Gemeentelijke regelgeving

Verordening Wmo en Jeugdwet gemeente Vaals 2026

Gemeente Vaals · geldt sinds 1 januari 2026

Aanhef

De Raad van de gemeente Vaals

Gelet op het voorstel van het College van Burgemeester en Wethouders:

Gelet op artikel van de en artikel 149 van de Gemeentewet;

Gelet op de Wmo;

Gelet op de Jeugdwet

B E S L U I T

Vast te stellen de ‘Verordening Wmo en Jeugdwet gemeente Vaals 2026

Slotbepalingen

Intrekking

De Verordening Wmo en Jeugdwet gemeente Vaals 2025 wordt ingetrokken.

Inwerkingtreding en citeertitel

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2026.

Deze verordening wordt aangehaald als Verordening Wmo en Jeugdwet gemeente Vaals 2026.

2. De vraag van de inwoner

Stap 1: Melding bij de gemeente

2.1.1 Het probleem van de inwoner

[Jeugdwet, Wmo]

1Inwoners kunnen bij de gemeente terecht met vragen over hun probleem. Dat wordt een melding genoemd. Inwoners kunnen deze melding schriftelijk, mondeling, telefonisch of digitaal doen. Het is ook mogelijk dat iemand anders een melding namens de inwoner doet.

2De gemeente zorgt ervoor, dat inwoners goed worden geïnformeerd over de mogelijkheden om een melding te doen.

2.1.2 Doel en procedure melding

1Het doel van de melding is om de vragen van de inwoner te bespreken, samen te onderzoeken wat de inwoner nodig heeft, en te bespreken welke rol de gemeente en de inwoner hebben bij het oplossen van het probleem.

2De gemeente informeert de inwoner over de gratis hulp die een cliëntondersteuner kan geven.

3De inwoner kan zelf een plan opstellen waarin de inwoner uitlegt hoe zijn persoonlijke situatie is. In dat plan geeft de inwoner ook aan hoe hij zijn probleem wil oplossen (dat plan noemen wij een persoonlijk plan). De gemeente informeert de inwoner over die mogelijkheid.

4Het kan zijn dat het niet nodig is om na de melding in gesprek te gaan, bijvoorbeeld als het probleem van de inwoner al is opgelost. De gemeente overlegt hierover met de inwoner voordat die conclusie wordt getrokken.

2.1.3 Gegevens

1De gemeente verzamelt alle gegevens die nodig zijn voor het gesprek en het daaropvolgende onderzoek.

2Als het gaat om gegevens die de gemeente niet zelf kan inzien of verkrijgen, dan vraagt de gemeente aan de inwoner om die gegevens binnen een bepaalde termijn te leveren. Bij de uitnodiging voor het gesprek wordt duidelijk gemaakt welke gegevens dat zijn.

3De inwoner zorgt ervoor, dat de gemeente alle gegevens krijgt die nodig zijn.

Stap 2: Gesprek na de melding

2.2.1 Doel en procedure van het gesprek

[Jeugdwet, Wmo]

1De medewerker gaat met de inwoner in gesprek om een goed beeld te krijgen van het probleem van de inwoner en hoe dat probleem opgelost kan worden. De medewerker bespreekt daarbij ook wat de inwoner met zijn vraag precies wil bereiken (vraag achter de vraag). De gemeente zet zich ervoor in, dat dit gesprek zo snel mogelijk en maximaal binnen 6 weken na de melding plaatsvindt.

2De medewerker overlegt met de inwoner welke personen uit zijn netwerk aan het gesprek meedoen.

3Voordat het gesprek van start gaat laat de inwoner een geldig identiteitsbewijs zien, tenzij de medewerker de identiteit al eerder heeft vastgesteld. Als de inwoner een persoonlijk plan of een familiegroepsplan heeft gemaakt, betrekt de medewerker dit plan bij het gesprek.

2.2.2 Gesprek en onderzoek

1Het gesprek vindt bij de inwoner thuis plaats, maar kan in overleg met de inwoner ook elders plaatsvinden.

2Het gesprek kan bij wijze van uitzondering telefonisch plaatsvinden als dat voldoende is voor het bespreken van de vraag.

3De medewerker onderzoekt de situatie van de inwoner. Als het nodig is vraagt de medewerker een deskundige daarbij om advies.

4De medewerker informeert de inwoner over mogelijkheden die er zijn om in bepaalde gevallen te kiezen voor een persoonsgebonden budget (pgb), zie artikel 6.3.1.

5Gaat het om Wmo-hulp, dan informeert de medewerker de inwoner over een eventuele eigen bijdrage in de kosten.

2.2.3 Plan en verslag

1Tijdens of na het gesprek maakt de medewerker samen met de inwoner en zijn netwerk een plan waarin staat wat er nodig is om het probleem van de inwoner op te lossen en hoe dat kan worden gerealiseerd. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar de situatie nu maar ook straks (korte en lange termijn).

2Het plan bevat een verslag van het gesprek. De inwoner ondertekent het plan. Opmerkingen of latere aanvullingen van de inwoner worden in het plan verwerkt of aan het verslag toegevoegd.

3Als het nodig is om een maatwerkvoorziening Jeugd in te zetten, dan ondertekent de inwoner een toestemmingsverklaring. Dan kan de gemeente de gegevens van de inwoner doorgeven aan een aanbieder van hulp.

Stap 3: Aanvraag

2.3.1 Aanvraag

[Jeugdwet, Wmo, Awb]

1Nadat de medewerker samen met de inwoner een plan heeft gemaakt, is duidelijk of er meer hulp nodig is vanuit de gemeente. De inwoner kan dan een aanvraag daarvoor indienen.

2De inwoner kan een aanvraag schriftelijk en digitaal indienen. Het doel van de aanvraag is te bepalen of de gemeente (vervolg)hulp gaat verlenen en zo ja, welke vorm die hulp dan heeft.

3De gemeente kan besluiten dat voor bepaalde vormen van hulp geen melding nodig is maar direct een aanvraag kan worden ingediend.

4De gemeente kan ook besluiten, dat voor bepaalde vormen van hulp een aanvraag met een aanvraagformulier wordt gedaan.

