Aanhef
Besluit van de raad van de gemeente Zwartewaterland tot vaststelling van een nieuwe Verordening Sociaal Domein gemeente Zwartewaterland 2020
De raad van de gemeente Zwartewaterland;
gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 12 november 2019;
gelet op de artikelen gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 [en 8.1.1, derde lid,] van de Jeugdwet, de artikelen 2.1.3, 2.1.4, [eerste, tweede,] derde en zevende lid, [2.1.5, eerste lid,] 2.1.6, [2.1.7, 2.3.6, vierde lid,] en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, [de] artikel[en 3.8, tweede lid, en]5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, de artikelen 6, tweede lid, 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a, b, c en d, en het tweede lid, 8a, eerste lid, aanhef en onder a, b, c, d en e, en tweede lid, 10b, vierde lid, en 47 van de Participatiewet, artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
besluit:
1De volgende verordening intrekken per 1 januari 2020:
-Verordening Adviesraad Sociaal Domein gemeente Zwartewaterland 2019;
-Verordening individuele studietoeslag gemeente Zwartewaterland;
-Verordening individuele inkomenstoeslag gemeente Zwartewaterland;
-Maatregelenverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Zwartewaterland 2015;
-Handhavingsverordening Participatiewet gemeente Zwartewaterland;
-Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive Participatiewet gemeente Zwartewaterland;
-Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Zwartewaterland;
-Verordening loonkostensubsidie Participatiewet gemeente Zwartewaterland;
-Verordening tegenprestatie Participatiewet gemeente Zwartewaterland;
-Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Zwartewaterland 2019;
-Verordening jeugdhulp gemeente Zwartewaterland 2018;
2Kennisnemen van het advies van de Adviesraad Sociaal Domein en de reactie namens het college
3Vast te stellen de navolgende Verordening Sociaal Domein gemeente Zwartewaterland 2020
Inhoud
1Inleiding verordening Sociaal Domein
1.1. Waarom deze regels?
1.2 Uitgangspunten
1.3 Kernwaarden
1.4 Artikel en wet
2De hulpvraag
-Stap 1: Indienen hulpvraag
-Stap 2: Gesprek na de melding
-Stap 3: Aanvraag
-Stap 4: Beslissing
3Iedereen doet mee
3.1. Doelgroep
3.2 Samenwerking
3.3 Voorzieningen- werk
3.5 Tegenprestatie
3.6 Meedoen aan de samenleving
4Gezonde & veilige leefomgeving met een kansrijke ontwikkeling
4.1. Uitgangspunten bij het bieden van hulp
4.2 Overige voorzieningen
4.3 Individuele voorzieningen (Hulp-op-maat)
5Veilige en gezonde leefomgeving
5.1. Uitgangspupnten
5.2 Zelfstandig en veilig wonen
5.3 Mantelzorg
6De vorm van de hulp
6.1. Hulp in natura
6.2 Hulp in geld
6.3 Persoonsgebonden budget
6.4 Wat is de bijdrage in de kosten?
6.5 Bijdrage in de kosten van een algemene voorziening
7Ik kan mezelf goed redden
7.1. Armoedebeleid
7.2 Bijzondere bijstand
7.3 Studietoeslag
7.4 Inkomenstoeslag
7.5 Kindpakket
7.6 Zorgkosten
7.7 Schulddienstverlening
8Afspraken tussen inwoner en gemeente
8.1. Hoe gaan we met elkaar om?
8.2 Afspraken en verplichtingen
8.3 Terugvorderen uitkering
8.4 Beëindigen en terugvorderen voorziening
8.5 Hoe controleert de gemeente of de afspraken worden nagekomen?
9Inwonersparticipatie
9.1. Inspraak van inwoners
9.2 Adviesraad Sociaal Domein
9.3 Inspraak bij leveranciers
10Kritiek op de uitvoering
10.1. Doelen klacht- en bezwaarprocedure
10.2. Klachten over de gemeente
10.3. Klachten over andere personen of organisaties
10.4. Ombudsfunctie en vertrouwenspersonen
10.5. Bezwaar
11Kwaliteit, Inkoop en aanbesteding
11.1. Kwaliteit
11.2. Inkoop en aanbesteding
12Begrippenlijst
13Oud en nieuw
13.1. Onderzoek naar de werking van de verordening
13.2. Uitvoeringsregels
13.3. Afwijken van e verordening (hardheidsclausule)
13.4. Intrekken oude verordeningen
13.5. Overgangsrecht
13.6. Inwerkingtreding en citeertitel
Hoofdstuk 2 De hulpvraag
Stap 1: Indienen hulpvraag
Artikel 2.1.2 Doel en procedure
Het doel van de melding is om de hulpvraag met de inwoner te bespreken en te onderzoeken of er hulp nodig is. De gemeente bevestigt de melding per brief of e-mail aan de inwoner en nodigt de inwoner daarbij uit voor een gesprek met een medewerker, tenzij dit niet nodig is (zie 2.3.1 lid 3). In de uitnodiging maakt de gemeente duidelijk waar en wanneer het gesprek plaatsvindt en waarover het gesprek zal gaan. Het gesprek kan bij de inwoner thuis zijn (huisbezoek), als de inwoner dit wil of als dat van belang is voor de hulpvraag. De gemeente geeft informatie over de mogelijkheid om in bepaalde gevallen (bij de Wmo of Jeugdwet) binnen 7 dagen na de melding zelf een plan op te stellen waarin de inwoner uitlegt hoe zijn persoonlijke situatie is en wat hij wil bereiken met zijn vraag (dit noemen we een persoonlijk plan of familiegroepsplan).
Artikel 2.1.3 Gegevens
De gemeente verzamelt alle gegevens over de situatie van de inwoner die nodig zijn voor het gesprek en het daaropvolgende onderzoek. Als het gaat om gegevens die de gemeente niet zelf kan inzien of verkrijgen, dan vraagt de gemeente aan de inwoner om die gegevens binnen een bepaalde termijn te leveren. Bij de uitnodiging voor het gesprek wordt duidelijk gemaakt welke gegevens dat zijn.
Stap 2: Gesprek na de melding
Artikel 2.2.1 Doel en procedure gesprek
1Een medewerker van de gemeente maakt zo snel mogelijk nadat de inwoner zich heeft gemeld een afspraak voor een gesprek over de hulpvraag en informeert de inwoner over de gang van zaken bij dat gesprek. De medewerker zet zich ervoor in, dat dit gesprek binnen 10 werkdagen na de melding plaatsvindt. Het doel van dit gesprek is om een goed beeld te krijgen van het effect dat de inwoner met zijn hulpvraag wil bereiken en van zijn persoonlijke situatie.
2De gemeente informeert de inwoner en eventueel zijn mantelzorger dat zij gebruik kunnen maken van kosteloze cliëntondersteuning en/of financiële hulpverlening. Daarbij staat het belang van de inwoner centraal. Het gesprek kan telefonisch plaatsvinden als dat voldoende is om een goed beeld te krijgen van het effect dat de inwoner met zijn hulpvraag wil bereiken en van de persoonlijke situatie van de inwoner. De medewerker kan afzien van een gesprek als een gesprek niet nodig is en de inwoner daarmee instemt.
3Bij de start van het gesprek identificeert de inwoner zich met een geldig identiteitsbewijs, tenzij de identiteit al bij de medewerker bekend is. Echter is de medewerker altijd bevoegd om naar een geldig identiteitsbewijs te vragen. Als de inwoner een persoonlijk plan of familiegroepsplan heeft gemaakt, betrekt de medewerker dit bij het gesprek. De inwoner kan iemand (bijvoorbeeld een familielid) vragen om bij het gesprek aanwezig te zijn.
4Sinds 2023 is de gemeente Zwartewaterland de samenwerking aangegaan met gemeente Zwolle in het oprichten van de Regionale OpvangLocatie (ROL). Gekoppelde asielzoekers worden hier vanuit een AZC geplaatst. Na plaatsing zal een intakegesprek plaatsvinden met onze gemeente en een start worden gemaakt met het Persoonlijk Inburgeringsplan (PIP).
Artikel 2.2.2 Inhoud gesprek
1De medewerker bespreekt met de inwoner welk effect hij wil bereiken. In het gesprek onderzoekt de medewerker voor zover dat nodig is:
a.de behoefte van de inwoner: wat is er nodig? Denk ook aan in de persoon gelegen factoren, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie en het probleem of de hulpvraag;
b.de persoonlijke situatie en voorkeuren van de inwoner: hoe zien die eruit, hoe kan daarmee rekening worden gehouden en wat betekent dit voor het gewenste effect?
c.de (on)mogelijkheden van de inwoner: (hoe) kan de inwoner zelf bijdragen aan de oplossing van het probleem?
d.de omgeving van de inwoner: welke hulp kan het sociale netwerk of kunnen organisaties bieden en hoe kan er met de gemeente worden samengewerkt om de inwoner goed te helpen?
e.welke hulp er gegeven kan worden: zijn er collectieve voorzieningen, komt iemand in aanmerking voor een bijstandsuitkering? Kan er een pgb worden verstrekt? Moet de inwoner een bijdrage in de kosten betalen?
f.het gewenste effect van het verzoek van de hulpvraag;
g.de mogelijkheden om gebruik te maken van een andere voorziening;
h.de mogelijkheden om hulp te verlenen met gebruikmaking van een overige voorziening;
i.de mogelijkheden om een individuele voorziening te verstrekken;
j.hoe een eventuele individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of werk en inkomen;
k.hoe rekening zal worden gehouden met het geloof, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de inwoner;
l.de mogelijkheden om te kiezen voor een pgb, waarbij in begrijpelijke woorden wordt uitgelicht over de gevolgen voor die keuze.
2Gaat het om Wmo-hulp, dan betrekt de gemeente ook anderen bij het gesprek, als dat nodig is. Het kan dan gaan om deskundigen, iemand die de inwoner vertegenwoordigt, een mantelzorger(s) of familie. Als de inwoner mantelzorg krijgt, gaat de gemeente na of er maatregelen genomen moeten worden om die mantelzorger te ondersteunen.
3Gaat het over een bijstandsuitkering, dan vertelt de gemeente ook over de rechten en plichten die van toepassing zijn bij een bijstandsuitkering. De informatiemap wordt overhandigd en de inwoner tekent voor ontvangst. Tevens kijkt de gemeente naar de afstand tot de arbeidsmarkt en welke opdrachten in dat kader alvast meegegeven kunnen worden.
4De gemeente kan gebruik maken van de deskundigheid van een onafhankelijke (medisch) deskundige of instrument bij onder andere:
a.vaststelling van de jeugdhulpvraag;
b.vaststelling van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen;
c.bepaling van de aard en omvang van de jeugdhulp;
d.vaststelling van de belastbaarheid in het kader van re-integratie.
e.vaststelling van de loonwaarde voor het bepalen van loonkostensubsidie in het kader van de Participatiewet;
f.vaststelling van de leerroute;
g.vaststelling van competenties en verschillende leefgebieden;
h.de uitgifte van een gehandicaptenparkeerkaart
Artikel 2.2.3 Verslag na gesprek
1Zo snel mogelijk na het gesprek maakt de medewerker een verslag van het gesprek en de uitkomsten van het onderzoek. Opmerkingen of latere aanvullingen van de inwoner worden aan het verslag toegevoegd.
a.Bij Jeugd is het verslag onderdeel van het familie groepsplan.
b.Als het om een bijstandsuitkering gaat, dan gaat het hier om het plan van aanpak met daarin de eerste gemaakte afspraken. Dit wordt ondertekend door de inwoner.
