Aanhef
De raad van de gemeente Zeist;
gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 2 december 2025;
BESLUIT:
De Verordening Sociaal Domein Zeist vast te stellen en deze inwerking te laten treden op de dag na publicatie.
Iedereen kan wel eens een helpende hand gebruiken. Rond zelfstandig wonen, vervoer, eenzaamheid, opvoeden en opgroeien, huiselijk geweld, psychische problemen, enzovoort.
De gemeente en een heleboel andere organisaties in Zeist kunnen die helpende hand bieden. Om dat goed te kunnen doen, is een aantal regels nodig. Die regels staan in deze ‘verordening Sociaal Domein’.
Voorwoord
De gemeente heeft taken en verantwoordelijkheden om inwoners te helpen zelfstandig mee te kunnen doen in de maatschappij. Dat is geregeld in verschillende wetten. In deze verordening hebben we beschreven hoe we deze wetten uitvoeren.
We hebben geprobeerd deze verordening zoveel mogelijk in begrijpelijke taal te schrijven. Een verordening is een juridisch document. Dat betekent dat we in sommige artikelen toch begrippen moesten gebruiken die we niet goed in begrijpelijke taal konden beschrijven. In die gevallen hebben we gekozen voor de tekst die veel lijkt op de tekst die in de wet staat beschreven.
Als de tekst van de verordening vragen oproept, belt u ons dan via 14 030. Of mail uw vragen naar zeist@zeist.nl.
Voor verduidelijking van de begrippen die we gebruiken, wijzen we u op de begrippenlijst in Hoofdstuk 10 van deze verordening.
Hoofdstuk 2. De hulpvraag
2.1. Vragen om hulp, kan op verschillende manieren [Jeugdwet, Wmo]
2.1.1 Doel en procedure [Jeugdwet, Wmo]
Het doel van de melding is om de vraag met de inwoner te bespreken en te onderzoeken of er hulp nodig is. De gemeente bevestigt een melding binnen 10 werkdagen per brief, e-mail of telefonisch aan de inwoner en nodigt de inwoner daarbij uit voor een gesprek. In die uitnodiging maakt de gemeente duidelijk waar en wanneer het gesprek plaatsvindt en waarover het gesprek zal gaan. Ook geeft de gemeente de mogelijkheid om gratis gebruik te maken van een onafhankelijk persoon die bijvoorbeeld bij het gesprek aanwezig kan zijn (onafhankelijk cliëntondersteuner). De inwoner heeft de mogelijkheid om zelf een plan op te stellen waarin hij uitlegt hoe zijn persoonlijke situatie is en wat hij wil bereiken met zijn vraag (persoonlijk plan/ familiegroepsplan).
2.1.2 Gegevens die nodig zijn [Jeugdwet, Wmo]
De gemeente verzamelt met toestemming van de inwoner alle gegevens over de situatie van de inwoner die nodig zijn voor het onderzoeken van de ondersteuningsvraag. Als het gaat om gegevens die de gemeente zelf niet kan inzien, dan vraagt de gemeente aan de inwoner om die gegevens zo snel mogelijk te leveren of vraagt de gemeente deze met toestemming van de inwoner op, bij de betreffende bron.
Stap 2: Gesprek na de melding [Jeugdwet, Wmo]
2.2 Uitnodiging voor gesprek
2.2.1 Doel en procedure gesprek [Jeugdwet, Wmo]
Het doel van het gesprek is om een goed beeld te krijgen van de persoonlijke situatie van de inwoner, wat de hulpvraag precies inhoudt en wat de inwoner met de hulp wil bereiken. Als de inwoner een persoonlijk plan heeft gemaakt, dan betrekt de medewerker dit bij het gesprek. Als de inwoner dat wil, kan hij iemand (bijvoorbeeld een familielid) vragen om bij het gesprek aanwezig te zijn. De inwoner kan ook altijd een onafhankelijk cliëntondersteuner, zoals een medewerker van MEE of iemand van een patiëntenvereniging, een vakbond of ouderenbond inschakelen. Bijvoorbeeld als ondersteuning bij het formuleren van de hulpvraag. De medewerker neemt ook de inbreng van de onafhankelijk cliëntondersteuner mee.
2.2.2 Inhoud gesprek [Jeugdwet, Wmo]
1De medewerker bespreekt met de inwoner wat hij met de hulp wil bereiken. In dit gesprek onderzoekt de medewerker:
a.de behoefte van de inwoner: wat is de hulpvraag?
b.of er sprake is van problemen op het gebied van zelfredzaamheid, maatschappelijke participatie, het zich kunnen handhaven in de samenleving of bij het opgroeien en ontwikkelen van een jeugdige en zo ja welke;
c.wat er nodig is om de problemen op te lossen;
d.de (on)mogelijkheden van de inwoner: (hoe) kan de inwoner zelf bijdragen aan de oplossing van het probleem?
e.de omgeving van de inwoner: welke hulp kunnen huisgenoten, het sociale netwerk en/of maatschappelijke organisaties bieden?
f.de voorkeuren van de inwoner.
2De medewerker informeert de inwoner over de mogelijkheden van de gemeente om de persoonlijke situatie van de inwoner te verbeteren. Ook informeert de medewerker de inwoner over de mogelijkheden die er zijn om te kiezen voor een persoonsgebonden budget (pgb) of zorg in natura. De medewerker betrekt deze zaken bij het onderzoek naar de hulpvraag.
3De medewerker informeert de inwoner over het betalen van een eigen bijdrage voor bepaalde soorten hulp.