2.3.2 Voorwaarden voor maatwerkvoorziening

[Jeugdwet, Wmo]

1Om in aanmerking te komen voor een maatwerkvoorziening, moet de inwoner in ieder geval voldoen aan de volgende voorwaarden:

a.De voorziening is noodzakelijk om (één van) de doelen van de Wmo of de Jeugdwet te bereiken;

b.De inwoner heeft geen mogelijkheden om het gewenste effect op eigen kracht te bereiken. Hij kan dit effect ook niet op andere manieren bereiken, zoals met de inzet van huisgenoten (gebruikelijke hulp), met mantelzorg, met hulp vanuit het persoonlijk netwerk, met algemeen gebruikelijke voorzieningen of met behulp van andere mogelijkheden of andere organisaties; en

c.Met de voorziening wordt het probleem van de inwoner effectief opgelost (het gewenste effect).

2De inwoner die een probleem op eigen kracht of met gebruikelijke hulp kan oplossen, komt niet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening van de gemeente, ongeacht of sprake is van zorg die de gebruikelijke hulp overstijgt. Gebruikelijke hulp is de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen binnen redelijke grenzen mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten, als het gaat om Wmo-hulp. Als het om jeugdhulp gaat dan is gebruikelijke hulp de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen binnen redelijke grenzen mag worden verwacht van de ouders.

3De maatwerkvoorziening is niet duurder dan nodig is en duurt niet langer dan nodig is. De gemeente kiest daarom voor de goedkoopste voorziening waarmee het probleem van de inwoner effectief opgelost kan worden.

4De gemeente kan een maatwerkvoorziening in ieder geval weigeren als:

a.de hulpvraag het gevolg is van verwijtbaar gedrag van de inwoner; of als

b.de inwoner de gevraagde hulp zelf al heeft ingeroepen of ingekocht, voordat de gemeente een besluit heeft genomen, tenzij de gemeente daarvoor toestemming heeft verleend; of als

c.de inwoner de noodzaak van de hulp niet heeft aangetoond.

2.3.3 Advisering

[Jeugdwet, Wmo, Awb]

De gemeente zorgt ervoor dat de medewerker die een melding of aanvraag behandelt deskundig is om deze melding of aanvraag goed te kunnen behandelen. De gemeente past daarbij de norm verantwoorde werktoedeling toe zoals vastgelegd in het Kwaliteitskader Jeugd. Als de medewerker die deskundigheid niet heeft, zorgt de gemeente ervoor dat iemand die wel deskundig is een advies uitbrengt. Dit advies (deskundig oordeel) betrekt de gemeente dan bij de beoordeling van de melding of de aanvraag.

2.3.4 Beoordelen aanvraag

[Jeugdwet, Wmo, Awb]

1Bij het beoordelen van de aanvraag betrekt de gemeente alle gegevens die van belang zijn.

2Om te bepalen of de gemeente hulp toekent, volgt de gemeente de volgende stappen:

-Stap 1: De gemeente stelt eerst vast wat de hulpvraag van de inwoner is (welke behoefte heeft de inwoner?) en wat de inwoner met zijn hulpvraag wil bereiken (gewenste effect).

-Stap 2: De gemeente stelt hierna vast welke (on)mogelijkheden, problemen of beperkingen er precies zijn die belangrijk zijn voor het beoordelen van de vraag naar hulp.

-Stap 3: De gemeente brengt in kaart welke hulp nodig is.

-Stap 4: De gemeente onderzoekt wat de inwoner zelf kan doen om het probleem zelf op te lossen (eigen kracht), of met behulp van andere personen uit het sociaal netwerk of van andere organisaties, of met andere mogelijkheden.

-Stap 5: De gemeente bepaalt welke aanvullende hulp de gemeente kan geven om het probleem op te lossen en het gewenste effect te bereiken.

3Voor iedere stap geldt, dat de gemeente de deskundigheid inzet die nodig is om die stap goed te kunnen afronden. Is er bijzondere deskundigheid nodig, dan zet de gemeente die in. De gemeente stelt de inwoner op de hoogte van welke deskundigheid er op welk moment nodig is en ingezet wordt

2.3.5 Beslistermijn

[Jeugdwet, Wmo, Awb]

1De gemeente beslist zo snel mogelijk, maar voor jeugdhulp in ieder geval binnen 8 weken nadat de aanvraag is ontvangen. Gaat het om een aanvraag in het kader van de Wmo, dan is die termijn 2 weken.

2De beslistermijn kan schriftelijk worden opgeschoven als de inwoner onvoldoende gegevens heeft verstrekt. De gemeente vraagt de inwoner dan opnieuw om de ontbrekende gegevens te verstrekken.

3Als de gemeente een besluit niet binnen de vastgestelde termijn kan nemen, dan noemt de gemeente een nieuwe termijn waarbinnen het besluit wordt genomen.

Stap 4. Beslissing

2.4.1 Inhoud besluit

[Jeugdwet, Wmo, Awb]

1De gemeente legt in een brief uit wat het besluit is, en stuurt deze brief naar de inwoner. Als de inwoner een vertegenwoordiger heeft, dan wordt de brief naar die persoon gestuurd. In het besluit staat of de gemeente wel of geen hulp geeft. Ook blijkt uit het besluit welke rol de gemeente en de inwoner spelen bij het uitvoeren van het besluit. Als de gemeente hulp toekent, staat in het besluit ook of de hulp in natura, in de vorm van een pgb, in geld of op een andere manier wordt gegeven. Hulp in natura betekent dat de hulp gegeven wordt door een aanbieder waar de gemeente een contract mee heeft.

2De gemeente kan afzien van het sturen van een brief, als de aanvraag volledig wordt toegekend en de inwoner op een andere geschikte manier daarvan op de hoogte wordt gesteld.

3Geeft de gemeente de hulp ‘in natura’ (een product of een dienst), dan staat in het besluit in ieder geval:

a.wat de hulp inhoudt en wat het doel van de hulp is;

b.wanneer de hulp ingaat en hoe lang de hulp duurt;

c.welke voorwaarden en verplichtingen er voor de hulp gelden.

4Geeft de gemeente de hulp in de vorm van een pgb, dan staat in het besluit in ieder geval:

a.voor welke hulp het pgb bedoeld is;

b.wat het doel is van die hulp;

c.hoe hoog het pgb is en hoe dat berekend is;

d.wanneer het pgb ingaat en wanneer het pgb eindigt;

e.hoe de besteding van het pgb verantwoord wordt; en

f.welke voorwaarden en verplichtingen er voor het pgb gelden.

5Geeft de gemeente de hulp in de vorm van geld, dan staat in het besluit in ieder geval:

a.Hoe hoog het bedrag is;

b.voor welk doel het geld wordt gegeven;

c.wanneer het geld wordt betaald;

d.hoe vaak het geld wordt betaald; en

e.welke voorwaarden en verplichtingen er gelden voor het uitgeven van geld.