2Als het gaat om Wmo-hulp, dan stuurt de medewerker het onderzoeksverslag naar de inwoner, tenzij de inwoner heeft aangegeven dat niet te wensen. De inwoner ondertekent het onderzoeksverslag en stuurt dit naar de gemeente. Als de inwoner het niet eens is met het onderzoeksverslag, kan hij dat daarop aangeven. Als de inwoner hulp-op-maat van de gemeente wil ontvangen, kan hij dit aangeven op het ondertekende onderzoeksverslag. De gemeente ziet het onderzoeksverslag dan als een aanvraag.
3Als het om Wmo-hulp gaat, kan de medewerker ook tijdens het gesprek een onderzoeksverslag maken en daarin aangeven wat er nodig is voor de inwoner. Als de inwoner en de medewerker tijdens het gesprek samen vaststellen welke voorziening er nodig is, dan wordt het door de inwoner ondertekende onderzoeksverslag gezien als een aanvraag.
4Als het gaat om de doelgroep onder de Wet inburgering, dan volgt na de dag waarop de inburgeringsplichtige in de basisregistratie in de gemeente is ingeschreven binnen de termijn als bedoeld in artikel 5.3, eerste lid, van het Besluit inburgering 2021 een Persoonlijk plan Inburgering en Participatie (PIP).
Stap 3: Aanvraag
Artikel 2.3.1 Aanvraag
1Na de melding en het onderzoek van de gemeente, kan de inwoner een aanvraag indienen. Het verslag en een eventueel persoonlijk plan of familie groepsplan vormen het uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag. De aanvraag kan schriftelijk of digitaal worden ingediend, via de route die de gemeente daarvoor heeft vastgesteld. Het doel van de aanvraag is te bepalen of de gemeente hulp verleent en welke vorm die hulp dan heeft.
2Melding en aanvraag worden op hetzelfde moment gedaan als het gaat om een uitkering voor inwoners van 27 jaar of ouder. Het gesprek met een medewerker vindt dan plaats nadat de aanvraag is ingediend.
3De gemeente kan besluiten dat ook voor bepaalde andere vormen van hulp melding en aanvraag op hetzelfde moment worden gedaan. Inwoners kunnen dan bij de melding direct een aanvraag indienen. Een onderzoek en een gesprek over de hulpvraag zijn dan niet nodig.
4De gemeente kan bepalen dat een aanvraagformulier wordt gebruikt voor het indienen van een aanvraag. Een ondertekend verslag kan ook als aanvraagformulier worden beschouwd.
5Een aanvraag wordt ingediend bij de gemeente, behalve als het om een aanvraag voor een bijstandsuitkering voor levensonderhoud of een IOAW-uitkering gaat. Die aanvraag wordt digitaal ingediend via www.werk.nl.
6Een voorziening gericht op werk kan door de inwoner of zijn werkgever worden aangevraagd. Er hoeft niet eerst een melding te worden gedaan.
7Een aanvraag voor persoonlijke ondersteuning bij werk moet ingediend zijn binnen acht weken nadat de inwoner in dienst is gekomen, tenzij op dat moment de noodzaak voor ondersteuning nog niet bekend kon zijn. De werkgever kan bij een aanvraag voor persoonlijke ondersteuning door een jobcoach aangeven of het een aanvraag voor subsidie is of voorbegeleiding door een jobcoach die werkzaam is bij de gemeente of wordt ingehuurd door de gemeente.
8De gemeente kan ook uit eigen beweging (ambtshalve) beoordelen of een inwoner of werkgever in aanmerking komt voor een voorziening.
Artikel 2.3.2 Aanvraag voor hulp-op-maat
[Jeugdwet, Wmo, PW, Wgs, Wet inburgering, Gemeentewet]
1Vraagt de inwoner hulp-op-maat, dan gelden in ieder geval de volgende voorwaarden:
a.De hulp is noodzakelijk om (één van) de doelen van de in 1.1 genoemde wetten te bereiken;
b.De inwoner heeft geen mogelijkheden om het gewenste effect op eigen kracht te bereiken. Dat is bijvoorbeeld zo, als de inwoner geen gebruik kan maken van voorzieningen die algemeen gebruikelijk zijn. De inwoner kan het gewenste effect ook niet bereiken met gebruikelijke hulp van huisgenoten, met hulp vanuit het sociale netwerk of met behulp van andere voorzieningen of organisaties; en
c.De hulp past bij het gewenste effect en de persoonlijke situatie van de inwoner.
2Voor sommige vormen van hulp zijn er in de wet of in deze verordening extra voorwaarden gesteld.
3De hulp-op-maat is niet luxer of duurder dan nodig is en duurt niet langer dan nodig is. De gemeente kiest daarom voor de goedkoopste voorziening die nodig is om het probleem van de inwoner langdurig te verminderen of op te lossen.
4De gemeente kan hulp-op-maat weigeren als een inwoner iets (niet) heeft gedaan waardoor de hulpvraag is veroorzaakt, en hij deze hulpvraag had kunnen voorzien.
Artikel 2.3.3 Advisering
[Gemeentewet, Awb]
De gemeente zorgt ervoor dat de medewerker die een melding of aanvraag behandelt de deskundigheid heeft die nodig is om deze melding of aanvraag goed te kunnen behandelen. Als de medewerker die deskundigheid niet heeft, zorgt de gemeente ervoor dat een deskundige een advies uitbrengt. Dit advies (deskundig oordeel) betrekt de gemeente bij de beoordeling van de aanvraag.
Artikel 2.3.4 Beoordelen aanvraag
[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wet inburgering, Wgs, Gemeentewet, Awb]
1Bij het beoordelen van de aanvraag betrekt de gemeente alle gegevens die van belang zijn. Het gaat onder meer om gegevens over:
a.de wensen en behoeften van de inwoner;
b.de (on)mogelijkheden van de inwoner;
c.de persoonlijke situatie van de inwoner;
d.de mogelijkheden van het sociale netwerk, de eventuele werkgever, andere organisaties en de gemeente.
Gaat het om een aanvraag voor persoonlijke ondersteuning bij werk, dan doet de gemeente zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen vier weken, onderzoek naar deze gegevens. De gemeente onderzoekt daarbij ook of samenwerking met andere organisaties nodig is, bijvoorbeeld op het gebied van wonen, zorg en onderwijs, zodat eventuele hulp aan de inwoner en de werkgever zo goed mogelijk afgestemd wordt met die organisaties. De uitkomsten van het onderzoek legt de gemeente vast in een verslag.
2Om te bepalen of de gemeente hulp verleent, volgt de gemeente de volgende stappen:
Stap 1: De gemeente stelt eerst vast wat de hulpvraag van de inwoner is.
Stap 2: De gemeente stelt hierna vast welke problemen en beperkingen er precies zijn.
Stap 3: De gemeente bepaalt welke hulp nodig is en hoe veel.
Stap 4: De gemeente onderzoekt wat de inwoner zelf kan doen om het probleem op te lossen (eigen kracht), al dan niet met gebruikelijke hulp, hulp van anderen uit het sociale netwerk en van andere voorzieningen of organisaties en de eventuele werkgever.
Stap 5: De gemeente bepaalt welke aanvullende hulp nodig is om het probleem op te lossen en het gewenste effect te bereiken.
3Voor iedere stap geldt, dat de gemeente de deskundigheid inzet die nodig is om die stap goed te kunnen afronden. Is er bijzondere deskundigheid nodig, dan zet de gemeente die in. De gemeente stelt de inwoner op de hoogte van welke deskundigheid er op welk moment nodig is en ingezet wordt.
Artikel 2.3.5 Beslistermijn
[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wet inburgering, Wgs, Gemeentewet, Awb]
1De gemeente beslist zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen de wettelijke termijnen, nadat de aanvraag is ontvangen. Gaat het om een aanvraag in het kader van de Wmo, dan beslist de gemeente binnen twee weken nadat de aanvraag is ontvangen, en in ieder geval binnen 8 weken.
2De beslistermijn kan schriftelijk worden opgeschoven als de inwoner niet voldoende gegevens heeft verstrekt. Als de gemeente een besluit niet binnen de vastgestelde termijn kan nemen, dan noemt de gemeente een nieuwe termijn waarbinnen het besluit zal worden genomen.
Stap 4. Beslissing
Artikel 2.4.1 Inhoud besluit
[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wet inburgering, Wgs, Gemeentewet, Awb]
1De gemeente stelt een besluit per brief vast en stuurt deze brief naar de inwoner. Het doel van dit besluit is dat de inwoner te weten komt of er wel of geen hulp wordt gegeven. Als de gemeente hulp geeft, staat in het besluit ook of de hulp in natura, in de vorm van een pgb, in geld of op een andere manier wordt gegeven. De gemeente kan de inwoner ook op een andere manier informeren. De gemeente doet dit in die gevallen waarin de inwoner van de gemeente krijgt, wat hij heeft gevraagd. En als duidelijk is voor de inwoner wat de gemeente heeft besloten.
2De gemeente informeert de inwoner en werkgever over een beslissing over persoonlijke ondersteuning bij werk of voor wettelijke loonkostensubsidie. Gaat het om wettelijke loonkostensubsidie, dan bepaalt de gemeente daarbij ook of de inwoner hoort bij de groep die in aanmerking kan komen voor loonkostensubsidie (de doelgroep), als dit nog niet eerder is vastgesteld.
3Geeft de gemeente hulp in natura, dan wordt in het besluit in ieder geval vastgelegd:
a.wat de hulp inhoudt en waarvoor de hulp bedoeld is;
b.wanneer de hulp ingaat en hoe lang de hulp duurt;
c.hoe en door wie de hulp wordt gegeven, en
d.welke andere voorzieningen voor de inwoner van belang kunnen zijn;
e.de plicht om wijzigingen in de situatie en het recht op de hulp in natura aan de gemeente door te geven;
f.De omvang en het beoogde resultaat.
4Geeft de gemeente hulp in de vorm van een pgb, dan wordt in het besluit in ieder geval vastgelegd:
a.waarvoor het pgb bedoeld is en welk effect daarmee bereikt moet worden;
b.welke kwaliteitseisen er gelden voor de besteding van het pgb;
c.hoe hoog het pgb is en hoe dit berekend is;
d.wanneer het pgb ingaat en wanneer het pgb eindigt;
e.hoe de besteding van het pgb verantwoord wordt; en
f.welke andere voorzieningen voor de inwoner van belang kunnen zijn;
g.de plicht om wijzigingen in de situatie en het recht op de hulp in de vorm van een pgb aan de gemeente door te geven.
5Geeft de gemeente hulp in de vorm van geld, dan wordt in het besluit in ieder geval vastgelegd:
a.voor welk doel het geld wordt gegeven;
b.wanneer het geld wordt betaald;
c.hoe vaak het geld wordt betaald; en
d.welke voorwaarden en verplichtingen er gelden.
6Als de gemeente de aanvraag afwijst, dan legt de gemeente in het besluit goed uit wat daarvan de reden is. Dat doet de gemeente ook, als de aanvraag wel wordt toegekend, maar de toekenning afwijkt van wat de inwoner of werkgever heeft aangevraagd.
7De gemeente informeert de inwoner in het besluit ook over een eventuele bijdrage in de kosten.
Paragraaf 2.5 Uitzonderingen
Artikel 2.5.1 Jeugdhulp via arts e.a.
[Jeugdwet]
1De gemeente zorgt ervoor dat de jeugdige jeugdhulp krijgt, als de huisarts, jeugdarts, medisch specialist, gecertificeerde instelling of jeugdreclassering de jeugdige doorverwijst naar een jeugdhulpaanbieder.
