Aanhef
Aldus vastgesteld in de vergadering van burgemeester en wethouders van gemeente West Betuwe van 19 juli 2022.
De secretaris,
De burgemeester,
5. ZORGVULDIGHEID, SCHADE, VERZEKERINGEN EN VEILIGHEID
5.2. Schade en kosten
5.2.1. Algemeen
1De grondroerder zal alle redelijkerwijs mogelijke maatregelen nemen om te voorkomen dat schade wordt toegebracht aan eigendommen van de gemeente of derden.
2Wordt desondanks schade aan eigendommen van de gemeente of derden (bijvoorbeeld: kabels en leidingen van andere netbeheerders, verkeersborden, eigendommen van particulieren, bodemverontreiniging tijdens het werk enzovoort) toegebracht dan geeft de grondroerder dit zo spoedig mogelijk, in elk geval binnen 24 uur, schriftelijk door aan de toezichthouder en/of aan betrokken derden.
3Voor de schade die ten gevolge van werkzaamheden ontstaat en/of de schade die aan andere eigendommen van de gemeente wordt toegebracht, moet de gemeente door of namens de netbeheerder gecompenseerd worden.
De gemeente beslist zelf of zij de schade door of namens de netbeheerder laat herstellen of dat de marktconforme herstelkosten van de schade (inclusief eventuele kosten die de gemeente daarbij moet maken) door of namens de netbeheerder vergoed moeten worden.
5.2.2. Herstel van schade en vergoeding van kosten
1Het uitgangspunt is dat de situatie van de ondergrond inclusief de verdichting en draagkracht van de ondergrond en fundering, de verharding (inclusief bijzondere (sier)bestrating) en groenvoorzieningen teruggebracht dient te worden in de oude staat. De gemeente accepteert geen vermindering van kwaliteit.
2De netbeheerder draagt de marktconforme kosten voor herstel, degeneratie- en beheerskosten op basis van de hiervoor geldende schade regeling.
3Indien (projectmatig) vooraf tussen de gemeente en de netbeheerder de afspraak is gemaakt dat de gemeente zelf zorg draagt voor de herstelwerkzaamheden brengt de gemeente de marktconforme kosten in rekening bij de netbeheerder. In die gevallen geldt er voor de netbeheerder geen onderhoudstermijn.
4De gemeente zal bij in gebreke blijven van de grondroerder (als de voorgeschreven hersteltermijnen verstreken zijn en/of als herstel onvoldoende is) zelf noodzakelijke (herstel)werkzaamheden uit laten voeren voor marktconforme tarieven door een door de gemeente geselecteerde aannemer. De gemeente stelt de netbeheerder er vooraf (schriftelijk) van in kennis dat zij het herstel laat verrichten.
5Alle (extra) kosten¹ die door de grondroerder (of de gemeente) gemaakt moeten worden vanwege door de netbeheerder geïnitieerde werkzaamheden aan kabels en/of leidingen en/of die een gevolg zijn van de voorwaarden en eisen die zijn opgenomen in de Verordening, het instemmingsbesluit, vergunning, goedgekeurde melding en dit handboek komen voor rekening van de grondroerder en/of de netbeheerder. Over de eventuele verrekening van kosten worden nadere afspraken gemaakt.
Onder andere kosten van :
•specifiek herstel van bijzondere (sier)bestrating;
•extra werkzaamheden (volledige breedte) voor het herstel van straatwerk jonger dan vijf jaar;
•de uitvoering van het Bouwprocesbesluit Arbeidsomstandigheden;
•verwijderen van uit gebruik genomen kabels en/of leidingen op verzoek van de gemeente;
•verwijderen van aanstootgevende graffiti, posters enzovoort, van bovengrondse voorzieningen;
•het aanbrengen van anti graffitivoorzieningen op bovengrondse voorzieningen;
•extra aan te planten groen nabij bovengrondse voorzieningen ten behoeve van inpassing in de omgeving;
•noodzakelijke werkzaamheden aan groenvoorzieningen en bomen;
•vervanging en herplanten van groenvoorzieningen en bomen;
•het afvoeren, tijdelijk opslaan en terugplaatsen van bouwstoffen;
•inboet en het leveren van extra bouwstoffen;
•afvoeren inclusief de stortkosten van (vervuilde) grond, puin, vrijgekomen (asfalt)materialen, indien de ontgraven stoffen niet opnieuw verwerkt kunnen worden in het tracé, tenzij anders is overeengekomen met de toezichthouder/coördinator.
