1 Inleiding
1.5 Grondbeleid op Europees-, Rijks-, Regionaal-, Provinciaal- en gemeentelijk niveau
1.5.1 Grondbeleid op Europees niveau
Europese regelgeving is in de voorbije periode steeds belangrijker geworden. Kernbegrippen daarbij zijn staatssteun, aanbesteding en transparantie. Het niet voldoen aan Europese aanbestedingsregels kan ingrijpende (financiële) gevolgen of sancties tot gevolg hebben. Soms zijn er ook nieuwe ontwikkelingen die op aansturing of na initiatief vanuit 'Europa' op gemeenten afkomen, bijvoorbeeld de invoering van de vennootschapsbelasting voor activiteiten waar de gemeente concurreert met marktpartijen.
De Europese regelgeving treedt bij de uitvoering van grondbeleid vooral op bij aankoop- en verkooptransacties met bedrijven en bij de aanbestedingen voor bouw- en woonrijp maken. Gebiedsontwikkeling is een beleidsterrein waar decentrale overheden met staatssteun te maken kunnen krijgen. De gemeente Waterland voert tot op heden het beleid dat bouw- en woonrijp maken aan de markt wordt overgelaten.
De voorwaarden waaronder grondtransacties als marktconform worden gezien, staan in de 'Mededeling staatssteun en grondtransacties'. Deze is van toepassing op de verkoop van grond en gebouwen in eigendom van de overheid aan ondernemingen. In de praktijk wordt de Mededeling ook toegepast op de aankoop, uitgifte in erfpacht of verhuur van gronden en gebouwen. Verloopt de verkoop van de overheidsgrond via één van de volgende verkoopprocedures, dan wordt er vanuit gegaan dat er geen sprake is van staatssteun:
-De overheidsgrond wordt via een openbare en onvoorwaardelijke biedprocedure, verkocht aan de hoogste bieder.
-De marktwaarde van de overheidsgrond wordt voor de verkoop door een onafhankelijke taxateur vastgesteld. Volgens deze marktwaarde wordt de overheidsgrond verkocht.
Steunmaatregelen van decentrale overheden die in omvang onder de zogenaamde 'de minimis' drempel blijven, hoeven niet te worden gemeld, er is geen rapportageverplichting. De hoogte van de 'minimis' steun is geregeld in de 'De minimisverordening', het plafondbedrag is vastgesteld op € 200.000,- per onderneming per drie belastingjaren. Steunmaatregelen aan ondernemingen die binnen de marges van deze regeling blijven, worden geacht het handelsverkeer niet ongunstig te beïnvloeden en niet als staatssteun aangemerkt.
Beleidsuitgangspunt:
Uitgangspunt van het gemeentelijk inkoop- en aanbestedingsbeleid is dat wanneer de Europese regels van toepassing zijn hieraan uitvoering wordt gegeven.
1.5.2. Grondbeleid op rijksniveau
Bij het bepalen van het gemeentelijke (ruimtelijk) beleid dient ook het grondbeleid van de Rijksoverheid betrokken te worden. In deze paragraaf wordt aangegeven welk beleid het Rijk voorstaat en welke wetswijzigingen eraan komen in relatie tot grondbeleid.
Wet ruimtelijke ordening (Wro)
Deze wet verbeterde o.a. de mogelijkheden voor kostenverhaal voor ruimtelijke ontwikkelingen die door marktpartijen worden geïnitieerd. Uitgangspunt is dat de gemeente kostenverhaal verplicht moet toepassen. De Wro onderscheidt hierbij twee sporen, enerzijds het privaatrechtelijk spoor via het aangaan van een exploitatieovereenkomst (anterieure overeenkomst). Publiekrechtelijk is er de mogelijkheid tot vaststelling van een exploitatieplan. Een en ander is vastgelegd in Afdeling 6.4 van de Wro, ook wel bekend als de Grondexploitatiewet (Grexwet). In hoofdstuk 4 wordt het kostenverhaal nader toegelicht.
Onteigeningswet
Bij grondverwerving is het uitgangspunt dat de gemeente tracht met eigenaren op minnelijke wijze tot overeenstemming te komen over aankoop van gronden. De Onteigeningswet dient daarbij als stok achter de deur in situaties dat minnelijk overleg niet tot overeenstemming leidt.
Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg)
Deze wet biedt gemeenten de mogelijkheid om een voorkeursrecht te vestigen, waarbij het onroerend goed als eerste aan de gemeente moet worden aangeboden indien een eigenaar wil vervreemden. De intentie van deze wet is overheden een betere positie te geven op de grondmarkt; toepassing van dit instrument voorkomt verkoop aan bijvoorbeeld een ongewenste partij en zorgt ervoor dat de gemeente binnen een locatie de regie op de grondmarkt in handen houdt. De grondeigenaar heeft echter geen verplichting tot verkoop, aankoop kan niet via de Wvg worden afgedwongen.
Wet begroting en verantwoording
Deze wet bevat onder meer regels over de afbakening, definiëring en verslaggevingsregels rondom grondexploitaties. Naar aanleiding van de forse afboekingen van gemeenten op grondposities de afgelopen jaren, de wens van meer transparantie en de aankomende Omgevingswet zijn de regels kritisch onder de loep genomen. Dit heeft geleid tot een aanscherping en wijziging van de regels in het BBV (Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten. De volgende wijzigingen en toevoegingen kunnen voor de gemeente Waterland van belang zijn. Hierbij wordt opgemerkt dat de gemeente Waterland in principe geen eigen grondexploitaties voert.
-Looptijd grondexploitaties: richttermijn blijft in beginsel maximaal 10 jaar; benadrukt wordt dat hiervan gemotiveerd mag worden afgeweken. Hierbij gelden dan wel aanvullende voorwaarden die erop gericht zijn de risico's te beperken.
-Nieuwe categorie grond; 'warme gronden'. Het betreft gronden waarvan vaststaat dat deze als bouwgrond zullen gaan fungeren, maar waarvoor nog geen grondexploitatie is vastgesteld.
-Kostensoortenlijst Wro/Bro gecompleteerd.
Aanbestedingswet
De Aanbestedingswet past de Europese regels zo goed mogelijk toe op de Nederlandse situatie. Met deze wet is beoogd de drempel voor ondernemers te verlagen, waardoor deze gemakkelijker aan een aanbesteding kunnen meedoen. Dit vertaalt zich in:
-Meer concurrentie, doordat meer ondernemers kunnen meedingen naar een overheidsopdracht;
-Minder administratieve lasten;
-Meer lijn in aanbestedingsprocedures;
-Betere naleving van de regels;
-Een eenvoudiger afhandeling van klachten.
Wet Markt en Overheid
Overheden verrichten over het algemeen publiekrechtelijke taken, maar leveren daarbij ook goederen en diensten aan de markt waardoor concurrentie met bedrijven ontstaat. Dit kan leiden tot oneerlijke concurrentie daar waar overheden vanuit hun publieke functie concurrentievoordelen hebben. Om concurrentievervalsing te voorkomen, moeten overheden zich aan gedragsregels houden. Deze regels staan in de Wet Markt en Overheid, die onderdeel is van de Mededingingswet, die tot doel heeft om de concurrentieverhoudingen tussen overheden en bedrijven zo gelijk mogelijk te maken.
Wet modernisering vennootschapsbelasting overheidsondernemingen
Met de invoering van de vennootschapsbelastingplicht (Vpb-plicht) voor overheidsondernemingen hebben gemeenten, provincies en waterschappen te maken gekregen met het feit dat ze mogelijk voor een deel van hun activiteiten belastingplichtig worden voor de vennootschapsbelasting (Vpb). Deze wet is onder druk van de Europese Commissie tot stand gekomen omdat Europese regels voorschrijven dat voor de heffing van vennootschapsbelasting overheidsondernemingen niet anders behandeld mogen worden dan private ondernemingen. De Europese Commissie kwalificeerde de vrijstelling voor de Vpb, zoals die gold tot 1 januari 2016, als staatssteun die leidde tot verstoring van concurrentieverhoudingen.
Omgevingswet
De Omgevingswet (Ow) is onder andere de opvolger van de Wro, de beoogde inwerkingtreding is 1 juli 2022. De wet bestaat uit 23 afdelingen en is samengesteld uit de Omgevingswet uit 2016, een Invoeringswet gepubliceerd in 2020 en een serie Aanvullingswetten: geluid, bodem, natuur en grondeigendom, spoedwet aanpak stikstof, Wet wijzigingen Algemene wet bestuursrecht, Wet elektronische publicaties (1 juli 2021), Wet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer en tot slot de Verzamelwet IenW 2019.
De Ow bundelt wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water en vormt de basis voor de samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. Het doel van de Omgevingswet is het bereiken van een balans tussen:
-een veilige en gezonde fysieke leefomgeving bereiken en in stand houden;
-de fysieke leefomgeving doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen om er maatschappelijke behoeften mee te vervullen.
Voor het bereiken van die balans op lokale schaal krijgen overheden meer afwegingsruimte. Er zijn minder regels en er is meer ruimte voor initiatieven. Dit alles met het oog op duurzame ontwikkeling, bewoonbaarheid van het land en het beschermen en verbeteren van het leefmilieu.
In de Nota Grondbeleid zal, indien van toepassing, steeds de situatie onder de Wro en de toekomstige situatie onder de Omgevingswet aan de orde komen.
1.5.3. Grondbeleid op provinciaal niveau
Behalve de hiervoor genoemde Europese en landelijke regelgeving zijn er ook provinciale en regionale beleidskaders die richting geven aan het gemeentelijk grondbeleid.
In de Omgevingsvisie NH2050, vastgesteld in 2018, is het provinciaal beleid van de provincie Noord-Holland verwoord. De beleidsregels zijn in 2020 verder uitgewerkt in de Omgevingsverordening NH2020. Daarbij geeft de provincie kaders aan en de gemeente maakt afspraken over hoe die kaders in de regio of in de eigen gemeente worden ingevuld. Een belangrijkste ambitie van de provincie is om vraag en aanbod van woon- en werklocaties beter met elkaar in overeenstemming te brengen. Een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte is van belang. Om het landschap te sparen is in de Omgevingsvisie gekozen voor verdichting van de bestaande kernen. Nieuwe ontwikkelingen van woningbouw en voorzieningen worden geconcentreerd in kernen, passend bij de rol van de kernen in het regionale netwerk.