2De gemeente stuurt over de jeugdhulp een besluit per brief naar de inwoner. Dit besluit voldoet aan dezelfde eisen als het besluit na een aanvraag bij de gemeente zelf.
Artikel 2.5.2 Spoedeisende gevallen
[Jeugdwet, Wmo, PW, Wgs, Wet inburgering]
In spoedeisende gevallen zorgt de gemeente ervoor dat de inwoner de hulp krijgt die nodig is. De gemeente kan dan afwijken van de normale procedure, als dat nodig is. Het kan gaan om de volgende (tijdelijke) hulp in afwachting van een onderzoek van de gemeente:
a.het bieden van hulp en zorg aan ouders en hun kinderen;
b.het vragen van een machtiging aan de kinderrechter voor gesloten jeugdhulp;
c.het bieden van een voorziening voor maatschappelijke ondersteuning;
d.schuldhulpverlening, of
e.het verstrekken van een voorschot op een uitkering die nog niet is toegekend.
Hoofdstuk 3 Iedereen doet mee
Paragraaf 3.3 Voorzieningen – werk
Artikel 3.3.1. Sociale activering
[PW, IOAW, IOAZ]
1De gemeente kan een inwoner activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering of de inwoner naar zulke activiteiten verwijzen.
2Het doel van sociale activering is om inwoners te helpen weer grip op hun leven te krijgen, sociale contacten op te bouwen en moeilijkheden op weg naar werk te overwinnen. De duur van de sociale activering is afhankelijk van onder andere de mogelijkheden en capaciteiten van de inwoner.
Artikel 3.3.2 Scholing
[PW, IOAW, IOAZ]
a.aansluit bij de vaardigheden van de inwoner; en
b.de kans op werk vergroot, of
c.de inwoner voor een langere periode betaald werk oplevert.
De gemeente kan een inwoner scholing aanbieden, als die scholing:
2De scholing kan worden aangeboden in de vorm van subsidie of verstrekking in natura.
3De gemeente bepaalt de vorm en de duur van de scholing. De scholing duurt niet langer dan nodig is.
Artikel 3.3.3 Werkervaringsplaats
[PW, IOAW, IOAZ]
1De gemeente kan een inwoner die behoort tot de doelgroep en die weinig kans heeft op werk, een werkervaringsplaats aanbieden. Een werkervaringsplaats duurt maximaal 6 maanden. Deze termijn kan worden verlengd met nog eens maximaal 6 maanden, als daardoor de arbeidskansen worden vergroot.
2Het doel van een werkervaringsplaats is om inwoners met behoud van uitkering op een werkplek werkervaring op te laten doen of te leren functioneren in een werkomgeving.
3De werkervaringsplek wordt vastgelegd in een plan van aanpak dat de gemeente in overleg met de inwoner maakt. Met de werkgever wordt schriftelijk afgesproken welk doel de werkervaringsplaats heeft, wat de werkzaamheden zijn en hoe de begeleiding plaatsvindt.
4Een voorwaarde is dat het werk niet leidt tot verdringing van werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties.
Artikel 3.3.4 Participatieplaats
[PW, IOAW, IOAZ]
1De gemeente kan een inwoner die algemene bijstand, een IOAW- of IOAZ-uitkering ontvangt en weinig kans heeft op werk een participatieplaats aanbieden. De inwoner moet 27 jaar of ouder zijn. De participatieplaats wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de gemeente, de werkgever en de inwoner.
2Het doel van een participatieplaats is om de kans op betaald werk te vergroten. De inwoner kan langdurig met behoud van uitkering op een bepaalde werkplek werken en doet zo werkervaring op. Het moet gaan om werkzaamheden die passend zijn en speciaal voor de inwoner zijn bedacht.
3De inwoner kan na iedere 6 maanden voor een premie in aanmerking komen. De premie is maximaal 10% van de bijstandsnorm voor gehuwden (volgens artikel 21 onderdeel b Pw). Het bedrag wordt naar boven afgerond op hele euro’s. Als de inwoner in deeltijd werkt, wordt de premie naar evenredigheid verlaagd.
Artikel 3.3.5 Proefplaatsing
[PW, IOAW, IOAZ]
1De gemeente kan een inwoner toestemming geven om bij wijze van proef tijdelijk te werken bij een werkgever. De proefplaatsing duurt maximaal 2 maanden en is met behoud van uitkering. Deze termijn kan worden verlengd tot maximaal 6 maanden als dat nodig is om een goed beeld te krijgen van de mogelijkheden van de inwoner.
2Het doel van de proefplaatsing is om werkgevers te helpen te beoordelen of de inwoner geschikt is voor een bepaalde functie.
3De gemeente geeft alleen toestemming voor een proefplaatsing, als:
a.de gemeente verwacht, dat de inwoner geschikt is voor de functie;
b.de gemeente verwacht, dat de proefplaatsing de kans op betaald werk vergroot;
c.de inwoner niet eerder in die functie heeft gewerkt;
d.de werkgever vooraf verklaart dat de inwoner aansluitend aan de proefplaatsing een arbeidsovereenkomst van minstens zes maanden kan krijgen, zonder proeftijd, als hij geschikt is voor die functie.
4Proefplaatsing is niet mogelijk, als de gemeente verwacht dat de inwoner ook zonder proefplaatsing wordt aangenomen voor de functie.
5Bij ziekte van de inwoner tijdens de proefplaatsing, wordt de maximale periode van de proefplaatsing met het aantal ziektedagen verlengd.
Artikel 3.3.6 Beschut werk
[PW]
1De gemeente biedt een inwoner, die behoort tot de doelgroep, een beschutte werkplek aan, als is vastgesteld dat deze inwoner alleen kan werken als het werk en de werkplek zijn aangepast aan de mogelijkheden van die inwoner. Daarbij gelden de voorwaarden die in de Participatiewet zijn genoemd.
2De gemeente zet zich ervoor in dat het aantal beschutte werkplekken dat de gemeente volgens het rijk jaarlijks moet realiseren, gerealiseerd wordt. Als de behoefte lager is, blijkende uit het aantal afgegeven positieve adviezen van UWV, dan hoeft de gemeente minder plekken te realiseren.
3Het college biedt niet meer plaatsen beschut werk aan dan het aantal waarvoor de gemeente middelen ontvangt van het Rijk en vastgesteld bij ministeriële regeling als genoemd in artikel 10b, lid 4, van de Participatiewet.
4Indien het maximum aantal plaatsen beschut werk als bedoeld in het derde lid is bereikt en een persoon die is aangewezen op de participatievoorziening beschut werk verzoekt om plaatsing in deze voorziening, dan plaatst het college deze persoon op een wachtlijst.
5Indien een plaats beschut werk beschikbaar komt, wordt de eerstvolgende persoon die het langst op de wachtlijst als bedoeld in het vierde lid staat waarvoor de beschikbaar gekomen plaats geschikt is gelet op de arbeidsmogelijkheden, op die beschikbare plaats geplaatst.
6Het doel van beschut werk is om inwoners die alleen onder aangepaste omstandigheden kunnen werken, een veilige en beschutte werkplek te bieden.
7De gemeente biedt de volgende voorzieningen aan, zodat een inwoner beschut kan werken:
a.aanpassing van de werkplek of de werkomgeving;
b.uitsplitsing van taken;
c.aanpassingen in het werktempo, de arbeidsduur of de werkbegeleiding.
8De gemeente kan inwoners die in aanmerking komen voor beschut werk voorzieningen aanbieden die de stap naar beschut werk makkelijker maken. Het gaat om de volgende voorzieningen:
a.Arbeidsmatige dagbesteding;
b.vrijwilligerswerk;
c.andere zinvolle activiteiten voor de samenleving of werk;
d.Een tijdelijke re-integratievoorziening.
Artikel 3.3.7 Detacheringsbaan
[PW, IOAW, IOAZ]
1De gemeente kan een inwoner, die behoort tot de doelgroep, via een andere organisatie laten werken bij een werkgever. Dit heet detachering. Die detachering wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de gemeente, de werkgever, de andere organisatie en de inwoner.
2Het doel van een detacheringsbaan is om de inwoner betaald werk aan te bieden en werkervaring op te doen.
3Een voorwaarde is dat de detacheringsbaan niet leidt tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties.
Artikel 3.3.8 Hulp bij een leer-werktraject
[PW, IOAW, IOAZ]
De gemeente kan een jongere, die behoort tot de doelgroep, die een leer-werktraject nodig heeft om de stap richting werk te zetten, hulp aanbieden die nodig is voor het volgen van een leer-werktraject. Het moet gaan om jongeren:
a.van 16 of 17 jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd, of
b.van 18 tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald. Met startkwalificatie wordt bedoeld: een HAVO-, VWO- of MBO2-diploma.
Artikel 3.3.9 [Vervallen]
Is opgenomen onder 3.3.14.
Artikel 3.3.10 Wettelijke loonkostensubsidie
[PW, IOAW, IOAZ]
1De gemeente kent de werkgever een wettelijke loonkostensubsidie toe als de werknemer wel kan werken, maar niet het wettelijk minimumloon kan verdienen. Het gaat dan om inwoners die beschut werk verrichten of in het doelgroepenregister voor de banenafspraak staan, omdat UWV dat heeft bepaald, of omdat de gemeente heeft vastgesteld, dat ze dit minimumloon niet kunnen verdienen (via de zgn. ´praktijkroute´).
2Het doel van deze subsidie is om werkgevers te stimuleren inwoners met een beperking in dienst te nemen en werkgevers een vergoeding te geven voor lagere productiviteit.
3De gemeente stelt vast of het gaat om een inwoner die niet in staat is het wettelijk minimumloon te verdienen.
4De gemeente past bij het aanvragen, beoordelen en uitbetalen van loonkostensubsidie het werkproces toe dat landelijk is afgesproken (het preferente werkproces).
Artikel 3.3.11 Vaststellen loonwaarde bij wettelijke loonkostensubsidie
[PW, IOAW, IOAZ]
1De gemeente onderzoekt hoe productief de inwoner op de werkplek zal zijn (welke loonwaarde hij heeft). Dit onderzoek wordt door een deskundige uitgevoerd en is gebaseerd op kennis van werknemers met verminderde loonwaarde.
2De loonwaarde wordt bepaald aan de hand van het inkomen dat de inwoner op de werkplek zou kunnen verdienen op basis van het wettelijk minimumloon, afgezet tegen de mogelijkheden van de inwoner om het werk te kunnen doen.
3De gemeente stelt de loonwaarde vast binnen 4 weken nadat de aanvraag voor loonkostensubsidie is ontvangen.
Artikel 3.3.12 Loonkostensubsidie – niet wettelijk geregeld
[PW, IOAW, IOAZ]
1De gemeente kan een werkgever die een inwoner in dienst neemt een tijdelijke loonkostensubsidie geven, als de werkgever niet in aanmerking komt voor de wettelijk geregelde loonkostensubsidie en ook geen beroep kan doen op andere financiële bijdragen voor het in dienst nemen van die inwoner.
2Het doel van deze subsidie is om werkgevers te stimuleren kwetsbare inwoners met een kleine kans op werk in dienst te nemen en extra kosten die werkgevers maken voor het begeleiden van deze inwoners te vergoeden.
3De subsidie is maximaal 50% van de loonkosten voor de duur van de arbeidsovereenkomst, maar voor maximaal 12 maanden. De subsidie kan worden verlengd tot maximaal 24 maanden.
4De werkgever moet de subsidie aanvragen voor de ingangsdatum van de arbeidsovereenkomst.
