Aanhef
Het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester
gelet op de artikelen 20, 21 en 22 van de Wet op de lijkbezorging
overwegende dat het aanbeveling verdient regels te stellen voor de uitvoering van uitvaarten op kosten van de gemeente Zevenaar
BESLUIT:
vast te stellen de “Beleidsregels uitvoering uitvaart op kosten van de gemeente Zevenaar”.
2. Fase 1: Van melding tot uitvaart
2.4 Onderzoek naar nabestaanden
2.5 Onderzoek naar testament
De aanwezigheid van een testament wordt onderzocht. Uit het testament kunnen nabestaanden naar voren komen en bovendien kan uit het testament blijken op welke wijze de uitvaart moet plaatsvinden.
De gemeente mag alleen vragen of er een testament aanwezig is, en zo ja, of daar een wens in is uitgesproken voor de lijkbezorging en of er een executeur benoemd is.
Het Centraal Testamentenregister (CTR) is een landelijk register te Den Haag waarin wordt bijgehouden door wie, wanneer en bij welke notaris een testament is opgemaakt. Het CTR geeft geen inzage in de inhoud van het testament, maar beantwoordt wel de vraag of een overledene een testament heeft en bij welke notaris het zich bevindt. Via het testament kunnen nabestaanden worden achterhaald en/of er wat is geregeld of beschreven voor de uitvaart en nalatenschap. Parralel aan het verzoek om informatie bij het CTR wordt omwille van de tijd wel doorgegaan met de andere voorbereidende acties voor een uitvaart op gemeentekosten.
Beleidsregel 5: De gemeente onderzoekt of er sprake is van een testament.
2.6 Huisbezoek
Indien het bureauonderzoek geen of onvoldoende aanknopingspunten biedt, kan de gemeente besluiten de woning van de overledene te doorzoeken. Over een huisbezoek staan geen regels in de Wlb opgenomen. Er dient altijd eerst een belangenafweging plaats te vinden tussen enerzijds de openbare orde en de verantwoordelijkheid voor een correcte lijkbezorging en het respect voor en de wensen van de overledene.
Het binnentreden in de woning van een overledene, waarvan geen nabestaande(n) bekend zijn of waarvan nabestaanden de uitvaart niet ter hand willen nemen en waarvan de gemeente de uitvaart dus moet verzorgen, kan noodzakelijk zijn en behoort tevens tot de uitvoering van een wettelijke taak. De grondslag hiervoor is artikel 21 (en in een latere fase ook artikel 22) van de Wlb, in combinatie met artikel 2 van de Algemene wet op het binnentreden. In artikel 5:27 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht staat binnentreden ook benoemd. De burgemeester kan een machtiging afgeven voor het betreden van een woning om een huisbezoek af te leggen.
Tevens worden, indien mogelijk, de bank van de overledene (indien bekend) en een eventuele verhuurder op de hoogte gebracht van het overlijden.
Beleidsregel 6: De gemeente kan een huisbezoek afleggen als er geen opdracht voor de uitvaart is gegeven door nabestaanden.
Als er wordt besloten de woonruimte van de overledene te betreden, wordt dit altijd gedaan door twee ambtenaren van de gemeente. Voordat de woning wordt betreden, kan de politie en/of eventuele verhuurder en zo mogelijk nabestaanden hierover geïnformeerd worden.
De ambtenaren van de gemeente Zevenaar, die een dergelijk huisbezoek afleggen, zijn hiertoe gemachtigd door de burgemeester. De bevindingen worden direct na het bezoek in een rapportage vastgelegd. Ook gemaakte foto’s worden in de rapportage opgenomen.
Een huisbezoek vindt alleen plaats als de overledene niet meer aanwezig is. Tijdens een huisbezoek wordt zorgvuldig te werk gegaan. De gemeente gaat bij een huisbezoek op zoek naar informatie over familieleden, vrienden of kennissen en mogelijke wensen betreffende een uitvaart.
Daarnaast kan tijdens een huisbezoek de woning van de overledene veilig worden gesteld. Daarmee wordt het dichtdraaien van de gas-/waterkraan, opnemen van de stroomstanden, weghalen van houdbare producten etc. bedoeld.
Beleidsregel 7: De woonruimte van de overledene wordt alleen betreden voor onderzoek naar informatie en het veiligstellen van de woning en alleen door twee, daartoe gemachtigde, ambtenaren van de gemeente.