Gemeentelijke bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen mogen niet in strijd zijn met de regels in de Omgevingsverordening NH2020. Een ruimtelijk plan kan uitsluitend voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als de ontwikkeling in overeenstemming is met de binnen de regio gemaakte schriftelijke afspraken. Eén van de ontwikkelprincipes uit de Omgevingsvisie NH2050 is dat wonen en werken zoveel mogelijk binnenstedelijk worden gerealiseerd en geconcentreerd (p. 34). Conform de ladder voor duurzame verstedelijking blijft woningbouw in landelijk gebied buiten de beschermingsregimes mogelijk. Daarbij geeft de provincie aan gemeenten daar waar nodig meer ruimte voor kleinschalige woningbouwontwikkelingen aan de rand van kernen of linten. In de Metropoolregio Amsterdam (MRA), waar Waterland onderdeel van uitmaakt is er voor kleinschalige woningbouwontwikkelingen (11 woningen) geen ruimte in het landelijk gebied, daarvoor is volgens de provincie binnenstedelijk voldoende ruimte te vinden. Voor de gemeente Waterland betekent dit dat ook kleinschalige woningbouw niet buiten de bestaande kernen plaats kan vinden.
Bijzonder Provinciaal Landschap
In Noord-Holland zijn 32 gebieden aangewezen als 'Bijzonder Provinciaal Landschap' (BPL). Waterland is een van de aangewezen gebieden. Dit beschermingsregime is een uitwerking van de Omgevingsverordening NH2020 en heeft als doelstelling het beschermen van de meest waardevolle landschappen in Noord-Holland. Binnen BPL zijn ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk, zolang de kernkwaliteiten, zoals onder meer de openheid, vergezichten, waterlopen en verkavelingsvormen in oude polders, niet worden aangetast.
1.5.4. Grondbeleid op regionaal niveau
De gemeente Waterland is onderdeel van de MRA, een samenwerkingsverband van de provincies Noord-Holland en Flevoland, 32 gemeenten en de Vervoerregio Amsterdam. Begin 2016 is de MRA Agenda opgesteld waarin de volgende prioriteiten worden benoemd:
-het aanjagen van de economie;
-het verbeteren van de bereikbaarheid; en
-het bouwen van woningen.
Dit laatste speerpunt wordt steeds urgenter. Sinds 2017 werken deelregio's binnen de MRA samen, onder meer op het beleidsterrein wonen. Binnen de deelregio Zaanstreek-Waterland wordt samengewerkt door acht gemeenten, te weten: Beemster, Edam-Volendam, Landsmeer, Oostzaan, Purmerend, Waterland, Wormerland en Zaanstad. Voor deze regionale samenwerking is in januari 2017 de Woonagenda Zaanstreek-Waterland opgesteld.
Op 1 juli 2021 is het Woonakkoord Zaanstreek-Waterland 2021-2025 gepubliceerd. Vooralsnog is op de website van de provincie alleen de conceptversie van 10 juni 2021 beschikbaar
1https://www.noord-holland.nl/Onderwerpen/Bouwen_Wonen/Regionale_woonafspraken/Documenten/Woonakkoord_regio_Zaanstreek_Waterland_2021_2025
.
3 Grondbeleidsinstrumenten nu en onder de Omgevingswet
3.4 Gemeentelijk voorkeursrecht (Wvg)
3.4.1 Vestigingsbesluit, grondslag, duur en verlenging
Voor het vestigen en continueren van een voorkeursrecht zijn in de basis twee vestigingsbesluiten nodig. Het college kan op korte termijn een voorlopig voorkeursrecht vestigen. De gemeenteraad moet dan binnen drie maanden een definitief vestigingsbesluit nemen, op straffe van verval van rechtswege van het voorkeursrecht.
Voor het nemen van dit definitieve vestigingsbesluit door de raad zijn er drie vestigingsgrondslagen mogelijk, afhankelijk van de aanwezigheid van een eventuele planologische onderlegger:
-voorlopig voorkeursrecht, vooruitlopend op een ruimtelijk besluit (artikel 5 Wvg);
-de vastgestelde structuur/omgevingsvisie (artikel 4 Wvg);
-het vastgestelde bestemmings-/omgevingsplan (artikel 3 Wvg).
Per vestigingsgrondslag geldt een termijn waarbinnen een opvolgend planologisch/ruimtelijk besluit moet zijn vastgesteld om het voorkeursrecht van rechtswege in de lucht te houden. In onderstaand schema zijn de grondslagen en de tijdsduur schematisch weergegeven.
Vestigingsgrondslag
Duurvestiging
Voorgenomen bestemmingswijziging
Voorlopige aanwijzing door college
drie maanden
Voorgenomen bestemmingswijziging
Definitieve vestiging door gemeenteraad
drie jaar
Structuurvisie
drie jaar
Bestemmingsplan
tien jaar
De voortgang van de planologische ontwikkeling en de termijn waarop deze plaats moet vinden, bepaalt de keuze van de raad. Wanneer eenmaal een vestigingsgrondslag is gekozen, bindt de gemeente zich aan de daarbij geldende termijnen voor de vaststelling van een opvolgend planologisch/ruimtelijk besluit. Het voorkeursrecht blijft van kracht als deze termijnen worden gehaald. De gemeente hoeft tussentijds geen nieuw vestigings- of verlengingsbesluit te nemen. Daarnaast hoeft de gemeente het voorkeursrecht, na verloop van de geldingstermijn, niet meer vervallen te verklaren, maar vervalt dit van rechtswege.
3.4.2 Het gemeentelijk voorkeursrecht onder de Omgevingswet
De Omgevingswet wijzigt de regeling van het voorkeursrecht op een aantal punten:
-De grondslagen voor vestiging worden aangepast aan de inhoud en terminologie van de Omgevingswet. “Bestemmingsplan” wordt vervangen door “omgevingsplan” en “structuurvisie” door zowel “omgevingsvisie” als “programma”. Ondanks de wijziging van de grondslagen blijft de reikwijdte van het voorkeursrecht gelijk.
-Het voorkeursrecht dient eerst te worden bekendgemaakt, waarna de beschikking binnen vier dagen moet worden ingeschreven in de openbare registers van het kadaster. Het voorkeursrecht treedt daarna direct in werking. De verplichting tot publicatie in de Staatscourant komt te vervallen.
-Er komt een nieuwe uitzondering op de aanbiedingsplicht; wanneer een eigenaar kan aantonen dat de beoogde koper in staat is om de nieuwe functie te realiseren zoals die op grond van het omgevingsplan is voorzien. De criteria waaraan moet worden voldaan hebben een vergelijkbaar strekking als de criteria die worden gesteld aan zelfrealisatieverweer bij onteigening.
-Een voorkeursrecht dat zijn grondslag heeft in het omgevingsplan geldt vijf jaar, met een mogelijkheid tot eenmalige verlenging van vijf jaar.
-Verval van rechtswege van een voorkeursrecht dat al vijf jaar is gebaseerd op een omgevingsplan en gevestigd is op gronden die de gemeente niet wenst te verwerven na aanbieding.
3.5 Bestemmingsplan, omgevingsplan en de omgevingsvergunning
3.5.1 Van bestemmingsplan naar omgevingsplan onder de Omgevingswet
In de Omgevingswet gaat het omgevingsplan het bestemmingsplan, wijzigingsplan, uitwerkingsplan en de beheersverordening vervangen. De meest in het oog springende wijzigingen zijn;
-Onder de Omgevingswet moet iedere gemeente één omgevingsplan vaststellen voor haar hele grondgebied.
-Het omgevingsplan heeft een bredere reikwijdte dan het bestemmingsplan, het kan regels bevatten die over de hele fysieke leefomgeving gaan en beperkt zich dus niet tot planologische aspecten.
-De plicht om na tien jaar te actualiseren is komen te vervallen.
-Het loslaten van de actualisatieplicht leidt ook tot een ander soort toets op de uitvoerbaarheid van een omgevingsplan. De onderzoekslasten worden beperkt omdat alleen de haalbaarheid moet worden aangetoond en daarbij niet langer de uitvoering en uitvoeringstermijn gegarandeerd moeten worden.
-De Omgevingswet biedt de mogelijkheid tot delegatie van de bevoegdheid tot wijzigen van het omgevingsplan van de raad aan het college. Hierbij gaat het om de bevoegdheid tot het vaststellen van delen, het uitwerken, wijzigen of het stellen van nadere eisen.
3.7 Onteigening
3.7.1 Onteigening onder de Wro
Als het planologisch proces het stadium van ontwerpbestemmingsplan heeft bereikt kan een onteigeningsplan administratief worden voorbereid op basis van de Onteigeningswet (Ow). Deze kent verschillende titels tot onteigening, de belangrijkste zijn: Titel IIa en Titel IV. Titel IIa biedt de mogelijkheid tot onteigening ten behoeve van de aanleg van infrastructuur met bijkomende voorzieningen. Titel IV regelt de onteigening in het belang van de ruimtelijke ontwikkeling en volkshuisvesting op basis van onder meer een bestemmingsplanwijziging of een bouwplan.
Het nemen van een verzoekbesluit tot onteigening biedt de gemeente Waterland niet alleen uitzicht op eigendomsverwerving, maar wordt ook gebruikt als drukmiddel in onderhandelingen tot minnelijke aankoop van de grond, het eerder genoemde 'tweesporenbeleid'. Eigendomsverkrijging via onteigening kan worden doorkruist door een grondeigenaar die met succes een beroep doet op zelfrealisatie indien hij, al dan niet in samenwerking met een bouwer, bereid en in staat is om de door de gemeente voorgestane ontwikkeling uit te voeren, onder de door de gemeente Waterland redelijkerwijze te stellen randvoorwaarden.
Zodra een bestemmingsplan is vastgesteld kan de raad een verzoekbesluit tot onteigening nemen. Hiermee verzoekt de gemeente de Kroon om een koninklijk besluit tot onteigening te nemen. De Kroon gaat vervolgens na of het verzoek aan alle eisen voldoet. Indien dit het geval lijkt te zijn, stelt de Kroon een ontwerp koninklijk besluit op en legt dit samen met de bijbehorende stukken ter inzage. Het verzoek kan geheel of gedeeltelijk worden afgewezen naar aanleiding van de bij de Kroon naar voren gebrachte zienswijzen. Ook wanneer er geen zienswijzen zijn ingediend of wanneer de zienswijzen niet ontvankelijk zijn kan de Kroon oordelen dat er aanleiding bestaat om het verzoek geheel of gedeeltelijk af te wijzen.