5De gemeente bepaalt hoe de subsidie wordt uitbetaald.
6Een voorwaarde is dat het werk niet leidt tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties. De werkgever mag niet gelijktijdig recht hebben op andere subsidies in de loonkosten.
Artikel 3.3.13 Persoonlijke ondersteuning bij werk en andere voorzieningen
[PW, IOAW, IOAZ]
1De gemeente kan persoonlijke ondersteuning bij het werk aanbieden, als de werknemer door een arbeidsbeperking het werk niet goed kan uitvoeren. De ondersteuning wordt gegeven door een interne werkbegeleider of een jobcoach. Een werkbegeleider wordt ingezet als de behoefte aan begeleiding groter is dan de normale begeleiding die de werkgever moet bieden en deze begeleiding kan worden geboden door een medewerker. Een jobcoach wordt ingezet als er bij de werknemer of werkgever behoefte is aan methodische ondersteuning die specifieke kennis vraagt en die gericht is op het kunnen uitvoeren van werk dat bij de werknemer past. Daaronder valt ook de begeleiding naar ander werk of naar een opleiding.
2De gemeente kan ook andere voorzieningen aanbieden die een werknemer met een arbeidsbeperking nodig heeft om het werk goed te kunnen doen. Het gaat om de voorzieningen die genoemd zijn in de artikelen 3.4.15 tot en met 3.4.18.
3Persoonlijke ondersteuning en andere voorzieningen bij het werk kunnen pas worden aangeboden, als de werkgever de inwoner een arbeidsovereenkomst aanbiedt van minstens 6 maanden, met een minimale omvang van 12 uur per week.
Artikel 3.3.14 Jobcoach
[PW, IOAW, IOAZ]
1De gemeente kan een jobcoach aanbieden die werkzaam is bij de gemeente of wordt ingehuurd door de gemeente. De gemeente kan de werkgever ook subsidie geven voor het zelf organiseren van een jobcoach. De gemeente beslist of een jobcoach wordt ingezet vanuit de gemeente of dat de werkgever de jobcoaching zelf organiseert.
2Een jobcoach moet voldoen aan een aantal kwaliteitseisen. De jobcoach:
a.beschikt minimaal over Hbo-werk- en denkniveau;
b.heeft een opleiding tot jobcoach afgerond;
c.is geregistreerd in het Register Loopbaancoach (voormalig Noloc Jobcoach) of het NVS-Beroepenregister voor jobcoaches en/of is werkzaam bij een organisatie die een Blik op werk of Oval Keurmerk heeft of een jobcoach-erkenning heeft van het UWV;
d.heeft werkervaring als jobcoach;
e.heeft specifieke kennis over werknemers met een arbeidsbeperking, de regionale arbeidsmarkt (ontwikkelingen) en de regionale sociale kaart;
f.houdt zijn kennis en vaardigheden bij en investeert in na- en bijscholing.
3De gemeente kan een uitzondering maken op de kwaliteitseisen uit het tweede lid, als de werknemer al een jobcoach heeft. Uitgangspunt is wel dat de jobcoach alsnog binnen een jaar aan de eisen voldoet.
4De omvang van de in te zetten jobcoaching is afhankelijk van de noodzaak, en wordt onderverdeeld in verschillende begeleidsingsregimes:
a.Lichte inzet: jaar 1, 6%, jaar 2, 3% en jaar 3 en daaropvolgende jaren 3% van het aantal overeengekomen werkuren
b.Gemiddelde inzet: jaar 1, 10%, jaar 2, 5%, jaar 3 en daaropvolgende jaren 3% van het aantal overeengekomen werkuren
c.Intensieve inzet: jaar 1, 15%, jaar 2, 7,5%, jaar 3 en daaropvolgende jaren 6% van het aantal overeengekomen werkuren.
5De gemeente kan de werkgever subsidie geven voor het zelf organiseren van jobcoaching, als:
a.de jobcoaching bestaat uit een individueel trainings- of inwerkprogramma waarin de werknemer systematisch begeleid wordt om zijn werk goed te kunnen doen, en dit is vastgelegd in een coachingsplan;
b.de omvang en kwaliteit van de jobcoaching aansluiten bij wat de werknemer nodig heeft;
c.er voldoende zekerheid is dat jobcoaching plaatsvindt zolang dat nodig is;
d.de werknemer schriftelijk heeft ingestemd met het organiseren van jobcoaching door de werkgever.
6De gemeente kan een maximumtarief per uur vaststellen voor het subsidiëren van jobcoaching. Dat tarief moet voldoende zijn voor de werkgever om de jobcoaching zelf te organiseren.
De gemeente zorgt ervoor dat voor werkgevers duidelijk is welk tarief dat is.
Artikel 3.3.15 Interne werkbegeleiding
[PW, IOAW, IOAZ]
1De gemeente kan de werkgever een subsidie geven voor de extra kosten die verbonden zijn aan de begeleiding van een werknemer met een arbeidsbeperking door een medewerker.
2De gemeente kan de werkgever een training aanbieden om medewerkers in staat te stellen om werknemers met een arbeidsbeperking goed te begeleiden bij hun werk.
Artikel 3.3.16 Persoonlijke ondersteuning bij beperking in de motoriek
[PW, IOAW, IOAZ]
De gemeente kan voor de inwoner met een beperking in de motoriek, persoonlijke ondersteuning bij het werk aanbieden die deze beperking aanvult of opheft, zodat de inwoner zijn werk goed kan doen. De gemeente kan de ondersteuning zelf aanbieden of daarvoor een subsidie geven aan de werkgever.
Artikel 3.3.17 Meeneembare voorzieningen
[PW, IOAW, IOAZ]
1De gemeente kan de inwoner met een arbeidsbeperking een meeneembare (verplaatsbare) voorziening aanbieden die nodig is om het werk goed te kunnen doen.
De meeneembare voorziening wordt aan de inwoner uitgeleend. In bijzondere gevallen kan de gemeente de voorziening aan de werknemer in eigendom geven.
Artikel 3.3.18 Werkplekaanpassingen
[PW, IOAW, IOAZ]
De gemeente kan in overleg met de werkgever de werkplek van een inwoner met een arbeidsbeperking aanpassen als dit nodig is om het werk goed te kunnen doen.
Artikel 3.3.19 Vervoersvoorzieningen
[PW, IOAW, IOAZ]
1De gemeente kan een vervoersvoorziening aanbieden aan een inwoner die door zijn beperking niet zelfstandig naar de werkplek, proefplaatsing of opleidingslocatie kan reizen. Deze vervoersvoorziening kan door de gemeente zelf worden georganiseerd of in de vorm van een vergoeding voor de kosten worden verstrekt.
2Voor het bepalen van de hoogte van de vergoeding sluit de gemeente aan bij het gebruikelijke tarief voor een taxi of een andere vorm van vervoer. De goedkoopste passende voorziening wordt vergoed.
De gemeente brengt een reiskostenvergoeding van de werkgever in mindering op de vervoersvoorziening.
Artikel 3.3.20 Uitstroompremie
[PW, IOAW, IOAZ]
De gemeente kan eenmalig een uitstroompremie toekennen aan een inwoner die een aaneengesloten periode van 12 maanden een uitkering heeft gehad, betaald werk krijgt voor minimaal 6 maanden en die daardoor geen recht meer heeft op een uitkering. Het college maakt geen gebruik van haar bevoegdheid om een uitstroompremie toe te kennen.
Artikel 3.3.21 Extra voorzieningen en vergoedingen
[PW, IOAW, IOAZ]
1De gemeente kan andere voorzieningen inzetten als dat nodig is om inwoners te helpen aan het werk te gaan of te blijven of om de kans op werk te vergroten.
2De gemeente kan de kosten vergoeden die de inwoner moet maken bij deelname aan een voorziening of bij betaald of onbetaald werk.
Artikel 3.3.22 Vernieuwende projecten
[PW, IOAW, IOAZ]
1De gemeente kan afwijken van de bepalingen uit dit hoofdstuk, als dat nodig is om met een experiment te onderzoeken of inwoners sneller of voor een langere periode aan het werk gaan of beter de stap naar werk kunnen zetten.
2De duur van zo’n afwijking van de verordening is ten hoogste 3 jaar. Deze periode kan worden verlengd, als de verordening vanwege een succesvol experiment wordt gewijzigd. De duur kan dan worden verlengd tot aan het moment waarop de aangepaste verordening in werking treedt.
Paragraaf 3.4 Tegenprestatie
Artikel 3.4.1 Doel van de tegenprestatie
[PW, IOAW, IOAZ]
1De gemeente legt een inwoner met een gemeentelijke uitkering een tegenprestatie op als de gemeente dit een passende manier voor de inwoner vindt om iets terug te doen voor de samenleving. De gemeente legt inwoners met een grote kans op werk pas een tegenprestatie op in bijzondere situaties.
2Het doel van de tegenprestatie is dat de inwoner zich inzet voor de samenleving als reactie op de inspanningen van de gemeente voor de inwoner en daarnaast actief deelneemt aan de samenleving.
Artikel 3.4.2 Inhoud van de tegenprestatie
[PW, IOAW, IOAZ]
De werkzaamheden die als tegenprestatie kunnen worden opgedragen:
a.passen bij een plan van aanpak en/of bij de persoonlijke ontwikkeling van de inwoner;
b.zijn geen werkzaamheden die als betaald werk worden gedaan binnen de organisatie waarvoor de inwoner de tegenprestatie uitvoert;
c.leiden niet tot verdringing van werknemers bij dezelfde organisatie;
d.zijn activiteiten die het algemeen belang dienen.
Artikel 3.4.3 Duur en omvang tegenprestatie
[PW, IOAW, IOAZ]
De tegenprestatie die de gemeente van de inwoner verwacht duurt minimaal 3 maanden per jaar en minimaal 16 uur per week, tenzij er naar het oordeel van de gemeente redenen zijn om een ander aantal uur vast te stellen.
Artikel 3.4.4 Voorwaarden tegenprestatie
[PW, IOAW, IOAZ]
1Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt de gemeente rekening met de volgende factoren:
a.de mogelijkheden en de persoonlijke situatie van de inwoner;
b.de persoonlijke wensen van de inwoner;
c.de positie van de inwoner op de arbeidsmarkt, zoals de duur van de werkloosheid;
d.of de inwoner vrijwilligerswerk doet of activiteiten die maatschappelijk zinvol zijn, en
e.of de inwoner al deelneemt aan voorzieningen van de gemeente gericht op werk.
2De gemeente legt in ieder geval geen tegenprestatie op als de inwoner mantelzorg verleent en dit niet te combineren is met de tegenprestatie.
3De gemeente legt geen tegenprestatie op als er geen geschikt werk of een geschikte tegenprestatie beschikbaar is voor de inwoner. In dat geval beoordeelt de gemeente binnen 1 jaar opnieuw of er geschikt werk beschikbaar is dat kan worden opgedragen aan de inwoner.
Paragraaf 3.5 Meedoen aan de samenleving
Artikel 3.5.1 Een ingevulde dag hebben (dagbesteding)
[Wmo]
1De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die vanwege een beperking onvoldoende in staat zijn om de dag goed in te vullen, hulp-op-maat kunnen krijgen. Zij moeten wel voldoen aan de voorwaarden uit deze verordening (zie de artikelen 2.3.2 en 5.1 van deze verordening).
2De hulp-op-maat houdt in dat inwoners mee kunnen doen aan arbeidsmatige, recreatieve of andere begeleide groepsactiviteiten voor een of meer dagdelen per week.
