Gemeentelijke regelgeving

Gemeenschappelijke regeling GGD IJsselland

Gemeente Zwolle · geldt sinds 1 januari 2026

Algemene bepalingen Begripsbepalingen

HOOFDSTUK I

Artikel 1

In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder:

In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder:

-aankoopcentrale: een aankoopcentrale als bedoeld in artikel 1.1 van de Aanbestedingswet 2012;

-algemeen bestuur: het algemeen bestuur als bedoeld in artikel 12 van de Wet gemeenschappelijke regelingen;

-college: het college van burgemeester en wethouders van een deelnemende gemeente;

-dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur als bedoeld in artikel 14 van de Wet gemeenschappelijke regelingen;

-deelnemende gemeenten de aan deze regeling deelnemende gemeenten: Dalfsen, Deventer, Hardenberg, Kampen, Olst-Wijhe, Ommen, Raalte, Staphorst, Steenwijkerland, Zwartewaterland en Zwolle;

-gebied: het gezamenlijk grondgebied van de deelnemende gemeenten;

-gedeputeerde staten: gedeputeerde staten van de provincie Overijssel;

-GGD: GGD IJsselland, het openbaar lichaam als bedoeld in artikel 2, lid 1

-regeling: de gemeenschappelijke regeling GGD IJsselland;

-RSJ Regionaal serviceteam jeugd, onderdeel van GGD IJsselland dat is belast met de uitvoering van de taken genoemd in artikel 5, lid 2;

-voorzitter: de voorzitter als bedoeld in artikel 18;

Het rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam

Artikel 2

1Er is een openbaar lichaam, te weten “GGD IJsselland". Het is gevestigd te Zwolle.

2Het bestuur van het openbaar lichaam bestaat uit het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur, de voorzitter en de commissies als bedoeld in artikel 23.

3De ombudsman of ombudscommissie van de gemeente Zwolle is bevoegd tot de behandeling van de verzoekschriften als bedoeld in artikel 9:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Belangen en taken

HOOFDSTUK II

Artikel 3

GGD IJsselland is ingesteld voor de gezamenlijke behartiging van de belangen van deelnemende gemeenten op met name het terrein van de publieke gezondheidszorg en de jeugdzorg, zulks met inachtneming van hetgeen in deze regeling nader is bepaald met betrekking tot de taken en bevoegdheden van het samenwerkingsverband.

Artikel 4

De behartiging van de in artikel 3 bedoelde belangen omvat meer algemeen:

1het bevorderen van overleg met en tussen de deelnemende gemeenten ter afstemming en coördinatie van gemeentelijke beleidsvoornemens en beleidsmaatregelen;

2het bevorderen van gemeenschappelijke standpuntbepalingen;

3het bieden van een platform en faciliteiten voor flexibele samenwerkingsvormen van gemeenten en/of betrokken partijen rondom gezamenlijke belangen;

4het voeren van overleg met de andere overheden en het vertegenwoordigen van de afzonderlijke deelnemende gemeenten, indien en voor zover deze daarom verzoeken dan wel daarmee instemmen;

5ondersteuning en uitvoering van de taken van de colleges in het kader van de Jeugdwet, in het bijzonder de inkoop van diensten in het kader van de specialistische jeugdzorg, het contractmanagement, het contractbeheer, monitoring, de uitvoering van regionale inhoudelijke thema’s, tenzij het algemeen bestuur op zwaarwegende gronden anders beslist en uitsluitend met instemming van alle elf gemeenten;

6het aantrekken en borgen van geldleningen voor activiteiten waarmee de gemeenten overeenkomstig de besluitvormingsprocedures hebben ingestemd.

Artikel 5

Ter behartiging van de in artikel 3 en 4 bedoelde belangen heeft het samenwerkingsverband, met inachtneming van het bepaalde in artikel 7, de volgende taken en specifieke bevoegdheden:

1wettelijke taken en bevoegdheden als GGD:

a.het instellen en in standhouden van een gezondheidsdienst als bedoeld in de artikelen 14, eerste lid, en 15 van de Wet Publieke Gezondheid;

b.de taken en bevoegdheden, die de Wet Publieke Gezondheid aangeeft voor het bestuur van de gezondheidsdienst;

c.het houden van toezicht als bedoeld in hoofdstuk 1 afdeling 4 van de Wet Kinderopvang.

2taken op het gebied van jeugdzorg, uitgevoerd onder de naam RSJ:

a.taken die het RSJ voor de deelnemende gemeenten uitvoert of doet uitvoeren die betrekking hebben op de in artikel 3 en artikel 4 lid 5 genoemde belangen ten aanzien van de jeugdzorg. De uitvoering van deze taken is uitsluitend voorbehouden aan het RSJ, tenzij het algemeen bestuur op zwaarwegende gronden anders beslist en uitsluitend met instemming van alle elf gemeenten;

b.het fungeren als aankoopcentrale van de deelnemende gemeenten;

c.het beheren van de in het kader van de inkoop gesloten overeenkomsten. De colleges dragen voor deze taken geen bevoegdheden over aan het samenwerkingsverband. De colleges dragen er zorg voor dat de deelnemende gemeenten de benodigde mandaten, volmachten en machtigingen geven die GGD IJsselland nodig heeft voor het kunnen uitvoeren van deze taken.

3taken en bevoegdheden in vrijwillige samenwerking:

a.taken op het terrein van gemeentelijke overheidszorg, die gemeenten, collectief of afzonderlijk, aan het samenwerkingsverband opdragen met inachtneming van het bepaalde in artikel 6, leden 3 tot en met 5.

b.de bevoegdheid tot het aanwijzen van een gemeentelijk lijkschouwer als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging voor de deelnemende gemeenten.