Bij het beoordelen van het verzoek tot onteigening worden door de Kroon de volgende maatstaven gehanteerd:
-strijd met het recht;
-publiek belang, ruimtelijk ontwikkelingsbelang of volkshuisvestingsbelang;
-noodzaak;
-urgentie.
In het verzoekbesluit van de raad dienen, indien het bestemmingsplan nog niet onherroepelijk is, opschortende en ontbindende voorwaarden te worden opgenomen. Deze voorwaarden houden in dat niet tot dagvaarding zal worden overgegaan voordat het bestemmingsplan onherroepelijk is geworden en dat het verzoekbesluit tot onteigening vervalt in het geval het bestemmingsplan geen hogere goedkeuring verkrijgt. De administratieve voorbereiding van het verzoekbesluit kan gelijk oplopen met de voorbereiding van het bestemmingsplan. Bij de vaststelling dient in de raadsvergadering eerst het bestemmingsplan te worden vastgesteld en daarna kan het verzoekbesluit worden genomen.
3.7.2 Onteigening onder de Omgevingswet
De Omgevingswet zal dit instrument en met name de administratieve onteigeningsprocedure ingrijpend veranderen. Niet de Kroon maar de raad zal de onteigeningsbeschikking waarin de gronden ter onteigening worden aangewezen, nemen. Daarnaast wijzigen onderstaande punten.
-Het onteigeningsbelang moet worden onderbouwd aan de hand van de aan de locatie toegedeelde functies. Het omgevingsplan, de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit en het projectbesluit kunnen de grondslag van het onteigeningsbelang zijn.
-De onteigeningscriteria worden wettelijk vastgelegd, waarbij nieuw is dat de noodzaak tot onteigening ontbreekt wanneer het aannemelijk is dat binnen afzienbare tijd alsnog overeenstemming kan worden bereikt.
-Belanghebbenden moeten bij de raad een zienswijze indienen en niet meer bij de Kroon.
-De onteigening moet worden bekrachtigd door de bestuursrechter. Daarna is hoger beroep mogelijk bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
-De schadeloosstelling wordt vastgesteld in een verzoekprocedure bij de burgerlijke rechter en niet meer als vordering in een dagvaardingsprocedure.
4 Kostenverhaal nu en onder de Omgevingswet
4.2 Privaatrechtelijk kostenverhaal: de anterieure overeenkomst
4.2.1 Bijdrage in gemeentelijke projectkosten bij woningen
De vaste bedragen die door de gemeente Waterland in rekening worden gebracht als bijdrage in gemeentelijke projectkosten bij woningen zijn met het opstellen van deze Nota Grondbeleid verhoogd, omdat deze niet kostendekkend bleken te zijn. Er is vastgehouden aan een vast bedrag per woning, omdat de ervaring leert dat marktpartijen goed uit de voeten kunnen met deze systematiek. Het zorgt voor duidelijkheid en eenduidigheid en voorkomt discussies over voor- en nacalculaties. De bijdrage is vastgesteld op een bedrag van € 10.615,31 per woning bij betaalbare woningen en vrijesectorwoningen en € 5.307,66 per sociale woning. Bij binnenplanse afwijkingen bedraagt de bijdrage in de gemeentelijke projectkosten € 5.307,66 voor een betaalbare woning en vrijesectorwoning en € 2.653,83 voor een sociale woning.
2Inflatiecorrectie.
Voor het kostenverhaal van bouwplannen voor één woning wordt met de wettelijke maximale bijdrage van € 10.252
3Inflatiecorrectie.
gerekend. De gemeentelijke projectkosten worden naast de bouwleges in rekening gebracht en omvatten onder meer de volgende kosten:
-stedenbouwkundige visie;
-projectleiding;
-planologische procedures;
-eventueel civieltechnisch toezicht op de inrichting van de openbare ruimte.
De kosten van de noodzakelijke (digitale) opstelling van het planologische document worden in alle gevallen op basis van de werkelijke kosten in rekening gebracht bij de initiatiefnemer.
4.2.2 Bijdrage in gemeentelijke projectkosten bij niet-woningen
Voor de bijdrage van de initiatiefnemer in de gemeentelijke projectkosten bij niet-woningen wordt de plankostenscan toegepast. Hiervan is sprake bij de ontwikkeling van detailhandel, horeca, recreatie, etc. De plankostenscan is een Excelmodel waarbij door middel van het beantwoorden van vragen en het invullen van de projectgegevens wordt uitgerekend wat de plankosten zullen zijn.
De huidige Regeling plankosten exploitatieplan met het bijbehorende rekenmodel voor plankosten is als bijlage 1a bij deze nota gevoegd. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet is de Omgevingsregeling en het bijbehorende rekenmodel van toepassing. Hoofdstuk 13 Kostenverhaal van de Omgevingsregeling en het rekenmodel zijn als bijlage 1b bij deze nota gevoegd.
4.2.3 Bijdrage in gemeentelijke projectkosten bij gemengde bestemmingen
Bij projecten waarbij een combinatie van bestemmingen wordt gemaakt (zoals woon-winkelpanden of woningen gecombineerd met bedrijven) wordt de bijdrage van de initiatiefnemer in de gemeentelijke projectkosten ook berekend met behulp van de plankostenscan.
Het is niet mogelijk om een combinatie te maken van de vaste prijzen voor woningen en de resultaten van de plankostenscan voor andere functies. Er wordt immers één planologische maatregel voor een project genomen, waarvoor de daaraan te besteden uren de basis vormen voor het resultaat van de plankostenscan.
4.2.4 Privaatrechtelijk kostenverhaal onder de Omgevingswet
De regelgeving onder de Omgevingswet zal voor de gemeente Waterland geen grote gevolgen hebben voor de huidige wijze van privaatrechtelijk kostenverhaal. De anterieure overeenkomst blijft onder de Omgevingswet bestaan. De belangrijkste wijzigingen spelen op het gebied van het publiekrechtelijk kostenverhaal, waarover hierna meer.
4.3 Publiekrechtelijk kostenverhaal: het exploitatieplan
4.3.1 Publiekrechtelijk kostenverhaal: kostenverhaalsregeling onder de Omgevingswet
Publiekrechtelijk kostenverhaal onder de Omgevingswet wijkt op onderdelen af van de huidige regeling. Het exploitatieplan verdwijnt en het publiekrechtelijke kostenverhaal moet door middel van kostenverhaalsregels worden vastgelegd in het omgevingsplan, de omgevingsvergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit, of in het projectbesluit.
Voor publiekrechtelijk kostenverhaal zijn er onder de Omgevingswet twee systemen. Er is een nieuw systeem voor kostenverhaal toegevoegd ten opzichte van de Wro: kostenverhaal zonder tijdvak. Dit nieuwe systeem is bestemd voor organische gebiedsontwikkeling; gebiedsontwikkeling zonder eindbeeld en zonder tijdvak.
Het toedelen van globale en flexibele functies aan locaties is bij kostenverhaal zonder tijdvak eenvoudiger. Bij het vaststellen van het omgevingsplan is geen gedetailleerde raming van kosten en opbrengsten vereist. De kosten en bijdragen worden pas bij de aanvraag geconcretiseerd. Kostenverhaal vindt hier plaats aan de hand van waardevermeerdering per locatie. Bij de eindafrekening kan binnen kostensoorten worden geschoven.
Naast kostenverhaal zonder tijdvak bestaat er onder de Omgevingswet ook kostenverhaal met tijdvak, als onderdeel van het omgevingsplan.
Het innen van kosten gebeurt onder de Omgevingswet via de beschikking bestuursrechtelijke geldschuld, dus niet meer via de omgevingsvergunning. Het moment van eindafrekening wordt niet meer voorgeschreven. Het omgevingsplan bepaalt dit en Initiatiefnemers kunnen daarnaast vanaf vijf jaar na betaling een individuele eindafrekening vragen.
5 Grondprijsbeleid en methoden van gronduitgifte
5.3 Algemene verkoopvoorwaarden
5.3.1 Beeldbepalend groen en bomen
Voor alle categorieën geldt dat als de bedoelde grond/onroerende zaak onderdeel uitmaakt van de Hoofdgroenstructuur (voortkomend uit de ten tijde van de aanvraag vigerende groenvisie) of indien er op de bedoelde grond/onroerende zaak een boom staat die op de lijst van waardevolle bomen wordt genoemd, zal een verzoek om aankoop van de grond/onroerende zaak worden afgewezen. Het college heeft de bevoegdheid hiervan gemotiveerd af te wijken.
5.3.2 Kabels en leidingen
Voor alle categorieën geldt dat als er in de bedoelde grond/onroerende zaak kabels en/of leidingen aanwezig zijn, een verzoek om aankoop van de grond/onroerende zaak wordt afgewezen. Het college heeft de bevoegdheid hiervan gemotiveerd af te wijken. Wanneer er in overeenstemming met de koper wordt besloten om de grond toch te verkopen en het is noodzakelijk dat de in het te verkopen perceel gelegen kabels en leidingen verlegd dienen te worden, dan komen de kosten voor het verleggen voor rekening van de koper.
5.3.3 Verkoop/verhuur van snippergroen
Reststroken grond, ook wel snippergroen genoemd, kunnen van grote waarde zijn voor aanliggende eigenaren. Het betreft gronden die geen onderdeel zijn van de groenstructuur, het openbaar nut niet dienen, waar geen kabels, leidingen en rioleringen in de grond liggen en waar geen toekomstige ruimtelijke ontwikkeling voorzien is.
Uitgangspunt is dat de grond pas in gebruik gegeven, verhuurd of verkocht wordt als binnen de organisatie naar de volgende onderwerpen onderzoek is gedaan en daar geen negatief oordeel uit is gekomen:
1eigendomssituatie;
2locatie van de grond (strategische waarden);
3groenvisie;
4wegen en verkeer;
5kabels en leidingen;
6erfgoed;
7beheersmatige aspecten.
De specifieke vereisten per onderwerp zijn in een lijst in bijlage 3 behorende bij deze nota opgenomen.