6De gemeente informeert de inwoner in het besluit ook over een eventuele bijdrage in de kosten.

2.5 Uitzonderingen

2.5.1 Jeugdhulp via arts en andere hulpverleners

[Jeugdwet, Awb]

1De gemeente zorgt ervoor dat een kind of tiener jeugdhulp krijgt, als de huisarts, jeugdarts of medisch specialist dat kind of die tiener doorverwijst naar een jeugdhulpaanbieder, of als de rechter of gecertificeerde instelling jeugdhulp nodig vindt.

2De gemeente maakt afspraken met huisartsen, medisch specialisten, jeugdartsen, gecertificeerde instellingen en zorgverzekeraars over zulke doorverwijzingen. Een kind of tiener wordt alleen doorverwezen naar hulpverleners of zorgaanbieders waarmee de gemeente contractuele afspraken heeft gemaakt.

3De gemeente stuurt over de jeugdhulp via een arts of anderen een besluit per brief naar de ouders, als de ouders of hun kind daar om vragen. Dit besluit voldoet aan dezelfde eisen als het besluit na een aanvraag bij de gemeente zelf.

4Als de ouders of hun kind bezwaren hebben tegen betrokkenheid van het lokale toegangsteam van de gemeente, kunnen zij dit kenbaar maken, waarna een passende oplossing wordt gezocht. aan de jeugdhulpaanbieder. De gemeente neemt dan het besluit om jeugdhulp toe te kennen, als de jeugdhulpaanbieder verklaart, dat

a.individuele jeugdhulp noodzakelijk is; en

b.dat de noodzaak onderbouwd is met een plan van aanpak.

2.5.2 Spoedeisende gevallen

[Jeugdwet, Wmo]

In spoedeisende gevallen kan de gemeente afwijken van de normale procedure om ervoor te zorgen dat de inwoner de hulp krijgt die nodig is.

2.5.3 Second opinion

[Jeugdwet, Wmo]

Wanneer de medewerker en de inwoner na een melding het niet eens worden over welke hulp van de gemeente er precies nodig is, kan de inwoner eenmalig vragen om een second opinion. Dat houdt in, dat een andere medewerker of een onafhankelijk deskundige opnieuw kijkt welke hulp passend is. Als die heroverweging leidt tot een aanpassing van de hulp, dan stelt de gemeente de inwoner daarvan schriftelijk op de hoogte.

3. Gezond en veilig opgroeien

3.6 Eigen kracht

3.6.1. Gebruikelijke en bovengebruikelijke hulp

1Als de hulpvraag van de ouder(s) en/of jeugdige ziet op gebruikelijke hulp zet de gemeente geen individuele voorziening tot jeugdhulp in. Van ouders wordt verwacht in het kader van hun ouderlijke verzorgings- en opvoedingsplicht om deze hulp aan hun kind te bieden.

2Of er sprake is van gebruikelijke hulp stelt de gemeente vast aan de hand van het schema in bijlage 2 van deze verordening.

3Als de omvang of zwaarte van de noodzakelijke hulp de gebruikelijke hulp overstijgt is er sprake van bovengebruikelijke hulp. Van ouders wordt verwacht dat zij ook deze bovengebruikelijke hulp aan hun kind bieden, behalve als de draagkracht en draaglast niet in balans is (zie verder artikel 3.6.2). Als ouders beschikbaar en in staat zijn de bovengebruikelijke hulp te bieden, dit geen overbelasting oplevert en de ouder(s) de bovengebruikelijke hulp zonder vergoeding blijven bieden en hierdoor geen financiële problemen in het gezin ontstaan, zet de gemeente geen individuele voorziening tot jeugdhulp in.

3.6.2 Draagkracht en draaglast

1Een gezonde draagkracht betekent dat ouders eventueel met behulp van het sociaal netwerk zorg kunnen dragen voor normale, dagelijkse hulp. Ouder(s) zijn verplicht de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden. Dit geldt ook als sprake is van een minderjarig kind met een ziekte, aandoening of beperking. Voor zover het van toepassing is en tot de mogelijkheden behoort dat ouders hun kinderen zelf hulp op het gebied van persoonlijke verzorging, begeleiding en verblijf bieden, kent de gemeente geen individuele voorziening jeugdhulp toe.

2Als de noodzakelijke hulp op het gebied van persoonlijke verzorging, begeleiding en verblijf van ouders voor hun kinderen voor wat betreft de aard, frequentie en benodigde tijd voor deze handelingen zwaarder is dan de zorg die kinderen van dezelfde leeftijd redelijkerwijs nodig hebben, neemt de gemeente in haar onderzoek (als bedoeld in artikel 2.3.1) de balans tussen draaglast en draagkracht mee. Het college bepaalt of de draagkracht van het gezin om zelf de nodige ondersteuning, hulp en zorg te kunnen bieden in overeenstemming is met de draaglast, op basis van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouders, samen met de personen die tot hun sociale omgeving behoren en beschikbare voorliggende voorzieningen.

3Het college maakt voor wat betreft het vaststellen van de balans tussen draagkracht als bedoeld in het eerste lid en draaglast als bedoeld in het tweede lid een onderscheid in kortdurende en langdurende situaties:

-Kortdurend:

er is uitzicht op herstel van het (gezondheids-)probleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de jeugdige. Het gaat hierbij over een aaneengesloten éénmalige periode van maximaal drie maanden in één kalenderjaar

-Langdurend:

het gaat om chronische situaties waarbij naar verwachting de jeugdhulp langer dan drie maanden nodig zal zijn of meerdere periodes van drie maanden in één kalenderjaar.

4In kortdurende situaties neemt de gemeente aan dat draagkracht en draaglast in balans zijn en bieden ouder(s) eventueel met behulp van het sociaal netwerk alle vormen van hulp op het gebied van persoonlijke verzorging, begeleiding en verblijf zelf, tenzij dit gezien de aard van de benodigde hulp (geheel of gedeeltelijk) niet van ouder(s) of het sociaal netwerk mag worden verwacht. In langdurende situaties bieden ouder(s) eventueel met behulp van het sociaal netwerk alle vormen van hulp op het gebied van persoonlijke verzorging, begeleiding en verblijf zelfs als de gemeente op basis van algemeen aanvaarde maatstaven vaststelt dat draaglast en draagkracht in balans zijn, tenzij dit gezien de aard van de benodigde hulp (geheel of gedeeltelijk) niet van ouder(s) of het sociaal netwerk mag worden verwacht.