2.7 Nabestaanden verzoeken de uitvaart te regelen
Indien er nabestaanden bekend zijn, dan verzoekt de gemeente de nabestaanden de uitvaart te verzorgen. Dit geldt ook voor degene met wie de overledene tot zijn/haar dood duurzaam heeft samengewoond.
Het uitgangspunt van de Wlb is dat het verzorgen van de uitvaart een particuliere verantwoordelijkheid is. Nabestaanden kunnen daarop worden gewezen en met klem worden verzocht hun verantwoordelijkheid te nemen.
De gemeente tracht alle nabestaanden tot en met de tweede graad van bloedverwantschap bij voorkeur telefonisch, en anders via bezoek, te benaderen.
Aarzelen nabestaanden om de uitvaart te verzorgen vanwege de financiële consequenties, dan wordt gewezen op de mogelijkheid tot beroep op bijzondere bijstand als het gaat om mensen met een laag inkomen. Een beroep op de bijzondere bijstand wil niet per definitie zeggen dat men ook in aanmerking komt.
Vanwege de vereiste spoed moeten de nabestaanden snel beslissen over het al dan niet regelen van de uitvaart. De reactie moet uiterlijk 3 dagen na het overlijden worden bevestigd per brief of via de mail. Deze korte termijn wordt gesteld omdat de overledene in beginsel uiterlijk op de zesde werkdag na overlijden gecremeerd of begraven moet worden.
Geven de nabestaanden aan dat zij de uitvaart niet op zich nemen, dan is de burgemeester verantwoordelijk. Als geen opdracht door de nabestaanden wordt gegeven, dan wordt daarover gerapporteerd. Komen er na de uitvaart alsnog nabestaanden naar voren, dan worden de kosten, waar mogelijk, op deze nabestaanden verhaald.
Het bovenstaande geldt ook ten aanzien van degene met wie de overledene tot zijn dood duurzaam heeft samengewoond. Van duurzaam samenwonen is hier sprake als dit gelijk is te stellen aan een huwelijk of geregistreerd partnerschap. Indicaties hiervoor zijn o.a. de termijn van samenwonen, het al dan niet hebben van gezamenlijke kinderen, er geen sprake is van een situatie van huurder en verhuurder of van onderlinge inwoning.
Beleidsregel 8: De gemeente verzoekt nabestaanden om de uitvaart te regelen.
Soms is het niet realistisch nabestaanden te verzoeken de uitvaart op zich te nemen. Dat betreft nabestaanden die gedetineerd of in het buitenland buiten de aangrenzende buurlanden woonachtig zijn. Dit geldt ook voor nabestaanden waarvan het adres onbekend is of van wie de persoonslijst van de Basis Registratie Personen (BRP) is opgeschort wegens ‘vertrek onbekend waarheen’.
De gemeente gaat dan zelf over tot lijkbezorging.
Beleidsregel 9: In afwijking van beleidsregel 8 worden nabestaanden in detentie of wonende in het buitenland buiten de aangrenzende buurlanden niet benaderd om de uitvaart te regelen.
3. Fase 2: Rondom de uitvaart
3.1 Cremeren, begraven of ter beschikking stellen van de wetenschap
De burgemeester is verantwoordelijk voor de lijkbezorging en dient de wens van de overledene te respecteren voor wat betreft de wijze waarop dit plaatsvindt. Artikel 18, lid 1 van de Wlb geeft hieraan uiting met de volgende bepaling: ‘De lijkbezorging geschiedt overeenkomstig de wens of de vermoedelijke wens van de overledene, tenzij dat redelijkerwijs niet gevergd kan worden’. Dit kan alleen begraven, cremeren of ter beschikking stellen van de wetenschap zijn. Andere vormen zijn wettelijk gezien niet mogelijk.
Door middel van een codicil of testament kan de overledene aangeven hebben welke vorm van lijkbezorging gekozen moet worden. Het is ook denkbaar dat op andere wijze de wens voor één van deze vormen is vastgelegd of uit andere bronnen deze wens blijkt. Ter beschikking stellen van een stoffelijk overschot aan de wetenschap kan slechts als de overledene dit uitdrukkelijk had vastgelegd (artikel 21, lid 1 Wlb).
Beleidsregel 10: De gemeente houdt rekening met de wens van de overledene indien deze tijdig bekend is en voor zover dit redelijkerwijs kan worden gevergd.
Zijn er geen concrete aanwijzingen over de wens van de overledene, dan wordt in beginsel gekozen voor cremeren.