De kosten voor het in behandeling nemen van een verzoek tot aankoop van gemeentegrond, zijn als volgt en worden bij de verkoopprijs opgeteld.
-het in behandeling nemen van het verzoek tot aankoop/verhuur grond (à € 94,35);
-de KLIC-melding (à € 76,67)
4Inflatiecorrectie.
De verkoopprijs/verhuurprijs van gemeentegrond is vastgelegd in de grondprijzenbrief.
5.3.4 Groenadoptie
Gemeentegrond kan in aanmerking komen voor groenadoptie. Dit houdt in dat bewoners van de gemeente Waterland gemeentegrond mag onderhouden, waarbij het stuk grond openbaar toegankelijk moet blijven voor andere bewoners. Zo mag de grond bijvoorbeeld niet omheind worden door een schutting.
De spelregels en de interne richtlijnen voor het in beheer geven van gemeentegrond zijn opgenomen in bijlage 4 behorende bij dit grondbeleid.
Bij groenadoptie geldt er een minder strikte controle dan bij de verzoeken tot aankoop of huur van gemeentegrond omdat een overeenkomst van groenadoptie te allen tijde direct opzegbaar is.
5.3.5 Aanpassing bestemmingsplan
Veel van de verkochte grond krijgt na verkoop een andere bestemming dan de bestemming zoals vermeld in het bestemmingsplan. Een perceel gemeentegroen wordt na verkoop door de koper bij zijn eigendom getrokken en maakt over het algemeen deel uit van zijn tuin. De consequentie hiervan kan zijn is dat de situatie dan niet meer in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Het is echter niet efficiënt om bij elke verkoop een herziening van het bestemmingsplan door te voeren. Om die reden zal aanpassing pas bij een integrale herziening van het bestemmingsplan plaatsvinden en wordt de ontstane situatie waarbij de grond wordt gebruikt als tuin, tot die herziening gedoogd.
In de met kopers van dergelijke percelen te sluiten koopovereenkomst wordt een bepaling opgenomen waaruit blijkt dat de koper zich bekend verklaart met het feit dat de bestemming van het gekochte openbaar groen betreft een dus eigenlijk niet als tuin mag worden gebruikt. Ook wordt melding gemaakt van de mogelijke aanpassing van de bestemming bij een integrale herziening van het bestemmingsplan, maar dat het risico dat als deze aanpassing niet (volledig) plaatsvindt geheel voor risico van de koper is. Indien de grond wordt aangekocht ten behoeve van bebouwing dan is een bestemmingsplanwijziging noodzakelijk. Bovenstaande bepaling wordt als kwalitatieve verplichting vastgelegd in de koopovereenkomst.
5.3.6 Minimale verkoop en/of verhuurprijs
In verband met werkzaamheden die door de gemeente Waterland verricht dienen te worden bij verkoop van grond/onroerende zaken zal – ongeachte de grootte – bij:
-verkoop een minimale totale verkoopprijs van zeshonderdachtenveertig euro en eenenzeventig cent (€ 648,71) worden aangehouden;
-verhuur een minimale totale verhuurprijs van vierenzestig euro en zevenentachtig cent (€ 64,87) worden aangehouden.
5Inflatiecorrectie.
5.3.7 Indexatie
De bedragen genoemd in deze nota en de bijbehorende bijlagen worden jaarlijks geïndexeerd. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de maandprijsindexcijfers volgens de consumentenprijsindex (CPI, 2015=100), reeks alle huishoudens, gepubliceerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).
6 Woningbouwprogramma en sociale woningbouw
6.4 Sociale- en betaalbare woningbouw
6.4.1 Doelgroepen
De gemeente Waterland stelt een separate doelgroepenverordening en het Beleidsstuk 30-30-40 op waarin vooralsnog wordt geregeld voor welke doelgroepen de te bouwen sociale- en betaalbare woningen bedoeld zijn. De doelgroepen worden bepaald aan de hand van inkomensgrenzen. Ook regelt de verordening en het Beleidsstuk 30-30-40 dat de sociale- en betaalbare woningen gedurende een bepaalde periode beschikbaar moeten blijven voor de daarvoor aangewezen doelgroepen.
6.4.2 Behoud van sociale- en betaalbare woningen
De sociale huursector wordt voor ongeveer 30% bewoond door huishoudens die niet tot de doelgroep behoren. Daar staat tegenover dat ongeveer een derde van de doelgroep buiten de sociale sector woont, met name in koopwoningen. Om meer grip uit te oefenen op het aandeel sociaal en betaalbaar binnen de vastgestelde woningbouwprogrammering staat de gemeente Waterland een aantal instrumenten ter beschikking. Door deze instrumenten zo nodig gecombineerd in te zetten wordt beoogd sociale en betaalbare woningen binnen het segment te behouden en speculatieve verkoop tegen te gaan.
6.4.2.1 Het eerste recht van koop voor de gemeente
Bij een eerste recht van koop ligt het initiatief bij de eigenaar van het registergoed/onroerende zaak omdat een dergelijk recht pas aan de orde komt wanneer de eigenaar tot verkoop wil overgaan. Op dat moment zal de onroerende zaak eerst te koop moeten worden aangeboden aan de gemeente. Bij een eerste recht van koop kunnen partijen al bij het verlenen daarvan de koopsom vastleggen of kan worden vastgelegd op welke wijze de koopsom moet worden bepaald. Wanneer de gemeente Waterland besluit niet tot koop over te gaan, is de eigenaar vervolgens vrij het registergoed/de onroerende zaak aan een ander te verkopen. De gemeente kan dus van dit recht af zien, dit dient per keer te worden beoordeeld.
Het eerste recht van koop dient als een kettingbeding te worden opgenomen in de akte met de initiatiefnemer zodat het beding bij verkoop steeds wordt overgenomen in een volgende akte.
Wanneer de gemeente Waterland besluit woningen terug te kopen, dan zal kan in de overeenkomst zijn opgenomen dat zij zal terugkopen voor de aankoopprijs, waarbij een indexatie, gekoppeld aan de WOZ-waarde, zal worden gehanteerd.
Een rekenvoorbeeld is opgenomen in bijlage 5 van deze Nota Grondbeleid.
6.4.2.1.a Kohnstammlocatie
De kopers van de sociale koopwoningen aan de Kohnstammlocatie hebben een kettingbeding aanvaard. Hierin wordt bepaald dat de gemeente Waterland ten aanzien van toekomstige eigenaren een recht van eerste koop heeft voor deze sociale koopwoningen voor het bedrag van de aankoopprijs, waarbij een indexatie, gekoppeld aan de WOZ-waarde, zal worden gehanteerd. Een rekenvoorbeeld is opgenomen in bijlage 5 van deze Nota Grondbeleid.
Omdat de gemeente invulling wil geven aan haar beleidsdoelstellingen om betaalbare koopwoningen aan de daarvoor beoogde doelgroep op de woningmarkt aan te kunnen bieden, zal zij gebruikmaken van haar recht tot eerste koop en de woningen aankopen, om vervolgens door te verkopen. Uitgangspunt is dat de doorverkoop een kostenneutrale situatie voor de gemeente oplevert waarbij de gemeentelijke kosten worden gedekt, zonder winstdoelstelling. Dit houdt in dat de woning te koop zal worden aangeboden voor de door de gemeente betaalde aankoopprijs, vermeerderd met de gemaakte (door)verkoopkosten. Voor de maximale (ver)koopprijs van de betreffende koopwoningen wordt verwezen naar bijlage 6 van deze Nota Grondbeleid onder “kaders betaalbare koop” onder 1 en 2.
De gemeente zal gebruik blijven maken van haar recht van eerste koop totdat de aankoopprijs van de woningen zo hoog wordt dat de woningen niet meer kostenneutraal kunnen worden doorverkocht als betaalbare koopwoning.
Voor de doelgroep aan wie de gemeente de betreffende koopwoningen zal gunnen, wordt verwezen naar bijlage 6 van deze Nota Grondbeleid onder “kaders betaalbare koop” onder 3 en 6.
Om de betaalbare koopwoningen binnen het segment te behouden en speculatieve verkoop tegen te gaan, zal een anti-speculatiebeding en zelfbewoningsplicht worden ingezet. Hiervoor wordt verwezen naar bijlage 6 van deze Nota Grondbeleid onder “kaders betaalbare koop” onder 4 en de uitwerking zoals gemeld onder 6.4.2.2 tot en met 6.4.2.4 van deze Nota Grondbeleid.
6.4.2.2 Anti-speculatiebeding
Het tegengaan van speculatieve verkoop kan daarnaast worden bereikt door het opnemen van een anti-speculatiebeding in de overeenkomst. Hierbij wordt in de akte opgenomen dat indien de koper binnen tien jaar, tot verkoop aan een derde overgaat, een percentage van de winst aan de gemeente dient te betalen.
Jaar van verkoop
Afdracht van de winst
Jaar 1
90%
Jaar 2
80%
Jaar 3
70%
Jaar 4
60%
Jaar 5
50%
Jaar 6
40%
Jaar 7
30%
Jaar 8
20%
Jaar 9
10%
Jaar 10
0%
Voor het bepalen van de winst geldt de volgende definitie: verkoopprijs min aankoopprijs.
Bij het bepalen van de winst wordt geen rekening gehouden met (meerwerk)opties en overige investeringen. Verbeteringen aan de woning zijn toegestaan voor eigen gebruik, maar worden niet bij de aankoopprijs opgeteld voor het bepalen van de winst. Bij het opleggen van het anti-speculatiebeding worden de uitzonderingen zoals genoemd in paragraaf 6.4.2.3 in de overeenkomst opgenomen.
Het uitgeven van gronden in erfpacht ter voorkoming van speculatieve verkoop heeft niet de voorkeur en wordt daarom in deze Nota Grondbeleid niet verder uitgewerkt.
6.4.2.3 Bijzondere voorwaarden anti-speculatiebeding
Wanneer een anti-speculatiebeding wordt opgenomen in een overeenkomst, dan worden de volgende uitzonderingen tevens opgenomen in de overeenkomst.