5Tot het sociaal netwerk behoren andere personen binnen de kring van familie, vrienden, kennissen en bekenden die van betekenis zijn voor en bijdragen aan het welzijn en welbevinden van de jeugdige.

6Uit het onderzoek kan evenwel blijken dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en de ouder(s) tekortschieten. Bij het in artikel 2.3.4 bedoelde onderzoek wordt ook vastgesteld welke mogelijkheden de ouder heeft om de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen.

5. Wonen en leven met een beperking

5.2 Zelfstandig en veilig wonen

5.2.1 Geschikte woning (woonvoorziening)

1De inwoner kan in aanmerking komen voor een bijdrage in de kosten van verhuizing, als het normale gebruik van de woning niet meer mogelijk is door een beperking van de inwoner en de inwoner verhuist naar een geschikte woning. De inwoner kan dan een geldbedrag krijgen voor de verhuizing en inrichting van een andere woning. De gemeente stelt jaarlijks de hoogte van dit bedrag vast.

2Als verhuizing naar een geschikte woning volgens de gemeente niet mogelijk is of duurder is dan een verbouwing of een hulpmiddel, kan de inwoner in aanmerking komen voor een woningaanpassing. De woning wordt dan voor de inwoner bereikbaar, toegankelijk en bruikbaar gemaakt.

3De inwoner kan geen woonvoorziening krijgen in de volgende situaties:

a.De belemmeringen die de inwoner in de woning ervaart, zijn het gevolg van de materialen die in de woning zijn gebruikt.

b.De woonvoorziening is bedoeld voor aanpassing van een gemeenschappelijke ruimte in een wooncomplex.

c.Het gaat om voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder veel meerkosten meegenomen kunnen worden.

d.De inwoner is verhuisd, zonder dat daar een aanleiding voor was op grond van zijn beperkingen.

e.De inwoner is verhuisd naar een woning die niet de meest geschikte woning is om de beperkingen die de inwoner ervaart in de woning, te verminderen of weg te nemen, tenzij de gemeente daar toestemming voor heeft gegeven.

f.De belemmeringen die de inwoner ervaart, zijn niet het gevolg van de bouwkundige of woontechnische staat van de woning. Daaronder valt ook de toegankelijkheid van de woning;

g.Het zijn vooral anderen die gebruik maken van de voorziening.

h.De voorziening heeft een therapeutisch doel.

i.De inwoner heeft zijn hoofdverblijf niet of zal zijn hoofdverblijf niet hebben in de woning waarvoor de woonvoorziening wordt gevraagd.

j.De inwoner heeft een indicatie voor verhuizing naar een zorginstelling op grond van de Wet langdurige zorg.

k.Het gaat om vervanging van een voorziening die de gemeente heeft verstrekt, en de normale afschrijvingstermijn is nog niet verstreken. Een vervangende voorziening is wel mogelijk, als:

o de eerder afgegeven voorziening verloren is gegaan, zonder dat dit de inwoner te verwijten is, of

o de inwoner geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten, of

o de eerder afgegeven voorziening geen oplossing meer is voor het probleem van de inwoner.

5.2.2 Een schone en leefbare woning

1De inwoner die zijn woning langere tijd niet schoon en leefbaar kan houden, kan in aanmerking komen voor hulp bij het huishouden.

2Als er in het huishouden van de inwoner minderjarige kinderen zijn, dan kan de hulp ook bestaan uit het voor een korte periode overnemen van de hulp die kinderen normaal gesproken moeten bieden (gebruikelijke hulp). Deze hulp is vooral bedoeld om de periode tot er andere hulp is te overbruggen.

3De hulp bij het huishouden zorgt voor het schoonmaken van het huis. In bijzondere situaties geeft de schoonmaakhulp extra ondersteuning bij het huishouden. Als het nodig is, ondersteunt die hulp ook bij het organiseren van het huishouden. Dat helpt de inwoner om het huishouden zelfstandig uit te voeren.

6. De vorm van de hulp

6.3 Persoonsgebonden budget (pgb)

6.3.1 Voorwaarden – algemeen

[Jeugdwet, Wmo]

1De inwoner die in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, kan kiezen voor een pgb. De gemeente moet er wel van overtuigd zijn, dat de inwoner voldoet aan de volgende voorwaarden:

a.De inwoner kan voldoende voor zijn eigen belangen opkomen. Daardoor kan hij de taken die bij het pgb horen op een verantwoorde manier uitvoeren, eventueel met hulp van iemand uit het persoonlijke netwerk, of met iemand die hem vertegenwoordigt.

b.De inwoner maakt de gemeente duidelijk waarom hij een pgb wil ontvangen. Gaat het om jeugdhulp, dan moet de inwoner motiveren waarom een maatwerkvoorziening door een aanbieder van de gemeente, niet passend is.

c.De hulp die de inwoner met het pgb wil betalen, is van goede kwaliteit. De hulp moet veilig en doeltreffend zijn en passen bij de inwoner.

2De inwoner maakt in een pgb-plan duidelijk dat aan de voorwaarden is voldaan. In het plan staat ook:

a.hoe de inwoner zijn hulp wil organiseren,

b.wie deze hulp gaat leveren,

c.wat de kosten zijn,

d.op welke manier de kwaliteit van de hulp en de veiligheid van de inwoner zijn gegarandeerd, en

e.dat de hulpverlener calamiteiten meldt bij de toezichthouder van de gemeente en meewerkt aan een onderzoek door deze toezichthouder naar de rechtmatigheid, kwaliteit en veiligheid van de hulp.

Het pgb-plan moet worden goedgekeurd door de gemeente.

3De gemeente kan een pgb in elk geval weigeren in de volgende situaties:

a.De inwoner wil het pgb laten beheren door de aanbieder van hulp.

b.De gemeente heeft eerder een maatwerkvoorziening of een pgb toegekend, en dit besluit is herzien of ingetrokken, omdat de inwoner:

o onjuiste of onvolledige gegevens heeft doorgegeven;

o zich niet heeft gehouden aan de voorwaarden die bij het pgb horen; of

o het pgb voor een ander doel heeft gebruikt.

c.De inwoner vraagt een pgb voor kosten die zijn gemaakt voordat de aanvraag is gedaan, en de gemeente kan niet meer nagaan of het nodig was om die kosten te maken.

d.Als er sprake is van een spoedeisende situatie.

e.De budgetbeheerder en de hulpverlener geen Verklaring omtrent het gedrag (VOG) kunnen laten zien.