•definitief herstel van gesloten verhardingen; leveren, aanbrengen en opruimen van tijdelijke (verkeers-) voorzieningen en verkeersmaatregelen en bronbemaling;
•herstel van verborgen gebreken;
•het opnieuw aanbrengen of aanwijzen van peilen en hoofdafmetingen;
•het nemen van maatregelen voor de bereikbaarheid van andere kabels en/of leidingen of percelen;
•het tijdelijk verwijderen en terugplaatsen van bovengrondse obstakels (lichtmasten, verkeersborden);
•gevolgen voortvloeiend uit het breekverbod.
6Niet alle schades die de gemeente als gevolg van kabel- en/of leidingwerkzaamheden lijdt kunnen door de vastgestelde hersteltarieven worden gedekt. Dit is het geval bij:
Schade bij groenwerkzaamheden:
–werkzaamheden waarbij de overlevingskans van de aanwezige beplanting of bomen gering is en deze dus moet worden vervangen;
–werkzaamheden waarbij dicht in de buurt van bomen moet worden gewerkt;
–achteruitgang van de (beeldbepalende) groenkwaliteit;
–aantasting van de (ecologische) kwaliteit van de groeiplaats.
In deze gevallen kunnen al vóór aanvraag van het instemmingsbesluit of de vergunning specifieke afspraken tussen de gemeente en de netbeheerder worden gemaakt. Afhankelijk van de omvang van het werk kan in de voorwaarden "het eerstejaars garantie op groen" tegen een marktconform tarief worden voorgeschreven. De gemaakte afspraken worden vastgelegd in het instemmingsbesluit of in de vergunning.
Als bomen worden beschadigd of zonder toestemming van de gemeente worden gerooid, kan de netbeheerder aansprakelijk worden gesteld voor de schade. De schade aan bomen wordt achteraf vastgesteld door de gemeente. Het totale schadebedrag wordt opgebouwd uit de getaxeerde schade inclusief taxatiekosten, bereddingskosten en overige bijkomende kosten zoals voor verhalen van schade.
Schade die ontstaat buiten de directe werkomgeving:
Van schade die ontstaat buiten de directe werkomgeving van de grondroerder is sprake als ten gevolge van werkzaamheden schade ontstaat aan materialen, lichtmasten, verkeersregelinstallaties (VRI’s), geparkeerde auto's en dergelijke. Als het gemeentelijke eigendommen zijn, kan de gemeente deze schade verhalen op de grondroerder of de netbeheerder. Afhankelijk van de specifieke situatie kan het wenselijk zijn dat voorafgaand aan de werkzaamheden een gezamenlijke (toezichthouder en grondroerder) schouw van de werkomgeving plaatsvindt. De bevindingen worden vastgelegd.
Verborgen gebreken:
Verborgen gebreken zijn buitenproportionele oneffenheden van opgeleverd en goedgekeurd hersteld straatwerk, aantoonbaar het gevolg van werkzaamheden van de grondroerder die als laatste werkzaamheden op de locatie heeft uitgevoerd. In deze gevallen heeft de grondroerder, met in acht name van artikel 5.2.2, vierde lid, een werkweek na eerste aanzegging van de gemeente de tijd om de verharding opnieuw te herstellen.
Als norm voor "buitenproportioneel" wordt een oneffenheid en/of dwars en vlakheid schadeklasse M1 en ernstiger gehanteerd volgens CROW norm weginspecties, die zich binnen een jaar na eerste herstel heeft voorgedaan.
5.2.3. Onderhoud kabels en/of leidingen en bovengrondse voorzieningen
1Bovengrondse voorzieningen die eigendom zijn van netbeheerders en zich bevinden in de openbare ruimte worden door de netbeheerder onderhouden conform kwaliteitsniveau b van de vigerende CROW publicatie beeldkwaliteit Openbare ruimte. Graffiti, leuzen, posters en dergelijke die aangebracht zijn op bovengrondse voorzieningen worden in overleg met de gemeente in principe binnen drie werkdagen door of in opdracht van de netbeheerder verwijderd.