Ontheffing van het anti-speculatiebeding
6In deze zin is het woord “zelfbewoningsverplichting” verwijderd, gezien de uitzonderingen die van toepassing zijn bij het anti-speculatiebeding niet van toepassing zijn op de zelfbewoningsverplichting. De uitzonderingen voor de zelfbewoningsverplichting staan separaat opgenomen bij het artikel over de zelfbewoningsverplichting.
is mogelijk indien:
a.verkoop op grond van een machtiging van de rechter als bedoeld in artikel 3:174 van het Burgerlijk Wetboek plaatsvindt;
b.executoriale verkoop door hypothecaire schuldeisers (artikel 3:268 van het Burgerlijk Wetboek) plaatsvindt;
c.schriftelijke ontheffing door het college kan worden gegeven in het geval van:
-verandering van werkkring van koper op grond waarvan redelijkerwijs verhuisd dient te worden;
-overlijden van koper of diens echtgeno(o)t(e) of partner waarmee de woning tezamen is aangekocht;
-verdeling van de woning vanwege ontbinding van het huwelijk of verbreken van het geregistreerd partnerschap van koper en diens echtgeno(o)t(e) of partner;
-verdeling van de woning bij het einde van ongehuwd of ongeregistreerd samenwonen van koper of diens partner waarmee de woning tezamen is aangekocht;
-verhuizing waartoe wordt genoodzaakt door de gezondheid van koper of een van zijn gezinsleden.
7De uitzondering over bewoning en huur m.b.t. familie is bij het anti-speculatiebeding verwijderd en opgenomen bij de zelfbewoningsverplichting, gezien bewoning en/of huur ziet op zelfbewoning en niet op verkoop/vervreemden/anti-speculatie.
Aan de in lid c bedoelde ontheffing kan het college voorwaarden verbinden.
6.4.2.4 Zelfbewoningsplicht
Om te voorkomen dat nieuwbouwwoningen (zowel betaalbare koopwoningen als vrijesectorwoningen) worden opgekocht met een speculatief oogmerk, voert de gemeente Waterland een zelfbewoningsplicht in. De koper wordt verplicht gedurende een bepaalde periode na oplevering de woning zelf te bewonen. Deze zelfbewoningsplicht zal worden opgenomen in anterieure overeenkomsten en geldt voor een periode van vijftien jaar. Het staat de eigenaar te allen tijde vrij om de woning te verkopen, ook binnen de termijn van vijftien jaar, mits de eigenaar middels een kettingbeding de zelfbewoningsverplichting oplegt aan de opvolgend koper om de woning zelf te bewonen (en dus niet te verhuren) voor de resterende termijn.
Bij het opleggen van de zelfbewoningsplicht dienen de onderstaande uitzonderingen opgenomen te worden in de overeenkomst:
-eigenaren mogen verhuren aan een eerste- en/of tweedegraads familielid
8Deze uitzondering stond eerder opgenomen bij het anti-speculatiebeding en is verplaatst.
;
-verhuur aan derden is mogelijk bij een tijdelijk verblijf in het buitenland van minimaal 3 maanden en maximaal 2 jaar;
-eigenaren mogen de woning verhuren als de totale huurprijs niet boven de grens voor middeldure huur uitkomt. Voor de maximale huurprijs wordt verwezen naar het Beleidsstuk 30-30-40, welke is opgenomen in bijlage 6 van deze Nota Grondbeleid;
-voor bijzondere gevallen kan worden afgeweken als het verhuurverbod het doel en de strekking daarvan onvoorziene en onredelijk benadelende gevolgen met zich meebrengt.
-executoriale verkoop door hypothecaire schuldeisers (artikel 3:268 van het Burgerlijk Wetboek).
6.4.2.5 Sociale huurwoningen
Sociale huurwoningen zijn in eigendom bij een woningcorporatie. De corporatie kan op een zeker moment beslissen om woningen te gaan verkopen. Om de sociale huurwoningen ook bij verkoop in het sociale segment te behouden, heeft de gemeente Waterland hierover met de woningcorporaties afspraken gemaakt in hun prestatieovereenkomst. Corporaties verkopen voornamelijk in complexen waar al veel verkocht is, juist om zich bij de energietransitie te focussen op de rest van de voorraad. Op wijk- of buurtniveau kan verkoop ook een geschikt instrument zijn om de leefbaarheid te verbeteren. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de beschikbaarheid van sociale koopwoningen, waarmee doorstroming wordt bevorderd. Sociale huurwoningen worden bij voorrang verkocht aan zittende bewoners of starters die een huurwoning achterlaten.
7 Beheer
7.3 Pacht
7.3.1 Pachtprijs reguliere pacht
De pachtprijs van reguliere pacht wordt geregeld in het Pachtprijzenbesluit en/of de uitvoeringsregeling pachtprijzen. De basis voor de maximale pachtprijs is het opbrengend vermogen van de grond. In dit besluit en/of deze regeling zijn maximale pachtsommen per hectare opgenomen, verdeeld over een aantal regio's in Nederland.
Voor pachtovereenkomsten geldt in principe de regionale pachtprijs als maximale pachtprijs. De pachtnormen worden jaarlijks vastgesteld door het ministerie van LNV en treden steeds in werking op 1 juli. Conform de pachtnorm 2024 geldt voor het pachtprijsgebied Waterland en Droogmakerijen voor nieuwe pachtovereenkomsten een maximale pachtprijs van € 576,- per hectare
9Inflatiecorrectie/meest recente pachtnorm.
.
7.3.2 Geliberaliseerde pacht
Ten aanzien van geliberaliseerde pacht kunnen partijen de pachtprijs overeenkomen die zij willen. Met name het verpachten via een geliberaliseerde pachtovereenkomst van geringe oppervlakten van gronden die de gemeente Waterland toch aan wil houden zou interessant kunnen zijn.
7.6 Zakelijke rechten
7.6.1 Recht van erfpacht
De gemeente Waterland heeft percelen grond in erfpacht uitgegeven. Erfpacht is na eigendom het meest omvattende genotsrecht met betrekking tot een onroerende zaak. Het voordeel van erfpacht is dat de grond in eigendom blijft van de gemeente en dat de waardevermeerdering van de grond aan de gemeente Waterland toekomt.
Bij nieuw te realiseren sportvelden en -accommodaties zal per geval worden bekeken of de gronden in erfpacht zullen worden uitgegeven. Het college zal hier al dan niet toe besluiten.
Wanneer de termijn van een bestaande erfpachtovereenkomst afloopt wordt per geval bekeken of het wenselijk is om de waarde van de opstallen af te kopen of een nieuwe erfpachtovereenkomst te sluiten. Het college zal hier een besluit over nemen.
Berekening erfpachtcanon
Als er gronden in erfpacht worden uitgegeven dient de grond getaxeerd te worden door een daartoe gecertificeerde taxateur die plaatselijk bekend is. Op basis van deze waarde wordt een marktconforme erfpachtcanon vastgesteld op basis van de volgende formule:
erfpachtcanon = residuele grondwaarde x rentepercentage
Het gehanteerde rentepercentage wordt vastgesteld door het college en wordt berekend aan de hand van het voortschrijdend gemiddelde rentepercentage over drie jaar dat de gemeente verschuldigd is voor bij de Bank Nederlandse Gemeenten op te nemen geldleningen met een looptijd van tenminste tien jaar, vermeerderd met een opslag van 3%-punten. De erfpachtcanon zal jaarlijks worden geïndexeerd en kan vijfjaarlijks algeheel worden herzien. Bij verkoop van het blote eigendom van de grond wordt de grondwaarde nader vastgesteld door een taxateur.
7.6.2 Recht van opstal
De gemeente Waterland is eigenaar van een aantal percelen grond/onroerende zaken waarop een recht van opstal rust. Het recht van opstal (ook wel opstalrecht genoemd) is het recht om in, op of boven een onroerende zaak van een ander gebouwen, werken of beplantingen in eigendom te hebben of te verkrijgen. Doorgaans wordt een opstalrecht gevestigd wanneer de huurder van grond daarop een gebouw plaatst. Zonder recht van opstal zou de gemeente door natrekking eigenaar worden van de opstal. Het recht van opstal bewerkstelligt een horizontale splitsing van eigendom. Het is mogelijk om in de akte van vestiging van het recht van opstal een verplichting op te leggen aan de opstaller om op al dan niet terugkerende tijdstippen een retributie te betalen. Indien een recht van opstal wordt gevestigd ten behoeve van nutsvoorzieningen of ten behoeve van commerciële doeleinden, zal de verplichting tot het betalen van retributie aan de opstaller worden opgelegd.
7.8 Het tegengaan van oneigenlijk grondgebruik van derden
7.8.1 Verjaringen
Er zijn twee vormen van verjaring mogelijk: de verkrijgende en bevrijdende verjaring. Beide vormen van verjaring leiden tot eigendomsovergang, tot verkrijging onder bijzondere titel.
Verkrijgende verjaring
Voor verkrijgende verjaring bepaalt artikel 3:99 Burgerlijk Wetboek (BW), dat een bezitter te goeder trouw het recht op een onroerende zaak verkrijgt door een onafgebroken bezit van tien jaren. Een bezitter is te goeder trouw wanneer hij zich redelijkerwijze als rechthebbende mocht beschouwen (art. 3:118 BW).
Bevrijdende verjaring
Over bevrijdende verjaring wordt in artikel 3:105 BW geregeld dat hij die een goed bezit op het tijdstip waarop de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit wordt voltooid, dat goed verkrijgt, ook al was zijn bezit niet te goeder trouw. Bij deze vorm van verjaring gaat het om de verjaring van de rechtsvordering tot beëindiging van het bezit. Hiermee wordt bedoeld de vordering die de gemeente kan instellen om haar recht op de onroerende zaak te handhaven, zoals de vordering tot revindicatie of verklaring voor recht. Op het moment dat de verjaringstermijn is voltooid, verkrijgt degene die de onroerende zaak op dat moment bezit het eigendom hiervan. Het maakt hierbij niet uit of iemand te goeder of te kwader trouw is. De verjaringstermijn is in dit geval twintig jaar. Degene die zich op verjaring beroept, moet aantonen dat hij bezitter is. Artikel 3:107 BW omschrijft bezit als het houden van de onroerende zaak voor zichzelf. Verjaring wordt gestuit door te handhaven op illegaal in gebruik genomen grond, door bijvoorbeeld het perceel te laten ontruimen.
7.8.2 Handhaving
Bij de aanpak van het oneigenlijk gebruik van gemeentegrond wordt uitgegaan van privaatrechtelijke handhaving.
