Gemeentelijke regelgeving

Beleidsregels Participatiewet, minima regelingen en Wet schuldhulpverlening gemeente Urk 2024

Gemeente Urk · geldt sinds 3 september 2026

Hoofdstuk 3 Ingangsdatum, aanpassen en afstemmen uitkering

3.1 Ingangsdatum uitkering (algemene bijstand)

3.1.1 Afwijzing aanvraag Bbz, IOAW/Z

Art. 43 lid 6 PW

Een uitkering op grond van de Bbz, IOAW/Z kan worden afgewezen. In dat geval kent het college een bijstandsuitkering toe met ingang van de meldingsdatum voor de afgewezen uitkering. De inwoner zal zich wel onverwijld moeten melden.

3.1.2 Afwijken van de hoofdregel

Aanvraag zo spoedig mogelijk ingediend

Het komt echter voor dat de inwoner, doordat hij eerst in afwachting was van de beslissing op de aanvraag voor een andere uitkering, de bijstandsuitkering pas later aanvraagt. In afwijking van artikel 44 lid 1 PW wordt de bijstand verleend met ingang van de datum van de aanvraag voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet, de Nabestaandenwet, de Ziektewet, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) of de Wajong indien die aanvraag werd afgewezen en de inwoner de aanvraag voor bijstand binnen 5 werkdagen dagen nadat de inwoner bekend is geworden (of had kunnen zijn) met de afwijzing.

3.1.3 Situaties op basis van jurisprudentie

In de toelichting op art. 44 lid 5 PW is door de wetgever expliciet aangegeven geen afstand te nemen van de jurisprudentie over de terugwerkende kracht bij bijzondere omstandigheden. Het gaat om jurisprudentie over:

•de handelwijze van het UWV of het college die niet juist is geweest; of

•omstandigheden van de inwoner op grond waarvan hij niet in staat was om bijstand aan te vragen, ook niet met hulp van derden; of

•het met terugwerkende kracht toekennen van een verblijfsvergunning.

3.5 Bijstandsnorm bij verblijf inrichting

3.5.1 Ingangsdatum aanpassen uitkering

Het college gaat niet direct na de opname in een inrichting over tot het aanpassen van de bijstandsnorm naar de zak- en kleedgeldnorm. Het is afhankelijk van de woonsituatie:

Heeft de inwoner eigen huisvesting (als huurder of eigen huisbezitter), dan gaat de zak- en kleedgeldnorm in op de eerste dag van de derde maand volgend op de opname.

Is de inwoner inwonend bij een ander, dan gaat de zak- en kleedgeldnorm in op de eerste dag van de maand volgend op de maand van de opname.

Bijzondere bijstand doorbetaling vaste woonlasten

In hoofdstuk 5 van deze beleidsregels staan de mogelijkheden genoemd over de doorbetaling van (vaste) woonlasten zo lang het verblijf in de inrichting tijdelijk is.

3.6 Afstemmen van de uitkering (algemene bijstand)

3.6.1 Verhogen van de uitkering

Het college verhoogt niet de wettelijke bijstandsnormen, tenzij het om de bijstandsnorm gaat van art. 24 PW (gehuwden met een niet-rechthebbende echtgenoot). Ook bij toepassing van de kostendelersnorm, wordt de uitkering niet verhoogd. Om voor een verhoging van de uitkering in aanmerking te komen stelt het college vast of de inwoner hogere of noodzakelijke extra kosten van bestaan heeft en niet in staat is om in deze kosten te voorzien (bijv. CRVB:2025:906). Het gaat vaak om situaties waarin de rechthebbende inwoner (met een niet rechthebbende partner) niet de verhoging van het kindgebonden budget van de Belastingdienst-Toeslagen ontvangt (alo-kop). Sinds 1 januari 2026 is het partnerbegrip in de Awir gewijzigd. Dat heeft tot gevolg dat vluchtelingen met een nareizende partner en gehuwden met een partner in detentie aanspraak kunnen maken op de alo-kop.

3.6.2 Verlagen van de uitkering

Het afstemmen van de uitkering in de zin van verlagen is alleen toegestaan als sprake is van een substantiële besparing. Ee sobere levensstijl is geen aanleiding in de uitkering te verlagen. Het moet gaan om de feitelijke behoefte aan algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan die de inwoner normaal gesproken ook volledig uit zijn eigen inkomen zou moeten betalen. Denk aan de (substantiële) besparing in de kosten van: huur, energiekosten, zorgverzekeringspremie en boodschappen (CRVB:2014:705, CRVB:2016:1662, CRVB:2021:1918, CRVB:2026:136).

Geen afstemming

Art. 18 lid 8* PW bepaalt dat de som van (giften en) besparingen tot een bedrag € 1.200,00 per kalenderjaar geen besparing zijn en kunnen om die reden niet leiden tot afstemming (verlaging) van de bijstand op grond van art. 18 lid 1 PW. Zie ook 4.2.2 van deze beleidsregels.

Melden substantiële besparing

De inwoner hoeft besparingen (al dan niet samen met giften) die lager zijn dan € 1.200,00 per kalenderjaar niet uit zichzelf te melden bij het college. Alleen als het college om informatie vraagt over besparingen, dan moet de inwoner daar gehoor aan geven. Doet de inwoner dat niet, dan schendt hij de inlichtingenverplichting (art. 17 lid 1 PW). Het college doet dan onderzoek of het recht op bijstand nog kan worden vastgesteld.

Hoofdstuk 4 Middelen, vrijlating, inkomen en vermogen

4.2 Wordt het middel vrijgelaten?

4.2.1 Vrijlating van giften

Art. 31 lid 2 onder m PW

Sinds 1 januari 2026 geldt een wettelijke vrijlating van giften tot een bedrag van € 1.200,00 per kalenderjaar. Het gaat bij giften om geldbedragen die de inwoner contant of op de bankrekening ontvangt van anderen ter vrije besteding zonder dat er een tegenprestatie tegenover staat. De vrijlating per kalenderjaar geldt per gezin en niet persoon van een gezin.

Melden van giften

De inwoner hoeft giften die lager zijn dan € 1.200,00 per kalenderjaar niet uit zichzelf te melden bij het college. Alleen als het college om informatie vraagt over giften, dan moet de inwoner daar gehoor aan geven. Doet de inwoner dat niet, dan schendt hij de inlichtingenverplichting (art. 17 lid 1 PW).

