Uitspraak · Socialezekerheidsrecht

Centrale Raad van Beroep, 3 januari 2006

ECLI:NL:CRVB:2006:AU8991Zaaknummer 05-3504 NABW

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
3 januari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
05-3504 NABW
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Geen hoger beroep kan worden ingesteld tegen een uitspraak van een rechtbank als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Awb. Geen evidente schending van eisen van een goede procesorde dan wel van fundamentele rechtsbeginselen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart zich onbevoegd.

Aldus gegeven door mr. C. van Viegen, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2006.

(get.) C. van Viegen.

(get.) M. Pijper.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. I. INLEIDING
  2. II. MOTIVERING
  3. III. BESLISSING

E N K E L V O U D I G E K A M E R

05/3504 NABW

U I T S P R A A K

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn, gedaagde.

I. INLEIDING

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 18 april 2005, reg.nr. 02/441 NABW, waarbij met toepassing van artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is beslist op zijn verzet tegen een uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van die wet.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 22 november 2005, waar partijen - gedaagde met voorafgaand bericht daarvan - niet zijn verschenen.

II. MOTIVERING

Ingevolge artikel 18, tweede lid, aanhef en onder b, van de Beroepswet kan geen hoger beroep worden ingesteld tegen een uitspraak van een rechtbank als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Awb. De aangevallen uitspraak betreft een dergelijke uitspraak en is derhalve volgens het toepasselijke procesrecht niet vatbaar voor hoger beroep.

Voor kennisneming van een appèl in weerwil van deze bepaling kan naar vaste rechtspraak echter grond bestaan, indien sprake is van een evidente schending van eisen van een goede procesorde dan wel van fundamentele rechtsbeginselen, zodanig dat van een eerlijk proces geen sprake is. De Raad is van oordeel dat deze uitzondering zich hier niet voordoet. Hij dient zich dan ook onbevoegd te verklaren.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart zich onbevoegd.

Aldus gegeven door mr. C. van Viegen, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2006.

(get.) C. van Viegen.

(get.) M. Pijper.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.