4De oprichting van en de deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen, als bedoeld in artikel 31a van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

Artikel 6

1GGD IJsselland voert periodiek bestuurlijk overleg met de deelnemende gemeenten omtrent de inhoud en het niveau van uitvoering van wettelijke taken, genoemd in artikel 5, lid 1. De inhoud en het niveau van de uitvoering van deze taken worden een keer per bestuursperiode vastgesteld door het algemeen bestuur en jaarlijks geactualiseerd door het dagelijks bestuur.

2De deelnemende gemeenten en GGD IJsselland zullen in een dienstverleningsovereenkomst nadere afspraken maken over de taken van het RSJ genoemd in artikel 5, lid 2, alsmede over rapportages en overige informatie die GGD IJsselland beschikbaar moet stellen over de uitvoering van deze taken.

3De uitvoering van taken en bevoegdheden in vrijwillige samenwerking, bedoeld in artikel 5, lid 3, a dient de behartiging van de belangen, genoemd in artikel 3; b geschiedt op verzoek van de betreffende gemeente of gemeenten; c wordt schriftelijk vastgelegd tussen GGD IJsselland en de betreffende gemeente of gemeenten.

4GGD IJsselland stemt jaarlijks met de betrokken gemeenten de uitvoering af van de taken en bevoegdheden in vrijwillige samenwerking genoemd in artikel 5, lid 3.

5Met betrekking tot de taken en bevoegdheden in vrijwillige samenwerking, bedoeld in de leden 3 en 4, maken GGD IJsselland en de gemeente(n) in ieder geval afspraken over:

a de duur en de kosten van de taakuitvoering;

b de opzegtermijn van de dienstverlening;

c de verrekening van eventuele desintegratiekosten. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de gemeente(n) die de dienstverlening voortijdig beëindigt, de kosten draagt die het rechtstreekse gevolg zijn van die beëindiging en dat de overige gemeenten geen financieel nadeel daarvan ondervinden.

Artikel 7

1In het geval een gemeente bepaalde taken en bevoegdheden, bedoeld in artikel 5, lid 1, 2 en 3, niet aan GGD IJsselland heeft opgedragen onthouden de leden van het algemeen bestuur van deze gemeente zich van stemming over aangelegenheden die de uitoefening van deze taak en bevoegdheid door GGD IJsselland betreffen.

2Het in het vorige lid bepaalde is niet langer van toepassing voor een gemeente indien uitoefening door GGD IJsselland van de taak en bevoegdheid ingevolge enige wet of wettelijk voorschrift wordt voorgeschreven.

Wijziging van bevoegdheden

Artikel 8

1De bevoegdheden van GGD IJsselland, genoemd in artikel 5 van deze regeling, kunnen worden gewijzigd in geval van noodzakelijke aanpassing aan landelijke en/of Europese wetgeving. Het algemeen bestuur dient tot de wijziging te besluiten. Het algemeen bestuur kan niet besluiten tot het overdragen van bevoegdheden van de deelnemers aan het bestuur van GGD IJsselland.

2Het algemeen bestuur deelt zijn besluit en de redenen daartoe mee aan de deelnemende gemeenten.

Het algemeen bestuur De samenstelling

HOOFDSTUK III

Artikel 9

1Met inachtneming van het bepaalde in artikel 18 wijst elk van de colleges van de deelnemende gemeenten uit zijn midden één vertegenwoordiger aan tot lid van het algemeen bestuur.

2Elk van de colleges van de deelnemende gemeenten wijst uit zijn midden tevens één plaatsvervangend lid aan.

3Het lidmaatschap van het algemeen bestuur is onverenigbaar met de betrekking van ambtenaar, in dienst van een deelnemende gemeente of GGD IJsselland, met uitzondering van onderwijzend personeel.

4Het algemeen bestuur kan vertegenwoordigers van andere dan aan GGD IJsselland deelnemende gemeenten alsmede vertegenwoordigers van andere instellingen, toelaten tot de vergaderingen van het algemeen bestuur. Met instemming van het algemeen bestuur kan het dagelijks bestuur vertegenwoordigers van de andere gemeenten en instellingen toelaten tot zijn vergaderingen. In de vergaderingen kunnen deze vertegenwoordigers van hun gevoelen ten aanzien van te behandelen onderwerpen doen blijken.

Artikel 10

1Na verkiezing van de gemeenteraad eindigt het lidmaatschap van het algemeen bestuur op de dag met ingang waarvan de leden van het college in oude samenstelling aftreden. Voor zover de aftredende leden

a.voorzitter van het college van een deelnemende gemeente zijn, blijven zij hun functie waarnemen tot het tijdstip waarop het college nieuwe leden van het algemeen bestuur heeft aangewezen;

b.wethouder van een deelnemende gemeente zijn, blijven zij hun functie waarnemen tot de dag van hun aftreden.

2Het college van elke deelnemende gemeente beslist zo spoedig mogelijk over de aanwijzing van de nieuwe leden van het algemeen bestuur.

3Het voorzien in een tussentijdse vacature geschiedt binnen tien weken. Van elke aanwijzing tot lid van het algemeen bestuur geeft het betrokken college binnen acht dagen kennis aan het algemeen bestuur.

De werkwijze

Artikel 11

1Het algemeen bestuur vergadert jaarlijks tenminste tweemaal en voorts zo dikwijls

a.de voorzitter of het dagelijks bestuur een vergadering nodig oordeelt, of

b.tenminste een vijfde van het aantal leden van het algemeen bestuur dit, onder opgaaf van redenen, schriftelijk verzoekt.

2Artikel 19 van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de openbare kennisgeving tevens op verzoek van de voorzitter door de burgemeesters der deelnemende gemeenten op de daar gebruikelijke wijze geschiedt. De voorzitter draagt er voorts zorg voor dat – spoedeisende of andere bijzondere omstandigheden uitgezonderd – het tijdstip van vergadering op de website van GGD IJsselland wordt bekendgemaakt.

Artikel 12

1Het algemeen bestuur stelt een reglement van orde voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden vast. De artikelen 20, 22, 26 en 28 tot en met 33 van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing. In het reglement van orde worden regels gegeven omtrent het horen van de deelnemende gemeenten en belanghebbenden ten aanzien van door het algemeen bestuur te nemen besluiten.

