Aanhef
Beleidsnotitie
2. De wettelijke mogelijkheden
2.1. Wet op de lijkbezorging
Bijzondere begraafplaats
Het primaire kader voor de mogelijkheden om te kunnen worden begraven op eigen terrein wordt gevormd door de Wet op de lijkbezorging (Wlb) en de technische richtlijnen in het bijbehorende Besluit op de lijkbezorging. De Wlb kent twee soorten begraafplaatsen: gemeentelijke (ook wel: algemene) begraafplaatsen en bijzondere (particuliere) begraafplaatsen. Bij begraven op eigen terrein is sprake van een bijzondere begraafplaats. Op hoofdlijnen zijn er drie soorten bijzondere begraafplaatsen, afhankelijk van de houder (dat is de eigenaar, exploitant of beheerder). Een bijzondere begraafplaats kan worden gerealiseerd en in stand worden gehouden door (artikel 37, lid 1, Wlb):
•een kerkgenootschap (dat is dan een kerkelijke begraafplaats);
•een privaatrechtelijke rechtspersoon (meestal een stichting of vereniging);
•een natuurlijk persoon.
Op basis van deze wettelijke bepaling is het dus niet mogelijk om begraven op eigen terrein op voorhand en volledig uit te sluiten. Elke aanvraag dient zorgvuldig te worden behandeld en getoetst aan de wettelijke en gemeentelijke regelgeving.
De gemeenteraad neemt twee besluiten
Een bijzondere begraafplaats mag alleen worden aangelegd (of uitgebreid) op basis van een tweetal besluiten van de gemeenteraad, te weten:
1Begraving geschiedt op een begraafplaats (artikel 23, lid 1, Wlb). Het terrein moet dus de bestemming begraafplaats hebben.
2Het terrein moet door de gemeenteraad zijn aangewezen als bijzondere begraafplaats (artikel 40, lid 1, Wlb).
Het college neemt (zo mogelijk) ook twee besluiten
Het college beslist over de inrichting en de geschiktheid van de locatie en verleent tot slot toestemming voor ingebruikname.
1Burgemeester en wethouders kunnen maatregelen voorschrijven die nodig zijn om de grond geschikt te maken om als begraafplaats te dienen (artikel 40, lid 2, Wlb).
Dit geschiedt op basis van locatie specifieke omstandigheden (maatwerk). Deze maatregelen (beleidsregels) zijn opgenomen in hoofdstuk 3 van deze notitie.
2Voor het in gebruik nemen van de bijzondere begraafplaats is de toestemming van burgemeester en wethouders nodig. Deze toestemming wordt slechts geweigerd, indien niet aan de wettelijke voorschriften is voldaan (artikel 41 Wlb).
Beroep op grond van de Wet op de lijkbezorging
Tegen elk besluit van de gemeenteraad en/ of van burgemeester en wethouders kan door belanghebbenden administratief beroep worden ingesteld bij gedeputeerde staten (artikel 42, lid 1, Wlb). Belanghebbenden zijn bijvoorbeeld familieleden of de buren. Een besluit van het gemeentebestuur waartegen beroep openstaat, treedt zolang niet in werking (artikel 88, Wlb). Als de gemeenteraad en/ of burgemeester en wethouders geen besluit nemen, dan bepalen gedeputeerde staten op verzoek een termijn waarbinnen het gemeentebestuur alsnog een besluit moet nemen. Wanneer het gemeentebestuur dit (wederom) nalaat, dan wordt geacht dat het gemeentebestuur afwijzend te hebben besloten (artikel 42, lid 2, Wlb).
Administratie
De houder van een begraafplaats houdt een register bij van alle daar begraven lijken, met een nauwkeurige aanduiding van de plaats waar zij begraven zijn (artikel 27, lid 1, Wlb). Dit register is openbaar (artikel 27, lid 2, Wlb). Dit geldt overigens ook wanneer as (na crematie) is bezorgd.