4.2.2 Vrijlating besparingen

Gaat het om ‘giften in natura’, die voor de inwoner door een ander aan een derde worden betaald, dan vallen die besparende bedragen ook onder het maximale vrijlatingsbedrag van € 1.200,00 per kalenderjaar. De vrijlating van besparingen per kalenderjaar geldt per gezin en niet persoon van een gezin. Zie verder 3.6.2 van deze beleidsregels.

4.2.3 Vrijlating giften en schadevergoedingen

Art. 31 lid 2 onder s PW

Gift

Het bedrag van giften kan per kalenderjaar meer zijn dan de wettelijke vrijlating van € 1.200,00. Het college beoordeelt of het meerdere, uit het oogpunt van bijstandsverlening, kan worden vrijgelaten.

Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ

De schadevergoedingen zoals hier bedoeld zijn niet de vergoedingen die op grond van art. 7 van de Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ zijn vrijgelaten.

Immateriële schadevergoeding (letselschade)

Bij de ontvangst van een immateriële schadevergoeding (letselschade) hanteert het college het uitgangspunt van de statistische leeftijd. Dat is de leeftijd gebaseerd op de levensverwachting naar geslacht en leeftijd van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Een immateriële letselschadevergoeding is in beginsel bedoeld voor het resterende deel van het leven van de betrokkene om steeds tegemoet te komen aan de gevolgen van het blijvende letsel. Het ontvangen bedrag wordt gedeeld door het aantal jaren waarin een betrokkene naar verwachting te leven heeft (CRVB:2023:909). Een bedrag van € 125,00 per maand kan als redelijk bedrag worden aangemerkt dat wordt vrijgelaten (CRVB:2026:132). De ontvangst van deze middelen moet de inwoner melden bij het college (art. 17 lid 1 PW).

Terugvordering achteraf ontvangen middelen

Het deel van het bedrag van de immateriële schadevergoeding per jaar dat niet wordt vrijgelaten, kan het college terugvorderen (art. 58 lid 2 onder f sub 1°PW). Zie achteraf ontvangen middelen in 4.9 van deze beleidsregels.

Materiële schadevergoeding (letselschade)

Bij een materiële schadevergoeding in de vorm van inkomensderving ligt het anders. Zie achteraf ontvangen middelen in 4.9 van deze beleidsregels.

4.3 Het middel is inkomen

4.3.1 Verrekening van inkomsten

•Van de inkomsten die de inwoner naast de uitkering heeft zal hij een bewijs (loonstrook of uitkeringsspecificatie) moeten overleggen.

•Als dit bewijs niet voor 12.30 uur op de inleverdag van het Rofje (= rechtmatigheidsonderzoeksformulier) bij het college binnen is, wordt voor de eerste maand in overleg met de inwoner een fictief bedrag gekort. Daarna wordt altijd gekort op basis van de feitelijke inkomensgegevens.

•Indien het loonstrook of uitkeringsspecificatie (na de eerste maand) niet op tijd wordt ingeleverd dan ontvangt de inwoner een herstel van orde (opschorting). De uitkering wordt betaalbaar gesteld nadat de gevraagde loonstrook of uitkeringsspecificatie alsnog is ontvangen.

•Bij marginale inkomsten uit bijvoorbeeld huishoudelijk werk kan een uitzondering worden gemaakt. In die gevallen kan het college genoegen nemen met een getekende verklaring van de werkgever en dient men er van uit te gaan dat geen rekening gehouden is met de loonheffingskorting.

•Een eindejaarsuitkering wordt verrekend met de maand waarin deze betaalbaar wordt gesteld en indien nodig de zes maanden daarna (art. 58 lid 4 PW).

Verrekenen

Het college is bevoegd tot verrekening van in de voorafgaande zes maanden ontvangen middelen met de uitkering (art. 58 lid 4 PW).

Inkomstenvrijlating

De regels over de inkomstenvrijlating zijn opgenomen in 2.15 van deze beleidsregels.

4.3.2 Voorlopige teruggave Belastingdienst

De voorlopige teruggave (VT) van de Belastingdienst wordt aangemerkt als inkomen en in mindering gebracht op de uitkering. Als duidelijk is dat de inwoner aanspraak heeft op een VT, dan gaat het college er van uit dat de inwoner hier redelijkerwijs over kan beschikken. Alleen in uitzonderingssituatie wordt de verplichting opgelegd de VT aan te vragen (art. 55 PW). De inwoner zal uiterlijk binnen drie maanden aan deze verplichting moeten voldoen.

Einde bijstand pensioengerechtigde leeftijd

Na einde bijstand kan de inwoner met terugwerkende kracht aanspraak maken op de ouderenkorting en eventueel de alleenstaande ouderenkorting over het jaar waarin hij/zij de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt. Het gaat om inkomsten die betrekking hebben op een periode van bijstandsverlening waar bij de verlening van bijstand rekening gehouden had moeten worden. Deze kortingen kunnen echter niet meer verrekend worden met de bijstand. Het college vordert de eventueel te veel ontvangen bijstand niet van de inwoner(s) terug.

4.5 Vaststellen vermogen aanvraag uitkering

4.5.1 Kan het college het recht vaststellen

Het college bepaalt welke gegevens of verklaringen de inwoner moet overleggen om het recht op een uitkering te kunnen vaststellen (art. 53a lid 1 PW). Het kan voorkomen dat een uitkering van de inwoner eerder is beëindigd op grond van een overschrijding van de actuele vermogensgrens. Het college beoordeelt of de inwoner verantwoord heeft ingeteerd.

4.5.2 Aantoonbaar verantwoorde besteding

Het college stelt het vermogen vast op basis van de noodzakelijke gegevens en beoordeelt of de inwoner op een verantwoorde manier ingeteerd op het vermogen. Het college verstaat onder een verantwoorde intering anderhalf keer de geldende bijstandsnorm. Is de inwoner binnen deze norm gebleven, dan heeft de inwoner verantwoord ingeteerd. Het college kan daarnaast ook nog rekening houden met de besteding van het vermogen voor de aanschaf van noodzakelijke inrichtingskosten ingeval van een echtscheiding of het verbreken van de samenwoning.

4.5.3 Aantoonbaar niet verantwoorde besteding

Is er niet binnen de hiervoor genoemde norm gebleven, dan heeft de inwoner onverantwoord ingeteerd als daardoor eerder dan nodig een beroep op een uitkering wordt gedaan. Dat heeft gevolgen voor de toe te kennen uitkering als dat de inwoner te verwijten valt.

4.5.4 Maatregel en/of uitkering als geldlening

Het college kan op de uitkering een maatregel toepassen conform de verordening. Of het college kan daarnaast de uitkering verstrekken in de vorm van een geldlening op de grond van tekortschietend besef voor de verantwoordelijkheid in het bestaan (art. 48 lid 2 PW).