4Als de inwoner mantelzorg krijgt wordt de mantelzorger actief betrokken bij de procedure en verkent de gemeente of er maatregelen genomen moeten worden om de mantelzorger te ondersteunen.
2.2.3 Verslag
1Na het gesprek en eventueel aanvullend onderzoek stuurt de medewerker de inwoner een verslag van de uitkomsten van het onderzoek. Dit verslag wordt ook wel plan van aanpak genoemd.
2Uit het verslag blijkt wat de inwoner wil bereiken en hoe dat behaald kan worden (plan van aanpak). Daarbij wordt gekeken naar de korte en naar de lange termijn.
3De inwoner ondertekent het verslag en stuurt het ondertekende verslag terug aan de gemeente. Als de inwoner het niet eens is met het verslag, kan hij dat daarop aangeven en het voor gezien ondertekenen.
4Als de inwoner en de medewerker tijdens het gesprek samen vaststellen welke voorziening er nodig is, kan het voorkomen dat het plan van aanpak ter plekke wordt geschreven en ondertekend.
Stap 3: Verdere aanpak na aanvraag
2.3 Aanvraag [Jeugdwet, Wmo, Awb]
2.3.1 Beoordelen aanvraag [Jeugdwet, Wmo, Awb]
1Bij het beoordelen van de aanvraag neemt de gemeente alle gegevens mee die van belang zijn. Het gaat onder meer om gegevens over:
a.de behoeften van de inwoner;
b.de (on)mogelijkheden van de inwoner;
c.de persoonlijke situatie van de inwoner;
d.de mogelijkheden van het sociale netwerk, andere organisaties en de gemeente.
2Om te bepalen of de gemeente hulp verleent, volgt de gemeente de volgende stappen:
Stap 1: De gemeente stelt eerst samen met de inwoner vast wat de hulpvraag van de inwoner is.
Stap 2: De gemeente stelt hierna vast of er problemen/ omstandigheden zijn, en zo ja: welke problemen/ omstandigheden er precies zijn die hulp nodig maken.
Stap 3: De gemeente bepaalt welke hulp nodig is en hoeveel.
Stap 4: De gemeente onderzoekt wat de inwoner zelf kan doen om de problemen op te lossen (op eigen kracht), al dan niet met hulp uit het sociale netwerk en van andere voorzieningen, overige voorzieningen of organisaties.
Stap 5: De gemeente bepaalt welke (aanvullende) hulp nodig is om het probleem op te lossen en om te bereiken wat de inwoner wil bereiken.
3Voor iedere stap geldt, dat de gemeente de deskundigheid inzet die nodig is om de stap goed te kunnen afronden. Is er bijzondere deskundigheid/ kennis nodig, dan zet de gemeente die in. De gemeente vertelt de inwoner welke deskundigheid er op welk moment nodig is en ingezet wordt.
2.3.2 Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (Jeugdwet)
1Een individuele voorziening wordt niet verstrekt als de gemeente oordeelt dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(s) toereikend zijn om binnen de eigen mogelijkheden, zo nodig met inzet van het sociale netwerk of met ondersteuning van andere (hulpverlenende) instellingen, de hulp te bieden die passend is bij de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder(s).
2Tot het sociale netwerk behoren personen binnen de kring van familie, vrienden, kennissen en bekenden die van betekenis zijn voor – en bijdragen aan – het welzijn en welbevinden van de jeugdige of zijn ouder(s).
3Tot de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen behoort in elk geval het aanspreken van een zorgverzekering.
4Bij de beoordeling van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen, bedoeld in het eerste lid, vindt de gemeente, gelet op artikelen 82 en 247, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen, ook als sprake is van psychische problemen of stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of beperkingen, allereerst bij de ouder(s) zelf ligt en dat de hulp die daarvoor nodig is in beginsel ook door hen geleverd kan worden. Uit het onderzoek kan evenwel blijken dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) tekortschiet, omdat sprake is van:
a.geobjectiveerde beperkingen om noodzakelijke hulp te bieden;
b.een gebrek aan kennis of vaardigheden om noodzakelijke hulp te bieden; of
c.overbelasting of dreigende overbelasting, waardoor geen noodzakelijke hulp kan worden verwacht totdat deze belasting of dreigende overbelasting is opgeheven.
5Bij de beoordeling van het vierde lid, onder c, wordt ook vastgesteld welke mogelijkheden de ouder(s) hebben om de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen, waarbij redelijkerwijs verwacht mag worden dat de ouder(s) maatschappelijke activiteiten beperken en betaalde arbeid verminderen of anders organiseren om overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen. Hierbij houdt het college ook rekening met:
a.de behoefte en mogelijkheden van de jeugdige;
b.de duur van de inzet, waarbij als uitgangspunt geldt dat kortdurende inzet van niet langer dan 3 maanden in een jaar niet tot overbelasting leidt;
c.de planbaarheid van de hulp;
d.de benodigde ondersteuningsintensiteit;
e.de samenstelling van het gezin en de woonsituatie; en
f.de noodzaak van de ouder(s) om in een inkomen te voorzien.