2Een exemplaar van het reglement van orde wordt ter kennisneming toegezonden aan de raden van de deelnemende gemeenten.

Artikel 12a

1Het algemeen bestuur kan andere voorgenomen besluiten dan die waarvoor de wet of deze regeling dat voorschrijft om een zienswijze voorleggen aan de gemeenteraden.

Het dagelijks bestuur biedt de raden dan een termijn van minimaal acht weken voor het naar voren brengen van een zienswijze.

2Tegelijkertijd met de toezending van het definitieve bestuursvoorstel stelt het dagelijks bestuur de raden van de gemeenten schriftelijk en gemotiveerd in kennis van het oordeel over de zienswijzen alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt.

Artikel 12b

Ingezetenen van de deelnemende gemeenten en belanghebbenden kunnen:

a.een verzoekschrift indienen bij het dagelijks bestuur;

b.in een openbare vergadering van het algemeen bestuur het woord voeren over onderwerpen die geagendeerd zijn.

Artikel 12c

1Het algemeen bestuur kan besluiten om de regeling of één of meer onderdelen daarvan te evalueren.

2Het dagelijks bestuur zal dan een evaluatievoorstel aan de deelnemende colleges voorleggen.

Het dagelijks bestuur De samenstelling

HOOFDSTUK IV

Artikel 13

1Het algemeen bestuur bepaalt in de eerste vergadering van elke zittingsperiode voor de duur daarvan het aantal te vervullen plaatsen in het dagelijks bestuur. Het wijst uit zijn midden de leden van het dagelijks bestuur aan.

2De voorzitter van het algemeen bestuur is voorzitter van het dagelijks bestuur.

De werkwijze

Artikel 14

1Een lid van het dagelijks bestuur treedt af als lid van dat bestuur op de dag, waarop de zittingsperiode eindigt van het college van burgemeester en wethouders waarvan het lid deel uitmaakt. Leden van het dagelijks bestuur blijven hun functie waarnemen tot het tijdstip waarop het algemeen bestuur uit zijn midden een nieuw dagelijks bestuur heeft aangewezen.

2Indien tussentijds een plaats in het dagelijks bestuur beschikbaar komt, wijst het algemeen bestuur een nieuw lid aan. Gaat het openvallen van een plaats in het dagelijks bestuur gepaard met het openvallen van een plaats in het algemeen bestuur, dan stelt het algemeen bestuur het aanwijzen van een nieuw lid van het dagelijks bestuur uit totdat de opengevallen plaats in het algemeen bestuur wederom is bezet. Dit uitstel zal niet meer dan drie maanden mogen belopen.

Artikel 15

1Indien langdurige verhindering of ontstentenis van een lid van het dagelijks bestuur verwacht wordt, kan het algemeen bestuur op voorstel van het dagelijks bestuur in diens tijdelijke vervanging voorzien.

2Op deze tijdelijke voorziening zijn de bepalingen van het vorige artikel van toepassing.

3Het tijdelijk benoemd lid van het dagelijks bestuur treedt af, zodra degene die hij vervangt de uitoefening van zijn functie heeft hervat.

Artikel 16

1Het dagelijks bestuur vergadert zo dikwijls als de voorzitter dit nodig oordeelt of tenminste twee leden van het dagelijks bestuur zulks schriftelijk, onder opgave van de te behandelen onderwerpen, verzoeken.

2De artikelen 53 tot en met 59a van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing.

3Het dagelijks bestuur kan een reglement van orde voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden vaststellen, dat aan het algemeen bestuur wordt toegezonden.

4In de eerste vergadering van elke zittingsperiode regelen de leden van het dagelijks bestuur onderling de werkzaamheden. Deze taakverdeling geschiedt op een zodanige wijze, dat voor ieder onderdeel van de taak een plaatsvervanger wordt aangewezen. De taakverdeling wordt meegedeeld aan het algemeen bestuur en aan de deelnemende gemeenten.

De bevoegdheden van het dagelijks bestuur

Artikel 17

1Het algemeen bestuur kan aan het dagelijks bestuur bevoegdheden overdragen, tenzij de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet. Het algemeen bestuur kan niet de bevoegdheid overdragen tot:

a.het vaststellen en wijzigen van de begroting;

b.het vaststellen van de jaarrekening;

c.het vaststellen van verordeningen door strafbepaling of bestuursdwang te handhaven;

d.het nemen van besluiten, als bedoeld in de artikelen 54 tot en met 57.

e.Het nemen van besluiten tot de oprichting van en de deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen, als bedoeld in artikel 31a van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

2Het dagelijks bestuur is bevoegd:

a.het dagelijks bestuur van GGD IJsselland te voeren, voor zover niet bij of krachtens de wet of de regeling het algemeen bestuur hiermee is belast. Hiertoe behoort het beheer van de activa en de passiva van GGD IJsselland en de zorg, voor zover deze niet aan anderen is opge-dragen, voor de controle op het geldelijk beheer en de boekhouding;

b.beslissingen van het algemeen bestuur voor te bereiden en uit te voeren;

c.regels vast te stellen over de ambtelijke organisatie van GGD IJsselland;

d.tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van GGD IJsselland te besluiten, met uitzondering van privaatrechtelijke rechtshandelingen als bedoeld in artikel 31a van de Wet gemeenschappelijke regelingen;

e.te besluiten namens GGD IJsselland, het dagelijks bestuur of het algemeen bestuur rechtsgedingen, bezwaarprocedures of administratief beroepsprocedures te voeren of handelingen ter voorbereiding daarop te verrichten, tenzij het algemeen bestuur, voor zover het het algemeen bestuur aangaat, in voorkomende gevallen anders beslist;

f.tot het aanwijzen van een gemeentelijk lijkschouwer als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging voor de deelnemende gemeenten

3Het dagelijks bestuur neemt, ook alvorens is besloten tot het voeren van een rechtsgeding, alle conservatoire maatregelen, zowel in als buiten rechte, en doet wat nodig is ter voorkoming van verjaring of verlies van recht of bezit;

4Het dagelijks bestuur kan een of meer leden van het dagelijks bestuur machtigen tot uitoefening van zijn bevoegdheden, tenzij de regeling waarop de bevoegdheid steunt zich daartegen verzet.