Bij een benadeling tot € 10.000,00 wordt alleen een maatregel opgelegd. Als de benadeling meer bedraagt dan € 10.000,00 dan wordt naast de maatregel, de bijstand ook als geldlening verstrekt. De omvang van de geldlening is afhankelijk van de periode dat de inwoner met het bedrag boven de € 10.000,00 nog in zijn eigen levensonderhoud had kunnen voorzien. Voor de berekening van deze periode geldt als uitgangspunt een intering van anderhalf maal de norm. Als uit de berekening blijkt dat dit bijvoorbeeld een periode van zes maanden betreft, dan wordt de bijstand over de eerste zes maanden als geldlening verstrekt.

4.6 Ontvangst vermogen tijdens uitkeringsperiode

4.6.1 Interen op vermogen

De inwoner zal moeten interen op het meerdere boven die grens. Pas daarna kan opnieuw een aanvraag worden gedaan. Bij deze nieuwe aanvraag beoordeelt het college of de inwoner op een verantwoorde manier heeft ingeteerd op het vermogen. In 4.5 van deze beleidsregels staat welke situaties zich kunnen voordoen.

4.6.2 30-dagen-systematiek

Als er sprake is van een geringe vermogensoverschrijding en de interingsperiode niet langer dan 30 dagen bedraagt, dan bestaat er alleen voor die periode (maand) geen recht op uitkering. Bij een aanvraag wordt de uitkering met ingang van de volgende maand toegekend. Met deze bepaling wordt aangesloten bij artikel 45 PW en de geldende jurisprudentie (zie ook bijv. CRVB:2017:4123, CRVB:2021:1040).

Hoofdstuk 5 Bijzondere bijstand

5.4 Draagkracht

5.4.1 Draagkracht

1Bij een inkomen dat niet hoger is dan 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm (inclusief VT), is geen sprake van draagkracht.

2Als het inkomen meer bedraagt dan 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm (inclusief VT), wordt het meerdere volledig tot de draagkracht gerekend.

3Indien de aanvrager zelfstandig energielasten heeft middels een contract met energieleverancier(s) en een inkomen hoger dan 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm en hij in het kalenderjaar van aanvraag geen recht heeft op de energietoeslag als bedoeld in artikel 35 lid 4 Participatiewet, dan dient de draagkracht te worden verlaagd met € 1300,00 per draagkrachtjaar.

4De hoogte van het inkomen wordt vastgesteld met inachtneming van artikel 31 t/m 33 PW.

5Op grond van jurisprudentie is er geen sprake van draagkracht voor zover er beslag ligt op het inkomen (zie CRvB 28-03-2006:AV8374 en CRvB 19-01-2021:110 en 242).

6Indien de aanvrager gebruik maakt van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP), is er geen sprake van draagkracht.

7Indien er sprake is van bewindvoering en de aanvrager leefgeld ontvangt lager dan 120% van de geldende bijstandsnorm (bij gehuwden beide aanvragers) is er geen sprake van draagkracht uit inkomen. Er kan wel draagkracht uit vermogen zijn.

8Het vermogen wordt, tot aan de van toepassing zijnde vermogensgrens als bedoeld in artikel 34 PW, buiten beschouwing gelaten.

9Als het vermogen hoger is dan de vrijlating als bedoeld in lid 7 wordt het meerdere voor 100% als draagkracht aangemerkt.

10Het vermogen in de eigen woning wordt niet in aanmerking genomen, tenzij bezwaring of verdere bezwaring van de woning in redelijkheid verlangd kan worden (artikel 50 lid 1 PW).

5.4.2 Bepaling van het inkomen

1De draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van het maandinkomen gedurende drie maanden voorafgaand aan de maand waarin de bijzondere bijstand is aangevraagd.

2Bij een inkomen uit zelfstandigheid wordt het inkomen aan de hand van de laatste kwartaalcijfers eerst geschat en achteraf definitief vastgesteld.

5.4.3 Draagkrachtperiode

De draagkracht wordt voor een periode van twaalf maanden vastgesteld. De periode start op de eerste dag van de maand waarin de kosten zich hebben voorgedaan. Indien met terugwerkende kracht wordt verstrekt is dit de eerste van de maand waarin de kosten zich hebben voorgedaan.

5.4.4 Wijziging inkomen tijdens draagkrachtperiode

1Om redenen van efficiency geldt als uitgangspunt dat een eenmaal vastgestelde draagkracht niet meer wordt gewijzigd tijdens de draagkrachtperiode.

2Als de draagkracht tijdens het draagkrachtjaar structureel en substantieel wijzigt, bestaat er aanleiding om de draagkracht, in afwijking van lid 1, wel opnieuw vast te stellen. Een substantiele wijziging is meer of minder inkomen ad. € 50,00 per maand.

3Bij wisselende inkomsten of onzekerheid over het inkomen (bijv. zelfstandigen) wordt de definitieve draagkracht achteraf vastgesteld.

4Mocht bij de berekening van de definitieve draagkracht aan de hand van het feitelijke inkomen worden vastgesteld dat er te weinig bijstand is verstrekt dan wordt deze nabetaald. Mocht worden vastgesteld dat er teveel bijstand is vertrekt dan wordt deze teruggevorderd tenzij het een bedrag betreft van minder dan € 100,00.

5.5 Medische en paramedische kosten

5.5.1 Medische en paramedische kosten

1Op grond van artikel 15 PW bestaat er geen recht op bijzondere bijstand voor zover er een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die gezien haar aard en doel geacht wordt passend en toereikend te zijn. Ook bestaat er geen recht op bijstand als de kosten door de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt.

2Voor de medische en paramedische kosten wordt de verplichte zorgverzekering (basispakket) op grond van de Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg als een voorliggende voorziening aangemerkt als bedoeld in artikel 15 PW zodat voor deze kosten geen recht op bijzondere bijstand bestaat.

3Dit geldt ook voor de kosten die voor rekening van een inwoner blijven zoals een eigen bijdrage en het wettelijk of vrijwillig eigen risico.

5.5.2 Aanvullende verzekering

Om het gebruik van een aanvullende- en tandartsverzekering te stimuleren is het college bevoegd om op grond van artikel 35 lid 3 PW voor deze kosten een tegemoetkoming te verstrekken.

a.De tegemoetkoming bedraagt € 200,00 per volwassene per kalenderjaar. Bedraagt de premie minder dan € 200,00 per jaar, dan wordt de tegemoetkoming afgestemd op de werkelijke kosten.

b.De tegemoetkoming kan gedurende het jaar en tot 1 april na afloop van het jaar waarin de kosten zijn gemaakt, aangevraagd worden.

