Uitspraak · Bestuursrecht

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 25 maart 2014

ECLI:NL:CBB:2014:122Zaaknummer AWB 12/524

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
25 maart 2014
Publicatiedatum
10 april 2014
Zaaknummer
AWB 12/524
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig, Proceskostenveroordeling
Zittingsplaats
's-Gravenhage
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Einduitspraak; verweerder heeft gebrek niet hersteld; beroep gegrond

Beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij de voorwaarde van permanent toezicht is gehandhaafd en herroept het besluit van 18 augustus 2011 in zoverre;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 974,- (zegge: negenhonderdvierenzeventig);

- gelast dat verweerder aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van in totaal € 156,- (zegge: honderdzesenvijftig) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Bolt, mr. J.A.M. van den Berk en mr. J. Schukking, in aanwezigheid van mr. P.H. Broier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2014.

w.g. H. Bolt w.g. P.H. Broier

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Uitspraak van de meervoudige kamer van 25 maart 2014 in de zaak tussen
  2. [naam], h.o.d.n. […], te [woonplaats], appellant
  3. Procesverloop
  4. Overwegingen
  5. Beslissing

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 12/524

7900

Uitspraak van de meervoudige kamer van 25 maart 2014 in de zaak tussen

[naam], h.o.d.n. […], te [woonplaats], appellant

(gemachtigde: F.Th.M. Peters),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. C.A.H.J. Anthonissen).

Procesverloop

Het College heeft in het geding tussen partijen op 3 december 2013 een tussenuitspraak gedaan (ECLI:NL:CBB:2013:272).

Bij brief van 24 januari 2014 heeft verweerder een reactie op deze tussenuitspraak aan het College gezonden.

Het College heeft het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gesloten.

Overwegingen

1.

In genoemde tussenuitspraak van 3 december 2013 heeft het College geoordeeld dat de handhaving bij het bestreden besluit van 18 april 2012 van de voorwaarde van permanent toezicht in strijd met artikel 7:12 Awb onvoldoende kenbaar is gemotiveerd en heeft hij verweerder opgedragen om dit gebrek te herstellen. Het College handhaaft hetgeen hij in deze tussenuitspraak heeft overwogen en beslist en overweegt voorts het volgende.

2.

Verweerder heeft in de genoemde brief van 24 januari 2014 – in reactie op de tussenuitspraak – verklaard dat geen nadere onderbouwing kan worden gegeven en dat hij zich refereert aan het oordeel van het College. Dit betekent dat verweerder het gebrek niet heeft hersteld. Onder verwijzing naar hetgeen is vastgesteld en overwogen in de tussenuitspraak, is het College van oordeel dat het beroep vanwege strijd met het bepaalde in artikel 7:12 Awb gegrond is voor zover het ziet op de voorwaarde van permanent toezicht. In zoverre dient het bestreden besluit van 18 april 2012 te worden vernietigd en het besluit van 18 augustus 2011 te worden herroepen.

3.

Aanleiding bestaat verweerder te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep in verband met beroepsmatig door een derde verleende rechtsbijstand. Deze kosten worden vastgesteld op € 974,- op basis van twee punten tegen een waarde van € 487,- per punt, waarbij het gewicht op 1 is bepaald.

4.

Voorts dient verweerder het door appellant betaalde griffierecht aan hem te vergoeden.

Beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij de voorwaarde van permanent toezicht is gehandhaafd en herroept het besluit van 18 augustus 2011 in zoverre;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 974,- (zegge: negenhonderdvierenzeventig);

- gelast dat verweerder aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van in totaal € 156,- (zegge: honderdzesenvijftig) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Bolt, mr. J.A.M. van den Berk en mr. J. Schukking, in aanwezigheid van mr. P.H. Broier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2014.

w.g. H. Bolt w.g. P.H. Broier

Wetsartikelen in deze uitspraak

Samenhangende uitspraken

Deze uitspraak verwijst naar

Aangehaald in

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.