Opgraven
Een lijk wordt slechts opgegraven met vergunning van de burgemeester van de gemeente waarin het is begraven (artikel 29, lid 1, Wlb). Aan de vergunning verbindt de burgemeester de nodige voorschriften betreffende geneeskundig toezicht alsmede vervoer en bestemming van het lijk (artikel 29, lid 2, Wlb).
Ruimen
Het ruimen geschiedt op last van de houder van de begraafplaats én na (minimaal) tien jaar nadat in het graf laatstelijk een lijk is begraven (artikel 31, lid 2, Wlb). De stoffelijke restanten worden op een begraafplaats ter aarde besteld of in een crematorium gecremeerd (artikel 31, lid 3, Wlb).
De wet spreekt van “een” begraafplaats. De overblijfselen kunnen dus ook naar een gemeentelijke of kerkelijke begraafplaats worden overgebracht, vanzelfsprekend in nauwe afstemming met de beheerder daarvan.
Sluiten van een begraafplaats
Een begraafplaats kan worden gesloten (artikel 43, lid 1, Wlb). Op een gesloten begraafplaats worden geen lijken begraven (artikel 46, lid 1, Wlb). As mag (dus) nog wel worden bijgezet. Wanneer een bijzondere begraafplaats is gesloten, dan wordt dit direct aan burgemeester en wethouders medegedeeld (artikel 43, lid 3, Wlb). Een gesloten begraafplaats blijft gedurende twintig jaren onaangeroerd liggen (artikel 46, lid 2, Wlb).
Opheffen van een begraafplaats
Een begraafplaats is (pas) geen begraafplaats meer, wanneer het een andere bestemming heeft gekregen én er geen graven meer zijn (artikel 47, Wlb). Het register van een bijzondere begraafplaats wordt bij opheffing van die begraafplaats overgebracht naar het archief van de gemeente waarin die begraafplaats was gelegen (artikel 27, lid 3, Wlb).
2.2. Wet ruimtelijke ordening
Daarnaast speelt de Wet ruimtelijke ordening (Wro) een belangrijke rol. De Wro beoogt een integrale belangenafweging in het langdurige planologisch gebruik én dat er geen versnippering plaatsvindt door de aanleg van elementen die gedurende zeer lange tijd beslag op de ruimte leggen. De op de ruimtelijke ordening gebaseerde beleidsregels hebben namelijk als motief het tegengaan van een frustratie van het ruimtelijk ordeningsbeleid. Er dient daarmee in beginsel te worden voorkomen dat de in ruimtelijke plannen vastgelegde gewenste ontwikkeling wordt tegengehouden door de (toekomstige) aanwezigheid van een particulier begraafplaatsje.
Toets bestemmingsplan
Een toets aan de bestemming van het perceel waarop begraven op eigen terrein wordt aangevraagd is daarom noodzakelijk. Er dient vanuit worden gegaan dat een procedure tot (gedeeltelijke) wijziging van het bestemmingplan is vereist. Binnen deze procedure wordt een ruimtelijke onderbouwing opgesteld, op basis van onderzoek naar bodem, archeologie, ontwatering en flora en fauna. Aanbevolen wordt dat de gemeente de voorwaarde stelt dat de kosten van deze wijziging voor rekening van de aanvrager zijn.
Overigens is er jurisprudentie dat bij zeer geringe omvang van een bijzonder begraafplaatsje, denk aan het gebruik van slechts 1 graf van circa 2 x 2,5 meter, de strijdigheid met de bestemming niet op voorhand een weigeringsgrond is. In dit geval ging de rechtbank er namelijk vanuit dat deze geringe omvang van de begraafplaats slechts een geringe inbreuk op de bestemming vormt. Het ruimtelijk beleid van de gemeente werd in dit geval hierdoor niet (noemenswaardig) gefrustreerd. In deze specifieke zaak was, naast de geringe omvang, sprake van verzoek tot begraven op een groot bosperceel.