De voorzitter

HOOFDSTUK V

Artikel 18

1De voorzitter, alsmede de eerste en tweede vice-voorzitter, worden door het algemeen bestuur in de eerste vergadering van elke zittingsperiode uit zijn midden aangewezen.

2Indien en voor zover het algemeen bestuur niet in de vervanging heeft voorzien, is het dagelijks bestuur bevoegd uit zijn midden een lid aan te wijzen, dat tijdelijk in de vervanging voorziet.

3De gemeente waarvan een vertegenwoordiger in het algemeen bestuur tot voorzitter is benoemd, is bevoegd in diens plaats een extra lid van het algemeen bestuur aan te wijzen. Onverminderd het bepaalde in artikel 10 ten aanzien van het einde van het lidmaatschap, eindigt het lidmaatschap van het extra lid, zodra het tot voorzitter aangewezen lid ophoudt de voorzittersfunctie te vervullen.

4Het voorzitterschap eindigt, indien de betrokkene ophoudt lid van het algemeen bestuur te zijn. Alsdan voorziet het algemeen bestuur ten spoedigste in de vervanging.

Artikel 19

1De voorzitter is belast met de leiding van de vergaderingen van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur.

2Hij draagt zorg voor een spoedige afdoening van zaken.

3De voorzitter vertegenwoordigt GGD IJsselland in en buiten rechte. Hij kan de vertegenwoordiging opdragen aan een door hem aan te wijzen persoon.In rechtsgedingen tussen GGD IJsselland en de gemeente, waarvan de voorzitter lid van het bestuur is, wordt hij vervangen door een lid van het dagelijks bestuur dat geen lid van het bestuur van de betreffende gemeente is.

Portefeuillehoudersoverleggen

HOOFDSTUK VI

Artikel 20

1Het dagelijks bestuur kan een of meer portefeuillehoudersoverleggen instellen voor bestuurlijk overleg en afstemming omtrent de belangen en taken, genoemd in de artikelen 3, 4 en 5, alsmede voor zaken van financiële aard.

2Een portefeuillehoudersoverleg bestaat uit één lid (portefeuillehouder) per deelnemende gemeente afkomstig uit het college.

3Het dagelijks bestuur kan, na instemming van het betrokken portefeuillehoudersoverleg, vertegenwoordigers van andere gemeenten en van instellingen toelaten tot bijeenkomsten van dat portefeuillehoudersoverleg. In de vergaderingen kunnen deze vertegenwoordigers van hun gevoelen ten aanzien van te behandelen onderwerpen doen blijken.

4Voorzitter van een portefeuillehoudersoverleg is het lid van het dagelijks bestuur dat het werkterrein van het portefeuillehoudersoverleg in dat bestuur behartigt.

Commissies

Artikel 21

1Commissies van advies aan het algemeen bestuur worden ingesteld door het algemeen bestuur.

2Bij de instelling worden de bevoegdheden, samenstelling en werkwijze geregeld.

3Artikel 22 van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 22

1De instelling van vaste commissies van advies aan het dagelijks bestuur of aan de voorzitter en de regeling van haar bevoegdheden en samenstelling geschiedt door het algemeen bestuur op voorstel van het dagelijks bestuur onderscheidenlijk van de voorzitter.

2De voorzitter van een vaste commissie van advies is het lid van het dagelijks bestuur tot wiens portefeuille het belang behoort. Hij heeft in de commissie een adviserende stem.

3De commissies dienen het dagelijks bestuur respectievelijk de voorzitter desgevraagd of uit eigen beweging van advies met betrekking tot de belangen waarvoor zij zijn ingesteld.

Artikel 23

1Het algemeen bestuur kan commissies instellen met het oog op de behartiging van bepaalde belangen.

2Hij gaat pas over tot instelling van een commissie als bedoeld in lid 1 nadat de raden van de deelnemende gemeenten van dit voornemen op de hoogte zijn gesteld en in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen ter kennis van het algemeen bestuur te brengen. .

3Bij de instelling regelt hij in ieder geval:

a.de samenstelling;

b.de bevoegdheid;

c.de werkwijze;

d.de openbaarheid van vergaderingen;

e.de voorbereiding, de uitvoering van de openbaarmaking van besluiten alsmede de informatie aan en het overleg met de deelnemende gemeenten;

f.het toezicht van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur;

g.de verhouding van de toegekende bevoegdheden tot die van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur;

h.de verantwoording aan het algemeen bestuur.

4De voorzitter van de commissie is het lid van het dagelijks bestuur tot wiens portefeuille het belang behoort. Hij heeft in de commissie een adviserende stem.

Informatie-, verantwoordingsplicht en ontslagrecht

HOOFDSTUK VII

Artikel 24

1De leden van het dagelijks bestuur zijn tezamen en ieder afzonderlijk aan het algemeen bestuur verantwoording schuldig voor het door hen gevoerde bestuur en geven te dien aanzien alle door één of meer leden verlangde inlichtingen, een en ander voor zover zulks niet strijdig is met het openbaar belang.

2Het algemeen bestuur kan regelen van welke besluiten van het dagelijks bestuur kennisgeving wordt gedaan aan de leden van het algemeen bestuur. Daarbij kan het algemeen bestuur de gevallen bepalen waarin met terinzagelegging kan worden volstaan.

3Het dagelijks bestuur laat de kennisgeving of terinzagelegging achterwege voor zover deze in strijd is met het openbaar belang.

4Het algemeen bestuur kan een lid van het dagelijks bestuur ontslag verlenen, indien dit het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit.