2Verharding, op gemeentegrond, die is aangebracht voor de bereikbaarheid van bovengrondse voorzieningen welke eigendom zijn van netbeheerders, dienen door deze netbeheerder onderhouden en onkruidvrij gehouden worden (conform CROW bepalingen). Indien de verharding in de loop der tijd niet meer voldoet aan de bij aanleg gestelde eisen moet deze op eerste aanzegging van de gemeente worden hersteld.
3Markeringen die voor de maatvoering van kabels en/of leidingen of ter aanduiding van kruisingen van watergangen (zinkers) worden aangebracht, zijn op een deugdelijke wijze geplaatst en/of bevestigd en altijd goed zichtbaar. Indien de markeringen in de loop der tijd niet meer voldoen aan de bij plaatsing gestelde eisen moeten deze op eerste aanzegging van de gemeente worden hersteld of op initiatief van de netbeheerder worden verwijderd.
4Gelet op de artikelen 6:174 en 6:175 van het Burgerlijk Wetboek, dient de netbeheerder ervoor te zorgen dat de in de openbare ruimte aanwezige kabels en/of leidingen die in zijn eigendom en/of beheer zijn te allen tijde in een goede staat verkeren.
5Als door de gemeente een straatophoging wordt uitgevoerd en de kabels en/of leidingen (inclusief de huisaansluitingen) ten opzichte van het uitgiftepeil zijn verzakt, moeten deze gelijktijdig worden opgehoogd. De gemeente en de netbeheerders maken hier gezamenlijk afspraken over. De coördinator is bevoegd om, indien noodzakelijk, te vereisen dat de kabels en/of leidingen worden opgehoogd, tenzij de netbeheerder een permanent diepere ligging accepteert en dit schriftelijk aan de gemeente heeft bevestigd.
5.4. Veiligheid en Calamiteiten
5.4.1. Bodemverontreiniging
1Voor werkzaamheden in of met verontreinigde grond is de Wet bodembescherming (Wbb) en de door het CROW uitgebrachte richtlijnen “Werken in en met verontreinigde bodem” van toepassing. De grondroerder werkt altijd volgens de meest recente versie van deze richtlijnen.
2De initiatiefnemer van een project inventariseert vooraf (CROW publicatie 400) of er zich verdachte locaties binnen het werkgebied bevinden. Onder andere via de websites www.bodemloket.nl en www.rwsleefomgeving.nl is te achterhalen waar zich verontreinigde of verdachte locaties bevinden. Indien de grondroerder initiatiefnemer is kan hij voor de meest recente informatie en/of detailinformatie contact opnemen met de Omgevingsdienst Rivierenland.
3Indien een grondroerder een kabel- of leidingtracé wil aanleggen in een gebied waarvan vooraf is vastgesteld dat de bodem verontreinigd is, ligt een eventuele saneringsplicht, voor eigen rekening, bij de grondroerder.
4Behalve het onderzoek zoals omschreven artikel 5.4 lid 2, zorgt de grondroerder er volgens artikel 5.4 voor dat de juiste noodzakelijke (beschermings-)maatregelen in acht worden genomen en legt daarvoor voorwaarden vast in een VG&M-plan.
5Indien de gemeente initiatiefnemer is neemt zij de maatregelen die noodzakelijk zijn vanwege wetgeving en eventueel aanvullende eisen die de gemeente zelf of het bevoegd gezag stelt in het kader van het project. De gemeente is niet gehouden invulling te geven aan kwaliteitseisen die netbeheerders zelf stellen voor hun netstructuur in (voormalig) verontreinigde grond.
7. RICHTLIJNEN TEN BEHOEVE VAN DE (TRACÉ)ENGINEERING EN ONDERGRONDSE ORDENING
7.2. Ondergrondse ordening bij de aanleg van kabels en/of leidingen
7.2.1. Horizontale ligging
1Het kabel- en leidingtracé wordt in het algemeen en bij voorkeur in het trottoir gesitueerd. In het kabel- en leidingtracé staan bij voorkeur geen bomen of andere obstakels (zoals bijvoorbeeld trottoirkolken).
2In het overig deel van de openbare weg worden de riolering en de transportleidingen gesitueerd.
