Uitspraak · Socialezekerheidsrecht

Centrale Raad van Beroep, 24 november 2006

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3349Zaaknummer 05-2603 ANW

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24 november 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-2603 ANW
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Geen nabestaande in de zin van de ANW.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.F. van Moorst als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 november 2006.

(get.) H.J. Simon.

(get.) M.F. van Moorst.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. I. PROCESVERLOOP
  2. II. OVERWEGINGEN
  3. III. BESLISSING

05/2603 ANW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 20 april 2005, 04/2946 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 24 november 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 november 2006. Appellante is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. M.M.W. van der Ent.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellante heeft op 27 oktober 2004 een aanvraag in het kader van de Algemene nabestaandenwet (ANW) aan de Svb gezonden terzake van het overlijden van B. [S.] (hierna: [S.]) in maart 1997, van wie appellante in 1978 was gescheiden.

De Svb heeft bij besluit van 11 november 2004 deze aanvraag afgewezen, omdat appellante geen nabestaande was van [S.], nu zij met hem geen gezamenlijke huishouding voerde en hij evenmin verplicht was appellante alimentatie te betalen. Bij besluit op bezwaar van 23 november 2004 heeft de Svb het bezwaar hiertegen ongegrond verklaard.

De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat, nu appellante niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 1, aanhef en onder e van de ANW, noch aan die van artikel 4 van de ANW, zoals deze wet luidde ten tijde in geding en voorzover van belang, appellante niet aangemerkt kan worden als nabestaande in de zin van deze wet. De Svb is derhalve terecht tot het oordeel gekomen dat appellante geen recht heeft op een uitkering ingevolge de ANW.

De Raad kan zich vinden in dit oordeel van de rechtbank. De Raad overweegt daartoe dat een persoon in de positie van appellante slechts bij wege van gelijkstelling ingevolge artikel 4 van de ANW als nabestaande kan worden aangemerkt. Blijkens de wetsgeschiedenis is voor die gelijkstelling slechts dan voldoende grondslag aanwezig geacht, indien er ten tijde van het overlijden sprake was van economische afhankelijkheid, tot uitdrukking komend in een financiële band tussen de overledene en de ex-echtgenote, welke op zijn beurt was vastgelegd in een uitspraak of akte als in de wet omschreven. Uit de gedingstukken is van een alimentatieverplichting van [S.] jegens appellante direct voor het overlijden van [S.] niet gebleken, hetgeen overigens door appellante wordt erkend. Hieruit volgt dat appellante niet voldoet aan de voorwaarden om als nabestaande in de zin van de ANW te worden aangemerkt en zij derhalve niet voor een uitkering in het kader van deze wet in aanmerking komt.

De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.F. van Moorst als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 november 2006.

(get.) H.J. Simon.

(get.) M.F. van Moorst.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.