De kosten van een pgb zijn voor de gemeente hoger dan de kostprijs voor een maatwerkvoorziening in natura. Het pgb kan dan geweigerd worden voor zover de kosten hoger zijn.

4Het pgb is bedoeld voor hulp, maar kan niet aan alle kosten die daarmee te maken hebben worden besteed. Het pgb kan niet besteed worden aan:

a.kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers;

b.het voeren van een pgb-administratie;

c.ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb-administratie;

d.kosten voor een feestdagenuitkering aan de hulpverlener(s); en

e.kosten aanvragen Verklaring omtrent gedrag (VOG).

6.3.2 Professionele of niet-professionele hulp

1Om de hoogte van het pgb voor een dienst vast te stellen, wordt onderscheid gemaakt tussen professionele en niet-professionele hulp.

2De inwoner kan het pgb besteden aan professionele hulp. Dat is hulp door een hulpverlener die:

a.in dienst is van een zorgverlenende organisatie die staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel (volgens de eisen van de Handelsregisterwet 2007) en die niet behoort tot het sociaal netwerk van de inwoner, of die

b.als medisch professional staat ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG) of, in het geval van jeugdhulp, als professional staat ingeschreven in het SKJ-register, en niet behoort tot het sociaal netwerk van de inwoner; of die

c.als zelfstandige zonder personeel (zzp’er) beroepsmatig hulp verleent en niet behoort tot het sociaal netwerk van de aanvrager.

3De inwoner kan het pgb besteden aan hulp door een niet-professionele hulpverlener, als die hulpverlener:

a.aannemelijk heeft gemaakt dat de hulp niet tot overbelasting leidt en dat hij kwalitatief goede hulp kan bieden,

b.een opleiding heeft afgerond die nodig is om de betreffende hulp te kunnen verlenen, en

c.een Verklaring omtrent gedrag natuurlijke personen (VOG - specifiek screeningsprofiel 45) kan overleggen. De verklaring mag niet ouder zijn dan 3 maanden voor de datum van de aanvraag.

4Hulp door een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad wordt altijd als hulp door een niet-professionele hulpverlener gezien, los van eventuele opleiding en ervaring.

6.3.3 Hoogte en tarieven pgb

1De hoogte van het pgb wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee de inwoner veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, producten en andere maatregelen kan contracteren. De gemeente stelt de hoogte van het pgb vast op ten hoogste de kostprijs voor de gemeente van de goedkoopste vorm van hulp in natura. Een overzicht van de toepasselijke tarieven is opgenomen in de bijlage. Gaat het om vervoer, dan wordt uitgegaan van ten hoogste de kostprijs van het ov als dit goedkoper is dan vervoer met een eigen vervoermiddel.

2Voor bepaalde vormen van professionele en niet-professionele hulp zijn vaste tarieven vastgesteld. Die staan in de Bijlage bij deze verordening. De bedragen in die bijlage worden jaarlijks aangepast, met ingang van 1 januari.

Het indexcijfer dat van toepassing is, is afhankelijk van het betreffende product of de betreffende dienst.

De tarieven zoals wij deze hanteren, worden voor de persoonsgebonden budgetten (diensten als genoemd in bijlage 1) afgeleid van de meest recente CAO. Wijzigingen in de CAO gedurende het jaar worden per 1 januari van het volgende jaar in de tarieven verwerkt.

De tarieven ten aanzien van voorzieningen voor wonen, rollen en vervoer worden afgeleid van het meest recente consumentenprijsindexcijfer van het CBS (alle huishoudens - reeks 2006=100). De gemeente gaat daarbij uit van de ontwikkeling van dit prijsindexcjifer over de periode van een jaar, gerekend vanaf 1 juli het jaar daarvoor. Die wijziging wordt afgerond op één decimaal.

3De gemeente stelt de hoogte van het pgb voor een product vast op basis van een of meer offertes van aanbieder(s) uit het goedgekeurde pgb-plan en/of door de gemeente opgevraagde offerte(s). De gemeente stelt de hoogte van het pgb vast op het bedrag van de laagste geschikte offerte.

4De gemeente houdt bij het vaststellen van de hoogte van het pgb voor een product rekening met de levensduur van het product en met de kosten voor onderhoud en verzekering. Als het gaat om een tweedehands product wordt de kostprijs daarop gebaseerd met een looptijd gelijk aan de overgebleven afschrijvingstermijn.

6.3.4 Verantwoording pgb

1De gemeente kan de inwoner vragen om duidelijk te maken hoe het pgb is besteed en welke resultaten de hulp voor de inwoner heeft gehad. De inwoner is verplicht die informatie te geven. De gemeente kan daarvoor een formulier vaststellen dat de inwoner moet gebruiken.

2Als een inwoner een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb krijgt, wordt alleen de hulp uitbetaald die feitelijk geleverd is.

3Het pgb wordt uitbetaald door de Sociale Verzekeringsbank (SVB).

6.3.5 Opschorten pgb

De gemeente kan aan de SVB vragen om de uitbetaling uit het pgb helemaal of gedeeltelijk uit te stellen totdat een besluit is genomen om het pgb weer voort te zetten of in te trekken. Dit kan de gemeente in ieder geval doen als zij een sterk vermoeden heeft dat:

a.de inwoner onjuiste of onvolledige informatie heeft doorgegeven, terwijl de juiste of volledige informatie zou hebben geleid tot een andere beslissing van de gemeente;

b.de inwoner niet voldoet aan de voorwaarden die horen bij het pgb; of als

c.de inwoner het pgb niet of voor een ander doel (heeft) gebruikt.

7. Afspraken tussen inwoner en gemeente

7.1 Hoe gaan we met elkaar om?

7.1.1 De rol van de gemeente

[Jeugdwet, Wmo, Gemeentewet]

1De gemeente zoekt samen met de inwoner naar een oplossing voor zijn probleem. Gemeente en inwoner gaan daarbij op een respectvolle manier met elkaar om. De gemeente zorgt voor het volgende:

a.Voor de inwoner is het duidelijk wie er namens de gemeente contact met hem onderhoudt. De gemeente houdt het aantal contactpersonen zo beperkt mogelijk.

b.De inwoner heeft, om zijn probleem te bespreken, altijd recht op een gesprek met een medewerker.

c.De gemeente helpt de inwoner om zijn probleem bij een andere organisatie te bespreken, als het bieden van hulp bij dit probleem een taak is voor die organisatie.

d.De website(s) van de gemeente voldoen aan erkende kwaliteitseisen.

e.De gemeente zorgt voor eenvoudige aanvraagformulieren, als de inwoner voor bepaalde vormen van hulp een aanvraagformulier kan gebruiken. Het is voor de inwoner duidelijk waar die aanvraagformulieren verkrijgbaar zijn.

f.De gemeente informeert de inwoner over procedures die worden gevolgd. De gemeente zorgt ervoor dat deze procedures zo eenvoudig mogelijk zijn.

g.De gemeente respecteert zoveel mogelijk de privacy van de inwoner. De gemeente maakt binnen de wettelijke mogelijkheden gebruik van gegevens die al binnen de gemeente aanwezig zijn. De gemeente vraagt alleen gegevens die nodig zijn voor het beoordelen van de vraag van de inwoner.

h.De gemeente wijst de inwoner op cliëntondersteuning.

