Uitspraak · Bestuursrecht
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 27 oktober 2026
ECLI:NL:CBB:2026:509Zaaknummer 25/313, 25/761, 25/425 en 25/642
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum uitspraak
- 27 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 27 oktober 2026
- Zaaknummer
- 25/313, 25/761, 25/425 en 25/642
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Landbouw. Door twee landbouwbedrijven aangevraagde landbouwsubsidie bij ieder van hen voor één op Texel gelegen perceel geweigerd. De minister heeft zich eerst op het standpunt gesteld dat het geen landbouwgrond was. Op de zitting nam de minister het standpunt in dat het wél om landbouwgrond gaat, maar dat de percelen niet tot het bedrijf van de beide landbouwbedrijven behoren, omdat deze percelen tot een natuurgebied behoren dat in totaal door 14 personen/landbouwbedrijven wordt gepacht. Volgens de minister zijn de opgegeven percelen slechts een fictief eigen perceel, omdat de percelen niet zijn afgebakend en de indeling slechts op papier is gemaakt. Het College onderschrijft het nadere standpunt van de minister. Het College verklaart de beroepen gegrond, vernietigt de bestreden besluiten vernietigen en bepaalt dat de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten geheel in stand blijven.
Beslissing
Het College:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten 1 en 2;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde bestreden besluiten in stand blijven;
- draagt de minister op om aan landbouwbedrijf 1 het betaalde griffierecht van € 770,- te vergoeden en om aan landbouwbedrijf 2 het betaalde griffierecht van € 770,- te vergoeden;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van landbouwbedrijven 1 en 2 tot een bedrag van in totaal € 2.802,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van mr. J.M.M. Bancken, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2026.
w.g. A. Venekamp w.g. J.M.M. Bancken
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummers: 25/313, 25/761, 25/425 en 25/642
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 oktober 2026 in de zaken tussen
Maatschap [naam 1] , (landbouwbedrijf 1) [woonplaats 1] ( [plaats] )
(gemachtigde: [naam 2])
[naam 3], (landbouwbedrijf 2) [woonplaats 1] ( [plaats])
(gemachtigde: [naam 2])
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
(gemachtigden: mr. I.M.H.G. van Lankveld en mr. S.H.B. van der Zalm)
Procesverloop
zaken 25/313 en 25/761
Landbouwbedrijf 1 heeft tegen besluiten van de minister van 27 maart 2025 en 8 september 2025 (bestreden besluiten 1) beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend en stukken toegezonden.
zaken 25/425 en 25/642
Landbouwbedrijf 2 heeft tegen besluiten van de minister van 8 mei 2025 en 8 september 2025 (bestreden besluiten 2) beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend en stukken toegezonden.
Alle zaken
De landbouwbedrijven hebben gereageerd op de verweerschriften.
De zitting was op 1 september 2026. De zaken zijn gevoegd behandeld. Aan de zitting hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen.
Inleiding
1. Landbouwbedrijf 1 en landbouwbedrijf 2 hebben elk een landbouwbedrijf op [plaats]. Samen met nog twaalf andere personen en/of landbouwbedrijven pachten zij van Staatsbosbeheer grond met een totale oppervlakte van 360,80 ha op [plaats]. Zij hebben daartoe gezamenlijk een pachtovereenkomst gesloten met Staatsbosbeheer. Een kadastrale kaart is als bijlage bij die pachtovereenkomst gevoegd.
2 De landbouwbedrijven hebben ieder voor zich met door hen ingediende Gecombineerde opgaven voor de aanvraagjaren 2023 en 2024 betaling aangevraagd voor de basispremie, de extra betaling eerste veertig hectare en de eco-regeling. Landbouwbedrijf 1 heeft daarbij onder meer perceel [nummer 1] opgegeven met een totale oppervlakte van bijna 40 ha en landbouwbedrijf 2 heeft daarbij onder meer perceel [nummer 2] opgegeven met een totale oppervlakte van ruim 47 ha.
3 De minister heeft op grond van de Uitvoeringsregeling GLB 2023 die aanvragen met afzonderlijke besluiten (gedeeltelijk) toegewezen. Met de bestreden besluiten heeft de minister die besluiten gehandhaafd. Hij heeft de percelen [nummer 1] en [nummer 2] niet subsidiabel geacht, omdat die percelen volgens de minister geen landbouwareaal zijn.
Beoordeling van de beroepen
Het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) 2023 van de Europese Unie is, voor zover hier van belang, vastgelegd in Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021. De nationale invulling ervan is neergelegd in de Uitvoeringsregeling GLB 2023.
Steun voor de basispremie en de eco-regeling vindt – kort gezegd – plaats in de vorm van een betaling voor subsidiabele hectaren (artikel 21 en artikel 31 van Verordening 2021/2115). Onder subsidiabele hectaren wordt – kort gezegd en voor zover hier van belang – verstaan landbouwareaal van het landbouwbedrijf dat wordt gebruikt voor een landbouwactiviteit of in overwegende mate voor landbouwactiviteiten wordt gebruikt en ter beschikking van de landbouwer staat (artikel 4, vierde lid, aanhef en onder a, van Verordening 2021/2115 en artikel 1 van de Uitvoeringsregeling GLB 2023). Evenals onder het oude regime moet de oppervlakte dus, om subsidiabel te zijn, landbouwareaal zijn, deel uitmaken van het bedrijf van de landbouwer en worden gebruikt voor landbouwdoeleinden of bij gelijktijdig ander gebruik overwegend worden gebruikt voor dergelijke doeleinden (vergelijk het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie) van 2 juli 2015, Demmer, C-684/13 (ECLI:EU:C:2015:439), punt 54). Percelen behoren tot een bedrijf – en de landbouwer kan hierover dus beschikken – als de landbouwer het perceel feitelijk in gebruik heeft en tevens beschikt over een (vormvrije) gebruikstitel voor dat perceel. De gebruikstitel moet de landbouwer de bevoegdheid geven om de percelen met een zekere autonomie voor de uitoefening van een landbouwactiviteit te beheren (vergelijk het arrest van het Hof van Justitie van 14 oktober 2010, Landkreis Bad Dürkheim, C-61/09 (ECLI:EU:C:2010:606)).