5.6 Duurzame gebruiksgoederen en overige inrichtingskosten

5.6.1 Duurzame gebruiksgoederen

1Kosten van duurzame gebruiksgoederen zijn kosten die behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Als uitgangspunt bestaat voor deze kosten geen recht op bijzondere bijstand. De inwoner dient zelf in deze kosten te voorzien door er voor te sparen of een geldlening aan te gaan.

2Als de inwoner niet zelf in deze kosten kan voorzien (ook niet door het aangaan van een lening) dan is bijstand mogelijk als er sprake is van bijzondere omstandigheden. Het hebben van schulden wordt, conform de geldende jurisprudentie, niet aangemerkt als een bijzondere omstandigheid. Als er wel sprake is van een bijzondere omstandigheid, dan wordt de bijstand toegekend in de vorm van een renteloze geldlening als bedoeld in artikel 51 PW. De hoogte van de bijstand wordt afgestemd op de gezinssamenstelling en vastgesteld aan de hand van de Nibud Prijzengids op grond van het totale inboedelpakket van 1 of 2 volwassenen met kinderen. De gemeente verstrekt 70% van deze richtprijzen. De reden hiervan is dat een aantal goederen ook tweedehands aangeschaft kan worden.

3Het totale inboedelpakket volgens de Nibud Prijzengids is berekend tot en met 4 inwonende minderjarige kinderen. Indien het gezin bestaat uit meer dan 4 minderjarige kinderen, wordt het totale inboedelpakket per kind opgehoogd met € 600,00.

4Indien een inwonend meerderjarig kind (mede) aanvraagt wordt uitgegaan van een bedrag van € 600,00 voor het totale inboedelpakket voor dat kind.

5Bijzondere omstandigheden kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een echtscheiding waarbij een inwoner een woning gedeeltelijk opnieuw moet inrichten. Als de inwoner niet in deze kosten kan voorzien door eigen middelen of het aangaan van een lening, dan is er bijzondere bijstand mogelijk. Op grond van de individuele situatie wordt dan beoordeeld welke duurzame gebruiksgoederen noodzakelijk zijn. De bijzondere bijstand wordt dan toegekend in de vorm van een geldlening zoals onder lid 2 is bepaald.

6Van bijzondere omstandigheden is ook sprake als aan een statushouder een woning wordt toegewezen die nog volledig moet worden ingericht.

7De bijstand wordt ineens betaalbaar gesteld, waarbij de voorwaarde wordt opgelegd dat bonnen en facturen van de besteding van de gelden gedurende twee jaar na de aanvraagdatum worden bewaard omdat deze kunnen worden opgevraagd door de gemeente bij een concreet vermoeden dat de gelden niet zijn aangewend voor het doel waarvoor de gelden zijn verstrekt.

8Bijstand die niet wordt gebruikt overeenkomstig het doel waarvoor deze verstrekt is, wordt teruggevorderd en is direct opeisbaar. Als directe terugbetaling niet mogelijk is wordt de aflossing vastgesteld op minimaal 5 % van de bijstandsnorm, met inachtneming van de beslagvrije voet.

5.6.2 Aflossing geldlening

1Voor de bijzondere bijstand die in de vorm van een geldlening is toegekend gelden de volgende uitgangspunten:

a.Bij een inkomen tot en met 120% van het bijstandsniveau, wordt de aflossingscapaciteit vastgesteld op 5% van het inkomen inclusief vakantietoeslag.

b.Bij een inkomen hoger dan 120% van het bijstandsniveau, wordt de aflossingscapaciteit vastgesteld op 50 % van het voor beslag vatbare bedrag

c.Indien er recht op een bijstandsuitkering bestaat wordt de aflossing verrekend met deze uitkering.

2Als de aflossingsverplichting gedurende 36 maanden correct is nagekomen en de geldlening nog niet volledig is afgelost, wordt het restant kwijtgescholden.

5.6.3 Overige inrichtingskosten

Met overige inrichtingskosten worden de kosten bedoeld die niet zien op duurzame gebruiksgoederen, zoals verf, behang en verhuiskosten. Als uitgangspunt bestaat voor deze kosten geen recht op bijzondere bijstand en dient men daar zelf in te voorzien. Alleen als er sprake is van bijzondere omstandigheden is er ook voor deze kosten bijzondere bijstand mogelijk. De hoogte van de bijstand wordt afgestemd op de staat van de woning en vastgesteld aan de hand van de Nibud Prijzengids.

De bijzondere bijstand die voor deze kosten wordt toegekend wordt om niet verstrekt. De geldlening op grond van artikel 51 PW is hier niet van toepassing omdat er geen sprake is van duurzame gebruiksgoederen.

•De hoogte van de bijstand voor overige inrichtingskosten is € 200,00 per persoon die tot het gezin behoort waarvoor de bijstand van toepassing is.

•Indien een meerderjarig kind (mede) aanvraagt wordt uitgegaan van een bedrag van € 200,00 aan totale overige inrichtingskosten.

Hoofdstuk 6 Kindpakket

6.1 Algemene bepalingen

6.1.1 Begripsomschrijvingen

In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

a.Burgemeester en wethouders: het college van burgemeester en wethouders van Urk.

b.De Wet: de Participatiewet

c.Inkomen: de som van het netto inkomen inclusief vakantietoeslag van de aanvrager en/of dienst echtgenoot in de drie maanden voorafgaand aan de aanvraag waarop de tegemoetkoming betrekking heeft, met uitzondering van de middelen als bedoeld in artikel 31 lid 2 en de individuele inkomenstoeslag als bedoeld in artikel 36 Participatiewet. Bij de bepaling wordt rekening gehouden met de draagkracht die in het kader van de bijzondere bijstand in aanmerking is genomen.

d.Inkomensgrens: 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Indien de aanvrager zelfstandig energielasten heeft middels een contract met energieleverancier(s) en een inkomen hoger dan 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm en hij in het kalenderjaar van aanvraag geen recht heeft op de energietoeslag als bedoeld in artikel 35 lid 4 Participatiewet, dan dient het maandinkomen in de drie maanden voorafgaande aan het schooljaar waarop de aanvraag betrekking heeft, te worden verlaagd met € 109,00 per maand.

e.De hoogte van het inkomen wordt vastgesteld met inachtneming van artikel 31 t/m 33 PW.