3Indien nodig kan vervoer onderdeel uitmaken van de Hulp-op-maat.
Artikel 3.5.2 Hulp bij deelname aan de samenleving
[Wmo]
1De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die hulp nodig hebben om sociaal veilig de dag door te komen, hulp-op-maat kunnen krijgen. Zij moeten wel voldoen aan de voorwaarden uit deze verordening. (zie de artikelen 2.3.2 en 5.1 van deze verordening).
2De hulp-op-maat houdt in dat inwoners begeleid worden. De begeleiding kan een-op-een of in een groep plaatsvinden. Het betekent, dat de begeleider helpt bij de dagelijkse gang van zaken en de inwoner helpt om op een goede manier met zijn omgeving om te gaan. De begeleider kan ook helpen bij vaak terugkerende activiteiten, zoals het structureren van de dag, het ondersteunen bij het doen van de administratie en bewindvoering. De begeleider neemt deze activiteiten niet volledig over. Maar denk ook aan psychische/emotionele problematiek en coaching in het leren van keuzes maken en het bespreken van situaties.
Artikel 3.5.3 Verplaatsen in en om de woning
[Wmo]
1De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die zich vanwege een beperking niet voldoende kunnen verplaatsen in en om de woning, hulp-op-maat kunnen krijgen. De inwoner moet wel voldoen aan de voorwaarden genoemd in de artikelen 2.3.2 en 5.1 van deze verordening.
Artikel 3.5.4 Verplaatsen dichtbij huis
[Wmo]
1De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die vanwege een beperking in hun mobiliteit onvoldoende mogelijkheden hebben om binnen redelijke grenzen contact met anderen te hebben, hulp-op maat kunnen krijgen. Zij moeten wel voldoen aan de voorwaarden genoemd in de artikelen 2.3.2 en 5.1 van deze verordening.
2De hulp-op-maat houdt in dat inwoners geholpen worden bij het vervoer dicht bij huis zodat ze mee kunnen doen aan het leven van alledag. Die hulp kan bijvoorbeeld bestaan uit het aanbieden van:
a.Taxi op maat;
b.een scootmobiel, of
c.het gebruikmaken van een aangepast vervoermiddel.
3Het moet gaan om het zich verplaatsen in de woonomgeving.
Hoofdstuk 5 Veilige en gezonde leefomgeving
Paragraaf 5.2 Zelfstandig en veilig wonen
Artikel 5.2.1 Geschikte woning
1De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner hulp-op-maat (woonvoorziening) kan krijgen als het normale gebruik van zijn woning als gevolg van een beperking niet mogelijk is. De inwoner moet wel voldoen aan de voorwaarden genoemd in de artikelen 2.3.2 en 5.1 en in dit artikel.
2Een woonvoorziening kan bestaan uit een verhuiskostenvergoeding. Dit is in principe een vast geldbedrag om de inwoner tegemoet te komen in de kosten van verhuizing en inrichting.
3Een verhuiskostenvergoeding heeft voorrang op andere woonvoorzieningen, behalve als een verhuiskostenvergoeding voor de inwoner niet de goedkoopste voorziening is die nodig is.
4Er zijn uitzonderingen waarbij de gemeente geen hulp-op-maat verstrekt in de vorm van een woonvoorziening. Deze situaties zijn beschreven in de beleidsregels.
Artikel 5.2.2 Een schone en leefbare woning
1De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner hulp-op-maat kan krijgen als hij zijn woning niet schoon en leefbaar kan houden als gevolg van een beperking. De inwoner moet wel voldoen aan de voorwaarden genoemd in de artikelen 2.3.2 en 5.1 van deze verordening.
2De hulp op maat houdt in dat de inwoner de voorziening ´Hulp bij het huishouden (HH)´ aangeboden krijgt.
3Als er in het huishouden van de inwoner minderjarige kinderen zijn, dan kan de hulp-op-maat ook bestaan uit het overnemen van de gebruikelijke zorg voor deze kinderen. Deze hulp is vooral bedoeld om de periode tot er andere hulp is te overbruggen.
Artikel 5.2.3 Beschermd wonen en begeleid wonen
De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner hulp-op-maat kan krijgen in de vorm van beschermd wonen (24/7 uur begeleiding aanwezig) en begeleid wonen (niet 24/7 begeleiding aanwezig) als hij deze woonvorm nodig heeft als gevolg van psychische of psychosociale problemen. De inwoner moet wel voldoen aan de voorwaarden genoemd in de artikelen 2.3.2, 5.1 en 6.3.3 van deze verordening. Beschermd wonen en begeleid wonen kan worden ingezet als dit de inwoner helpt om zichzelf weer te kunnen handhaven in de samenleving. Beschermd wonen kan hierbij nodig zijn om:
•de zelfstandigheid van de inwoner te vergroten en hem beter mee te laten doen in de samenleving.
•het psychosociale functioneren van een inwoner te verbeteren
•een psychiatrisch ziektebeeld te stabiliseren
•maatschappelijke overlast te voorkomen, of
•de inwoner geen gevaar voor zichzelf of zijn omgeving te laten zijn.
Artikel 5.2.4 Maatschappelijke opvang
De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner en ook eventuele kinderen van deze inwoner hulp-op-maat kan krijgen in de vorm van tijdelijke (maatschappelijke) opvang, als de inwoner de thuissituatie heeft verlaten vanwege veiligheidsredenen door huiselijk geweld of als gevolg van feitelijk of residentieel dakloos zijn en deze opvang nodig is omdat de inwoner zich niet op eigen kracht kan handhaven in de samenleving als gevolg van psychische of psychosociale problemen. De inwoner moet wel voldoen aan de voorwaarden genoemd in de artikelen 2.3.2 en 5.1 van deze verordening.
Paragraaf 5.3 Mantelzorg
Artikel 5.3.1 Ondersteuning mantelzorger
De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die mantelzorg geven, Hulp-op-maat kunnen krijgen als het voor een korte periode niet meer lukt om de mantelzorg vol te houden en de mantelzorg niet overgenomen kan worden door andere vrijwilligers. De Hulp-op-maat houdt in dat de mantelzorg tijdelijk wordt overgenomen door een professional.
Mantelzorgcompliment
1De gemeente bepaalt bij nadere regels waaruit de jaarlijks blijk van waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente bestaat.
Hoofdstuk 6 De vorm van de hulp
Paragraaf 6.3 Persoonsgebonden budget
Artikel 6.3.1 Voorwaarden
1In plaats van hulp in natura kan de inwoner een persoonsgebonden budget (pgb) krijgen als het om Wmo-hulp of jeugdhulp gaat en voldaan is aan de voorwaarden die de Wmo en de Jeugdwet stellen. De inwoner moet gemotiveerd aangeven waarom hij een pgb wil ontvangen in plaats van hulp-op-maat in natura. Hierbij moet de inwoner alle informatie aan de gemeente geven die nodig is. Hieronder valt bijvoorbeeld het doorgeven wie namens de inwoner zijn belangen behartigt of op welke wijze de kwaliteit van de voorziening is gewaarborgd. De inwoner doet dit in een pgb-budgetplan.
2De inwoner levert bij de aanvraag voor hulp-op-maat meerdere offertes van leveranciers aan. In deze offerte(s) moet staan hoe hoog de kosten van de dienst of het product zijn. Het tarief dat in de offerte staat mag niet hoger zijn dan wat gebruikelijk is voor die dienst of product. De offerte bevat tenminste de volgende onderdelen: de activiteiten of het product, het tarief, de tijd en indien van toepassing de frequentie van de zorg, en tenslotte de effecten die de inwoner wil bereiken. De offerte maakt onderdeel uit van het pgb-budgetplan.
3De pgb beheerder is niet de hulpverlener.
Artikel 6.3.2 Hoogte en tarief pgb
1De hoogte van het pgb is gelijk aan de hoogte van de offerte of het pgb-budgetplan dat de inwoner aanlevert. Er geldt wel een maximumbedrag. Dat is het bedrag dat de gemeente zou betalen aan een gecontracteerde leverancier voor de hulp die nodig is (hulp in natura-tarief). Dit maximumbedrag is besproken met de inwoner en is vastgelegd in het onderzoeksverslag. Wanneer de offerte hoger is dan dit maximumbedrag, vergoedt de gemeente de meerprijs niet.
2De hoogte van een pgb wordt als volgt vastgesteld voor:
[Wmo]
a.
Een zaak (woningaanpassing, woonvoorziening, hulpmiddel, vervoersvoorziening)
De kostprijs van de voorziening die de cliënt zou hebben ontvangen als deze in natura zou zijn verstrekt en rekening houdend met een reële termijn voor de technische afschrijving en de onderhouds- en verzekeringskosten.
Aan te tonen middels offerte en/of factuur.
b.
Hulp bij het huishouden
70% van ZIN tarief*
c.
Individuele begeleiding sociaal netwerk
€ 23,23
d.
Individuele begeleiding professioneel
70% van ZIN tarief*
e.
Begeleiding groep
70% van ZIN tarief*
f.
Respijtzorg / kortdurend verblijf (etmaal)
70% van ZIN tarief*
g.
Vervoer dagbesteding
100% van ZIN tarief*
h.
Vervoer dagbesteding rolstoel
100% van ZIN tarief*
i.
Beschermd wonen
100% van ZIN tarief* (maximaal)
k.
Intensieve ambulante begeleiding
70% van ZIN tarief*
l.
Tijdelijke opvang (etmaal)
€ 50,-- ZIN en PGB
*) van gecontracteerde aanbieders
3Als de gemeente geen afspraken heeft gemaakt met een leverancier over het inkopen van de hulp in natura die de inwoner nodig heeft, dan geldt de kostprijs van de in betreffende situatie voordeligste adequate en tijdig beschikbare hulp-op-maat (maatwerkvoorziening) in natura.
4Als de inwoner meerdere offertes heeft gekregen voor hulp die hij nodig heeft, kan de inwoner een keuze maken uit die offertes. Voorwaarde is wel, dat de offertes binnen het maximum bedrag vallen waarmee het effect kan worden bereikt dat nodig is.
5Uitzonderingen op bovenstaande regels zijn:
a.Voor hulp-op-maat door iemand uit het sociale netwerk van de inwoner geldt een maximumbedrag van € 23,23 per uur.
6De tarieven PGB jeugdhulp worden jaarlijks gepubliceerd op de website van de gemeente.
Artikel 6.3.3 Verantwoording en uitbetaling pgb
1De gemeente kan de inwoner vragen om duidelijk te maken hoe het pgb is besteed en welke resultaten de hulp voor de inwoner heeft gehad. Voor dat verslag kan de gemeente een formulier verplicht stellen.
2Als een inwoner hulp op maat in de vorm van een pgb krijgt, wordt alleen de hulp uitbetaald die geleverd is. Zie hiervoor de beleidsregels.
3Het is de inwoner met een indicatie begeleid wonen niet toegestaan om met de aanbieder een vast maandloon overeen te komen dan wel een andersoortige afspraak te maken op basis waarvan uitbetaling door de SVB aan de aanbieder plaatsvindt zonder voorafgaande verplichting van de inwoner tot overlegging aan SVB van een door de inwoner geaccordeerde factuur of specificatie van ingezette zorg.
Hoofdstuk 7 Ik kan mezelf goed redden
Paragraaf 7.1 Armoedebeleid
Artikel 7.1.1 Wat wil de gemeente?
1De gemeente wil dat inwoners met een laag belastbaar inkomen en zonder goede financiële buffer hun noodzakelijke bestaanskosten kunnen betalen en kunnen meedoen aan de samenleving. De gemeente neemt maatregelen om armoede en schulden te voorkomen (preventie).