2.3.3 Voorwaarden hulp op maat
1Vraagt de inwoner hulp op maat, dan gelden in ieder geval de volgende voorwaarden:
a.De voorziening is noodzakelijk om (één van) de doelen van de in 1.1 genoemde wetten te bereiken;
b.De inwoner heeft onvoldoende mogelijkheden om het gewenste effect op eigen kracht te bereiken. Hij kan dit effect ook onvoldoende bereiken met algemeen gebruikelijke voorzieningen of met de gebruikelijke hulp van huisgenoten, met hulp vanuit het sociale netwerk of met hulp van andere organisaties als bijvoorbeeld; vrijwilligersinzet of de maaltijdvoorziening.
c.De voorziening past bij wat de inwoner wil bereiken en de persoonlijke situatie van de inwoner.
d.De hulp op maat voorziening is voldoende in inzet en van kwaliteit, zodat de inwoner het gewenste resultaat kan bereiken.
e.De hulp op maat is niet luxer of duurder dan nodig is en duurt niet langer dan nodig is.
2De gemeente kan hulp-op-maat weigeren als de inwoner de hulpvraag had kunnen voorzien en kunnen voorkomen.
3De gemeente verstrekt geen hulp op maat als de kosten zijn gemaakt vóórdat de melding is gedaan. Hulp op maat kan alleen met terugwerkende kracht tot aan de datum van de melding (Wmo) of tot aan de datum van de aanvraag (Jeugdwet) worden toegekend als achteraf kan worden vastgesteld dat de hulp nodig was en dat de hulp ook geboden is.
2.3.4 Advisering [Jeugdwet, Wmo,]
De gemeente zorgt ervoor dat de medewerker die een melding of aanvraag behandelt de deskundigheid heeft die nodig is om deze melding of aanvraag goed te kunnen behandelen. Als de medewerker die deskundigheid niet heeft, zorgt de gemeente ervoor dat iemand die wel deskundig is een advies uitbrengt. Dit advies (deskundig oordeel) neemt de gemeente mee bij de beoordeling van de aanvraag.
2.3.5 Beslistermijn [Jeugdwet, Wmo]
1De gemeente neemt zo snel mogelijk een beslissing over de aangevraagde ondersteuning, nadat de aanvraag is ontvangen. De wettelijke beslistermijn voor een aanvraag voor jeugdhulp is 8 weken. De wettelijke beslistermijn voor een aanvraag voor Wmo-hulp-op maat is 2 weken.
2De beslissing kan langer op zich laten wachten als de inwoner niet voldoende gegevens heeft verstrekt of als er andere omstandigheden zijn waardoor de gemeente niet de mogelijkheid heeft snel een beslissing te nemen. Hierover wordt de betreffende inwoner altijd op de hoogte gesteld.
Stap 4. Beslissing
2.5 Bijzondere procedures/ uitzonderingen
2.5.1 Jeugdhulp via een arts of op last van een rechter [Jeugdwet, Awb]
1De gemeente zorgt ervoor dat de jongere jeugdhulp krijgt, als een huisarts, jeugdarts, medisch specialist, jeugdbeschermer of jeugdreclasseerder (werkzaam bij een gecertificeerde instelling) de jongere doorverwijst naar een jeugdhulpaanbieder.
Een overzicht van jeugdhulpaanbieders waar de gemeente een contract mee heeft is op te vragen bij de gemeente. Als een inwoner gebruik wil maken van een jeugdhulpaanbieder waar de gemeente geen contract mee heeft, is het nodig om contact op te nemen met het Centrum voor Jeugd en Gezin van de gemeente.
2De gemeente maakt afspraken met de huisartsen, de medisch specialisten, de jeugdartsen en de zorgverzekeraars over zulke doorverwijzingen.
2.5.2 Spoedeisende gevallen [Jeugdwet, Wmo]
1In spoedeisende gevallen zorgt de gemeente ervoor dat de inwoner de hulp krijgt die nodig is, zonder dat de normale procedure wordt gevolgd.
2Er is sprake van een spoedeisend geval als de uitkomst van de standaard procedure voor een aanvraag om hulp niet afgewacht kan worden.
2.5.3 Verhuizing naar Zeist
Als iemand verhuist naar Zeist en hulp-op-maat had in een andere gemeente, dan wordt de hulp-op-maat die was toegekend door de andere gemeente tijdelijk voortgezet met een maximum van een jaar. In deze overgangsperiode doet de gemeente onderzoek naar de situatie van de inwoner en beoordeelt de gemeente of er nog hulp-op-maat nodig is en zo ja welke hulp-op-maat passend is.
Bij jeugdhulp met verblijf blijft de gemeente verantwoordelijk, waar de jeugdige woonde direct voorafgaand aan de jeugdhulp met verblijf.
Hoofdstuk 5. Wonen in een veilige en gezonde omgeving
5.2 Zelfstandig en veilig wonen
5.2.1 Geschikte woning [Wmo]
1De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner hulp-op-maat kan krijgen als het normale gebruik van zijn woning als gevolg van een beperking niet mogelijk is.
2Als de woning niet of alleen tegen zeer hoge kosten aangepast kan worden, verwacht de gemeente dat de inwoner verhuist naar een geschikte woning, als deze beschikbaar is. De inwoner kan dan een tegemoetkoming krijgen voor de kosten van de verhuizing en de inrichting van de nieuwe woning.
3De gemeente verstrekt niet altijd hulp-op-maat in de vorm van een woonvoorziening.