5De artikelen 49 en 50 van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing op een dergelijk ontslag.

Artikel 25

Het voorgaande artikel is van overeenkomstige toepassing op de voorzitter.

Artikel 25a

Het algemeen bestuur, dagelijks bestuur en de voorzitter geven de raden van de deelnemende gemeenten alle inlichtingen die de raden nodig hebben voor de uitoefening van hun taken. Deze inlichtingen worden schriftelijk of digitaal verstrekt.

Artikel 26

1Het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur verstrekken de raad van een deelnemende gemeente de door één of meer leden overeenkomstig het reglement van orde van die raad verlangde inlichtingen, waarvan het verstrekken niet in strijd is met het openbaar belang.

2Een verzoek om inlichtingen kan schriftelijk of mondeling worden ingediend bij het dagelijks bestuur.

3Het dagelijks bestuur verstrekt de gevraagde inlichtingen binnen 8 weken na ontvangst van het verzoek.

Artikel 27

Een lid van het algemeen bestuur verschaft de raad of het college van zijn gemeente met inacht-neming van de artikelen 18 en 19 van de Wet Gemeenschappelijke Regelingen alle inlichtingen, die door die raad of dat college of door één of meer leden daarvan worden verlangd.

Artikel 28

Een lid van het algemeen bestuur is de raad of het college van zijn gemeente verantwoording verschuldigd voor het door hem in dat bestuur gevoerde beleid.

Artikel 29

Het verstrekken van inlichtingen en het afleggen van verantwoording als bedoeld in de artikelen 27 en 28 geschiedt volgens de door het betreffende orgaan vastgestelde regels.

Artikel 30

1Het college kan een door hem aangewezen lid ontslag verlenen, indien dit het vertrouwen van het college niet meer bezit.

2De artikelen 49 en 50 van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing op een dergelijk ontslag.

Verordeningen

HOOFDSTUK VIII

Artikel 31

Het algemeen bestuur is bevoegd verordeningen vast te stellen binnen het kader van de taken zoals bedoeld in artikel 4 en artikel 5.

Artikel 32

Het dagelijks bestuur stelt een ontwerp van een verordening, als bedoeld in artikel 31 op en wint daarover advies in van het desbetreffende portefeuillehoudersoverleg respectievelijk de desbetreffende commissie als bedoeld in de artikelen 20, 21, 22 en 23.

Artikel 33

Het dagelijks bestuur zendt het ontwerp van een verordening als bedoeld in artikel 31, vergezeld van de ontvangen adviezen, aan de deelnemende gemeenten, die hun beschouwingen binnen drie maanden ter kennis van het algemeen bestuur kunnen brengen.

Artikel 34

Binnen twee maanden na het verstrijken van de in artikel 33 genoemde termijn beslist het algemeen bestuur omtrent de vaststelling van de verordening.

Artikel 35

1Het dagelijks bestuur zendt onverwijld de verordening, bedoeld in artikel 31, na vaststelling toe aan de raden van de deelnemende gemeenten en aan de verder bij wettelijk voorschrift daartoe aangewezen besturen en functionarissen.

2Bekendmaking en inwerkingtreding van besluiten die algemeen verbindende voorschriften inhouden gebeuren volgens de artikelen 32k en 32l van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

Artikel 36

Aan GGD IJsselland wordt de bevoegdheid toegekend tot het bij verordening heffen van rechten bedoeld in artikel 229, lid 1, onder b, van de Gemeentewet en de rechten waarvan de heffing krachtens bijzondere wetten geschiedt.

Artikel 37

Voor zover een verordening als bedoeld in de artikelen 31 en 36 voorziet in hetzelfde onderwerp als een verordening van een deelnemende gemeente, regelt de eerstbedoelde verordening de onderlinge verhouding. Zij kan bepalen dat de gemeentelijke verordening voor het gehele gebied dan wel voor een gedeelte daarvan geheel of gedeeltelijk ophoudt te gelden.

Vergoedingen

HOOFDSTUK IX

Artikel 38

1Het algemeen bestuur kan voor zijn leden, de voorzitter en de leden van het dagelijks bestuur bij verordening een tegemoetkoming in de kosten vaststellen. De verordening stelt regels omtrent de hoogte en de toekenning van de tegemoetkoming in de kosten.

2De hoogte van de tegemoetkoming in de kosten bedraagt niet meer dan de werkelijke kosten, mede rekening houdende met de tegemoetkoming in de kosten welke het bestuurslid ontvangt uit hoofde van zijn lidmaatschap van het gemeentebestuur.

3De verordening wordt ter kennisneming gezonden aan gedeputeerde staten.

Rechtspositie

Artikel 39

Het algemeen bestuur kan nadere bepalingen vaststellen omtrent de rechtspositie van de leden van het dagelijks bestuur. Het besluit wordt ter kennisneming gezonden aan gedeputeerde staten.

Medewerkers en organisatie

HOOFDSTUK X

Artikel 40

Het dagelijks bestuur regelt de inrichting van de organisatie van GGD IJsselland.

Secretaris/directeur publieke gezondheid

Artikel 41

1Het algemeen bestuur wijst de directeur publieke gezondheid aan, in overeenstemming met het bestuur van Veiligheidsregio IJsselland. De aanwijzing eindigt van rechtswege met ingang van de datum dat de uitoefening van de functie van directeur publieke gezondheid geen onderdeel meer uitmaakt van de werkzaamheden van de betreffende ambtenaar.

2De directeur publieke gezondheid is tevens secretaris van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur.

3De directeur publieke gezondheid/secretaris woont de vergaderingen bij van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur; in deze vergaderingen heeft de directeur publieke gezondheid/secretaris een adviserende stem.

4De directeur publieke gezondheid heeft als zodanig de algemene leiding over de organisatie van GGD IJsselland.

5Het dagelijks bestuur regelt de vervanging van de directeur publieke gezondheid/secretaris bij diens verhindering of ontstentenis.

