant geen rechtmatig verblijf heeft.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, onder verwijzing naar artikel 1.2.2 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015).
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij beschermd wonen nodig heeft. Nu de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (staatssecretaris) dit niet wil bieden zal het college dit moeten doen. Verder werkt artikel 122a van de Zorgverzekeringswet niet zoals het zou moeten.
Appellant is geen vreemdeling als bedoeld in artikel 1.2.2, eerste lid, van de Wmo 2015 en is ook niet op grond van artikel 2.1, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 met een Nederlander gelijkgesteld.
Zoals eerder overwogen in de uitspraak van 3 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3022, kan een vreemdeling zoals appellant geen aanspraak maken op een maatwerkvoorziening beschermd wonen op grond van de Wmo 2015. Hetgeen appellant in deze zaak meer of anders heeft aangevoerd leidt de Raad niet tot een ander oordeel dan in die uitspraak. Appellant kan, indien hij meent dat hij van de staatssecretaris niet de benodigde hulp krijgt, daartegen beroep en vervolgens hoger beroep bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State instellen.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) R.P.W. Jongbloed (getekend) L.M. Tobé
KS
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Aangehaald in
- ECLI:NL:CRVB:2019:2354 Centrale Raad van Beroep, 10 juli 2019 (socialezekerheidsrecht)
- ECLI:NL:CRVB:2019:2355 Centrale Raad van Beroep, 10 juli 2019 (socialezekerheidsrecht)
- ECLI:NL:CRVB:2019:2356 Centrale Raad van Beroep, 10 juli 2019 (socialezekerheidsrecht)
- ECLI:NL:CRVB:2019:2380 Centrale Raad van Beroep, 10 juli 2019 (socialezekerheidsrecht)
- ECLI:NL:CRVB:2019:2431 Centrale Raad van Beroep, 10 juli 2019 (socialezekerheidsrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.