f.Op grond van jurisprudentie is er geen sprake van draagkracht voor zover er beslag ligt op het inkomen (zie CRvB 28-03-2006:AV8374 en CRvB 19-01-2021:110 en 242).

g.Indien de aanvrager gebruik maakt van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP), is er geen sprake van draagkracht.

h.Indien er sprake is van bewindvoering en de aanvrager leefgeld ontvangt lager dan 120% van de geldende bijstandsnorm (bij gehuwden beide aanvragers) is er geen sprake van draagkracht uit inkomen. Er kan wel draagkracht uit vermogen zijn.

i.Indien de aanvrager ten tijde van de aanvang van het schooljaar waarop de aanvraag betrekking heeft, gedeeltelijke bijzondere bijstand ontvangt wegens aanwezige draagkracht en het draagkrachtjaar nog van toepassing is, is er geen overschrijding van de inkomensgrens.

j.Kind: het in gezinsverband levende en ten laste komende minderjarige kind van 4 tot en met 17 jaar (hierbij is de leeftijd op de peildatum van 1 augustus van het betreffende schooljaar bepalend).

k.Schooljaar: de periode 1 augustus van het jaar tot en met 31 juli van het volgende jaar.

l.Maatschappelijke participatie: het deelnemen aan activiteiten met een sportief, educatief, sociaal, cultureel dan wel recreatief karakter door schoolgaande kinderen van ouders met een laag inkomen.

m.Vermogen: zoals bepaald in artikel 34 van de wet, met dien verstande dat het eventuele vermogen in de eigen woning geheel buiten beschouwing blijft.

n.Vermogensgrens: het bedrag genoemd in artikel 34 lid 3 van de wet.

o.Voorziening: Financiële ondersteuning of ondersteuning in natura gericht op maatschappelijke participatie

6.1.2 Rechthebbenden

1Recht op de voorzieningen in het kader van het kindpakket heeft de inwoner van Urk die 18 jaar of ouder is en een inkomen heeft dat gelijk aan of minder is dan de voor hem geldende inkomensgrens en een vermogen lager dan de vermogensgrens.

2In afwijking van lid 1 heeft recht op de voorzieningen in het kader van het kindpakket, de inwoner van Urk die 18 jaar en ouder is en een schuldregeling heeft op basis van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening of de Wet schuldsanering natuurlijke personen en wiens besteedbaar inkomen gelijk aan of lager is dan de voor hem geldende inkomensgrens.

6.1.3 Vorm en hoogte van voorzieningen

1Het college stelt de vorm van een voorziening vast en bepaalt de hoogte van de voorziening.

2Bij het bepalen van de vorm van een voorziening kiest het college voor de vorm en de hoogte die naar zijn oordeel het meest doeltreffend is om de ondersteuning, waaronder de maatschappelijke participatie te bevorderen.

6.1.4 Aanvraag en betaling

1De aanvraag voor de in deze beleidsregels genoemde voorzieningen wordt ingediend op een door het college beschikbaar gesteld formulier.

2De aanvraag geldt voor alle kinderen uit het gezin.

3De aanvraag kan vanaf 1 juli voorafgaand aan het schooljaar worden ingediend.

4Een aanvraag voor een schooljaar dat is afgelopen kan nog worden ingediend tot 1 oktober na afloop van dat schooljaar.

5Tenzij anders is bepaald wordt de voorziening rechtstreeks betaald aan de leverancier, school of club.

6In de overige situaties wordt de voorziening uitbetaald aan de aanvrager met de verplichting dat de kosten worden aangetoond door middel van betaalbewijzen.

7Betaalbewijzen van een reeds toegekend Kindpakket die vanaf 1 november na het aflopende schooljaar worden ingediend komen niet meer voor vergoeding in aanmerking.

6.2 Voorzieningen

6.2.1 Maatschappelijke participatie

1De voorziening omvat alle aantoonbaar gemaakte kosten voor maatschappelijke participatie.

2De maximale vergoeding bedraagt € 300,00 per schooljaar.

3Voor sportkleding of de aanschaf of onderhoud van een muziekinstrument geldt een extra tegemoetkoming van € 100,00 per schooljaar.

4Voorziening wordt uitbetaald aan de aanvrager met de verplichting dat de kosten worden aangetoond door middel van betaalbewijzen.

6.2.2 Schoolreis of excursie

1De voorziening is bedoeld voor een door de school georganiseerde schoolreis of excursie.

2De maximale bijdrage is voor kinderen op de basisschool € 50,00 per schooljaar en voor kinderen op het voortgezet onderwijs € 100,00 per schooljaar.

3De kosten worden verondersteld en eenmaal per jaar uitbetaald.

6.2.3 Zwemdiploma A

1Deze voorziening geldt voor kinderen tussen vier en twaalf jaar.

2Ieder kind kan bij de gespreksvoerder van de gemeente Urk aangemeld worden voor gratis zwemlessen om het zwemdiploma A te behalen.

6.2.4 Reiskosten school

1De voorziening is bedoeld voor kinderen die het voortgezet onderwijs bezoeken in een andere plaats, nadat is vastgesteld dat soortgelijk onderwijs niet in Urk gevolgd kan worden.

2De voorziening geldt voor de maanden oktober tot en met maart als onderwijs in een straal van 15 kilometer gevolgd kan worden. Is het kind aangewezen op onderwijs verder weg dan geldt de voorziening voor tien maanden per schooljaar.

3De voorziening bedraagt per maand de vergoeding voor een maandkaart.

4De ouder overlegt een schoolverklaring van de onderwijsinstelling om de reiskosten aan te tonen.

5De regeling schoolvervoer van de gemeente is een voorliggende voorziening.

6.2.5 Tegemoetkoming aanschaf en servicepakket laptop

1De voorziening is bedoeld voor schoolgaande kinderen in de leeftijd van 10 tot en met 17 jaar.

2De voorziening betreft de vergoeding van de aankoopprijs van een vooraf door de gemeente Urk geselecteerde laptop bij The Rent Company inclusief 4 jaar Easy4u zekerheidspakket.

3De vergoeding wordt rechtstreeks aan de leverancier betaald.

4De vergoeding geldt per kind en wordt één maal per vier jaar verstrekt.

5Overgangsrecht: als deze voorziening op grond van de vorige kindregeling (2018) is toegekend, blijft de termijn van de verstrekking van eenmaal per vier jaar van kracht. Als er meerdere kinderen in het gezin zijn wordt de oude voorziening toegerekend aan het jongste kind en kan voor de overige kinderen alsnog een beroep worden gedaan op de regeling die vanaf 01-08-2021 van toepassing is.

