Uitspraak · Bestuursrecht

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 2 december 2021

ECLI:NL:CBB:2021:1056Zaaknummer 21/1110

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
2 december 2021
Publicatiedatum
6 december 2021
Zaaknummer
21/1110
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verzoek om voorlopige voorziening hangende hoger beroep. Griffierecht niet betaald. Verzoek kennelijk niet-ontvankelijk.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 december 2021.

De voorzieningenrechter en de griffier zijn niet in de gelegenheid deze uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [naam] , te [plaats] , verzoeker
  2. Procesverloop
  3. Overwegingen
  4. Beslissing

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 21/1110

uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 december 2021 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. A. El Kadi),

en

de minister voor Medische Zorg, verweerder.

Procesverloop

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 juli 2019 (ECLI:NL:RBROT:2019:5527). Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

  • De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
  • Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet op grond van artikel 8:82, eerste lid, van de Awb griffierecht betalen. De griffier van het College stelt op grond van artikel 8:82, derde lid, van de Awb in samenhang met artikel 8:41, vijfde lid, van de Awb een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Als het griffierecht niet of niet op tijd wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter op grond van artikel 8:82, derde lid, van de Awb in samenhang met artikel 8:41, zesde lid, van de Awb het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat de verzoeker in verzuim is geweest.
  • De griffier heeft op 23 oktober 2021 per aangetekende post een nota verzonden aan verzoeker met de mededeling dat het griffierecht binnen twee weken na dagtekening van die nota moet zijn betaald. Daarbij is ook medegedeeld dat het niet of niet tijdig betalen van deze nota kan leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de nota op 26 oktober 2021 is uitgereikt.
  • Verzoeker heeft het griffierecht niet betaald. Er is geen aanwijzing dat verzoeker niet in verzuim is geweest.
  • Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 december 2021.

De voorzieningenrechter en de griffier zijn niet in de gelegenheid deze uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.