Door gebruik te maken van het publiekrecht kan wel worden bereikt dat de grond terug wordt gebracht naar een inrichting die overeenstemt met de bestemming, echter wordt hiermee niet per definitie het eigendomsrecht vastgesteld. Om het eigendom te beschermen zal de gemeente privaatrechtelijk moeten optreden. Van een doorkruising van het publiekrecht is dan geen sprake. Hierbij handelt de gemeente Waterland als rechtspersoon, eigenaar en rechthebbende van de grond. Het doel van privaatrechtelijke handhaving is het terugvorderen van eigendom en het voorkomen van het verlies van eigendom door verjaring. Als eigenaar heeft de gemeente op grond van artikel 5:2 BW het recht om de grond op te eisen. Privaatrechtelijke handhaving geschiedt aan de hand van het volgende stappenplan:
Stap 1. Constatering
Er wordt een situatie van het oneigenlijk gebruik van gemeentegrond geconstateerd. Aan de hand van de geconstateerde situatie wordt bepaald:
-wie de overtreder is;
-wat gebruikt wordt;
-waar de grond in gebruik is;
-of er wellicht toezeggingen zijn gedaan of een oud contract aanwezig is die het gebruik toestaan;
-hoeveel m2 gebruikt wordt;
-waarom de grond gebruikt wordt;
-sinds wanneer de grond wordt gebruikt.
Stap 2. Legalisatieonderzoek
Er wordt een onderzoek gedaan of legalisatie mogelijk en wenselijk is. Indien dit het geval is, zal het perceel aan de gebruiker te koop of te huur worden aangeboden. Er moet gehandhaafd worden als er niet gelegaliseerd kan worden.
Stap 3. Voormelding
De overtreder zal op een vriendelijke manier worden verzocht de oneigenlijke situatie zelf te wijzigen door de grond te ontruimen en niet meer te gebruiken. Er kan een afspraak worden gemaakt waarin het beleid wordt toegelicht.
Stap 4. Aanschrijven
Wanneer de overtreder na het eerste verzoek om de grond te ontruimen geen gehoor heeft gegeven, wordt de overtreder nogmaals verzocht de grond te ontruimen. Indien de ontruiming na het tweede verzoek nog niet heeft plaatsgevonden, zal de gemeente Waterland bij de burgerlijke rechter een vordering indienen tot ontruiming van het perceel en de overtreder wordt gedagvaard. De kosten voor de ontruiming, het herstel in de oorspronkelijke toestand, bodemverontreiniging en overige schade komen voor rekening van de overtreder.
Bijlage 1a Regeling plankosten exploitatieplan
Klik hier voor de link naar bijlage 1a: exb-2023-39682
Bijlage 1b Omgevingsregeling, hoofdstuk 13 Kostenverhaal
Klik hier voor de link naar bijlage 1b: exb-2023-39683
Bijlage 2 Grondprijzenbrief 2024
Grondprijzenbrief 2025
1.Inleiding
Deze grondprijzenbrief is een uitwerking van de Nota Grondbeleid gemeente Waterland 2022 (hierna te noemen: nota grondbeleid) en geeft een overzicht van de geldende grondprijzen en uitgiftemethodieken zoals eerder door het college vastgesteld. De grondprijzenbrief geldt voor de uitgifte van gemeentegrond in huidige staat met of zonder opstal. De vaste grondprijzen worden jaarlijks geïndexeerd conform de methodiek zoals opgenomen in de grondprijzenbrief. Uitgangspunt is dat de gemeente de gronden marktconform uitgeeft. Het college heeft de bevoegdheid gemotiveerd af te wijken van de vastgestelde grondprijzen en bepalingsmethoden. Aanleiding kan onder meer zijn:
-eerder gemaakte afspraken;
-lopende onderhandelingen;
-bijzondere (markt)omstandigheden.
2.Grondprijzen verkoop of verhuur van grond/onroerende zaken
2.1Grondcategorieën
Bij de verkoop en verhuur van grond/onroerende zaken worden de volgende grondcategorieën gehanteerd:
1Snippergroen
2Bouwgrond
3Grond voor sportbeoefening (sportvelden, etc.)
4Erfpachtgrond
5Landbouwgrond
6Volkstuinen
7Grond voor groenadoptie
8Strategische grond (bijvoorbeeld grond voor (toekomstige) nieuwbouw).
Grondcategorie
Verkoop in euro’s
Verhuur/pacht in euro’s
Erfpacht (canon in euro’s)
1Snippergroen (max.
100m2)
€ 129,74 per m2
€ 12,97 per m2 per jaar
n.v.t
2Bouwgrond
€ 259,49 per m2
n.v.t.
Per geval bepalen
3Grond voor sportbeoefening
Taxatie
Conform Nota Sportaccommodaties
€ 1,18 per jaar
4Erfpachtgrond
Taxatie
n.v.t.
Rekenmethode uit hoofdstuk 7.6.1. nota grondbeleid
5Landbouwgrond
Taxatie
€ 576,- per hectare per jaar (pachtnorm 2024)
n.v.t.
6Volkstuinen
n.v.t.
€ 1,25 per m² per jaar
n.v.t.
7Groenadoptie
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
8Strategische grond
Taxatie
Taxatie
Te bepalen a.d.h.v. Hoofdstuk 7.6.1. nota grondbeleid
2.1.1 Snippergroen
Snippergroen is openbaar groen dat:
-direct grenst aan particulier eigendom;
-niet bijdraagt aan de functies van de openbare ruimte;
-geen deel uitmaakt van de gemeentelijke groenstructuur.
Openbaar groen betreft speelplaatsen, openbare tuinen, parken, openbare groenstroken en water,
De voorwaarden waaraan moet worden voldaan om deze gronden te kunnen verkopen of verhuren zijn opgenomen in de 'Voorwaarden bij verzoek koop/huur gemeentegrond', die als bijlage 4 bij de nota grondbeleid is opgenomen.
2.1.2 Bouwgrond
Bouwgrond is openbare grond die:
-direct grenst aan particulier eigendom;
-niet bijdraagt aan de functies van de openbare ruimte;
-geschikt is volgens het bestemmingsplan voor (woning)bouwwerken;
De voorwaarden waaraan moet worden voldaan om deze gronden te kunnen verkopen of verhuren zijn opgenomen in de 'Voorwaarden bij verzoek koop/huur gemeentegrond', die als bijlage 4 bij de nota grondbeleid is opgenomen.
2.1.3 Grond voor sportbeoefening (sportvelden, etc.)
Voor grond die bestemd is voor sportbeoefening geldt dat deze in beginsel in erfpacht wordt uitgegeven. Als tegenprestatie geldt een canon van € 1,18 per jaar. Als de grond in aanmerking komt voor verhuur wordt de prijs vastgesteld aan de hand van de Nota Sportaccommodaties.
2.1.4 Grond voor erfpacht
Voor de definitie van erfpacht wordt verwezen naar hoofdstuk 7.6.1. van de nota grondbeleid.
Als er gronden in erfpacht worden uitgegeven dient de grond getaxeerd te worden door een daartoe gecertificeerde taxateur die plaatselijk bekend is. Op basis van deze waarde wordt een marktconforme erfpachtcanon vastgesteld op basis van de volgende formule:
erfpachtcanon = residuele grondwaarde x rentepercentage]
2.1.5 Landbouwgrond
Er is sprake van pacht bij een overeenkomst waarbij de ene partij (de verpachter) zich verbindt aan de andere partij (de pachter), een onroerende zaak of een gedeelte daarvan in gebruik te verstrekken ter uitoefening van de landbouw en de pachter zich verbindt tot een tegenprestatie.
Conform de pachtnorm 1 juli 2024 geldt voor het pachtprijsgebied Waterland en Droogmakerijen voor nieuwe pachtovereenkomsten een maximale pachtprijs van € 576,- per hectare. Dit besluit wordt jaarlijks herzien.
2.1.6 Volkstuinen
Zie hoofdstuk 7.7 van de nota grondbeleid voor meer informatie met betrekking tot dit onderwerp.
2.1.7 Grond voor groenadoptie
Zie hoofdstuk 5.3.4 van de nota grondbeleid voor meer informatie met betrekking tot dit onderwerp.
2.1.8 Strategisch gelegen gronden
Bij een afgewogen aan- en verkoop alsmede huur en verhuur van grond of onroerende zaken, aangewezen als strategisch gelegen grond of onroerende zaken (vallend onder categorie 8), wordt minimaal één taxatierapport van de marktwaarde opgevraagd bij een gecertificeerde taxateur. Een uitzondering op het voorgaande is de verhuur van sportterreinen, sporthallen, gymzalen en andere sportcomplexen. Hiervoor geldt de Nota Sportaccommodaties van de gemeente Waterland.
3Voorwaarden en kosten
De gemeente houdt zich het recht voor om in bepaalde gevallen af te wijken van de hierboven genoemde prijzen. De gemeente kan tevens besluiten een taxateur in te schakelen om de waarde te bepalen. Indien (een gedeelte van) de te verkopen of verhuren grond reeds door de koper oneigenlijk in gebruik is genomen, heeft het college de bevoegdheid de verkoop- en/of verhuurprijs te verhogen met maximaal 100%.
3.1 Kosten
Bij verkoop van grond wordt als uitgangspunt 'kosten koper' gehanteerd. Dit houdt in dat de overdrachtskosten (notariskosten, kosten kadaster en overdrachtsbelasting of BTW) voor rekeningen van de koper komen.
De kosten voor het in behandeling nemen van een verzoek tot aankoop van gemeentegrond, zijn als volgt en worden bij de verkoopprijs opgeteld.
-het in behandeling nemen van het verzoek tot aankoop/verhuur grond (à € 94,35);
-de KLIC-melding (à € 76,68)
3.2 Minimale verkoop- en/of verhuurprijs
In verband met werkzaamheden die door de gemeente verricht dienen te worden bij verkoop van grond/onroerende zaken zal – ongeachte de grootte – bij:
-verkoop een minimale totale verkoopprijs van zeshonderdachtenveertig euro en eenenzeventig cent (€ 648,71) worden aangehouden;
-verhuur een minimale totale verhuurprijs van vierenzestig euro en zevenentachtig cent (€ 64,87) worden aangehouden.