De gemeente geeft geen hulp-op-maat in de volgende situaties:
a.De beperking van de inwoner is het gevolg van de materialen die in de woning zijn gebruikt.
b.De inwoner verblijft in een hotel of pension, een tweede woning, een trekkerswoonwagen, een klooster, een vakantiewoning, een recreatiewoning of een zelfstandige woning voor mensen met een ernstige lichamelijke handicap of chronische aandoening waar 24 uur per dag hulp en assistentie ingeroepen kan worden.
c.De inwoner woont in een woning die specifiek gericht is op een bepaalde groep mensen waartoe de inwoner behoort, bijvoorbeeld een seniorencomplex en de voorziening is bedoeld voor in een gemeenschappelijke ruimte, zoals elektrische deuropeners.
d.Het gaat om voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder veel meerkosten meegenomen kunnen worden.
e.De inwoner zonder dringende reden verhuisd is vanuit een woonruimte waar de inwoner geen problemen had bij het normale gebruik van de woning.
f.De inwoner heeft een indicatie voor verhuizing naar een zorginstelling op grond van de Wet langdurige zorg.
g.De inwoner is verhuisd naar een woning die niet de meest geschikte woning is om de beperkingen van de inwoner te verminderen of weg te nemen, tenzij de gemeente daar toestemming voor heeft verleend.
4Een woonvoorziening die een eerder verstrekte woonvoorziening vervangt, kan alleen worden verstrekt als:
a.de eerder verstrekte woonvoorziening technisch is afgeschreven;
b.de eerder verstrekte woonvoorziening verloren is gegaan buiten de schuld van de inwoner om, of als
c.de woonvoorziening geen oplossing meer is voor de woonproblemen van de inwoner.
5.2.2 Een schone en leefbare woning [Wmo]
De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner hulp op maat kan krijgen als hij als gevolg van een beperking zijn woning niet schoon en leefbaar kan houden. De hulp op maat heet huishoudelijke ondersteuning. Bij de inzet van huishoudelijke ondersteuning stimuleert de gemeente dat de inwoner zoveel mogelijk zelf actief en in beweging blijft.
De huishoudelijke ondersteuning helpt met het schoonmaken van de woning. Daarbij gaat het alleen om het schoonmaken van de ruimtes die nodig zijn voor normaal gebruik van de woning. Ook kan de gemeente hulp op maat toekennen voor het organiseren van het huishouden. Dat kan advies, instructie of voorlichting zijn. Dat helpt de inwoner om het huishouden zoveel mogelijk zelfstandig uit te voeren. Deze hulp kan ook tijdelijk worden ingezet voor het aanleren van vaardigheden om het huishouden zelfstandig uit te voeren.
Bij de beoordeling of huishoudelijke ondersteuning nodig is, kijkt de gemeente eerst of de huishoudelijke taken anders georganiseerd en/of verdeeld kunnen worden. Daarbij kijkt de gemeente ook naar de gebruikelijke hulp die huisgenoten kunnen bieden. Voor de verzorging van de was is een was-en strijkservice beschikbaar die voorgaat op wasverzorging als onderdeel van de huishoudelijke ondersteuning.
5.2.3 Bemoeizorg
De gemeente kan ongevraagde zorg (bemoeizorg) inzetten als er sprake is van (ernstige) bedreiging van de gezondheid van de inwoner of zijn gezin. Vaak is er dan sprake van meerdere problemen tegelijkertijd. Bemoeizorg heeft niet als belangrijkste doel om specifieke problemen te verminderen, maar richt zich op het toeleiden naar zorg waarbij het sociale netwerk van het hele gezin wordt betrokken. De ondersteuning kan er ook op gericht zijn om overlast voor de omgeving te voorkomen of te beperken.
5.2.4 Beschermd wonen en maatschappelijke opvang [Wmo]
1De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner hulp-op-maat kan krijgen in de vorm van beschermd wonen. De inwoner moet deze woonvorm nodig hebben als gevolg van psychische of psychosociale problemen. Beschermd wonen kan worden ingezet als dit de inwoner helpt om zichzelf weer te kunnen handhaven in de samenleving.
2De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner hulp-op-maat kan krijgen in de vorm van tijdelijke (maatschappelijke) opvang. Deze opvang is bedoeld voor de inwoner die de thuissituatie heeft verlaten en zich niet op eigen kracht kan handhaven in de samenleving.
3Voor inwoners die hulp-op-maat in de vorm van beschermd wonen en/ of maatschappelijke opvang nodig hebben, gelden de regels die zijn vastgelegd in het beleid van de centrumgemeente Utrecht, de verordening van gemeente Utrecht en de daarop gebaseerde beleidsregels van de centrumgemeente.
Hoofdstuk 6. De vorm van de hulp en bijdrage in de kosten
6.3 Persoonsgebonden budget
6.3.1 Voorwaarden [Jeugdwet, Wmo]
1In plaats van hulp in natura kan de inwoner een persoonsgebonden budget (pgb) krijgen als voldaan is aan de voorwaarden die de Wmo of de Jeugdwet stellen en die in deze paragraaf staan.
2Voor de Wmo geldt dat de inwoner kan motiveren dat hij de hulp als PGB wenst; voor de Jeugdwet geldt dat de inwoner kan motiveren dat hij de hulp in natura niet passend acht in deze individuele situatie.
3De inwoner die zelf hulp wil inkopen door middel van een pgb, maakt een plan voor de inzet en besteding van het pgb. Dit heet een budgetplan. Hierin staat onder meer wie de eventuele vertegenwoordiger is, welk tarief is afgesproken, hoeveel uren, dagdelen of etmalen zijn afgesproken, welke hulp de inwoner met het pgb wil betalen en door wie de hulp wordt gegeven. Het budgetplan sluit aan bij het plan van aanpak. De gemeente moet het plan goedkeuren en zal daarna onderzoeken of de hulp in de vorm van een pgb kan worden verstrekt.