2De gemeente reageert op een professionele manier op ontoelaatbaar gedrag van de inwoner. De gemeente zorgt voor het volgende:

a.De inwoner wordt op tijd geïnformeerd over:

•zijn rechten en plichten;

•wat er van hem wordt verwacht;

•welk gedrag niet deugt;

•wat de reactie van de gemeente is op gedrag dat niet deugt; en

•waarom de gemeente tegen het gedrag optreedt.

De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner voldoende geïnformeerd blijft over deze punten.

b.De gemeente geeft de inwoner de kans om zijn mening te geven vóórdat de gemeente beslist om op het gedrag van de inwoner te reageren door een maatregel te nemen.

c.De reactie van de gemeente op ontoelaatbaar gedrag past bij:

•de ernst van het gedrag;

•de mate waarin dat de inwoner verweten kan worden; en

•de persoonlijke situatie van de inwoner.

d.De gemeente stuurt de inwoner een brief met daarin duidelijk vermeld wat de gemeente gaat doen als reactie op het gedrag, wat dit precies betekent voor de inwoner en wat de inwoner daartegen kan doen. De gemeente maakt de inwoner ook duidelijk op welke manier hij het gedrag kan aanpassen, zodat de relatie hersteld wordt en de gemeente eventueel de dienstverlening zal voortzetten (als die is stopgezet).

7.1.2 De rol van de inwoner

1De inwoner is in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor het oplossen van zijn probleem. De gemeente vult de mogelijkheden van de inwoner en zijn netwerk aan als dat nodig is. De inwoner zorgt voor het volgende:

a.De inwoner gaat eerst na welke mogelijkheden hij zelf heeft om samen met zijn netwerk zijn probleem op te lossen.

b.De inwoner werkt mee aan de oplossing van zijn probleem.

c.De inwoner doet wat nodig is om de hulp van de gemeente tot een minimum te beperken en zo kort mogelijk te laten duren.

2De inwoner werkt mee zodat snel duidelijk is op welke manier zijn probleem zo snel mogelijk kan worden opgelost. Dat betekent het volgende:

a.De inwoner informeert de gemeente direct over alles wat van belang is voor het beoordelen van de hulpvraag, de persoonlijke situatie en de rechten en plichten van de inwoner. Dit geldt ook als de hulp al is toegekend.

b.De inwoner houdt zich aan termijnen die de gemeente heeft gesteld. De gemeente geeft duidelijk aan hoeveel tijd de inwoner krijgt om alle informatie aan te leveren.

c.De inwoner brengt de gemeente direct op de hoogte van veranderingen in zijn situatie, als die van belang kunnen zijn voor de gemeente.

7.2 Beëindigen en terugvorderen van hulp

7.2.1 Beëindiging hulp

[Jeugdwet, Wmo, Gemeentewet]

1De gemeente kan toegekende hulp geheel of gedeeltelijk beëindigen als dat in de wet of in deze verordening is aangegeven. De hulp kan in ieder geval worden beëindigd, vanaf het moment dat:

a.de hulp niet langer passend of nodig is;

b.de inwoner zich niet houdt aan voorwaarden en verplichtingen die aan die vorm van hulp zijn verbonden;

c.de gemeente niet langer kan beoordelen of de inwoner in aanmerking komt voor hulp, omdat de inwoner onvoldoende of onjuiste informatie geeft, of onvoldoende meewerkt aan een onderzoek naar het recht op die hulp;

d.de hulp is verstrekt op grond van onjuiste of onvolledige gegevens van de inwoner;

e.de hulp voor een ander doel wordt gebruikt dan bedoeld is;

f.de inwoner niet binnen een vastgestelde termijn gebruikmaakt van toegekende hulp, tenzij hem dit niet te verwijten is, of als

g.het gemeentelijk beleid is gewijzigd, en de inwoner daarom niet meer in aanmerking komt voor hulp. De gemeente houdt dan wel rekening met een redelijke overgangsperiode.

2De hulp kan met terugwerkende kracht worden beëindigd (ingetrokken). De gemeente trekt dan het toekenningsbesluit in. De hulp kan ook gedeeltelijk worden ingetrokken (herzien). Dan blijft de hulp vanaf een bepaalde datum voor een deel in stand.

7.2.2 Terugvordering hulp

[Jeugdwet, Wmo, Gemeentewet]

1De gemeente kan een product, of de waarde daarvan, van de inwoner terugvorderen. Dat kan de gemeente doen vanaf het moment waarop is voldaan aan één van de intrekkings- of herzieningsgronden die in artikel 7.2.1 staan.

2Een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo kan alleen worden teruggevorderd als die maatwerkvoorziening is ingetrokken of herzien omdat de inwoner opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens aan de gemeente heeft doorgegeven.

3Als de hulp volledig wordt ingetrokken, vordert de gemeente de kosten terug die zijn gemaakt vanaf de ingangsdatum van de hulp, tot aan het moment dat de hulp is stopgezet. Wordt de hulp gedeeltelijk ingetrokken, dan vordert de gemeente de kosten terug die zijn gemaakt in de periode dat de inwoner ten onrechte gebruik heeft gemaakt van de hulp.

7.3 Hoe checkt de gemeente of de hulp nog zinvol is?

7.3.1 Check op de ontwikkelingen

[Jeugdwet, Wmo, Gemeentewet]

1Het is belangrijk, dat de hulp aan de inwoner zinvol is. De gemeente checkt daarom geregeld of:

a.de inwoner die hulp nog nodig heeft,

b.de doelen van de hulp nog worden bereikt, en of

c.de hulp nog op de juiste manier wordt gegeven.

2De gemeente kan dat op verschillende manieren checken, bijvoorbeeld door middel van een huisbezoek, een telefoongesprek of een onderzoek naar de kwaliteit van de hulp.