2De gemeente biedt inwoners die moeite hebben om rond te komen of die schulden hebben hulp aan bij het op orde krijgen van hun financiën. Het doel van die hulp is dat inwoners blijvend een gezonde financiële huishouding krijgen.
3De gemeente werkt bij het voorkomen en bestrijden van armoede en schulden zoveel mogelijk samen met andere organisatie. De gemeente stimuleert initiatieven van inwoners en organisaties die zijn gericht op het tegengaan van armoede en schulden.
4De gemeente legt in een beleidsplan vast hoe het armoedebeleid voor een bepaalde periode ingevuld wordt. De gemeente geeft daarbij aan welke groepen kwetsbare inwoners op welke manier financieel worden ondersteund.
5De gemeente richt het armoedebeleid zo in, dat inwoners met een laag inkomen voldoende ondersteund worden en dat betaald werk krijgen niet leidt tot een armoedeval.
6De gemeente betrekt bij het maken van het armoedebeleid naast inkomen ook andere leefdomeinen, zoals onderwijs, maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp.
7De gemeente zorgt ervoor dat voorzieningen die per maand of per jaar worden verstrekt, na afloop van die periode op een eenvoudige manier opnieuw aangevraagd kunnen worden.
Paragraaf 7.2 Bijzondere bijstand
Artikel 7.2.1 Vangnet
1De gemeente biedt bijzondere bijstand actief aan als een financieel vangnet voor inwoners die geen beroep kunnen doen op eigen mogelijkheden of op andere voorzieningen. Bijzondere bijstand is ervoor bedoeld dat inwoners met een laag inkomen en zonder goede financiële buffer:
a.extra noodzakelijke uitgaven kunnen betalen. Het gaat dan om uitgaven die niet uit het maandelijkse inkomen kunnen worden betaald, en
b.voldoende mogelijkheden hebben om mee te doen aan maatschappelijke activiteiten.
2Bij het beoordelen van een aanvraag voor bijzondere bijstand betrekt de gemeente de kernwaarden en de doelen van het gemeentelijke armoedebeleid die bij artikel 7.1.1 beschreven zijn.
3De gemeente maakt zo weinig mogelijk gebruik van bijzondere bijstand in de vorm van een lening.
Paragraaf 7.3 Studietoeslag
Artikel 7.3.1 Doelgroep
[vervallen]
Artikel 7.3.2 Vaststellen beperking
[vervallen
Artikel 7.3.3 Hoogte en duur van de toeslag
[vervallen]
Paragraaf 7.4 Inkomenstoeslag
Artikel 7.4.1 Doelgroep
De inkomenstoeslag is bedoeld voor een inwoner die in een ononderbroken periode van 36 maanden onmiddellijk voorafgaand aan de maand waarin het verzoek om individuele inkomenstoeslag plaats vindt een inkomen heeft gehad van ten hoogste 110% van de toepasselijke bijstandsnorm en die geen uitzicht heeft op inkomensverbetering.
Artikel 7.4.2 Hoogte van de toeslag
1De inkomenstoeslag bedraagt voor 2024:
a.€ 460,- voor een alleenstaande;
b.€ 599,- voor een alleenstaande ouder;
c.€ 666,- voor gehuwden of samenwonenden.
2De bedragen genoemd worden jaarlijks geïndexeerd met het percentage waarmee de alimentatiebedragen stijgen. De bedragen worden naar boven afgerond op hele euro’s.
3Bij gehuwden en samenwonenden geldt dat:
a.Wanneer één van de partners niet behoort tot de kring van rechthebbenden als bedoeld in artikel 11 van de Participatiewet of is uitgesloten van het recht op bijstand op grond van artikel 13, eerste lid, van de Participatiewet, ontvangt de andere partner, bij voldoen van de voorwaarden, 50% van de toeslag voor gehuwden of samenwonenden.
b.Wanneer één van de partners niet aan de voorwaarden van artikel 36 van de Participatiewet voldoet, dan hebben beide partners geen recht op de toeslag.
Paragraaf 7.5 Participatieregeling voor culturele, maatschappelijke en sportieve activiteiten
Artikel 7.5.1 Doelgroep
[vervallen]
Artikel 7.5.1a. Participatieregeling voor culturele, maatschappelijke en sportieve activiteiten gericht op het bevorderen van volwaardige maatschappelijke participatie
1De participatieregeling heeft als doel inwoners van jong tot oud die behoren tot de categorie minima te bevorderen deel te nemen aan culturele, maatschappelijke en sportieve activiteiten gericht op het bevorderen van volwaardige maatschappelijke participatie door het verstrekken van een tegemoetkoming in de kosten van voornoemde activiteiten.
2Tot de categorie minima als bedoeld in het eerste lid behoort de persoon met al dan niet een ten laste komend kind waarvan het aannemelijk is dat ten aanzien van hem en het kind de kosten van deelname aan culturele, maatschappelijke en sportieve activiteiten in verband met maatschappelijke participatie de aanwezige draagkracht te boven gaan.
3Een inwoner als bedoeld in het eerste lid is een persoon die is ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP) gemeente Zwartewaterland en zijn feitelijke woonplaats in de gemeente Zwartewaterland heeft in de zin van artikel 10 Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en behoort tot de kring van rechthebbenden als bedoeld in paragraaf 2.2 van de Participatiewet.
4Het college stelt ter uitvoering van deze participatieregeling nadere regels. Die regels bepalen in ieder geval een tegemoetkoming in de kosten van het behalen van zwemdiploma A.
Dit artikel treedt in werking met ingang van 1 januari 2023 onder gelijktijdige wijziging van het opschrift van paragraaf 7.4 “Kindpakket” in “Participatieregeling voor culturele, maatschappelijke en sportieve activiteiten” en het vervallen van de drie inleidende volzinnen van paragraaf 7.5, artikel 7.5.1 en artikel 7.5.2, alsmede vervalt in hoofdstuk 12 het begrip “Kindpakket” met bijbehorende omschrijving en dit lid.
Artikel 7.5.2 Inhoud kindpakket
[vervallen]
Paragraaf 7.6 Zorgkosten
Artikel 7.6.1 Collectieve zorgverzekering
[vervallen]
Artikel 7.6.2 Bijdrage voor mensen met een chronische ziekte of beperking
[vervallen]
Artikel 7.6.3 Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen
[Wmo]
De gemeente kan aan inwoners met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, en die een inkomen hebben lager dan 120% van het wettelijk minimumloon, een tegemoetkoming vertrekken ter ondersteuning van zelfredzaamheid en participatie.
Paragraaf 7.7 Schulddienstverlening
Artikel 7.7.1 Samenwerking en toegang
1De gemeente werkt samen met andere organisaties om te voorkomen dat inwoners problematische schulden opbouwen.
2De gemeente zorgt ervoor dat inwoners op een eenvoudige manier om hulp kunnen vragen bij het vinden van een oplossing voor schulden.
3De gemeente informeert inwoners over de hulp die zij kan aanbieden en zorgt ervoor dat die hulp ook echt beschikbaar is.
4De gemeente sluit geen enkele inwoner bij voorbaat uit van hulp. Een uitzondering op die regel is de inwoner die geen geldige verblijfstitel heeft.
Artikel 7.7.2 Schuldhulpverlening en budgetbeheer
1De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner die hulp kan krijgen bij het oplossen van schulden, die hulp zo snel mogelijk krijgt.
2De hulp die de gemeente geeft, past bij het financiële probleem van de inwoner. Eén van de mogelijkheden die de gemeente kan aanbieden is hulp bij het regelen van de inkomsten en uitgaven (budgetbeheer). Budgetbeheer is erop gericht dat de inwoner orde krijgt in de financiële huishouding en daardoor zijn uitgaven kan betalen.
Artikel 7.7.3 Besluit
1De gemeente informeert de inwoner die hulp kan krijgen over de manier waarop de hulp wordt gegeven.
2De beschikking tot schuldhulpverlening of de afwijzing ervan wordt genomen binnen een termijn van 8 weken na de dag waarop het eerste gesprek heeft plaatsgevonden.
3De gemeente stuurt iedere inwoner die geen hulp kan krijgen een brief waarin staat waarom er geen hulp wordt gegeven.
Hoofdstuk 8 Afspraken tussen inwoner en gemeente
Paragraaf 8.1 Hoe gaan we met elkaar om?
Artikel 8.1.1 De rol van de gemeente
1De gemeente zoekt samen met de inwoner naar een oplossing voor zijn probleem. Gemeente en inwoner gaan daarbij op een respectvolle manier met elkaar om. De gemeente zorgt voor het volgende:
a.Voor de inwoner is het duidelijk wie er namens de gemeente contact met hem onderhoudt. De gemeente houdt het aantal contactpersonen zo beperkt mogelijk.
b.De inwoner heeft, om zijn probleem te bespreken, altijd recht op een gesprek op het gemeentehuis of bij de inwoner thuis.
c.De gemeente helpt de inwoner om zijn probleem bij een andere organisatie te bespreken, als het bieden van hulp bij dit probleem een taak is voor die organisatie.
d.Er zijn eenvoudige aanvraagformulieren beschikbaar voor de inwoner die een uitkering of voorziening nodig heeft en die wil aanvragen. Het is voor de inwoner duidelijk waar die aanvraagformulieren verkrijgbaar zijn.
e.De gemeente informeert de inwoner op een passende manier over procedures die worden gevolgd en zorgt ervoor dat deze procedures zo eenvoudig mogelijk zijn.
f.De gemeente respecteert de privacy van de inwoner.
g.De gemeente maakt binnen de wettelijke mogelijkheden gebruik van gegevens die al binnen de gemeente aanwezig zijn en vraagt alleen gegevens die nodig zijn voor het beoordelen van de hulpvraag.
2De gemeente reageert op een professionele manier op gedrag van de inwoner dat niet geaccepteerd wordt. De gemeente zorgt voor het volgende:
a.De inwoner wordt op tijd geïnformeerd over:
•zijn rechten en plichten;
•wat er van hem wordt verwacht;
•welk gedrag niet geaccepteerd wordt;
•wat de reactie van de gemeente is op gedrag dat niet geaccepteerd wordt; en
•waarom de gemeente tegen het gedrag optreedt.
b.De gemeente geeft de inwoner de kans om zijn mening te geven vóórdat de gemeente beslist om op het gedrag van de inwoner te reageren.
c.De reactie van de gemeente op ontoelaatbaar gedrag past bij:
•de ernst van het gedrag;
•de mate waarin dat de inwoner verweten kan worden; en
•de persoonlijke situatie van de inwoner.
d.De gemeente stuurt de inwoner een brief met daarin duidelijk vermeld wat de gemeente gaat doen als reactie op het gedrag, wat dit precies betekent voor de inwoner en wat de inwoner daartegen kan doen. De gemeente maakt de inwoner ook duidelijk op welke manier hij het gedrag kan aanpassen, zodat de relatie hersteld wordt en de gemeente de dienstverlening zal voortzetten (als die is stopgezet).
Artikel 8.1.2 De rol van de inwoner
1De inwoner is in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor het oplossen van zijn probleem. De gemeente vult de mogelijkheden van de inwoner en zijn sociale netwerk aan als dat nodig is. De inwoner zorgt voor het volgende:
a.de inwoner gaat eerst na welke mogelijkheden hij zelf heeft om zijn probleem op te lossen (eigen kracht).
b.als de gemeente hulp verleent werkt de inwoner mee aan de oplossing van zijn probleem.
c.de inwoner zorgt ervoor dat de hulp van de gemeente niet langer duurt dan nodig is.