4De hulp moet veilig, doeltreffend en cliëntgericht zijn. Dat betekent dat formele pgb-aanbieders minimaal:
a.ingeschreven staan in het Handelsregister;
b.er voor zorgen dat de directe zorgverlener(s) beschikt/beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken;
c.een bij de start van de ondersteuning geldige VOG van de directe zorgverlener(s) kunnen overleggen;
d.met de budgethouder of zijn vertegenwoordiger periodiek in een evaluatiegesprek bespreken of doelen worden behaald of dat moet worden bijgestuurd. En dit schriftelijk vastleggen.
5De gemeente kent een pgb pas toe als zij vindt dat de inwoner (of zijn vertegenwoordiger) in staat is zijn belangen voldoende te behartigen. De inwoner moet pgb bekwaam zijn. Dit wil zeggen dat hij de taken die bij het pgb horen op een verantwoorde manier kan uitvoeren. De pgb bekwaamheid wordt onder andere getoetst met behulp van de 10-punten pgb-vaardigheid zoals opgesteld door het ministerie van VWS.
6Van een vertegenwoordiger wordt verwacht dat hij de taken die bij het beheren van een pgb horen op een verantwoorde manier uitvoert. Daarvoor is in ieder geval nodig dat:
a.hij niet de uitvoerder is van de ondersteuning die met het pgb wordt ingekocht en geen financiële relatie heeft met de uitvoerder van de ondersteuning, tenzij dit gezien de situatie van de inwoner, de vorm van de ingekochte ondersteuning en de manier waarop de besteding van het pgb wordt verantwoord, volgens de gemeente passend is;
b.de vertegenwoordiger voldoende aanspreekbaar is, tijd heeft om het pgb te beheren en zicht heeft op de situatie van de inwoner die hij vertegenwoordigt.
7De gemeente vraagt aan de inwoner en zijn vertegenwoordiger een schriftelijke machtiging en verklaring waarin het beheer van het pgb op een verantwoorde manier wordt geregeld.
8Het pgb is bedoeld voor hulp, maar kan niet aan alle kosten die daarmee te maken hebben worden besteed. Het pgb kan niet besteed worden aan:
a.kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of ;
b.het voeren van een pgb-administratie;
c.ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb administratie;
d.contributie voor lidmaatschap van een belangenorganisatie;
e.kosten voor het volgen van een cursus door de hulpverlener of informatiemateriaal voor de hulpverlener;
f.kosten voor het opnemen van verlof;
g.kosten voor een feestdagenuitkering aan de hulpverlener(s); en
h.reiskosten.
9De gemeente verstrekt geen pgb in de volgende situaties:
a.De kosten zijn gemaakt vóórdat de melding is gedaan.. Een pgb kan alleen met terugwerkende kracht tot aan de datum van de melding worden toegekend als achteraf kan worden vastgesteld dat de hulp nodig was, dat de hulp ook geboden is en dat de inwoner daarvoor heeft betaald of nog moet betalen.
b.Uit het door de inwoner ingediende budgetplan blijkt niet dat de kwaliteit van de hulp voldoende gewaarborgd is. De hulp moet in ieder geval veilig, doeltreffend en cliëntgericht zijn. Uit het budgetplan moet duidelijk blijken dat de hulp wordt geleverd zoals beschreven in het plan van aanpak en dat de geboden hulp aansluit bij de vraag.
c.Als er sprake is van een spoedeisende situatie en/of als er sprake is van drang en dwang
d.Als er sprake is van andere zwaarwegende omstandigheden. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een ziektebeeld waardoor de situatie van de inwoner in korte tijd erg verandert. En de aangevraagde voorziening zo snel weer door een aangepaste voorziening vervangen moet worden, dat deze verstrekking zich daardoor niet leent voor een pgb. In zulke situaties zal met de inwoner besproken worden wat het best passend is.
e.Voor de inzet van Bemoeizorg.
f.Bij verblijf in het buitenland, tenzij het nodig is om de ondersteuning bij een tijdelijk verblijf in het buitenland voort te zetten als dit bijdraagt aan de zelfredzaamheid en/of participatie van de inwoner als hij weer thuis (in Nederland) is.
g.Als de hulp of ondersteuning die door één persoon geleverd wordt, meer bedraagt dan 36 uur per week. Bij het vaststellen of deze 36 uur per week overschreden wordt, kunnen alle betaalde werkzaamheden worden meegewogen, en ook de hoeveelheid ondersteuning die deze persoon, al dan niet via een pgb, levert aan andere personen of gezinsleden;
10Een betaling uit het pgb wordt altijd gedaan op basis van de werkelijk ingezette zorg per uur, dagdeel of etmaal. Uitbetaling van een vast bedrag per maand kan alleen bij huishoudelijke ondersteuning die door iemand uit het informele netwerk wordt geleverd.
6.3.2 Pgb bij hulp door personen uit het sociale netwerk [Jeugdwet, Wmo]
1De persoon die hulp geeft mag iemand uit het sociale netwerk van de inwoner zijn als deze persoon voldoet aan de volgende voorwaarde:
a.Deze persoon heeft met goede argumenten aangegeven dat hij door het geven van de hulp niet overbelast raakt. Ook is deze persoon aantoonbaar in staat om kwalitatief goede hulp te bieden en planmatig te werken.
2Hulp door een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad, wordt altijd als hulp door iemand uit het sociale netwerk gezien.