Artikel 42

1De secretaris staat het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur, de voorzitter, de portefeuillehoudersoverleggen en de commissies bij de uitoefening van hun taak terzijde.

2De secretaris zorgt voor aantekening van het verhandelde in de vergaderingen van het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur, de portefeuillehoudersoverleggen en de commissies.

3Alle stukken, die van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur uitgaan, worden door de secretaris mede ondertekend.

Artikel 43

Op de secretaris is artikel 101 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing.

Directie

Artikel 44

[Vervallen]Rechtspositie

Artikel 45

[Vervallen]

Financiële bepalingen Administratie en controle

HOOFDSTUK XI

Artikel 46

1Het algemeen bestuur stelt bij verordening de uitgangspunten voor het financiële beleid, alsmede de regels voor het financiële beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie vast. Deze verordening dient te waarborgen dat aan de eisen van rechtmatigheid, verantwoording en controle wordt voldaan. De verordening regelt in elk geval de onderwerpen, genoemd in artikel 212, lid 2, van de Gemeentewet voor zover van toepassing op GGD IJsselland.

2Het algemeen bestuur stelt bij verordening regels vast voor de controle op het financiële beheer en op de inrichting van de financiële organisatie. Deze verordening waarborgt dat de rechtmatigheid van het financiële beheer en van de inrichting van de financiële organisatie wordt getoetst.

3Het algemeen bestuur wijst een of meer accountants aan als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, belast met de controle van de in artikel 197 van de Gemeentewet bedoelde jaarrekening en het daarbij verstrekken van een accountantsverklaring en het uitbrengen van een verslag van bevindingen. De accountantsverklaring en het verslag van bevindingen voldoen aan het bepaalde in artikel 213, lid 3 respectievelijk lid 4, van de Gemeentewet.

4De artikelen 214 en 215 van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing.

5Het dagelijks bestuur stelt regels vast omtrent de verzekering van eigendommen en gelden van GGD IJsselland tegen benadeling door haar personeel of door anderen.

Begroting

Artikel 47

1Het dagelijks bestuur zendt de ontwerpbegroting en de ontwerp-meerjarenraming twaalf weken voordat zij aan het algemeen bestuur worden aangeboden toe aan de raden van de deelnemende gemeenten.

2De ontwerpbegroting en de ontwerp-meerjarenraming voldoen aan het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten, voor zover van toepassing.

3De ontwerpbegroting vermeldt tevens de naar raming door elke deelnemende gemeente voor het jaar, waarop de begroting betrekking heeft, verschuldigde bijdragen. De berekening van deze bijdragen vindt plaats op basis van het volgende uitgangspunten:

a.voor de algemene en de wettelijke taken, genoemd in de artikelen 4 en 5 lid 1 het inwonertal op 1 januari van het jaar, voorafgaand aan dat waarvoor de bijdrage verschuldigd is.

b.het algemeen bestuur kan bepalen dat de kosten voor de taken Jeugdgezondheidszorg en Toezicht Kinderopvang of onderdelen daarvan op een andere wijze over de deelnemende gemeenten worden verdeeld.

c.voor de taken op het gebied van jeugdzorg als bedoeld in artikel 5 lid 2 stelt het bestuur een bijdrageregeling vast, waarin in elk geval wordt geregeld op welke wijze en in welke mate de deelnemende gemeenten financieel daaraan bijdragen.

d.voor de taken in vrijwillige samenwerking, genoemd in artikel 5, lid 3: de bedragen die gemeenten en GGD IJsselland daarvoor hebben afgesproken dan wel het aantal verleende diensten maal het vastgestelde tarief per dienst.

4De ontwerpbegroting en de ontwerp-meerjarenraming worden door de zorg van de besturen van de deelnemende gemeenten voor een ieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld.

5De raden van de deelnemende gemeenten hebben twaalf weken de gelegenheid om bij het dagelijks bestuur hun zienswijze omtrent de ontwerpbegroting en de ontwerp-meerjarenraming naar voren te brengen.

6Het dagelijks bestuur stelt de raden van de deelnemende gemeenten voorafgaand aan het vaststellen van de begroting schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijzen bedoeld in lid 5, en van de conclusies die het daaraan verbindt.

Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat en eventueel een nota van wijzigingen, bij de ontwerpbegroting en de ontwerp-meerjarenraming, zoals deze aan het algemeen bestuur worden aangeboden.

7Het algemeen bestuur stelt de begroting en de meerjarenraming vast voor 14 september van het jaar, voorafgaand aan dat waarvoor de begroting moet dienen.

8Terstond na vaststelling worden de begroting en de meerjarenraming in afschrift toegezonden aan de raden van de deelnemende gemeenten, die de in deze begroting voor de gemeente als bijdrage in de kosten van GGD IJsselland geraamde bedragen in de gemeentebegroting opnemen.

9Het dagelijks bestuur zendt de begroting binnen twee weken na vaststelling door het algemeen bestuur, in ieder geval voor 15 september, aan gedeputeerde staten.

10Als de begroting niet in evenwicht is en het niet aannemelijk is dat in de eerstvolgende jaren een evenwicht bereikt wordt, zendt het dagelijks bestuur de begroting binnen twee weken na vaststelling door het algemeen bestuur aan gedeputeerde staten ter goedkeuring in. Van de goedkeuring doet het dagelijks bestuur mededeling aan het algemeen bestuur en de deelnemende gemeenten.

Artikel 48

1Voordat een begrotingswijziging door het algemeen bestuur wordt vastgesteld, zendt het dagelijks bestuur het ontwerp daarvan, voorzien van een toelichting en een raming van de verschuldigde bijdrage per gemeente, toe aan de raden van de deelnemende gemeenten.

2De raden van de deelnemende gemeenten kunnen gedurende twaalf weken hun zienswijze naar voren brengen bij het dagelijks bestuur.