2De inwoner werkt mee zodat snel duidelijk is op welke manier zijn probleem zo snel mogelijk kan worden opgelost. Dat betekent het volgende:
a.De inwoner informeert de gemeente zo snel en zo volledig mogelijk over alles wat van belang kan zijn voor het beoordelen van de hulpvraag, de persoonlijke situatie en de rechten en plichten van de inwoner. Dit geldt ook als de hulp al is toegekend.
b.De gemeente ontvangt alle documenten en bewijsstukken die zij nodig heeft zo snel mogelijk van de inwoner.
c.De inwoner brengt de gemeente zo snel mogelijk op de hoogte van zijn beperkingen, als die van belang zijn in het contact met de gemeente.
Paragraaf 8.2 Afspraken en verplichtingen
Artikel 8.2.1 Afstemming op houding en gedrag van de inwoner
[PW, IOAW, IOAZ, Awb]
1De gemeente verlaagt een uitkering als dat volgens de regels van de wet en deze verordening past bij de houding of het gedrag van de inwoner.
2Bij het nemen van een besluit tot het verlagen van een uitkering houdt de gemeente rekening met:
a.de ernst van het gedrag;
b.de mate waarin de inwoner het gedrag verweten kan worden; en
c.de persoonlijke situatie van de inwoner.
3Voordat een uitkering wordt verlaagd, geeft de gemeente de inwoner de kans om zijn mening te geven. De inwoner kan dat op de volgende manier doen:
a.telefonisch;
b.in een gesprek met de medewerker op het gemeentehuis;
c.schriftelijk;
d.via e-mail.
Artikel 8.2.2 Geen schuld en verjaring
[PW, IOAW, IOAZ, Awb]
De gemeente verlaagt de uitkering niet als het gedrag van de inwoner meer dan een jaar geleden heeft plaatsgevonden of als het gedrag hem niet te verwijten is.
Artikel 8.2.3 Ingangsdatum en periode verlaging
[PW, IOAW, IOAZ, Awb]
1De gemeente verlaagt de uitkering vanaf de kalendermaand na de maand waarin de gemeente het besluit tot verlaging aan de inwoner per brief bekend heeft gemaakt. Het is zeer goed mogelijk dat de verlaging al in dezelfde maand of over eerdere maanden wordt toegepast. Dat kan als de uitkering voor die maand(en) nog niet is uitbetaald.
2Soms kan de gemeente de uitkering niet of maar voor een deel verlagen omdat deze wordt beëindigd. Dan zal de gemeente het overgebleven deel van de verlaging alsnog opleggen als de inwoner binnen 12 maanden na de beëindiging opnieuw een uitkering gaat ontvangen.
Artikel 8.2.4 Berekening verlaging
[PW, IOAW, IOAZ, Awb]
1De verlaging is een percentage van de uitkeringsnorm die van toepassing is op de inwoner.
2Als de inwoner maandelijks bijzondere bijstand ontvangt, kan de gemeente de bijzondere bijstand verlagen met een percentage van de bijzondere bijstand. Gaat het om eenmalige bijzondere bijstand, dan kan de gemeente die bijstand weigeren als de bijstand nodig is vanwege verwijtbaar gedrag van de inwoner.
Artikel 8.2.5 Niet nakomen wettelijke arbeidsverplichtingen
[PW, Awb]
1De gemeente verlaagt de uitkering een maand als de inwoner een arbeidsverplichting uit artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet niet voldoende nakomt. Die verlaging is 100% van de uitkeringsnorm.
2Als een inwoner zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid van de wet, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid van de wet, bedraagt de verlaging honderd procent van de bijstandsnorm gedurende twee maanden.
Artikel 8.2.6 Niet nakomen andere arbeidsverplichtingen
Artikel 8.2.6.1 Gedrag Participatiewet
[PW, Awb]
Gedrag van een inwoner waardoor een verplichting op grond van de artikelen 9, 9a en 55 en 56a van de wet niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:
a.eerste categorie:
het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie;
b.tweede categorie:
1ehet niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a van de wet;
2ehet onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9, eerste lid 55 en 56a van de wet, voor zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na een melding als bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde lid van de wet, voor zover deze verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, vierde lid van de wet;
3ehet niet of niet tijdig voldoen aan een oproep om op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen, in verband met arbeidsinschakeling;
4ehet uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de wet niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de wet;
5ehet niet of onvoldoende verrichten van een door de gemeente opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c van de wet;
6egeen uitvoering geven aan de door de gemeente opgelegde verplichting om ingeschreven te staan bij drie uitzendbureaus;
c.derde categorie:
het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen in de gemeente van inwoning voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid van de wet.
Artikel 8.2.6.2 Gedragingen IOAW en IOAZ
[IOAW, IOAZ, Awb]
Gedrag van een inwoner waardoor een verplichting op grond van de artikelen 37 en 38 IOAW of de artikelen 37 en 38 IOAZ niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:
a.eerste categorie:
het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie;
b.tweede categorie:
1ehet niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling;
2ehet niet of onvoldoende gebruik maken van een door de gemeente aangeboden voorziening als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e IOAW of de artikelen 36, eerste lid, en artikel 37, eerste lid, onderdeel e IOAZ, voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening;
3ehet uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e IOAW of artikel 37, eerste lid, onderdeel e IOAZ niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 38, eerste lid IOAW of artikel 38, eerste lid IOAZ;
4ehet niet of onvoldoende verrichten van een door de gemeente opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel f IOAW of artikel 37, eerste lid, onderdeel f IOAZ;
5egeen uitvoering geven aan de door de gemeente opgelegde verplichting om ingeschreven te staan bij drie uitzendbureaus.
c.derde categorie:
1ehet niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen;
2ehet niet of onvoldoende gebruik maken van een door de gemeente aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e IOAW en de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e IOAZ, voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening;
3egedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren als bedoeld in
Artikel 20, eerste lid, onder a of b, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 20, tweede lid, onder a of b, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.
Artikel 8.2.7 Hoogte en duur van de maatregel
1De maatregel, bij gedragingen als bedoeld in de artikelen 8.2.6.1 en 8.2.6.2, wordt vastgesteld op:
a.20% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de eerste categorie;
b.50% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de tweede categorie;
c.100% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de derde categorie.
2De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt verdubbeld, indien de inwoner zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd opnieuw schuldig maakt aan een eenzelfde verwijtbare gedraging uit dezelfde of een hogere categorie. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd, wordt gelijk gesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, als bedoeld in artikel 6, tweede lid.
3Indien binnen twaalf maanden na de bekendmaking van het besluit waarbij een maatregel is opgelegd als genoemd in het eerste lid, inwoner zich nog tweemaal schuldig maakt aan een eenzelfde verwijtbare gedraging uit dezelfde of een hogere categorie, dan wordt door de gemeente aan de inwoner een maatregel opgelegd van honderd procent van de bijstandsnorm gedurende maximaal drie maanden. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 8.2.2.
Artikel 8.2.8 Stoppen verlaging (inkeerregeling)
[PW, IOAW, IOAZ, Awb]
De gemeente kan de verlaging stoppen (niet uitvoeren) als uit houding en gedrag van de inwoner overduidelijk blijkt dat hij alsnog de arbeidsverplichtingen nakomt. De inwoner moet de gemeente zelf verzoeken om de verlaging te stoppen. Hij kan het verzoek per brief of e-mail indienen nadat het besluit om de uitkering te verlagen is genomen.
Artikel 8.2.9 Te weinig besef van verantwoordelijkheid
[PW, Awb]
1De gemeente verlaagt de uitkering van een inwoner die zich te weinig realiseert dat hij zelf verantwoordelijk is voor zijn eigen levensonderhoud. De verlaging wordt afgestemd op het benadelingsbedrag tenzij dit niet kan worden vastgesteld.
2De maatregel wordt vastgesteld op 20% van de bijstandsnorm gedurende één maand indien het benadelingsbedrag niet kan worden vastgesteld.
3De maatregel wordt vastgesteld op 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand indien sprake is van een benadelingsbedrag.
4Indien het bedrag van de maatregel op grond van het derde lid hoger zou zijn dan het benadelingsbedrag, is het bedrag van de maatregel, in afwijking van het derde lid, gelijk aan het benadelingsbedrag doch niet lager dan 20% van de bijstandsnorm.
5De duur van de maatregel als bedoeld in het tweede lid en derde lid wordt met één maand verlengd, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd opnieuw een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan betoont. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd, wordt gelijk gesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, als bedoeld in artikel 6, tweede lid.
6Onder tekortschietend besef voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in het eerste lid wordt onder andere verstaan:
a.het niet alles in het werk stellen om een boedelscheiding tot stand te brengen;
b.het verkopen van de woning beneden de WOZ-waarde;
c.het te snel interen van vermogen;
d.onder bedeling bij echtscheiding;
e.te late of geen aanvaarding van een voorliggende voorziening;
f.het door eigen schuld verliezen van het recht op een uitkering;
g.het feitelijk niet kunnen beschikken over een voorliggende voorziening omdat een bestuurlijke boete daarmee is verrekend zonder rekening te houden met de beslagvrije voet vanwege recidive;
h.bij nadere overeenkomst afstand doen van door de rechter toegekende alimentatie;
i.het niet hebben van een op grond van de Zorgverzekeringswet verplichte basisverzekering.
j.het door eigen gedrag niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid.
Artikel 8.2.10 Onacceptabel gedrag
[PW, IOAW, IOAZ, Awb]
1Als een inwoner zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de wet als bedoeld in artikel 9, zesde lid van die wet, wordt een maatregel opgelegd van 50% van de bijstandsnorm gedurende één maand.
2Als een inwoner zich zeer ernstig misdraagt tegenover de gemeente, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de IOAW of IOAZ, wordt een maatregel opgelegd van 50% van de bijstandsnorm gedurende één maand.
3De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt verdubbeld, indien de inwoner zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd opnieuw schuldig maakt aan een eenzelfde verwijtbare gedraging.
4Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd, wordt gelijk gesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen als bedoeld in artikel 8.2.2.
5Onder zeer ernstige misdragingen als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt onder andere verstaan:
a.extreem verbaal geweld;
b.discriminatie;
c.ernstige intimidatie (uitoefenen van psychische druk);
d.zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);
e.mensgericht fysiek geweld;
f.overige/combinatie van agressievormen.
Artikel 8.2.11 Niet nakomen van andere verplichtingen
[PW, Awb]
1Als een inwoner een door de gemeente opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 55 van de wet niet of onvoldoende nakomt, wordt een maatregel opgelegd. De maatregel wordt vastgesteld op:
a.20% van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling;
b.20% van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand;
c.40% van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand;
d.100% van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand.
2Als een inwoner een door de gemeente opgelegde budgetteringsplicht als bedoeld in artikel 57, onderdeel a van de wet niet of onvoldoende nakomt, wordt een maatregel opgelegd van 20% van de bijstandsnorm gedurende één maand.
3De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt verdubbeld, indien de inwoner zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd opnieuw schuldig maakt aan een eenzelfde verwijtbare gedraging. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd, wordt gelijk gesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, als bedoeld in artikel 6, tweede lid.
4Indien binnen twaalf maanden na de bekendmaking van het besluit waarbij een maatregel is opgelegd als genoemd in het eerste lid, de inwoner zich nog tweemaal schuldig maakt aan een eenzelfde verwijtbare gedraging, dan wordt door de gemeente aan de inwoner een maatregel opgelegd van honderd procent van de bijstandsnorm gedurende maximaal drie maanden. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 8.2.2.