3Het is niet toegestaan om via een pgb de ondersteuningsvorm behandeling in te kopen uit het sociale netwerk. Het is ook niet toegestaan om de ondersteuningsvorm dagbesteding in te kopen uit het sociale netwerk als het gaat om jeugdhulp.
6.3.3 Hoogte en tarief pgb [Jeugdwet, Wmo]
1De gemeente baseert de hoogte van het pgb op een offerte voor de aangegeven kosten. In deze offerte moet staan hoe hoog de kosten van de dienst of het product zijn (kostprijs). Met deze kostprijs moet de inwoner veilige, doeltreffende, cliëntgerichte en kwalitatief goede hulp kunnen inkopen.
2De kostprijs mag niet hoger zijn dan wat gebruikelijk is voor die dienst of dat product. De hoogte van het pgb is gelijk aan de hoogte van de offerte. Er geldt wel een maximumbedrag. Bij een product is dat het bedrag dat de gemeente zou betalen aan de leverancier waar de gemeente een overeenkomst mee heeft gesloten (hulp in natura-tarief). Bij een dienst is het maximumbedrag een percentage van het bedrag dat de gemeente zou betalen voor de hulp die nodig is (hulp in natura-tarief). Wanneer de offerte hoger is dan dit maximumbedrag, vergoedt de gemeente de meerprijs niet.
3Gaat het om een product, dan houdt de gemeente bij de hoogte van het pgb rekening met een reële termijn voor de technische afschrijving en met de onderhouds- en verzekeringskosten.
4De gemeente maakt de maximale tarieven voor pgb bekend via de website van de gemeente en het CJG Zeist.
5Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb, wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp.
6Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van bloed-of aanverwanten in de 1e of 2e graad van de cliënt:
a.personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of
b.personen die aangemerkt zijn als Zelfstandige zonder personeel (ZZP). Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken.
c.Als het om Jeugdhulp gaat dan geldt aanvullend op lid 7 onder a en b: personen die onder toezicht staan van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en die ingeschreven staan in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG-register) en/of artikel 5.2.1 van het Besluit Jeugdwet (SKJ-register), voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van Jeugdhulp.
7Informele hulp:
a.Als de hulp geboden wordt door een bloed-of aanverwant in de 1e of 2e graad van de budgethouder, is altijd sprake van informele hulp.
b.Als de hulp wordt verleend door een andere persoon dan beschreven in lid 7 onder a, b of c, is sprake van informele hulp.
8De hoogte van het pgb voor formele hulp geleverd door personen zoals beschreven in artikel 6.3.3, lid 6 sub a , bedraagt maximaal 90% van het tarief dat de gemeente zou betalen voor de hulp die nodig is (hulp in natura-tarief).
9De hoogte van het pgb voor formele hulp geleverd door een Zelfstandige zonder personeel (ZZP) zoals genoemd in artikel 6.3.3, lid 6 sub b en c bedraagt maximaal 75% van het hulp in natura-tarief. Uitzondering hierop is de j-ggz, hier is de hoogte van het pgb altijd 90% van het hulp in natura-tarief. De reden daarvoor is dat er in de inkoop aparte tarieven zijn voor j-ggz producenten voor zzp-ers en j-ggz producenten voor instellingen.
10De hoogte van het pgb voor informele hulp bij huishoudelijke ondersteuning is maximaal het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij hulp bij het huishouden van de voor de betreffende periode geldende CAO VVT (Verpleeg-en Verzorgingshuizen en Thuiszorg), te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren.
De hoogte van het pgb voor informele hulp bij Wmo begeleiding is maximaal het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij de Functie Waardering Gezondheidszorg (FWG) 30 van de voor de betreffende periode geldende cao VVT, te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren.
De hoogte van het pgb voor informele hulp bij jeugdhulp is gebaseerd op het tarief bij de Wet langdurige zorg voor niet-professionals en is niet minder dan het wettelijk minimumloon voor een persoon van 22 jaar of ouder, inclusief vakantietoeslag en bij een 36-urige werkweek. Dit geldt voor hulp die per uur wordt vergoed.
Voor hulp die per dagdeel of etmaal wordt vergoed, wordt maximaal 50% vergoed van het hulp in natura-tarief.
Indien de budgethouder werkgeverslasten moet afdragen, wordt het budget met die lasten verhoogd.
11De hoogte van het pgb voor vervoer van en naar de dagbesteding bedraagt 100% van het hulp in natura-tarief.
12Als het pgb aan het einde van het jaar niet helemaal is besteed, kan de budgethouder aanspraak maken op een vrij besteedbaar bedrag van maximaal € 250. Hiervoor hoeven geen declaraties ingediend te worden.
13Voor de berekening van de maximumbedragen zoals die beschreven zijn in lid 8 tot en met 10, geldt dat hier in uitzonderingssituaties en beargumenteerd van afgeweken kan worden tot maximaal het tarief voor zorg in natura. Dit geldt alleen als aannemelijk gemaakt kan worden dat de genoemde percentages niet toereikend zijn om zorg in te kopen en er geen alternatieven zijn.
14Als de inwoner die hulp-op -maat in de vorm van een pgb krijgt, overlijdt, kan de hulpverlener in aanmerking komen voor een eenmalige uitkering. De eenmalige uitkering staat gelijk aan de gemiddelde vergoeding voor een maand. Om de gemiddelde vergoeding te berekenen wordt gekeken naar de uitbetaalde vergoeding over de laatste drie volle kalendermaanden waarin de hulp verleend is. Er wordt alleen uitbetaald voor zover er nog voldoende budget beschikbaar is.