7.3.2 Voorkomen van fraude

[Jeugdwet, Wmo, Gemeentewet]

De gemeente stelt alles in het werk om fraude te voorkomen (preventie). Daarom informeert de gemeente inwoners op een duidelijke en volledige manier over de rechten en plichten. Ook informeert de gemeente inwoners over de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van uitkeringen en voorzieningen.

7.3.3 Toezichthouders

[Jeugdwet, Wmo, Awb]

De gemeente kan een of meer ambtenaren aanwijzen die de taak hebben erop toe te zien dat de wetten en de bijbehorende regels worden nageleefd. Voor Wmo-hulp geldt dat de gemeente verplicht is toezichthouders aan te wijzen.

Bijlage 1 Tarieven persoonsgebonden budget dienstverlening per 1-1-2026

Jeugd

In de tabel hieronder staan de tarieven op grond waarvan een pgb wordt berekend. Hierbij geldt dat het PGB niet hoger wordt vastgesteld dan de kostprijs van de voorziening in natura.

Als de werkelijke kosten van de voorziening lager zijn dan dit tarief, kent de gemeente een pgb toe ter hoogte van de werkelijke kosten.

De ouder(s) en/of jeugdige mogen hulp inkopen die duurder is dan onderstaande tarieven. In dat geval moeten de ouder(s) en/of jeugdige zelf het verschil tussen het ingekochte tarief en het maximumtarief bijbetalen aan de SVB.

Dienstverlening

Tariefbepaling

Formele hulp instelling

(100% hulp in natura)

Formele hulp zzp

(85 % hulp in natura)

Informele hulp

Individuele begeleiding

Max. per uur

88,88

75,55

26,98

Persoonlijke verzorging

Max. per uur

€ 39,63(2025)

€ 33,69 (2025)

€ 25,65

Groepsbegeleiding

Max. per dagdeel

48,80

41,48

Niet mogelijk *

Kortdurend verblijf (logeren)

Max. per etmaal

195,31

166,01

29,46

Individuele behandeling HBO opgeleid

Max. per uur

101,20

86,02

Niet mogelijk **

Individuele behandeling

WO opgeleid

Max. per uur

143,20

121,72

Niet mogelijk **

* Informele hulp voor groepsbegeleiding is niet mogelijk, omdat het een hulpverlener uit het sociaal netwerk betreft. Dit is altijd individuele begeleiding.

** informele hulp voor behandeling is niet mogelijk. Behandeling dient altijd te geschieden door een professionele hulpverlener met opleiding, ervaring en een SKJ of BIG-registratie. Zie ook artikel 4.2 lid 5.

Onderbouwing van de PGB-tarieven Jeugd:

De instellingstarieven zijn vastgesteld op basis van de geldende tarieven voor hulp in natura Jeugdhulp 2025 Zuid-Limburg. Het tarief voor formele hulp door een ZZP’er of een instelling met minder dan 5 personen is bepaald op 85% van het instellingstarief vanwege een korting van 15% voor lagere overheadkosten.

De onderbouwing van de tarieven:

•Individuele begeleiding = uurtarief 2025 voor begeleiding maatwerk. Het informele tarief is gelijk aan het informele tarief van de Wet langdurige zorg (Wlz) 1-1-2025.

•Persoonlijke verzorging = uurtarief persoonlijke verzorging Zorgverzekeringswet (Zvw) 2024, terug te vinden in het reglement Persoonsgebonden budget verpleging en verzorging (Zvw) op de site van IZA, VGZ, IZZ of Univé. Het informele tarief is gelijk aan het informele tarief van de Wet langdurige zorg (Wlz) 1-1-2025.

•Groepsbegeleiding per dagdeel (4 uur) = dagdeeltarief welke gehanteerd wordt naar aanleiding van de aanbesteding in 2022 en is jaarlijks geïndexeerd conform contractafspraken.

•Kortdurend verblijf = tarief 2025 voor gezinshuizen. Logeren bij iemand uit het sociaal netwerk is gangbaar; het tarief hiervoor is gebaseerd op het volledige etmaaltarief voor pleegzorg. De bedragen zijn inclusief begeleiding, verzorging en maaltijden.

•Individuele behandeling HBO opgeleid = uurtarief 2025 voor consultatie HBO-opgeleiden.

•Individuele behandeling WO opgeleid = uurtarief 2025 voor consultatie WO-opgeleiden.

De geïndexeerde tarieven worden jaarlijks gepubliceerd.

Wmo2015

Tariefbepaling

Persoonlijk netwerk

(informeel)

Professionele hulp

(formeel)

Huishoudelijke hulp

Per uur (basis)

€23,57

€31,38

Per uur (plus)

€24,43

Individuele begeleiding

Per uur

€28,05

€46,97

Persoonlijke verzorging

Per uur

€28,05

€35,96

Groepsbegeleiding

Per dagdeel (4 uur)

€28,05

€56,45

incl vervoer

€62,37

Kortdurend verblijf

Per etmaal

€38,11

•Opbouw tarief huishoudelijk hulp informeel: gebaseerd op het CAO VVT van 1-1-26

•Opbouw tarief individuele begeleiding informeel: gebaseerd op het CAO SW en GGZ van 1-1-2026

•Opbouw tarief persoonlijke verzorging informeel: gebaseerd op het CAO VVT van 1-1-26

De tarieven worden per 1 januari geïndexeerd aan de hand van de meest recente OVA-indexering en PPC-indexering.

Bijlage 2: Schematisch overzicht gebruikelijke hulp

In de wet staat dat ouders met gezag moeten zorgen voor het lichamelijke en geestelijke welzijn van hun kind. En dat zij het moeten helpen om zijn of haar persoonlijkheid te ontwikkelen. Ouders met gezag moeten ook betalen voor de verzorging en opvoeding van kinderen. Dit heet de ouderlijke verzorgings- en opvoedingsplicht.

De ontwikkeling die kinderen doormaken vraagt steeds om aanpassing van het opvoedingsgedrag van ouders. In elke ontwikkelingsfase moeten ouders dat gedrag afstemmen op wat hun kind kan of nog moet leren.

In deze bijlage geven we een beschrijving van de algemene opvoedingsopgaven waar ouders in verschillende periodes voor staan en de (normale) problemen die zich in de verschillende leeftijdsgroepen van jeugdigen kunnen voordoen.