6.2.6 Tegemoetkoming fiets

1Deze voorziening is voor ieder kind dat voor het eerst naar het voortgezet onderwijs gaat.

2De vergoeding wordt per kind één keer verstrekt.

3De vergoeding bedraagt de werkelijke kosten tot een maximaalbedrag van € 350,00.

4De vergoeding wordt uitbetaald na het overleggen van een factuur of betaalbewijs.

6.2.7 Tegemoetkoming studiekosten

1Deze voorziening geldt voor alle schoolgaande kinderen van 16 en 17 jaar.

2De vergoeding bedraagt € 200,00 per kind per schooljaar en geldt als een tegemoetkoming voor de studiekosten en wordt eens per schooljaar (vooraf) uitbetaald.

3De kosten worden verondersteld en eenmaal per schooljaar uitbetaald.

6.3 Slotbepalingen

6.3.1 Terugvordering

De voorziening kan geheel of gedeeltelijk worden teruggevorderd indien de aanvrager onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft verstrekt waardoor de voorziening ten onrechte is verstrekt of het recht op de voorziening niet kan worden vastgesteld. Dit laatste is het geval als de inwoner de kosten niet kan aantonen waarvoor wel een vergoeding is verstrekt.

6.3.2 Hardheidsclausule en overige bepalingen

1Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze beleidsregel, als toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

2In bijzondere gevallen waarin deze beleidsregel niet voorziet, beslist het college.

3Het college kan nadere richtlijnen geven voor de uitvoering van deze beleidsregel.

Artikel 6.3.3 Citeertitel en inwerkingtreding

1Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels kindpakket gemeente Urk 2023.

2De beleidsregels kindpakket gemeente Urk treden in werking op de dag na bekendmaking.

Hoofdstuk 9 Terugvordering en verhaal

9.2 Zekerheidsrechten

9.2.2 Eigen woning

1Het college verbindt aan de verlening van algemene bijstand in de vorm van een geldlening als bedoeld in artikel 50 PW de verplichting dat de inwoner meewerkt aan de vestiging van een hypotheekrecht.

2Indien de inwoner een eigen woonwagen of woonschip bewoont, heeft de meewerkverplichting als bedoeld onder 1 betrekking op de vestiging van een pandrecht.

3Voor geldleningen beneden € 5000,00 wordt geen hypotheek of pand geëist.

9.2.3 Waarde woning

1De geldlening, als bedoeld in artikel 2, is ten hoogste de waarde van de woning in het economisch verkeer bij vrije oplevering, verminderd met de daarop drukkende schulden en met het vrij te laten vermogen als bedoeld in artikel 34, tweede lid onder d PW.

2Als waarde van de woning geldt in beginsel de waarde vastgesteld volgens de Wet waardering onroerende zaken (‘’WOZ-waarde’’). Als deze waarde door het college of door de inwoner wordt betwist dan vindt taxatie plaats door een taxateur voor onroerende zaken die door het college in overeenstemming met de inwoner wordt aangewezen of door een gemeentelijk taxateur.

3Ten aanzien van woonwagens en woonschepen bedraagt de geldlening ten hoogste de waarde van de woonwagen of het woonschip in het economisch verkeer bij vrije oplevering, verminderd met de daarop drukkende schulden en met het vrij te laten vermogen als bedoeld in artikel 34, tweede lid, onderdeel d PW.

4Ter vaststelling van de waarde van de woonwagen of het woonschip vindt taxatie plaats door een erkend of een in elk geval als deskundig aan te merken taxateur voor dergelijke roerende zaken die door het college in overeenstemming met de inwoner wordt aangewezen.

5De kosten verbonden aan de taxatie, de hypotheekakte en de inschrijving van de hypotheek, de pandovereenkomst, alsmede de bijkomende kosten, komen ten laste van de inwoner.

9.2.4 Voorwaarden geldlening

1Aan de geldlening worden in elk geval de voorwaarden verbonden genoemd in de artikelen 5 en 6.

2Deze voorwaarden worden samen met de gebruikelijke bedingen opgenomen in de hypotheekakte of pandovereenkomst.

9.2.5 Aflossingsvoorwaarden geldlening

1Aflossing van de geldlening vindt plaats gedurende ten hoogste tien jaar.

2De aflossing start op het moment van beëindiging van de bijstandverlening en vindt maandelijks plaats.

3Het maandelijkse aflossingsbedrag wordt in beginsel telkens voor een periode van één jaar vastgesteld. Indien niet opnieuw een maandelijks aflossingsbedrag voor een periode van een jaar wordt vastgesteld, blijft het bestaande maandelijkse aflossingsbedrag van toepassing.

4Bij een inkomen dat niet hoger is dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm, wordt geen aflossing gevergd.

5Indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven, stelt het college het maandbedrag van de aflossing voor een langere periode dan één jaar vast, dan wel wordt zo nodig tussentijds, het maandbedrag van de aflossing op een lager dan wel hoger bedrag vastgesteld.

6Bij de beoordeling van de omstandigheden als bedoeld onder lid 5 kan rekening worden gehouden met noodzakelijke, voor eigen rekening van de inwoner komende, bijzondere bestaanskosten. Deze kunnen in mindering worden gebracht op het inkomen.

7Indien de inwoner tijdens de aflossingsperiode van tien jaar verwijtbaar nalatig is in het voldoen van de vastgestelde aflossing, is het nog niet afgeloste deel van de geldlening direct opeisbaar en is daarover tevens de wettelijke rente verschuldigd.

9.2.6 Rentevordering

1Indien door toepassing van artikel 5, vierde tot en met zesde lid, na afloop van de aflossingsperiode van tien jaar een deel van de geldlening nog niet is afgelost, is vanaf dat moment maandelijks rente verschuldigd over het nog niet afgeloste deel van de geldlening.

2De rente, bedoeld onder lid 1, is gelijk aan de wettelijke rente.

3Indien de inwoner naar het oordeel van het college de rente geheel of gedeeltelijk kan betalen, doch niet kan aflossen, wordt een betaling eerst tot ten hoogste het bedrag van de verschuldigde maandrente aangemerkt als aflossing en wordt de rente die daardoor niet wordt betaald bijgeschreven bij het nog niet afgeloste deel van de geldlening.

4Indien de inwoner naar het oordeel van het college geen rente kan betalen wordt de verschuldigde rente bijgeschreven bij het nog niet afgeloste deel van de geldlening.

5Over een bijgeschreven rentevordering is geen rente verschuldigd.