6.3.4 Verantwoording pgb [Jeugdwet, Wmo]
1De gemeente zal de inwoner één of meerdere keren per jaar vragen om duidelijk te maken hoe het pgb is besteed en welke resultaten de hulp voor de inwoner heeft gehad. Voor dat verslag kan de gemeente een formulier verplicht stellen.
2De inwoner die hulp-op-maat in de vorm van een pgb krijgt, registreert de uren die door de zorgverlener zijn ingezet. De gemeente kan om inzage vragen.
6.3.5 Opschorten pgb [Jeugdwet, Wmo]
De gemeente kan aan de Sociale verzekeringsbank vragen om de uitbetaling uit het pgb helemaal of gedeeltelijk uit te stellen totdat een besluit is genomen om het pgb weer voort te zetten of in te trekken. Dit kan de gemeente doen als:
a.de inwoner onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt, terwijl het verstrekken van de juiste of volledige informatie zou hebben geleid tot een andere beslissing van de gemeente;
b.de inwoner niet voldoet aan de voorwaarden die bij een pgb horen; of
c.de inwoner het pgb niet of voor een ander doel heeft gebruikt.
Hoofdstuk 7. Relatie tussen inwoner en gemeente
7.1 Hoe we met elkaar omgaan
7.1.1 De rol van de gemeente [Jeugdwet, Wmo, Gemeentewet, Awb]
1De gemeente zoekt samen met de inwoner naar een antwoord op zijn vraag. Gemeente en inwoner gaan daarbij op een respectvolle manier met elkaar om. De gemeente zorgt voor het volgende:
a.Voor de inwoner is het duidelijk wie er namens de gemeente contact met hem onderhoudt. De gemeente houdt het aantal contactpersonen zo beperkt mogelijk.
b.De inwoner heeft, om zijn probleem te bespreken, altijd recht op een gesprek met een medewerker. Dat gesprek kan op het gemeentehuis, thuis bij de inwoner of ergens anders plaatsvinden.
c.De gemeente helpt de inwoner om zijn probleem bij een andere organisatie te bespreken, als het bieden van hulp bij dit probleem een taak is voor die organisatie.
d.De gemeente informeert de inwoner op een passende manier over procedures die worden gevolgd en zorgt ervoor dat deze procedures zo eenvoudig mogelijk zijn.
e.De gemeente respecteert de privacy van de inwoner.
f.De gemeente maakt met toestemming van de inwoner zoveel mogelijk gebruik van gegevens die al binnen de gemeente aanwezig zijn en vraagt alleen gegevens die nodig zijn voor het beoordelen van de hulpvraag.
g.De gemeente wijst de inwoner op beschikbare deskundige hulp.
7.1.2. De rol van de inwoner [Jeugdwet, Wmo, Gemeentewet, Awb]
1De inwoner is in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor het oplossen van zijn probleem. De gemeente vult de mogelijkheden van de inwoner en zijn sociale netwerk aan als dat nodig is. De inwoner zorgt voor het volgende:
a.De inwoner zet eerst de eigen mogelijkheden in voordat hij hulp vraagt aan de gemeente.
b.Als de gemeente hulp verleent werkt de inwoner mee aan de oplossing van zijn probleem.
c.De inwoner zorgt ervoor dat de hulp van de gemeente niet langer duurt dan nodig is.
2De inwoner werkt mee zodat snel duidelijk is op welke manier zijn probleem zo snel mogelijk kan worden opgelost. Dat betekent het volgende:
a.De inwoner informeert de gemeente zo snel en zo volledig mogelijk over alles wat van belang is voor het beoordelen van de hulpvraag, de persoonlijke situatie en de rechten en plichten van de inwoner.
b.De gemeente ontvangt alle documenten en bewijsstukken die zij nodig heeft zo snel mogelijk van de inwoner.
c.De inwoner brengt de gemeente zo snel mogelijk op de hoogte van zijn beperkingen, als die van belang zijn in het contact met de gemeente.
d.De inwoner werkt mee aan het inwinnen van advies bij externe deskundigen voor zover dat nodig is voor het onderzoek.
7.2. Beëindigen en terugvorderen voorziening
7.2.1 Beëindiging voorziening [Jeugdwet, Wmo]
1De gemeente kan een voorziening beëindigen als:
a.de voorziening niet langer passend of nodig is;
b.de inwoner zich niet houdt aan voorwaarden en verplichtingen die aan de voorziening zijn verbonden;
c.de voorziening is verstrekt op grond van onjuiste of onvolledige gegevens van de inwoner; en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;
d.de gemeente niet langer kan vaststellen of een voorziening kan worden voortgezet, omdat de inwoner onvoldoende meewerkt aan een onderzoek naar het recht op de voorziening;
e.de voorziening voor een ander doel wordt gebruikt dan bedoeld;
f.de inwoner niet binnen 6 maanden gebruik heeft gemaakt van de voorziening, tenzij hem dat niet te verwijten is.
2De gemeente bepaalt het tijdstip waarop de voorziening wordt beëindigd. De voorziening kan in bovenstaande gevallen met terugwerkende kracht worden beëindigd (ingetrokken).
7.2.2 Terugvordering voorziening [Jeugdwet, Wmo]
De gemeente kan de voorziening of de waarde daarvan van de inwoner terugvorderen. Dat kan als de gemeente de voorziening heeft ingetrokken omdat de inwoner opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens aan de gemeente heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid.