3Het dagelijks bestuur stelt de raden van de deelnemende gemeenten voorafgaand aan het vaststellen van de begrotingswijziging schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijzen bedoeld in lid 2, en van de conclusies die het daaraan verbindt. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat en eventueel een nota van wijzigingen, bij de wijziging zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden.

4Het bepaalde in artikel 47, achtste, negende en tiende lid is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 48a

Het algemeen bestuur hoeft begrotingswijzigingen, die niet leiden tot een verhoging van de gemeentelijke bijdrage als bedoeld in artikel 47 lid 3a en 3c niet om een zienswijze voor te leggen aan de raden.

Artikel 49

1De deelnemende gemeenten betalen bij wijze van voorschot jaarlijks voor 16 januari en voor 16 juli telkens de helft van de verschuldigde bijdragen, bedoeld in artikel 47, lid 3, onder a, b en c. Bij niet tijdige betaling is de wettelijke interest verschuldigd.

2De deelnemende gemeenten betalen de bijdragen, bedoeld in artikel 47, lid 3, onder d, op basis van facturen, die GGD IJsselland hen daartoe zal toezenden.

3De gemeenten garanderen GGD IJsselland de betaling van rente, aflossing, boeten en kosten van de in artikel 4, lid 5, bedoelde geldleningen en borgstellingen op basis van de voor de betreffende activiteit geldende financiële verdeelsleutel.

Artikel 50

Wanneer aan het algemeen bestuur blijkt dat de raad van een deelnemende gemeente niet voldoet of zal voldoen aan het gestelde in artikel 47, achtste lid, doet het algemeen bestuur aan gedeputeerde staten van de provincie Overijssel het verzoek over te gaan tot toepassing van artikel 194 van de Gemeentewet.

Jaarstukken

Artikel 51

1Het dagelijks bestuur zendt vóór 30 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders en de voorlopige jaarrekening aan de raden van de deelnemende gemeenten.

2Het dagelijks bestuur legt aan het algemeen bestuur over elk begrotingsjaar verantwoording af over het door hem gevoerde bestuur, onder overlegging van de jaarrekening en het jaarverslag. Het dagelijks bestuur voegt daarbij de stukken, bedoeld in artikel 46, derde lid.

3De jaarstukken, genoemd in lid 2, voldoen aan het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten, voor zover van toepassing.

4De in het tweede lid bedoelde stukken liggen, zodra zij aan het algemeen bestuur zijn overgelegd, voor een ieder ter inzage en zijn algemeen verkrijgbaar. Van de terinzagelegging en de verkrijgbaarstelling wordt openbaar kennis gegeven. Het algemeen bestuur beraadslaagt over de jaarrekening en het jaarverslag niet eerder dan twee weken na de openbare kennisgeving.

5Het algemeen bestuur stelt de jaarstukken vast in het jaar volgende op het jaar waarop deze betrekking hebben. Het dagelijks bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan gedeputeerde staten.

Artikel 51a

1Het algemeen bestuur beslist of een batig saldo van de jaarrekening niet meer dan voor de gemeenschappelijke regeling noodzakelijk is wordt toegevoegd aan de reserves of geheel of gedeeltelijk aan de deelnemers wordt uitgekeerd.

2Het algemeen bestuur beslist of een nadelig saldo van de jaarrekening geheel of gedeeltelijk ten laste van het volgende dienstjaar, de bestaande reserves of de deelnemers wordt gebracht.

Artikel 52

Vervallen met ingang van 01-01-2017.

Archief

HOOFDSTUK XII

Artikel 53

1Het dagelijks bestuur is belast met de zorg voor de archiefbescheiden van GGD IJsselland en haar organen, overeenkomstig een door het algemeen bestuur vast te stellen en aan gedeputeerde staten mee te delen regeling.

2De secretaris is belast met het beheer van de archiefbescheiden, bedoeld in lid 1, overeenkomstig de door het dagelijks bestuur vast te stellen nadere regeling.

3Voor de bewaring van de op grond van artikel 12 van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden wijst het dagelijks bestuur een archiefbewaarplaats aan.

4De beheerder van de in het vorige lid aan te wijzen archiefbewaarplaats oefent overeenkomstig de regeling als bedoeld in het eerste lid toezicht uit op het beheer van de archiefbescheiden van GGD IJsselland en haar organen, voor zover deze archiefbescheiden niet zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats.

Toetreding, uittreding, wijziging, opheffing

HOOFDSTUK XIII

Artikel 54

1Een gemeente kan toetreden wanneer ter vergadering van het algemeen bestuur blijkt dat de colleges van ten minste tweederde van de deelnemende gemeenten daarmee instemmen.

2In een besluit van het algemeen bestuur, bedoeld in lid 1, kan de toetreding afhankelijk worden gesteld van de voldoening aan bepaalde voorwaarden door de betrokken gemeente.

3De toetreding gaat in op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin het besluit van het algemeen bestuur als bedoeld in lid 1 is genomen, tenzij het besluit een latere datum van ingang heeft.

Artikel 55

1Toetreding en uittreding van gemeenten is mogelijk na wijziging van de indeling van gemeenten in regio’s, zoals die wettelijk is voorgeschreven. Een college dat wenst uit te treden maakt het voornemen tot uittreding per aangetekende brief kenbaar aan het algemeen bestuur.

2Het dagelijks bestuur inventariseert de gevolgen van de uittreding, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan en de voorwaarden voor uittreding, welke worden vastgelegd in een door het algemeen bestuur vast te stellen uittredingsplan.

3Het uittredingsplan bevat in ieder geval de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties die gedurende een periode van vijf jaar het directe gevolg zijn van de uittreding. Tevens bevat het uittredingsplan de uittreedsom die betaald moet worden door de uittredende gemeente.

4De kosten voor het uittredingsplan komen voor rekening van de uittredende gemeente.