3Bij de plaatsbepaling van kabels en/of leidingen in de nabijheid van bomen wordt de afstand tussen het kabel- en leidingtracé en de stam van de boom bepaald conform de tabel in de Bomenposter en/of het bepaalde in het handboek Bomen.
4Binnen het kabel- en leidingtracé worden de kabels en/of leidingen qua horizontale maatvoering volgens een vaste volgorde ten opzichte van elkaar ingedeeld. Daarbij wordt er rekening mee gehouden dat de afstand tussen leidingen en kabels ten minste 0,10 m bedraagt. De horizontale indeling is weergegeven in het standaarddwarsprofiel, zie Hoofdstuk 10, bijlage 10.1 en 10.2.
5In bermen langs wegen dient de afstand van ligging van de kabels en/of leidingen tot aan de verharding ten minste op gelijk te zijn aan de diepteligging ervan. Begin van de sleuf minimaal 60 cm. uit kant van de verharding tenzij anders wordt overeengekomen met de toezichthouder.
6Het bovengenoemde basisprincipe moet zoveel mogelijk worden nagestreefd. In bijzondere gevallen kan de gemeente een andere indeling toestaan c.q. voorschrijven.
7Distributie- en/of mutatiepunten mogen niet aangebracht worden in rijbanen, parkeerplaatsen, uitwegen, op kruisingen, ter plaatse van de in- en uitritten van percelen, binnen een afstand van 3,00 m vanaf bomen en (tenzij het vanwege netwerk technische redenen niet anders kan) in kabel- en leidingtracés. De distributie- en/of mutatiepunten worden bij voorkeur geplaatst in voetpaden, bermen of groenvoorzieningen. In overleg met de toezichthouder kunnen andere afspraken worden gemaakt over deze voorschriften.
8De grondroerder vraagt vooraf aan de gemeente schriftelijk toestemming om (mede)gebruik te maken van voorzieningen die eigendom zijn van de gemeente. Bijvoorbeeld voor het gebruik van mantelbuizen, kabelgoten of holle ruimten die onder een weg van de gemeente aanwezig zijn.
9Het is niet toegestaan om kabels en of leidingen in, op, of aan kunstwerken die eigendom of in beheer van de gemeente zijn, aan te brengen.
7.2.2. Aanvullende eisen horizontale ligging
1Werkzaamheden aan of bij bomen of andere groenvoorzieningen moet zoveel mogelijk vermeden worden. Hier moet tijdens de engineering al rekening mee gehouden worden en waar mogelijk worden er alternatieve routes gekozen. Is het werken aan of bij bomen of andere groenvoorzieningen onvermijdelijk, dan moet dit eerst met de coördinator afgestemd worden.
2Voorafgaand aan de engineering vraagt de grondroerder bij de gemeente de digitale bomenkaart op. Als zich in het tracé (monumentale) bomen bevinden moeten die (inclusief de kroonprojectie) op de instemmings- of vergunningstekening weergegeven worden.
3Wegkruisingen die door middel van een persing (of gestuurde boring) worden gerealiseerd, zijn op minimaal 3,00 m vanaf de stam van een boom gesitueerd, tenzij anders wordt overeengekomen met de toezichthouder.
4Bij wegen met gescheiden rijbanen en/of fietspaden met tussenliggende groenstroken moet bij de realisatie van een wegkruising de mantelbuis (zo mogelijk) uit één lengte bestaan. De mantelbuis mag alleen worden aangebracht buiten de tangentpunten van de aansluitende bochten van wegen en niet in de kruisingsvlakken van wegen.
5Als het onvermijdelijk is dat er in de nabijheid van bomen en/of andere groenvoorzieningen wordt gewerkt, moet de grondroerder rekening houden met een aantal voorzorgsmaatregelen (hoofdstuk 9), die schade aan de boom, groenvoorziening en de kabel en/of leiding voorkomt. Indien de afstand tot de bomen minder is dan bepaald in de tabel van de bomenposter, worden er in ieder geval beschermende maatregelen toegepast of er worden (gestuurde) boringen gemaakt.
7.2.3. Verticale ligging
1Binnen het kabel- en leidingtracé worden de kabels en/of leidingen ten opzichte van het maaiveld qua verticale maatvoering volgens een vaste volgorde ingedeeld. De verticale indeling is weergegeven in het standaarddwarsprofiel, zie hoofdstuk 10, bijlage 10.1 en 10.2.