3.3 Indexatie
De bedragen genoemd in dit grondprijzenbrief worden jaarlijks geïndexeerd. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de maandprijsindexcijfers volgens de consumentenprijsindex (CPI, 2015=100), reeks alle huishoudens, gepubliceerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).
Bijlage 3 Regels bij verzoek huur/koop gemeentegrond
1) de gemeente dient eigenaar te zijn van de grond;
2) er rusten geen zakelijke rechten op de grond;
3) degene die grond wenst aan te kopen heeft grond (met daarop een opstal) in eigendom direct gelegen aan de gevraagde aan te kopen gemeentegrond;
4) uitgifte van gemeentegrond leidt niet tot het ontstaan van versnippering en het ontstaan van te kleine overgebleven percelen;
5) de grond is niet van strategische waarde voor de gemeente. Gronden zijn in ieder geval van strategische waarde als de volgende zaken gelden:
a.de grond is potentiële bouwgrond;
b.het betreft een locatie voor afvalinzameling;
c.de grond is nodig voor beheer en onderhoud van sloten, beschoeiing, kunstwerken etc.
d.de grond kan gebruikt gaan worden voor sportvelden of evenementen;
6) de grond staat niet op een erfgoedlijst en/of is geen gemeentelijk of rijksmonument;
7) de gemeente kan of wil geen onderhoud plegen aan de grond. Bijvoorbeeld vanwege de ligging;
8) de grond valt niet in de hoofdgroenstructuur;
9) toekomstig onderhoud of vervanging van een gemeentelijke damwand of schoeiing of talud (of een damwand of schoeiing van een ander overheidsorgaan) mag niet bemoeilijkt worden;
10) stegen moeten voldoende breed blijven om achterlangs te kunnen;
11) 60 cm vrije ruimte langs fietspaden en wegen in verband met obstakelvrije ruimte moet gewaarborgd worden;
12) 30 cm vrije ruimte langs trottoirs/voetpaden moet gewaarborgd worden;
13) er lopen geen (belangrijke) kabels en leidingen onder de grond;
14) op de grond staat geen boom (of staan geen bomen), die eventueel op de lijst van waardevolle bomen en/of lijst van monumentale bomen worden genoemd;
15) de grond mag ook niet gelegen zijn op een belangrijke dijk en/of waterkering;
16) de gronduitgifte mag niet leiden tot nadelige gevolgen voor verkeer en/of wegen:
17) de grond ligt niet bij/aan speelterreinen/sportgelegenheden;
18) het betreft gronden waar geen kans is op het aanleggen van hagen, schuttingen en dus uitzicht belemmerend op verkeer/kruispunt/bocht etc.
19) er mag geen straatmeubilair/openbare verlichting/borden/brandkranen aanwezig zijn;
20) er mogen geen onbereikbare stukken groen/openbare ruimte overgehouden worden;
21) de grond mag geen openbare parkeerplaats betreffen.
Bijlage 4 Spelregels en richtlijnen voor groenadoptie
De belangrijkste spelregels voor groenadoptie zijn als volgt:
-bij groenadoptie krijgt de aanvrager geen geld van de gemeente. Het is wel mogelijk om ondersteuning of advies te krijgen als de aanvrager vragen heeft over de beplanting;
-het stuk grond dat de aanvrager adopteert moet groen en openbaar toegankelijk blijven (geen hek of verharding aanbrengen);
-het betreffende groen moet duidelijk begrensd zijn, bijvoorbeeld door paden;
-regels uit de omgevingsvergunning (flora en fauna, kapvergunning, bouwvergunning) gelden ook voor het geadopteerde groen;
-aanpassing van de beplanting of de inrichting wordt door de aanvrager in overleg met de gemeente uitgevoerd;
-in het broedseizoen dient de aanvrager rekening te houden met broedende vogels;
-de aanwezige bomen moeten blijven staan. Het beheer en het onderhoud van de bomen blijft bij de gemeente;
-de gemeente behoudt het recht om werkzaamheden in het betreffende groen uit te (laten) voeren of de adoptie te beëindigen, bijvoorbeeld bij werkzaamheden aan kabels en leidingen of bij een eventuele herinrichting;
-de gemeente kan het verzoek afwijzen (bijvoorbeeld wanneer de huidige kwaliteit van het groen voldoet en wijzigen als gevolg van groenadoptie geen meerwaarde heeft voor de omgeving);
-indien de aanvrager een idee voor een initiatief heeft, dan dient de aanvrager eerst de buren te vragen of zij hiermee kunnen instemmen (de initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het draagvlak);
-wanneer de aanvrager verhuist dan vervalt ook de toestemming om het stuk grond te blijven gebruiken. De rechten die de aanvrager heeft op de grond gaan niet automatisch over op de volgende eigenaar/huurder. Dit betekent dat een eventuele nieuwe geïnteresseerde hiervoor zelf een nieuwe aanvraag tot adoptie kan indienen bij de gemeente.
Bijlage 5 Rekenvoorbeeld aanschafwaarde bij eerste recht van koop
Wanneer de gemeente gebruikt maakt van haar eerste recht van koop wordt de waarde van de woning geïndexeerd via een koppeling met de ontwikkeling van de WOZ-waarde. De berekening is, aan de hand van onderstaand fictief voorbeeld, als volgt.
-Aankoopprijs € 165.000 met een WOZ-waarde van € 180.000
-WOZ-waarde bij verkoop is € 200.000
-Het verschil tussen de WOZ-waarden is € 20.000. Ten opzichte van de start WOZ-waarde is dit een stijging van 11,11%.
-Dit maakt dat de gemeente de woning terugkoopt voor een maximale prijs van € 183.331,50.
-Eventuele investeringen van eigenaar, komen voor rekening van eigenaar.
-Mocht de woning in dit rekenvoorbeeld bijvoorbeeld een taxatiewaarde van € 200.000 hebben i.v.m. door de eigenaar gedane investeringen zoals bijvoorbeeld een keuken of badkamer, dan blijft alsnog de maximale verkoopprijs € 183.331,50
Bijlage 6 Beleidsstuk 30-30-40
Inleiding
In de gemeente Waterland is er, net als landelijk gezien, een groot tekort aan woningen en dan met name betaalbare woningen voor huishoudens met lage en middeninkomens. In het coalitieakkoord 2022-2026 van de gemeente Waterland is opgenomen dat ernaar wordt gestreefd om 2.000 woningen toe te voegen. Het uitgangspunt hierbij is dat zoveel mogelijk betaalbaar en duurzaam wordt gebouwd.
In het kader van betaalbaar bouwen en om doorstroom te bevorderen geldt voor alle te bouwen woningen als norm: minimaal 30% sociale huurwoningen, minimaal 30% middeldure huur- en betaalbare koopwoningen (hierna tezamen aangeduid als: ‘betaalbare woningen') en maximaal 40% vrije sectorwoningen.
In de volgende hoofdstukken worden de kaders van de verschillende typen woningen nader uitgewerkt, maar eerst zal worden ingegaan op de algemene regels die gelden bij het bouwen van nieuwe woningen.
Algemene kaders
Op basis van het beleid 30-30-40 en door sturing op het gehele bouwprogramma wordt bij nieuwe ontwikkelingen het gesprek aangegaan met marktpartijen en woningcorporaties. Projecten waarbij vijf of minder woningen worden gerealiseerd zijn uitgesloten van de kaders 30-30-40, omdat het niet haalbaar wordt geacht in deze kleinere projecten te werken met deze percentages. Voor projecten met zes woningen of meer geldt dat minimaal 30% sociale huur en minimaal 30% betaalbare woningen moeten worden gerealiseerd.
Afwijken van 30-30-40 is alleen mogelijk als blijkt dat dit beleid ruimtelijk, maatschappelijk of financieel niet haalbaar of wenselijk is. In die gevallen moet het tekort aan gerealiseerde sociale huurwoningen worden gecompenseerd door het betalen van een bijdrage van € 30.154,- per woning. Hieronder wordt uitgebreider ingegaan op deze compensatieregeling. De regeling kan niet worden gebruikt om af te wijken van de regel om 30% betaalbare woningen te realiseren.
Compensatieregeling
1De compensatieregeling met alle financiële voorwaarden wordt uiteindelijk opgenomen in de Nota Gebiedsoverstijgende Kosten. Omdat deze nota naar verwachting eind 2023 gereed is en het nieuwe woonbeleid al eerder in werking treedt, zijn de regels met betrekking tot de compensatieregeling tijdelijk in dit beleidsstuk opgenomen.
Voor sociale huurwoningen kan er financieel gecompenseerd worden als deze niet kunnen worden gerealiseerd binnen het project. De bedoeling van het beleid is dat er alleen in uiterste gevallen gewerkt kan worden met de compensatieregeling. Om hiervoor in aanmerking te komen moeten goed onderbouwde redenen worden aangedragen. Hieronder verstaan wij in ieder geval:
1Het aantoonbaar niet kunnen rondkrijgen van de businesscase;
2Het niet in beheer kunnen geven van sociale huurwoningen bij een woningcorporatie (woningcorporaties willen niet altijd kleine hoeveelheden sociale huurwoningen in beheer nemen);
3Het is aantoonbaar ongewenst om op de specifieke locatie sociale huurwoningen te realiseren vanwege de invulling van het project.
De compensatie wordt berekend aan de hand van de verschillen in grondprijzen tussen verkoop aan de vrije markt en de verkoopprijs van gronden bij het realiseren van een sociale huurwoning. Het verschil tussen deze bedragen is wat de gemeente als extra kosten zou maken voor het realiseren van een sociale huurwoning t.o.v. een reguliere woning. In de gemeente Waterland wordt €30.154,- per woning gehanteerd die te weinig wordt gerealiseerd. Jaarlijks zal worden gekeken of het genoemde bedrag nog steeds volstaat of dat het zal worden geïndexeerd of aangepast.
De gelden die worden ontvangen via de compensatieregeling worden gelabeld als 'compensatiegelden woningbouwprojecten' en worden gereserveerd via een eigen bestemmingsreserve. Deze gelden kan de gemeente gebruiken om te zorgen voor meer sociale huurwoningen in een project of voor een project waarin de gemeente zelf grond uitgeeft en meer sociale woningen wenst te realiseren. De gelden zullen nooit rechtstreeks worden uitgekeerd aan ontwikkelaars, maar kunnen bijvoorbeeld worden gebruikt voor het realiseren van de (aansluiting op) de openbare ruimte of door koop- en verkoop van gronden. De looptijd van de bestemmingsreserve is gelijk aan de looptijd van dit beleidsstuk en het aanhouden van de bestemmingsreserve wordt iedere keer bij aanpassing van dit beleidsstuk heroverwogen. De maximale hoogte van de bestemmingsreserve bedraagt 2 miljoen euro.