9.2.7 Aflossing geldlening bij verkoop of vererving woning, woonwagen of -schip

1Bij verkoop of bij vererving van de woning, de woonwagen of het woonschip en indien het een echtpaar betreft bij vererving na overlijden van de langstlevende echtgenoot, wordt het nog niet afgeloste deel van de geldlening, alsmede de op grond van artikel 6, derde en vierde lid, bijgeschreven rente, direct afgelost.

2Bij verkoop van de woning, de woonwagen of het woonschip kan het college wegens bijzondere omstandigheden van medische of sociale aard van de inwoner, na toepassing van het eerste lid, besluiten tot het verlenen van een nieuwe geldlening eveneens onder verband van hypotheek of verpanding voor de aankoop van een andere woning, woonwagen of woonschip, tot ten hoogste het bedrag van de ingevolge het eerste lid afgeloste geldlening, onder de voorwaarde dat de inwoner het na aflossing vrijgekomen vermogen met inbegrip van het in het derde lid bedoelde bedrag volledig inzet voor de aankoop van de andere woning, woonwagen of woonschip.

3Indien bij verkoop van de woning, de woonwagen of het woonschip, op basis van de waarde in het economisch verkeer bij vrije oplevering het voor de afrekening beschikbare bedrag lager is dan het resterende bedrag van de geldlening en van de rentevordering, wordt het verschil kwijtgescholden.

9.2.8 Jaarlijkse opgave restantschuld en rentevorderingen

Aan de inwoner wordt telkens na afloop van een kalenderjaar een opgave verstrekt van de stand van de geldlening en rentevorderingen.

9.3 Terugvordering

9.3.1 Terugvordering bijstand

1Het college vordert de kosten van bijstand terug van de inwoner in de situaties als genoemd in artikel 58 lid 1 en 2 en artikel 59 PW.

2Van de bevoegdheid om de vordering te bruteren als bedoeld in artikel 58 lid 5 PW wordt alleen gebruik gemaakt als de vordering is gebaseerd op schending van de inlichtingenplicht (artikel 58 lid 1 PW).

9.3.2 Afzien terugvordering in verband met dringende redenen

Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

9.3.3 Afzien terugvordering in verband met gering bedrag

1Het college kan afzien van (verdere) terugvordering, indien het nog terug te vorderen bedrag minder bedraagt dan € 150,00 én de vordering niet het gevolg is van een schending van de inlichtingenplicht.

2Indien er sprake is van een restantvordering beneden € 150,00 wordt de vordering buiten invordering gesteld nadat is vastgesteld dat ondanks betalingsverzoeken niet wordt betaald, dat verrekening niet mogelijk is en dat er geen andere vorderingen meer openstaan.

3Indien het college meerdere vorderingen heeft op de inwoner, dan geldt het minimumbedrag van € 150,00 voor het (rest)saldo van alle vorderingen tezamen.

9.3.4 Afzien terugvordering in verband met een schuldregeling

1Het college kan op verzoek van een erkende schuld sanerende instantie van verdere invordering afzien indien dit noodzakelijk is voor het tot stand komen van een schuldsanering.

2Voorwaarde voor toepassing van lid 1 is dat de vordering van de gemeente zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van schuldeisers van gelijke rang.

3Het eerste lid is niet van toepassing indien:

a.de terugvordering van bijstand het gevolg is van schending van de inlichtingenplicht;

b.de vordering gedekt wordt door pand- of hypotheekrecht.

4De beslissing tot het (gedeeltelijk) afzien van verdere invordering treedt niet in werking voordat een schuldregeling tot stand is gekomen.

5De beslissing tot het (gedeeltelijk) afzien van verdere invordering wordt ingetrokken of ten nadele van de inwoner gewijzigd indien;

a.niet binnen twaalf maanden nadat de beslissing is bekendgemaakt, een schuldregeling tot stand is gekomen die voldoet aan de eisen als genoemd in dit artikel,

b.de inwoner zijn schuld aan de gemeente niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet; of

c.onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid.

9.3.5 Overige redenen tot afzien van verdere invordering

1Als het een vordering betreft die is gebaseerd op artikel 58 lid 2 PW, kan het college beslissen om van verdere invordering af te zien indien de inwoner;

a.gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan,

b.gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald,

c.gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; of

d.een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de restsom, in één keer aflost waarbij de totale aflossing niet minder mag zijn dan de afloscapaciteit over vijf jaar.

2Kwijtschelding vindt niet plaats ten aanzien van vorderingen die door pand of hypotheek op een goed of een onroerende zaak zijn gedekt.

3Voor een vordering wegens schending van de inlichtingenplicht is kwijtschelding alleen mogelijk op de gronden als genoemd in artikel 58 lid 7 PW.

9.4 Verhaal

9.4.1 Verplichting van de inwoner tot (op)eisen van alimentatie

1Indien de inwoner aanspraak kan maken op een wettelijke onderhoudsverplichting als bedoeld in boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, legt het college ingevolge artikel 55 PW aan de inwoner de verplichting op, om;

a.een bijdrage voor de kosten van levensonderhoud voor zichzelf en/of zijn ten laste komende kinderen van de onderhoudsplichtige te verkrijgen, zo nodig door tussenkomst van een rechter;

b.betaling van een door de rechter opgelegde bijdrage voor de kosten van levensonderhoud voor zichzelf en/of zijn ten laste komende kinderen af te dwingen, zo nodig door het inschakelen van derden, zoals het LBIO of een deurwaarder.

2De verplichting als bedoeld in het eerste lid onderdeel a bevat in ieder geval de eis;

a.dat de te verkrijgen bijdrage voor de kosten van levensonderhoud aantoonbaar wordt vastgesteld op basis van een recente draagkrachtberekening aan de hand van de geldende Trema-normen;

b.dat het verzoek tot het verkrijgen van een bijdrage in de kosten van levensonderhoud niet eerder aan de onderhoudsplichtige of de rechter wordt voorgelegd, dan nadat dit ter goedkeuring aan het college is voorgelegd.

3Het college legt de in het eerste lid bedoelde verplichting niet eerder op, dan nadat het heeft onderzocht dat er naar verwachting enige draagkracht aanwezig is.

4Indien de verplichting als bedoeld in het eerste lid naar het oordeel van het college niet in redelijkheid aan de inwoner opgelegd kan worden, kan het college gebruik maken van de bevoegdheden om te verhalen als bedoeld in paragraaf 6.5 PW.