2Uitgangspunten bij een verticale ligging:
–distributiekabels en/of -leidingen liggen ondieper dan transportleidingen;
–Diepteligging altijd minimaal 0.60 m;
–vrijvervalleidingen hebben voorrang boven drukleidingen;
–kabels en/of leidingen mogen niet binnen het ontgravingsprofiel van de riolering aangelegd worden. Het ontgravingsprofiel is bekend bij de rioolbeheerder van de gemeente;
–bij kruisingen van kabels en/of leidingen bedraagt de onderlinge tussenruimte (verticale afstand) tenminste 0,20 m;
–er moet een strook tussen 0,60 m -mv en 0,80 m -mv vrijgehouden worden in verband met kruisende vrij verval rioolaansluitingen.
3Het bovengenoemde basisprincipe moet zoveel mogelijk worden nagestreefd, mede in verband met kruisende rioolaansluitingen. In bijzondere gevallen kan de gemeente een andere verticale ligging toestaan of voorschrijven.
7.2.4. Aanvullende eisen voor verticale ligging
1Bij boringen/persingen, in welke vorm ook, is de diepteligging afhankelijk van de situatie ter plaatse. De verticale afstand ten opzichte van de te kruisen kabels en/of leidingen bedraagt bij voorkeur ten minste 0,50 m, waarbij de te boren/persen leiding onder de bestaande leiding wordt gevoerd. Om schade aan een kruisend riool te voorkomen dient op kosten van de grondroerder voor- en achteraf onderzoek plaatsvinden te vinden met behulp van een camera inspectie.
2Bij het kruisen van watergangen die in eigendom en/of beheer zijn van de gemeente moet een minimale gronddekking van 1,00 m ten opzichte van de ontwerpdiepte (theoretisch profiel) van de vaste bodem van de watergang worden aangehouden.
3Indien de gepeilde vaste bodem van de watergang lager ligt dan de ontwerpdiepte (theoretisch profiel) moet een gronddekking van 1,00 m ten opzichte van de aanwezige vaste bodem worden aangehouden, tenzij in een watervergunning van het hoogheemraadschap anders is bepaald.
4Indien het onvermijdelijk is dat een kabel en/of leiding door een groenvoorziening (behalve wegbermen) wordt gelegd of er onderdoor wordt geperst, moet de gronddekking van die kabel of leiding (of mantelbuis) minimaal 1,00 m bedragen.
5Kabels en/of leidingen mogen alleen onder een overbouwing (balkon enzovoort) van de openbare ruimte worden gesitueerd indien een goede bereikbaarheid van de kabels en/of leidingen blijvend gewaarborgd is. Bij calamiteiten is het noodzakelijk dat er snel gehandeld kan worden. Het verdient de voorkeur om als minimale verticale afstand tussen de onderzijde van de overbouwing en het ter plaatse vastgestelde uitgiftepeil minimaal 2,50 m te hanteren, zodat er altijd voldoende werkruimte is voor mechanisch en ander materieel.
6Kabels en/of leidingen mogen alleen boven een onderbouwing (kelder, duiker, koppelbalken van funderingen enzovoort) van de openbare ruimte worden gesitueerd indien er voldoende gronddekking boven de kabels en/of leidingen en voldoende tussenruimte tussen de bovenkant van de onderbouwing en de kabels en/of leidingen blijvend gewaarborgd is. Het verdient de voorkeur om als minimale verticale afstand tussen de bovenzijde van de onderbouwing en het ter plaatse vastgestelde uitgiftepeil ten minste 2,00 m te hanteren.
10 BIJLAGEN
10.1 Standaarddwarsprofiel (nieuwbouw)
De uitgangspunten en functionele eisen voor de ordening van ondergrondse netwerken die zijn opgenomen in de NEN 7171-1 Criteria en NPR 7171-2 Procesbeschrijving moeten worden nagestreefd.
10.2Standaarddwarsprofiel gasloos (nieuwbouw)
De uitgangspunten en functionele eisen voor de ordening van ondergrondse netwerken die zijn opgenomen in de NEN 7171-1 Criteria en NPR 7171-2 Procesbeschrijving moeten worden nagestreefd.
10.3Voorbeeld en voorwaarde tracétekening
10.4 Boombescherming werken rond bomen