Schematisch ziet de werkwijze met het nieuwe beleid er als volgt uit:
Stroomschema woningbouw percentages 30-30-40
Betreft het een project met meer dan 5 woningen?
Ja
Nee
De regels van het woonbeleid 30-30-40 zijn wel van toepassing.
Ga verder naar onderdeel 2
De regels van het woonbeleid 30-30-40 zijn niet van toepassing.
Is het haalbaar om 30% sociale huur te realiseren op deze locatie?
Ja
Nee
Er zal worden ontwikkeld in de verhouding 30-30-40.
Ga verder naar onderdeel 3
Als blijkt dat het niet mogelijk is om 30% sociale huur te realiseren kan dit worden opgelost door storting van compensatiegelden. Echter is dit een uiterst middel wat alleen ingezet wordt als het echt niet anders kan.
Zie de compensatieregeling
Bestaat er (bijvoorbeeld door compensatie) een mogelijkheid om meer dan 30% sociale huur te realiseren in het project?
Ja
Nee
De gemeente kan mogelijk een bijdrage leveren uit de bestemmingsreserve om te komen tot meer dan 30% sociale huurwoningen.
Treed in overleg met de gemeente voor de mogelijkheden
Het project zal worden gerealiseerd in de verhouding 30-30-40 conform het uitgangspunt van het beleid.
Kaders sociale huurwoningen
Onderstaande kaders zijn uitgangspunten voor elk project met sociale huurwoningen:
1Het maximumhuurbedrag is de liberalisatiegrens en is afhankelijk van het WWS-puntenaantal. Het woningwaarderingsstelsel (WWS), ook wel bekend als het puntensysteem, is een systeem om de maximale huurprijs vast te stellen voor een sociale huurwoning. Hoe meer punten een woning waard is, hoe hoger de huur mag zijn. De huur van een sociale huurwoning mag niet hoger zijn dan € 932,93 (huurgrens 2026).
2De woonruimteverdeling verloopt via Woningnet en Woonmatch en worden ‘passend toegewezen’ volgens de Woningwet.
3De doelgroep voor sociale huurwoningen wordt bepaald door EU-wetgeving en rijksregels. In 2026 bestaat de doelgroep uit mensen met een maximaal bruto jaarinkomen van:
a.€ 51.537,- voor eenpersoonshuishoudens; en
b.€ 56.910,- voor meerpersoonshuishoudens.
4Sociale huurwoningen worden geëxploiteerd door een woningcorporatie. Deze zien toe op de juiste toewijzing van de woningen aan de juiste doelgroep. Ook gelden voor de woningcorporaties speciale overheidsregels en prestatieafspraken.
5Uitponden en liberaliseren van sociale huurwoningen vindt plaats volgens de bestaande prestatieafspraken met woningcorporaties. Onder uitponden wordt verstaan het verkopen van een sociale huurwoning op het moment dat de huurder vertrekt en de woning leegkomt. Onder liberaliseren wordt verstaan het verhogen van de huurprijs zodat deze boven de liberalisatiegrens uitkomt. In de prestatieafspraken is opgenomen hoeveel sociale huurwoningen per jaar per corporatie maximaal mogen worden uitgepond.
Kaders betaalbare woningen
Het streven is om van alle nieuw te bouwen woningen, minimaal 30% betaalbare woningen te realiseren. Onder betaalbare woningen vallen middeldure huurwoningen en betaalbare koopwoningen. Er is binnen de 30% geen onderverdeling gemaakt tussen huur en koop. Hoe een ontwikkelaar deze 30% wil invullen staat dus vrij, zo lang aan onderstaande kaders wordt voldaan.
Kaders middeldure huur
Onderstaande kaders zijn uitgangspunten voor elk project met middeldure huurwoningen:
1Het maximumhuurbedrag is afhankelijk van het WWS-puntenaantal. Hoe meer punten een woning waard is, hoe hoger de huur mag zijn. In 2026 is de maximale huurprijs voor middeldure huurwoningen € 1.228,07 per maand. Dit komt overeen met de huurprijs voor huurwoningen van 186 punten. Een middeldure huurwoning mag meer dan 186 punten hebben, maar de huur mag nooit hoger zijn dan de huur die bij dit puntenaantal hoort. De minimale huurprijs voor een middeldure huurwoning is € 932,93 + € 0,01. In 2026 is de ondergrens € 932,94.
2De doelgroep voor middeldure huurwoningen is huishoudens met een bruto jaarinkomen van:
a.minimaal de bovengrens voor een sociale huurwoning. In 2026 €51.537,- voor eenpersoonshuishoudens en €56.910,- voor meerpersoonshuishoudens.
b.maximaal € 70.149,- voor eenpersoonshuishoudens en € 93.531,- voor meerpersoonshuishoudens.
3De nieuw op te leveren woningen worden bij voorrang verhuurd aan huishoudens die een sociale huurwoning achterlaten. Bij het verhuren van een middeldure huurwoning, zowel een nieuw op te leveren woning als bij nieuwe verhuur na opzegging door de bestaande huurder, wordt de woning aangeboden aan iemand uit de onder punt 2 genoemde doelgroep. Personen die door middel van het overleggen van een huurcontract kunnen laten zien dat zij een sociale huurwoning achterlaten krijgen hierbij voorrang. Op deze manier wordt de doorstroom bevorderd.
4De huren zijn inflatievolgend op basis van het Consumentenprijsindexcijfer of op basis van de rijksregels die per 1 januari 2024 gelden. Huurprijzen worden in ieder geval jaarlijks geïndexeerd en de huurprijs mag nooit hoger zijn dan de onder punt 1 gestelde grens.
5Middeldure huurwoningen moeten gedurende 15 jaar ter beschikking worden gesteld aan de onder punt 2 genoemde doelgroep. Een (nieuwe) huurder wordt op de onder punt 3 genoemde manier aangewezen. Bij verkoop van een middeldure huurwoning binnen de termijn van 15 jaar dient te worden voldaan aan de bedragen en kaders zoals deze zijn opgenomen in de kaders voor betaalbare koop van dit woonbeleid. Tevens dient de grondeigenaar uiterlijk binnen vier weken na het tekenen van de koopovereenkomst een melding van de verkoop te maken aan het college van burgemeester en wethouders.
Kaders betaalbare koop:
Onderstaande kaders zijn uitgangspunten voor elk project met betaalbare koopwoningen:
1De maximale (ver)koopprijs bedraagt € 420.000,- . Dit betreft de maximale (ver)koopprijs van 2026.
2De maximale (ver)koopprijs wordt in ieder geval jaarlijks ]opnieuw vastgesteld door het college.
3De doelgroep voor betaalbare koopwoningen is voor 2026 huishoudens met een bruto jaarinkomen van maximaal:
•€ 70.149,- voor eenpersoonshuishoudens; en
•€ 93.531,- voor meerpersoonshuishoudens.
4Op de betaalbare koopwoningen rust voor een periode van 10 jaar een anti-speculatiebeding en voor een periode van 15 jaar een zelfbewoningsplicht
2Het anti-speculatiebeding en de zelfbewoningsplicht zijn uitgewerkt in de Nota Grondbeleid.
en de woningen moeten gedurende 15 jaar ter beschikking worden gesteld aan de onder punt 3 genoemde doelgroep. Het staat de eigenaar-bewoner te allen tijde vrij om de woning te verkopen, ook binnen de termijn van 15 jaar. Aan de koper wordt middels een kettingbeding de verplichting opgelegd om de woning zelf te bewonen en dus niet te verhuren. Een (nieuwe) eigenaar-bewoner wordt op de onder punt 6 genoemde manier aangewezen. De grondeigenaar dient uiterlijk binnen vier weken na het tekenen van de koopovereenkomst een melding van de verkoop te maken aan het college van burgemeester en wethouders.
5De woningen moeten kwalitatief passend zijn bij de prijs en niet alleen voldoen aan de basiseisen. De precieze kwaliteitseisen voor betaalbare koopwoningen worden bij nieuwe projecten bepaald in een gesprek tussen de gemeente en de ontwikkelaar. Deze zullen afhankelijk zijn van het type woning en de ligging.
6De nieuw op te leveren woningen worden bij voorrang verkocht aan huishoudens die een sociale huurwoning achterlaten of starter zijn op de koopmarkt. Bij het verkopen van een betaalbare koopwoning, zowel een nieuw op te leveren woning als bij verkoop door de bestaande eigenaar-bewoner (zo lang de periode van 15 jaar nog niet verstreken is), wordt de woning aangeboden aan iemand uit de onder punt 3 genoemde doelgroep. Daarbij wordt de woning aangeboden op basis van deze volgorde:
a.Eerst aan personen die door middel van het overleggen van een huurcontract kunnen laten zien dat zij een sociale huurwoning achterlaten;
b.Vervolgens aan personen die nog niet eerder eigenaar zijn geweest van een koopwoning;
c.Tenslotte aan alle andere personen die binnen de onder punt 3 genoemde doelgroep vallen.
Op deze manier wordt de doorstroom bevorderd en krijgen starters ook een kans op de woningmarkt.
Aanpassen van het beleid
De op hoofdlijn vastgestelde kaders over de verdeling 30-30-40 en de manier van toewijzen en het behouden van de woningen voor de genoemde doelgroepen worden vastgesteld door de gemeenteraad en kunnen ook alleen door raadsbesluit worden aangepast.
De genoemde bedragen zijn erg afhankelijk van marktontwikkeling en kunnen daarom vaak vragen om aanpassing. Daarom wordt het aanpassen van de bedragen voor minimale- en maximale huur, het bedrag uit de compensatieregeling en de verkoopprijzen een collegebevoegdheid. De gemeenteraad zal van wijzigingen van bedragen door het college altijd op de hoogte worden gesteld middels een informatiedocument.
Hardheidsclausule
Het college van burgemeester en wethouders kan de regels genoemd in hoofdstuk 2 tot en met 4 buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover toepassing gelet op het belang leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.