Artikel 8.2.12 Samenloop van gedragingen
[PW, IOAW, IOAZ, Awb]
1Gedrag waardoor de inwoner meerdere verplichtingen uit deze paragraaf niet nakomt, leidt tot één verlaging. De grootste verlaging die van toepassing is voor het gedrag geldt dan, en ook de duur die bij die verlaging hoort.
2Als sprake is van meerdere gedragingen die ertoe leiden dat één of meer verplichtingen niet worden nagekomen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig of - als dat niet mogelijk is - na elkaar opgelegd.
Artikel 8.2.13 Herhaling (recidive)
[PW, IOAW, IOAZ, Awb]
De duur van de verlaging wordt verdubbeld als de uitkering binnen twaalf maanden na de datum van het besluit waarmee de verlaging is opgelegd opnieuw wordt verlaagd. De duur wordt ook verdubbeld als de gemeente de eerdere verlaging vanwege dringende redenen van de inwoner heeft gewijzigd in € 0,- (nihil). Een verlaging op grond van artikel 8.2.5 kan maximaal 3 maanden worden verlaagd.
Paragraaf 8.3 Terugvorderen uitkering
Artikel 8.3.1 Terugvordering en incasso
[PW, IOAW, IOAZ, Gemeentewet]
1De gemeente vordert gemeentelijke uitkeringen terug in de gevallen die in de wet zijn beschreven en doet dat volgens de regels van de wet. De gemeente vordert niet terug als terugvordering onaanvaardbare gevolgen heeft voor de inwoner.
2Bij de incasso zorgt de gemeente ervoor dat inwoners een inkomen blijven houden dat past bij hun persoonlijke situatie. Dit inkomen is in ieder geval gelijk aan of hoger dan de beslagvrije voet.
3De gemeente stelt beleidsregels vast voor de verdere uitvoering van Terugvordering en Verhaal.
Paragraaf 8.4 Beëindigen en terugvorderen voorziening
Artikel 8.4.1 Beëindiging voorziening
[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Gemeentewet]
1De gemeente kan een besluit om een voorziening toe te kennen, herzien of intrekken als:
a.de inwoner of de werkgever onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en het verstrekken van de juiste of volledige gegevens zou tot een ander besluit hebben geleid;
b.de voorziening niet langer effectief, passend of nodig is;
c.de inwoner of de werkgever niet langer voldoet aan voorwaarden en verplichtingen die aan de voorziening zijn verbonden;
d.de gemeente niet langer kan vaststellen of een voorziening kan worden voortgezet, omdat de inwoner of de werkgever onvoldoende meewerkt aan een onderzoek naar het recht op de voorziening;
e.de voorziening voor een ander doel wordt gebruikt dan bedoeld;
f.de voorziening niet naar behoren wordt gebruikt;
g.het om een pgb gaat en het pgb niet binnen zes maanden na uitbetaling is gebruikt om een voorziening te betalen waarvoor het pgb is toegekend.
2Gaat het om een voorziening die aan de werkgever is verstrekt, dan kan de gemeente een toekenningsbesluit herzien of intrekken in de gevallen die in het eerste lid zijn genoemd.
3De gemeente kan een besluit om Wmo-hulp toe te kennen intrekken als de inwoner langer dan 13 weken verblijft in een Wlz-instelling of een instelling in het kader van de Zorgverzekeringswet.
Artikel 8.4.2. Terugvordering voorziening
[Wmo, Burgerlijk Wetboek, Gemeentewet]
1Als de gemeente een besluit om een voorziening toe te kennen heeft herzien of ingetrokken omdat de inwoner of de werkgever onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt, dan kan de gemeente de geldswaarde van de voorziening die ten onrechte is verstrekt, vorderen van de inwoner of de werkgever. Gaat het om een Wmo-voorziening, dan kan de gemeente de geldswaarde alleen terugvorderen als de inwoner opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt.
2Als de gemeente een besluit om een voorziening toe te kennen heeft ingetrokken, dan kan deze voorziening van de inwoner of de werkgever worden teruggevorderd als het om een product gaat dat in eigendom of in bruikleen is verstrekt.
Artikel 8.4.3 Opschorten pgb
[Jeugdwet, Wmo]
De gemeente kan gemotiveerd aan de SVB vragen om de uitbetaling uit het pgb helemaal of gedeeltelijk uit te stellen voor een periode van maximaal dertien weken totdat een besluit is genomen om het pgb weer voort te zetten of in te trekken. Dit kan de gemeente doen als:
a.de inwoner onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt, terwijl het verstrekken van de juiste of volledige informatie zou hebben geleid tot een andere beslissing van de gemeente;
b.de inwoner niet voldoet aan de voorwaarden die hoorden bij het ontvangen van het pgb; of
c.de inwoner het pgb niet of voor een ander doel heeft gebruikt.
Paragraaf 8.5 Hoe controleert de gemeente of de afspraken worden nagekomen?
Artikel 8.5.1 Uitgangspunten
[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Gemeentewet]
Om de doelen van de wetten te bereiken, is het belangrijk, dat inwoners hun verplichtingen nakomen en dat de gemeente inwoners daarbij helpt. De gemeente doet dat door:
a.professionele dienstverlening en een passende administratieve organisatie;
b.begrijpelijke informatie aan de inwoner te geven over rechten en plichten;
c.procedures zo in te richten, dat de kans op fraude wordt beperkt;
d.inwoners met een bijstandsuitkering op een passende manier te begeleiden op weg naar betaald of onbetaald werk;
e.samen te werken met andere organisaties, zoals UWV, maatschappelijke organisaties en andere gemeenten;
f.inwoners die hun verplichtingen niet nakomen op een passende manier te sanctioneren.
Artikel 8.5.2 Controle
[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ]
1De gemeente controleert regelmatig of de inwoner recht heeft op Hulp-op-maat en of hij de Hulp-op-maat heeft aangevraagd of ontvangt. De gemeente kan daarvoor gebruik maken van:
a.huisbezoeken: medewerkers van de gemeente gaan langs bij de inwoner en kijken in en om de woning. De gemeente kan een huisbezoek aankondigen, maar dat hoeft niet;
b.bestandsvergelijkingen: de gemeente vergelijkt de gegevens van de inwoner met de gegevens die bekend zijn over deze inwoner bij andere organisaties, zoals bij UWV, de Belastingdienst en andere gemeenten;
c.signalen en tips van organisaties of particulieren;
d.andere passende onderzoeksmethoden.
2De controle van de voorzieningen is ook bedoeld om de kwaliteit van de voorziening te beoordelen, de rechtmatigheid en om te kijken of de voorziening op de juiste manier en voor het juiste doel wordt gebruikt.
3Bij de controle van uitkeringen en voorzieningen zorgt de gemeente ervoor dat de regels die horen bij de opsporing van strafbare feiten worden nageleefd.
4Bij beëindiging van de uitkering of voorziening op verzoek van de inwoner, onderzoekt de gemeente wat de reden is van de beëindiging. De gemeente gaat ook na of de uitkering of voorziening tot de einddatum terecht is verstrekt.
Artikel 8.5.3. Voorkomen van fraude
[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ]
De gemeente streeft ernaar om fraude te voorkomen (preventie). Daarom informeert de gemeente inwoners op een gepaste manier over rechten en plichten en over de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van uitkeringen en voorzieningen.
Artikel 8.5.4 Beleidsplan en beleidsverslag
[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ]
1De gemeente legt in een beleidsplan vast hoe de gemeente fraudebestrijding aanpakt en ervoor zorgt dat inwoners zich zo goed mogelijk aan de regels houden (handhaving).
2In het beleidsplan staat in ieder geval:
a.wat de gemeente doet om fraude te voorkomen;
b.wanneer en hoe de gemeente inwoners informeert over rechten en plichten (voorlichting);
c.welke onderzoeksmethoden wanneer kunnen worden ingezet; en
d.hoe de gemeente samenwerkt met andere organisaties om fraude tegen te gaan.
3De gemeente stelt na afloop van de periode waarvoor het beleidsplan is bedoeld, een beleidsverslag vast. Daarin beschrijft de gemeente of de gestelde doelen voor dat jaar zijn behaald en de redenen waarom dat wel of niet is gebeurd.
Artikel 8.5.5 Privacy
[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ]
1De gemeente stelt voor onderzoeksmethoden die vaak worden toegepast protocollen op. Het gaat in ieder geval om protocollen voor de inzet van huisbezoeken en buurtonderzoeken.
2De protocollen moeten ervoor zorgen dat er geen ongeoorloofde inbreuk op het privéleven van inwoners plaatsvindt. De gemeente maakt de protocollen openbaar.
3Bij het uitvoeren van onderzoek zorgt de gemeente ervoor dat inbreuk op persoonlijkheidsrechten, zoals op de bescherming van het privéleven, niet verder gaat dan wat noodzakelijk, passend en wettelijk toegestaan is.
Artikel 8.5.6 Toezichthouders
[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Awb]
De gemeente wijst een of meer medewerkers aan die de taak hebben erop toe te zien dat de wetten en de bijbehorende regels worden nageleefd.
Hoofdstuk 9 Inwonersparticipatie
Paragraaf 9.2 Adviesraad Sociaal Domein
Artikel 9.2.1 Taken en bevoegdheden Adviesraad Sociaal Domein
[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Gemeentewet]
1De Adviesraad Sociaal Domein adviseert de gemeente over onderwerpen die betrekking hebben op (wijzigingen over) de hoofdlijnen van het beleid Sociaal Domein.
2De gemeente zorgt ervoor, dat:
a.het moment waarop inspraak kan worden gegeven de Adviesraad Sociaal Domein voldoende mogelijkheden geeft om invloed te hebben op plannen van de gemeente met betrekking tot het beleid; en
b.de Adviesraad Sociaal Domein deskundig wordt ondersteund door een medewerker van de gemeente, om de Adviesraad Sociaal Domein te helpen zijn werk goed te doen.
3De Adviesraad Sociaal Domein zorgt ervoor dat adviezen op tijd worden gegeven, zodat de gemeente deze adviezen kan betrekken bij voorgenomen besluiten. Hierbij wordt de volgende termijn gehanteerd:
a.Twee weken voor zaken van beperkte omvang of waarbij de Adviesraad in het voortraject betrokken is geweest.
b.Vier weken voor advies voor zaken van grotere omvang dan wel waarbij de Adviesraad niet bij betrokken is geweest.
4De Adviesraad Sociaal Domein kan ongevraagd voorstellen doen aan de gemeente over verandering van beleid, regels of de uitvoering daarvan.
5De gemeente neemt adviezen van de Adviesraad Sociaal Domein over of wijst de adviezen gemotiveerd af. Gaat het om besluiten van de gemeenteraad, dan worden het advies van de Adviesraad Sociaal Domein en de reactie van de gemeente (burgemeester en wethouders) aan de gemeenteraad gestuurd, zodat deze informatie bij de besluitvorming kan worden betrokken.
6De Adviesraad Sociaal Domein kan geen klachten, bezwaarschriften of andere onderwerpen bespreken die over individuele personen gaan.
7Ieder lid van de Adviesraad Sociaal Domein kan onderwerpen op de agenda van een vergadering zetten.
8De Adviesraad Sociaal Domein en de gemeente kunnen zelf regels maken over de manier waarop de adviesraad zijn werk doet.
9De leden van de Adviesraad Sociaal Domein ontvangen jaarlijks een vergoeding voor de werkzaamheden. De totale maximale vergoeding voor de Adviesraad wordt jaarlijks op basis van een ingediende begroting door de gemeente vastgesteld.