Na de crematie dient de as minimaal een maand bewaard te worden (artikel 59, lid 1 Wlb). Na 6 maanden wordt de as uitgestrooid. Het uitstrooien van de as vindt in beginsel plaats op een uitstrooiveld van een van de aangewezen gemeentelijke begraafplaatsen.
Melden zich in deze tijd (binnen 6 maand na crematie) nabestaanden tot en met de 2e graad, dan kan de asbus alsnog ter beschikking worden gesteld.
Beleidsregel 11: Lijkbezorgingen in opdracht van de gemeente vinden in beginsel plaats in de vorm van een crematie.
In afwijking van beleidsregel 11 geeft de gemeente opdracht tot begraving als:
•de identiteit van de overledene niet bekend is, of
•er sprake is van een misdrijf, of
•als een zwaarwegende geloofsovertuiging van de overledene zich tegen een crematie verzet, of
•als aantoonbaar vast komt te staan dat het de wens van de overledene is om zijn lichaam te laten begraven.
Beleidsregel 12: De gemeente kan in afwijking van beleidsregel 11 overgaan tot begraving in een algemeen graf op een gemeentelijke begraafplaats.
Bij begraven blijft de gemeente in beginsel rechthebbende op het graf. Er is in die situatie geen mogelijkheid tot het (later) plaatsen van een grafmonument of een andersoortig gedenkteken. Het graf kan na de duur van 10 jaar geruimd worden.
Ook rondom een begrafenis van gemeentewege gelden de daarop betrekking hebbende verordeningen en aanverwante regelgeving.
Beleidsregel 13: Bij een begrafenis van gemeentewege op een gemeentelijke begraafplaats blijft in beginsel de gemeente rechthebbende op het graf.
Het is mogelijk dat bij naspeuring of uit de administratie van de overledene blijkt dat deze een (kapitaal) uitvaartverzekering heeft afgesloten. Is dit het geval, dan vraagt de gemeente de uitvaartverzorger deze gelden, indien van toepassing, tot maximaal de hoogte van de kosten van een uitvaart op gemeentelijke kosten te innen en te verrekenen met de uitvaartfactuur.
Mocht de overledene een naturaverzekering hebben dan worden de kosten voor een gemeentelijke uitvaart gedekt uit een landelijk met verzekeraars overeengekomen uitkeringsbedrag.
Beleidsregel 14: De gemeente geeft de uitvaartverzorger opdracht de uitvaart op zich te nemen en te onderzoeken of er sprake is van een (kapitaal)uitvaartverzekering.
Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als “Beleidsregels uitvoering uitvaart op kosten van de gemeente Zevenaar”.
Deze beleidsregels treden in werking op de dag na bekendmaking.
Bijlage 1: Samenvatting beleidsregels uitvoering uitvaart op kosten van de gemeente Zevenaar
Fase 1: Van melding tot uitvaart.
Beleidsregel 1: De opdracht tot uitvaart wordt uiterlijk op de vierde werkdag na het overlijden gegeven.
Beleidsregel 2: Als na melding van overlijden niet duidelijk is of en zo ja, wie opdracht geeft tot lijkbezorging, maakt de gemeente met de uitvaartverzorger of de mortuariumbeheerder de afspraak zorg te dragen voor het verplaatsen van de overledene en alleen de eerste verzorging te realiseren.
Beleidsregel 3: Het onderzoek naar nabestaanden strekt zich in beginsel niet verder uit dan tot en met de tweede graad van bloedverwantschap.
Beleidsregel 4: De gemeente verricht zorgvuldige, maar geen bovenmatige inspanningen om nabestaanden op te sporen.
Beleidsregel 5: De gemeente onderzoekt of er sprake is van een testament.
Beleidsregel 6: De gemeente kan een huisbezoek afleggen als er geen opdracht voor de uitvaart is gegeven door nabestaanden.
Beleidsregel 7: De woonruimte van de overledene wordt alleen betreden voor onderzoek naar informatie en alleen door twee, daartoe gemachtigde, ambtenaren van de gemeente.
Beleidsregel 8: De gemeente verzoekt nabestaanden om de uitvaart te regelen.
Beleidsregel 9: In afwijking van beleidsregel 8 worden nabestaanden in detentie of wonende in het buitenland buiten de aangrenzende buurlanden niet benaderd om de uitvaart te regelen.
Fase 2: Rondom uitvaart.