7.3 De gemeente controleert of de regels worden nagekomen
7.3.1 Controle [Jeugdwet, Wmo]
1De gemeente controleert regelmatig of de inwoner recht heeft op een voorziening en of hij de juiste voorziening heeft aangevraagd of ontvangt. De gemeente kan daarvoor gebruik maken van:
a.huisbezoeken: medewerkers van de gemeente gaan langs bij de inwoner en kijken in en om de woning. De gemeente kan een aangekondigd of niet aangekondigd huisbezoek afleggen.
b.signalen en tips van organisaties of particulieren;
c.andere passende onderzoeksmethoden.
7.3.2 Voorkomen van fraude [Jeugdwet, Wmo]
De gemeente streeft ernaar om fraude te voorkomen (preventie). Daarom informeert de gemeente inwoners op een gepaste manier over rechten en plichten en over de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van voorzieningen.
7.3.3. Toezichthouders [Awb,Jeugdwet, Wmo]
De gemeente wijst een of meer ambtenaren aan die de taak hebben erop toe te zien dat de Wmo, de Jeugdwet en de bijbehorende regels worden nageleefd.
7.5. Inspraak
7.5.1 Inspraak bij zorgaanbieders en leveranciers [Jeugdwet, Wmo]
1Leveranciers zijn verplicht om inwoners die gebruikmaken van hun diensten of producten inspraak te geven en daarover regels te maken. De gemeente bepaalt over welke onderwerpen de inspraak gaat en welke vorm de inspraak heeft.
2De gemeente controleert of de zorgaanbieder of leverancier zich houdt aan de regels voor inspraak.
7.5.2 Betrekken van inwoners bij beleid en uitvoering [Gemeentewet, Jeugdwet, Wmo]
1De gemeente kiest ervoor om inwoners te betrekken bij de onderwerpen die in deze verordening worden geregeld. Dit kan gaan om plannen voor beleid en regels of om de manier waarop de gemeente beleid en regels uitvoert.
2De gemeente kan inwoners op de volgende manieren betrekken:
a.via de Adviesraad Sociaal Domein Zeist, waarin gevraagd en ongevraagd advies gegeven kan worden en/of;
b.door inwoners te raadplegen, bijvoorbeeld met enquêtes en bijeenkomsten.
7.6 Klachten en bezwaren [Awb, Gemeentewet]
7.6.1 Doelen klacht- en bezwaarprocedure [Awb, Gemeentewet]
1De gemeente ziet een klacht of bezwaar als een reden om de hulpvraag nog een keer te onderzoeken en als manier om de dienstverlening en de vertrouwensband te verbeteren. Daarbij is het een middel om als inwoner je mening kenbaar te maken en kunnen fouten daardoor bij uitvoering van de wettelijke taken hersteld worden.
2De inwoner die een klacht of bezwaar heeft ingediend, krijgt de gelegenheid om zijn klacht of bezwaar mondeling toe te lichten.
3De gemeente zorgt ervoor dat klachten en bezwaren zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen de wettelijke termijnen worden afgehandeld.
7.6.2 Klachten over medewerkers van de gemeente [Awb, Gemeentewet]
1Klachten kunnen digitaal, in een gesprek of schriftelijk worden ingediend. Er is een formulier voor beschikbaar op de website van de gemeente www.zeist.nl.
2De gemeente heeft een klachtenfunctionaris. De inwoner kan bij deze medewerker een klacht indienen over:
a.het gedrag van medewerkers en de bejegening van de inwoner;
b.de manier waarop de gemeente voorzieningen en diensten heeft georganiseerd.
7.6.3 Klachten over andere personen of organisaties [Awb, Gemeentewet]
1De inwoner die een klacht heeft over het gedrag van een persoon of organisatie die door de gemeente is ingehuurd, moet zijn klacht eerst indienen bij die persoon of organisatie. Die persoon of organisatie moet een klachtenregeling hebben en deze met de gemeente hebben gedeeld.
2De gemeente controleert of de klachtenregeling van personen of instanties die zijn ingehuurd wordt nageleefd.
3Als de inwoner niet tevreden is over de manier waarop de klacht door de ingehuurde persoon of organisatie is afgehandeld, kan de inwoner een klacht indienen bij de gemeente.
7.6.4 Vertrouwenspersoon [Jeugdwet,]
Voor vragen of klachten over jeugdhulp kunnen inwoners terecht bij een vertrouwenspersoon van Jeugdstem. De hulp van een vertrouwenspersoon is gratis.
7.6.5 Bezwaar [Awb, Gemeentewet]
1De inwoner die het niet eens is met een besluit dat is genomen op grond van de genoemde wetten en van deze verordening, kan daartegen bezwaar maken volgens de regels die zijn beschreven in de Algemene wet bestuursrecht. Onder het besluit staat toegelicht hoe de inwoner bezwaar kan maken.
2Voordat de gemeente een besluit op een bezwaarschrift neemt, neemt een medewerker contact op met de inwoner om het bezwaar te bespreken. De medewerker geeft uitleg over het besluit van de gemeente en informeert bij de inwoner naar argumenten, feiten en omstandigheden die van belang zijn voor de beoordeling van het bezwaar. Dit gesprek is gericht op verbetering van de besluitvorming door de gemeente. Het kan ertoe leiden dat de inwoner het bezwaar intrekt of dat de gemeente een ander besluit neemt.