9.4.2 Bevoegdheden college

1Het college maakt, behoudens in de gevallen waarin artikel 14, eerste lid van deze beleidsregels van toepassing is, gebruik van zijn bevoegdheid tot het verhalen van kosten van bijstand in overeenstemming met artikel 61 PW tot de grens van de onderhoudsplicht als bedoeld in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek op degene die;

a.bij het ontbreken van gezinsverband zijn onderhoudsplicht jegens zijn echtgenoot of minderjarig kind(eren) niet of niet behoorlijk nakomt;

b.zijn onderhoudsplicht na echtscheiding of ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed niet of niet behoorlijk nakomt;

c.zijn onderhoudsplicht op grond van artikel 395a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek jegens zijn jong meerderjarig kind aan wie bijzondere bijstand is verleend niet of niet behoorlijk nakomt.

2Het college maakt tevens gebruik van zijn bevoegdheid tot het verhalen van kosten van bijstand op:

a.degene aan wie de inwoner die bijstand ontvangt of heeft ontvangen een schenking heeft gedaan voor zover bij het besluit op de bijstandsaanvraag met de geschonken middelen rekening zou zijn gehouden indien de schenking niet had plaatsgevonden, tenzij gelet op alle omstandigheden aannemelijk is dat de schenker ten tijde van de schenking de noodzaak van bijstandsverlening redelijkerwijs niet heeft kunnen voorzien;

b.de nalatenschap van de inwoner indien aan die inwoner ten onrechte bijstand is verleend en voor zover voor het overlijden nog geen terugvordering heeft plaatsgevonden, dan wel bijstand is verleend in de vorm van geldlening of als gevolg van borgtocht.

3In geval van het verhalen van kosten van bijstand maakt het college gebruik van de Trema-normen.

9.4.3 Ingangsdatum verhaal

De ingangsdatum van het verhaalbedrag wordt bepaald op de eerste dag van de maand volgend op de datum waarop de eerste kennisgeving tot verhaal van kosten van bijstand is verzonden.

9.4.4 Limitering hoogte verhaalbijdrage

1De hoogte van de verhaalbijdrage wordt in beginsel beoordeeld aan de hand van de maatstaven zoals bedoeld in artikel 397 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

2Indien de onderhoudsplichtige niet of onvoldoende voldoet aan de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 60, eerste lid PW, wordt de hoogte van de verhaalbijdrage:

a.maximaal vastgesteld op de bruto verleende of te verlenen bijstand, in geval er een bijdrage voor de inwoner of de inwoner en één of meer ten laste komende kind(eren) wordt gevraagd;

b.maximaal vastgesteld op basis van de hoogste inkomenscategorie conform de geldende behoeftetabel, in geval er een bijdrage voor (een) kind(eren) wordt gevraagd.

9.4.5 Indexering verhaalbijdrage

1Het door de rechter vastgestelde verhaalbedrag wordt jaarlijks met ingang van 1 januari van rechtswege gewijzigd met het op grond van artikel 402a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek vast te stellen percentage.

2De indexering zoals bedoeld in het eerste lid maakt onderdeel uit van het verhaalbesluit.

9.4.6 Wijziging verhaalbijdrage

1Het college kan, op verzoek van de onderhoudsplichtige, dan wel ambtshalve als gevolg van gewijzigde omstandigheden van de onderhoudsplichtige, de eerder opgelegde verhaalbijdrage geheel of ten dele herzien.

2Het college ziet af van het herzien van de verhaalbijdrage zoals bedoeld in het eerste lid, indien de nieuw vast te stellen verhaalbijdrage ten opzichte van de eerder vastgestelde verhaalbijdrage met minder dan € 51,00 per maand is toegenomen.

9.4.7 Verhaal in rechte

Indien de onderhoudsplichtige niet uit eigen beweging bereid is de verlangde gelden aan het college te betalen, dan wel niet of niet tijdig tot betaling daarvan overgaat, besluit het college over te gaan tot verhaal in rechte.

9.4.8 Afzien van het nemen van een beslissing tot verhaal

1Het college kan afzien van het nemen van een beslissing tot verhaal van kosten van bijstand indien:

a.de onderhoudsplichtige gedurende ten minste 60 maanden voorafgaande aan de bijstandsverlening niet zijn hoofdverblijf binnen Nederland heeft of heeft gehad en er geen inkomen uit een Nederlandse bron bekend is;

b.zolang de onderhoudsplichtige is geregistreerd in de Basisregistratie Personen als niet-ingezetene;

c.de onderhoudsplichtige een inkomen heeft dat gelijk is aan de van toepassing zijnde bijstandsnorm op grond waarvan er geen draagkracht is;

d.daarvoor naar het oordeel van het college gelet op alle omstandigheden van de onderhoudsplichtige of de bijstandsgerechtigde dringende redenen aanwezig zijn.

9.4.9 Afzien van inning verhaal

1Het college kan (gedeeltelijk) afzien van de inning van kosten van bijstand, voor zover het verschuldigde verhaalbijdragen betreft die op het moment van het besluit opeisbaar zijn, indien:

a.redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zou komen én de vordering van de gemeente wegens verhaal van bijstand ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vordering van de schuldeisers van gelijke rang;

b.ten aanzien van de onderhoudsplichtige een (wettelijke) schuldregeling van toepassing is, zulks voor de duur van deze regeling;

c.de onderhoudsplichtige gedurende ten minste 60 maanden nadat hem een verhaalbijdrage is opgelegd, niet zijn hoofdverblijf binnen Nederland heeft of heeft gehad;

d.het te verhalen bedrag minder bedraagt dan € 51,00 per maand;

e.het totaal te verhalen bedrag minder bedraagt dan € 600,00 op jaarbasis;

f.daarvoor naar het oordeel van het college gelet op alle omstandigheden van de onderhoudsplichtige of de bijstandsgerechtigde dringende redenen aanwezig zijn.

2In afwijking van het eerste lid onder d is het college op grond van artikel 62b PW altijd bevoegd om zich aan een rechtelijke uitspraak te conformeren, ongeacht de hoogte van het te verhalen bedrag.

3Het besluit tot het (gedeeltelijk) afzien van verhaal zoals bedoeld in het eerste lid onder a en b wordt ingetrokken of ten nadele van de onderhoudsplichtige gewijzigd indien:

a.niet binnen twaalf maanden nadat die beslissing bekend is gemaakt, een schuldregeling tot stand is gekomen die voldoet aan de eisen zoals bedoeld in eerste lid onder a of b;

b.e onderhoudsplichtige zijn schuld aan de gemeente niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet; of

c.onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste en/of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.