Beleidsregel 10: De gemeente houdt rekening met de wens van de overledene indien deze tijdig bekend is en voor zover dit redelijkerwijs kan worden gevergd.
Beleidsregel 11: Lijkbezorgingen in opdracht van de gemeente vinden in beginsel plaats in de vorm van een crematie.
Beleidsregel 12: De gemeente kan in afwijking van beleidsregel 11 overgaan tot begraving in een algemeen graf op een gemeentelijke begraafplaats.
Beleidsregel 13: Bij een begrafenis van gemeentewege op een gemeentelijke begraafplaats blijft in beginsel de gemeente rechthebbende op het graf.
Beleidsregel 14: De gemeente geeft de uitvaartverzorger opdracht de uitvaart op zich te nemen en te onderzoeken of er sprake is van een (kapitaal)uitvaartverzekering.
Beleidsregel 15: De gemeente hanteert het uitgangspunt van de Wlb betreffende een sobere maar respectvolle lijkbezorging.
Fase 3: na de uitvaart.
Beleidsregel 16: De gemeente maakt gebruik van de bevoegdheid de kosten van de uitvaart te verhalen.
Beleidsregel 17: De gemeente verhaalt de kosten van de uitvaart op de nalatenschap.
Beleidsregel 18: De gemeente verhaalt kosten voor de lijkbezorging op bloedverwanten tot en met de tweede graad.
Beleidsregel 19: De gemeente ziet af van verhaal op nabestaanden, indien het verhalen een ernstige inbreuk op de levenssfeer van die nabestaande(n) teweegbrengt of indien het verhalen van die kosten een onevenredige tijdsinspanning van de gemeente vergt.
Beleidsregel 20: De gemeente schakelt het Rijksvastgoedbedrijf in voor de afwikkeling van onbeheerde nalatenschappen.
Bijlage 2: artikelen 20, 21 en 22 van de Wlb
Artikel 20
Ingeval niemand maatregelen neemt tot lijkschouwing of lijkbezorging overeenkomstig de wet, waarschuwt degene, die het lijk onder zijn berusting heeft, de burgemeester en wel uiterlijk op de derde dag na het overlijden.
Artikel 21
1Indien niemand voorziet in de lijkschouwing en lijkbezorging overeenkomstig de wet, draagt de burgemeester daarvoor zorg. Aan hoofdstuk V wordt in dat geval geen toepassing gegeven, tenzij de overledene zijn lijk uitdrukkelijk tot ontleding heeft bestemd.
2Indien de toepassing van het voorgaand lid wordt verhinderd, doordat het lijk zich in een woning bevindt en de afgifte van het lijk of de toegang tot de woning wordt geweigerd, heeft de burgemeester of een ambtenaar van politie toegang tot die woning zonder toestemming van de bewoner, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is.
3Indien de identiteit van het lijk niet kan worden vastgesteld, draagt de burgemeester er, uitsluitend ten behoeve van de identificatie en opsporing van vermiste personen, zorg voor dat door of onder verantwoordelijkheid van een arts daarvan lichaamsmateriaal wordt afgenomen.
4Zo nodig kan tevens door of onder verantwoordelijkheid van een arts onderzoek in het lichaam worden verricht of een gebitsstatus worden opgemaakt of kunnen door een daartoe bevoegde ambtenaar van politie afdrukken van lichaamsdelen worden afgenomen.
5Het derde en vierde lid zijn niet van toepassing indien het de burgemeester bekend is dat daarin genoemde handelingen reeds in opdracht van de officier van justitie hebben plaatsgevonden.
6Een lijk als bedoeld in het derde lid wordt begraven.
Artikel 22
De kosten, verbonden aan de bezorging van lijken waarvoor de burgemeester zorg draagt, daaronder begrepen lijken die uit zee worden aangebracht, komen ten laste van de gemeente. Voor zover zij door de bij de lijken gevonden, niet klaarblijkelijk aan anderen toebehorende goederen of gelden niet kunnen worden gedekt, kan de gemeente die kosten verhalen op de nalatenschap en, bij ongenoegzaamheid van deze, op de bloed- en aanverwanten, die krachtens de artikelen 392-396 van Boek I van het Burgerlijk Wetboek tot onderhoud van de overledene verplicht zouden zijn geweest, dan wel de werkgever indien en voor zover kosten van de lijkbezorging op grond van artikel 720, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek voor diens rekening komen. Paragraaf 6.5 van de Participatiewet is voor zover mogelijk van overeenkomstige toepassing.