De minister heeft op de zitting verklaard niet langer het standpunt te handhaven dat de percelen [nummer 1] en [nummer 2] geen landbouwareaal zijn, terwijl hij verder heeft bevestigd dat op de percelen landbouwactiviteiten worden uitgevoerd. Dit betekent dat de bestreden besluiten niet met de vereiste zorgvuldigheid (artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)) zijn voorbereid en niet berusten op een deugdelijke motivering (artikel 7:12 van de Awb).
In zijn verweerschriften heeft de minister het standpunt ingenomen dat de percelen [nummer 1] en [nummer 2] niet behoren tot het bedrijf van respectievelijk landbouwbedrijf 1 en landbouwbedrijf 2.
Hij wijst erop dat een groep van in totaal veertien personen en/of landbouwbedrijven gezamenlijk een natuurgebied pacht met een totale grootte van 360 hectare. Van deze totale oppervlakte hebben beide landbouwbedrijven een deel opgegeven als perceel [nummer 1] en [nummer 2]. De pachters bepalen onderling de beweiding, terwijl nadere geboden en verboden zijn overeengekomen in de pachtovereenkomst, geldend voor het gehele natuurgebied en alle pachters tezamen. Volgens de minister is sprake van gezamenlijk gebruik van het natuurgebied. De percelen [nummer 1] en [nummer 2] zijn weliswaar in de Gecombineerde opgaven als op zichzelf staande percelen opgegeven, maar dat is volgens de minister een fictie. Deze percelen zijn niet meer dan een ‘papieren’ afbakening, enkel om te voorkomen dat medepachters dezelfde oppervlakte opgeven in hun Gecombineerde opgaven. Het is dus niet zo dat elk van de pachters een separaat deel van het natuurgebied pacht, zoals door de landbouwbedrijven en hun medepachters is opgegeven in ieders afzonderlijke Gecombineerde opgave. Verder is volgens de minister niet vast te stellen dat de door de landbouwbedrijven onderscheidenlijk opgegeven oppervlakten niet ook door (dieren van) een andere pachter worden gebruikt, nu het natuurgebied aan hen gezamenlijk ter beschikking staat. Er is geen mobiele of permanente afrastering aanwezig op het perceel die dit zou belemmeren. Het totale natuurgebied wordt door alle pachters tezamen gebruikt; de opgegeven percelen [nummer 1] en [nummer 2] zijn slechts een fictief ‘eigen’ perceel, aldus de minister.
Het College onderschrijft dit standpunt van de minister. Hoewel van concurrerende aanvragen op dezelfde percelen binnen het gepachte natuurgebied geen sprake is, moet met de minister worden vastgesteld dat de landbouwbedrijven het gehele natuurgebied en dus ook de percelen [nummer 1] en [nummer 2] met nog twaalf andere personen en/of landbouwbedrijven gezamenlijk pachten en gezamenlijk gebruiken. De landbouwbedrijven hebben ook erkend dat zij de percelen [nummer 1] en [nummer 2] slechts op papier hebben afgebakend en dat deze papieren afbakening en daarmee de grootte van de percelen tot stand is gekomen op basis van het aantal Grootvee-eenheden (GVE) dat zij hebben. Verder heeft de minister er onweersproken op gewezen dat de pachters op grond van de pachtovereenkomst onderling de beweiding bepalen. Onder deze omstandigheden is niet aannemelijk geworden dat landbouwbedrijf 1 en landbouwbedrijf 2 voldoende autonomie hadden om hun landbouwactiviteiten op respectievelijk de percelen [nummer 1] en [nummer 2] uit te oefenen en aldus daadwerkelijk over deze percelen hebben beschikt.
Nu de percelen [nummer 1] en [nummer 2] niet behoren tot het bedrijf van respectievelijk landbouwbedrijf 1 en landbouwbedrijf 2, zijn deze percelen niet subsidiabel.
6 Het College zal de beroepen gegrond verklaren en de bestreden besluiten vernietigen. Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb zal het College bepalen dat de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten geheel in stand blijven.
7 Het College veroordeelt de minister in de door de landbouwbedrijven 1 en 2 gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 2.802,- voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting; waarde per punt € 934,- en wegingsfactor 1,5 wegens 4 samenhangende zaken).
Beslissing
Het College:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten 1 en 2;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde bestreden besluiten in stand blijven;
- draagt de minister op om aan landbouwbedrijf 1 het betaalde griffierecht van € 770,- te vergoeden en om aan landbouwbedrijf 2 het betaalde griffierecht van € 770,- te vergoeden;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van landbouwbedrijven 1 en 2 tot een bedrag van in totaal € 2.802,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van mr. J.M.M. Bancken, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2026.
w.g. A. Venekamp w.g. J.M.M. Bancken
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.