5Voor het opstellen van het uittredingsplan wijst het algemeen bestuur een onafhankelijke adviseur aan die in opdracht van het dagelijks bestuur het concept-uittredingsplan voorbereidt. Het algemeen bestuur wijst de onafhankelijke adviseur aan op basis van een gezamenlijke voordracht van het college van de uittredende gemeente en het dagelijks bestuur. Indien geen overeenstemming kan worden bereikt over een gezamenlijke voordracht, wijst het algemeen bestuur de onafhankelijke adviseur aan op basis van een bindende voordracht van een selectiecommissie bestaande uit drie leden van het algemeen bestuur, waaronder in ieder geval een vertegenwoordiger in het algemeen bestuur van het college dat voornemens is uit te treden.

6De onafhankelijke adviseur neemt bij het bepalen van de uittreedsom het bepaalde in dit artikel in acht en baseert zich daarbij op de jaarrekening van het begrotingsjaar direct voorafgaand aan het moment van het kenbaar maken van het voornemen van uittreding. Tevens kan de onafhankelijke adviseur bij de berekening van de uittreedsom een risico-opslag van maximaal 5% op de uittreedsom toepassen om eventueel onvoorziene toekomstige kosten gerelateerd aan de uittreding te ondervangen. Deze opslag vrijwaart de uittredende gemeente van alle toekomstige onvoorzienbare kosten.

7Het college dat voornemens is uit te treden wordt gedurende een termijn van twaalf weken in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op het concept-uittredingsplan.

8Uiterlijk twaalf maanden nadat het college zijn voornemen tot uittreding overeenkomstig het eerste lid bekend heeft gemaakt stelt het algemeen bestuur het uittredingsplan vast. De daarin voor de uittredende gemeente omschreven financiële verplichtingen zijn bindend.

9Het algemeen bestuur is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittreedsom zo laag mogelijk te houden. Het algemeen bestuur onderzoekt in dat kader met de uittredende gemeente de mogelijkheid tot overname van personeel, activa en contracten. Het voorgaande behoeft echter niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het algemeen bestuur van het college-besluit tot uittreding.

10Nadat het uittredingsplan is vastgesteld en het college definitief heeft besloten uit te treden,

a.geldt voor de uittreding uit de regeling een opzegtermijn van 1 jaar, ingaande op 1 januari van het eerstvolgende kalenderjaar,

b.is de uittredende gemeente gehouden om binnen 6 maanden de voor haar vastgestelde financiële verplichtingen aan de regeling te voldoen, tenzij het algemeen bestuur unaniem tot het hanteren van een andere termijn besluit.

Artikel 56

1Een wijziging van de regeling is tot stand gekomen, wanneer ter vergadering van het algemeen bestuur blijkt dat de colleges van ten minste tweederde van de deelnemende gemeenten tot de wijziging hebben besloten.

2Het college van een gemeente kan het algemeen bestuur een voorstel doen tot wijziging van de regeling.

3Indien het algemeen bestuur wijziging van de regeling wenselijk acht en hieromtrent besluit, doet het dagelijks bestuur van GGD IJsselland een daartoe strekkend voorstel toekomen aan de colleges van de deelnemende gemeenten.

4Het dagelijks bestuur van GGD IJsselland kan een voorstel tot wijziging van de regeling voorleggen aan de colleges van de deelnemende gemeenten indien het voorstel voortvloeit uit wettelijke verplichtingen en/of uit besluiten van het algemeen bestuur.

5Het dagelijks bestuur wint omtrent een voorstel, bedoeld in het derde en vierde lid, advies in van de desbetreffende portefeuillehoudersoverleggen en commissies als bedoeld in de artikelen 20, 21, 22 en 23.

Artikel 57

1De regeling wordt opgeheven wanneer ter vergadering van het algemeen bestuur blijkt dat de colleges van ten minste tweederde van de deelnemende gemeenten tot deze opheffing hebben besloten.

2In geval van beëindiging van de regeling besluit het algemeen bestuur tot liquidatie en stelt hij daarvoor de nodige regelen. Hierbij kan van bepalingen van de regeling worden afgeweken.

3Het liquidatieplan wordt door het algemeen bestuur, de colleges van de deelnemende gemeenten gehoord, vastgesteld.

4Het liquidatieplan voorziet in de verplichting van de deelnemende gemeenten tot deelneming in de financiële gevolgen van de beëindiging van de regeling. Het liquidatieplan voorziet in de gevolgen die de opheffing heeft voor het personeel en regelt ook de gevolgen voor de door GGD IJsselland en haar organen gevormde archieven.

5De organen van GGD IJsselland blijven, zo nodig, na het tijdstip van de beëindiging van de regeling in functie, totdat de liquidatie is voltooid.

6De opheffing gaat in op een door het algemeen bestuur te bepalen ingangsdatum.

Artikel 58

Voor het wijzigen van, het toetreden tot en het uittreden uit een gemeenschappelijke regeling hebben de colleges toestemming nodig van hun gemeenteraden, zoals bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

Overgangs- en slotbepalingen

HOOFDSTUK XIV

Artikel 59

1De regeling geldt voor onbepaalde tijd.

2De regeling wordt van kracht met ingang van 1 januari 2009.

3Met ingang van 1 januari 2009, wordt de ‘Gemeenschappelijke regeling Regio IJssel-Vecht 2005’, vastgesteld bij besluit van het algemeen bestuur van 29 september 2005, sedertdien gewijzigd, ingetrokken.

Artikel 60

1Het college van de gemeente Zwolle draagt zorg voor de bekendmaking als bedoeld in artikel 26 van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

2Het dagelijks bestuur is belast met de registratie van de regeling overeenkomstig artikel 26 lid 2 van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

Artikel 61

Deze regeling kan worden aangehaald als ‘Gemeenschappelijke regeling GGD IJsselland’.

Aldus vastgesteld door het algemeen bestuur van de Regio IJssel-Vecht op 18 december 2008 en nadien gewijzigd door besluiten van het algemeen bestuur van GGD IJsselland op 2 december 2010, 13 december 2012, 15 december 2016, 12 december 2019, 19 maart 2020 en 11 juli 2024.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.