Onderstaand overzicht is niet uitputtend maar geeft voorbeelden van ontwikkelingstaken en opvoedingsopgaven die kenmerkend zijn voor de verschillende leeftijdsgroepen. Vaak begint de ontwikkeling al in een eerdere fase, maar staat het in het schema in de fase waarin dit het meeste speelt. Deze beschrijving is ontleend aan de notitie ‘Opgroeien en Opvoeden, normale uitdagingen voor kinderen, jongeren en hun ouders’ van het Nederlands Jeugdinstituut (NJI).

Leeftijd

Belangrijkste milieus

ontwikkelingstaken

Opvoedingsopgaven

Normale uitdagingen

0-2 jaar

•Gezin

•Opvang

•Veilige hechting;

•Lichaams-beheersing;

•Exploratie & spelen;

•Autonomie en individuatie.

•Soepele ver- zorging;

•sensitief en responsief reageren op gedrag van het kind;

•Letterlijk beschikbaar zijn;

•structuur bieden;

•ruimte geven voor exploratie;

•spelen en praten; ontwikkeling stimuleren;

•bieden beschermende woonomgeving

•Voedingsproblemen;

slaapproblemen;

scheidingsangst; angst voor vreemden, donker, geluiden en onbekende situaties;

incidenteel huilen

Leeftijd

Belangrijkste milieus

ontwikkelingstaken

Opvoedingsopgaven

Normale uitdagingen

2-4 jaar

•Gezin

•Buurt

•Opvang

•Media

•Representationele vaardigheid;

•Taalvaardigheid en denkontwikkeling;

•Zelfsturing (enige mate kunnen beheersen van emoties en gedrag);

•Constructieve omgang met leeftijdgenootjes;

•Socialisatie;

•Zelfredzaamheid;

•Sekserol-identificatie

•Sensitiviteit voor cognitief niveau (praten, informatie en uitleg geven, ontwikkeling stimuleren);

•Respect voor autonomie én grenzen stellen;

•Bevorderen zelfsturing (impulscontrole)

•Bieden beschermende woonomgeving

•Angst voor vreemden, donker, geluiden en onbekende situaties; koppigheid; driftbuien; agressie; ongehoorzaamheid; druk gedrag; niet zindelijk zijn; zeuren/ driftbuien om beeldschermgebruik.

Leeftijd

Belangrijkste milieus

ontwikkelingstaken

Opvoedingsopgaven

Normale uitdagingen

4-6 jaar

•Gezin

•Basisschool

•Opvang

•Verenigingen

•Media-omgeving

•Schoolse vaardigheden

•Taal- en denkontwikkeling

•Executieve vaardigheden (zelfsturing)

•Gezinsnormen eigen maken, houden aan regels;

•Vriendschappen sluiten;

•Ontwikkeling gewetensontwikkeling/schaamtegevoelens;

•Digitale vaardig-heden (apparaten gebruik beheersen/ besturen)

•Aanmoedigen sociaal gedrag

•Gelegenheid geven voor omgang met leeftijds-genootjes;

•Respectvol omgaan met verschillen in etniciteit en gender;

•Mediaopvoeding

•Regels en grenzen uitleggen en stellen (bv. Gedrag, media-gebruik, televisie)

•Loslaten en vertrouwen geven

•Bieden beschermende woonomgeving

•Niet gegronde angsten; ruzies met leeftijdgenoten; zindelijkheid; schoolweigering; gebrek zelfsturing.

Leeftijd

Belangrijkste milieus

ontwikkelingstaken

Opvoedingsopgaven

Normale uitdagingen

6-12 jaar

•Gezin

•Opvang

•School

Verenigingen

•Peergroep

•Mediaom-geving

•Vergroten zelfstandigheid

•Gebruik infra-structuren (geld, vervoer, Vrijetijds-voorzieningen sociale media)

•Schoolse vaardigheden;

•Internet en sociale media vaardigheden;

•Acceptatie door leeftijdgenoten;

•Sociaal gedrag: Samenwerken, Conflicten oplossen

•Bevorderen zelfsturing (taakgerichtheid);

•Bewust leren omgaan met media (tijd, inhouden, contacten);

•Gelegenheid geven voor omgang met leeftijds-genootjes; respectvol omgaan met verschillen in etniciteit en gender;

•Ondersteunen bij onderwijs; waardering voor schoolprestaties;

•Bieden beschermende woonomgeving.

•Ruzies, pesten; concentratieproblemen laag prestatieniveau; niet naar school willen; incidenteel stelen of vandalisme; overmatig gamen/ televisie/netflix, cyberpesten.

Leeftijd

Belangrijkste milieus

ontwikkelingstaken

Opvoedingsopgaven

Normale uitdagingen

12-16 jaar

•Gezin

•School

•Verenigingen

•Peergroep

•Media omgeving

•Werkkring

•Emotionele en praktische zelfstandigheid;

•Ontwikkeling waardensysteem

•Afstand nemen van ouders – peergroep wordt referentiekader;

•Sociale contacten en vriendschappen leggen en onderhouden; seksualiteit;

•Omgang met sociale media en gevaren onderkennen;

•Onderwijs en beroepsvoorbereiding

•Ruimte bieden om te experimenteren en zich seksueel te kunnen ontwikkelen;

•Toezicht houden;

Emotionele

•beschikbaarheid;

•Tolerantie voor experimenten;

•leeftijdsadequaat structuur bieden en grenzen stellen;

•voorbeeldfunctie vervullen m.b.t. leefstijl en gedrag;

•Bieden beschermende woonomgeving.

•Onzekerheid over bijvoorbeeld uiterlijk; Onderschatting of soms overschatting van zichzelf; wisselend humeur; incidenteel spijbelen; incidenteel gebruik van alcohol en drugs; twijfels over identiteit of toekomst; problemen met autoriteiten; overmatig gamen/mediagebruik, cyberpesten, sexting (dader en slachtoffer).

Leeftijd

Belangrijkste milieus

ontwikkelingstaken

Opvoedingsopgaven

Normale uitdagingen

16-23 jaar

•Gezin

•School

•Verenigingen

•Peergroep

•Internetgroep

•Werkkring

•Overgang van jeugd naar volwassenheid;

•Loskomen van ouderlijk gezag; ontwikkeling eigen waarden en normen; onafhankelijkheid;

•Duurzame relaties aangaan;

•Meer symmetrische relatie aan gaan met de jongere; Emotionele, financiële en praktische steun;

•Eigen keuzes en beslissingen laten maken; Accepteren seksuele keuzes;

•Bieden beschermende woonomgeving.

•Stemmingswisselingen

•Incidenteel gebruik van alcohol en drugs; twijfels over identiteit of toekomst; problemen met autoriteiten.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.