Gemeentelijke regelgeving

Beleidsregels Maatschappelijke ondersteuning gemeente Urk 2025

Gemeente Urk · geldt sinds 12 maart 2025

Aanhef

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Urk;

gelet op:

-titel 4:3 van de Algemene wet bestuursrecht;

-de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

-de Verordening Sociaal Domein gemeente Urk 2024;

-het Besluit Maatschappelijke ondersteuning en Jeugd gemeente Urk 2025

overwegende dat het college het voor de beoordelingsvrijheid bij de uitvoering van de wet noodzakelijk vindt om aan te geven op welke wijze daar mee wordt omgegaan en daartoe beleidsregels wenst vast te stellen;

besluit de volgende beleidsregels vast te stellen

Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Urk 2025

Artikel 2.3.2 Wmo 2015 Artikel 2.3.3 Wmo 2015 Hoofdstuk 2 van de Verordening

Hoofdstuk 2 Procedure

2.9 Inlichtingen- en medewerkingsplicht

2.9.1 Medewerkingsplicht

Artikel 2.3.8 lid 3 Wmo 2015 regelt de medewerkingsplicht die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet. Onder het niet verlenen van medewerking wordt in ieder geval verstaan:

•Het niet meewerken aan een onderzoek, al dan niet door een deskundige, door niet te verschijnen of relevante vragen niet te beantwoorden. Denk ook aan een onderzoek door een ergotherapeut. De medewerkingsplicht geldt ook voor de huisgenoot ingeval van een onderzoek over het kunnen bieden van gebruikelijke hulp.

•Als de vertegenwoordiger stelt dat de gemeente de cliënt niet hoeft te zien en/of te spreken voor het onderzoek.

•Gebruikmaking van het blokkeringsrecht als bedoeld in artikel 7:464 lid 2 BW.

•Het niet overleggen van het indicatiebesluit op grond van de Wlz als dat noodzakelijk is voor de beoordeling van de ondersteuningsbehoefte (RBLIM:2021:4243).

Gevolgen

Niet of onvoldoende medewerking verlenen kan leiden tot weigering aanvraag als daardoor de noodzaak tot ondersteuning niet kan worden vastgesteld (CRVB:2021:1739, CRVB:2020:567, CRVB:2019:224). De gevolgen van het niet verstrekken van relevante inlichtingen kan leiden tot een herziening of intrekking van het toekenningsbesluit onder toepassing van artikel 2.3.10 Wmo 2015. En mogelijk ook tot een terugvordering. Zie verder Hoofdstuk 16 van deze beleidsregels.

2.15 Weigeren aanvraag maatwerkvoorziening

2.15.1 Toegang Wlz verruimd

Sinds 1 januari 2021 hebben verzekerden die vanwege een psychische stoornis blijvend behoefte hebben aan permanent toezicht of 24 uur per dag zorg toegang tot de Wlz. Zij worden dan niet anders behandeld dan verzekerden met een lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap, of verzekerden met een somatische of psychogeriatrische beperking of aandoening.

2.15.2 Verblijf in een Wlz-instelling

In dit onderdeel staat een aantal aandachtspunten die van belang zijn bij de beoordeling van een aanvraag om maatwerkvoorziening van een cliënt die in een Wlz-instelling woont (al dan niet in deeltijd).

Outillagemiddelen Wlz -instelling

Er worden op grond van de Wmo geen outillagemiddelen verstrekt aan een client die in een Wlz-instelling verblijft. Voor de uitleg van het begrip outillage kan worden aangesloten bij het algemene spraakgebruik. Het gaat om datgene waarmee een Wlz-instelling is uitgerust ter operationalisatie van zijn doelstelling. De inrichting van een instelling moet zijn uitgerust met die standaardvoorzieningen die nodig zijn om de doelgroep waarop de instelling zich richt adequaat te kunnen verzorgen. Daarbij is van belang of de gevraagde voorziening door meerdere mensen, eventueel na elkaar en met een geringe individuele aanpassing, te gebruiken is of dat sprake is van een op het individu toegesneden voorziening, die alleen na een kostbare aanpassing door verschillende personen na elkaar te gebruiken is (CRVB:2013:CA0312 Wmo).

Mobiliteitshulpmiddelen

Sinds 1 januari 2020 is het Zorgkantoor verantwoordelijk voor mobiliteitshulpmiddelen (zoals een rolstoel en een scootmobiel) voor individueel gebruik voor verzekerden met een Wlz-indicatie die in een Wlz-instelling verblijven. Voor hen worden deze voorzieningen verstrekt vanuit de Wlz en niet meer vanuit de Wmo. Per die datum is ook art. 2.3 Regeling langdurige zorg gewijzigd waarmee het recht van verzekerden op het individueel gebruik van een mobiliteitshulpmiddel is verruimd. In dat artikel is een limitatieve opsomming van mobiliteitshulpmiddelen opgenomen. De Minister van VWS heeft wel afspraken gemaakt met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en Zorgverzekeraars Nederland dat gemeenten verantwoordelijk blijven voor onderhoud, aanpassing en reparatie van het vóór 1 januari 2020 verstrekte mobiliteitshulpmiddel tot aan het moment dat het hulpmiddel vervangen moet worden.

Sociaal Vervoer

Cliënten die in een Wlz-instelling wonen kunnen sociaal vervoer nodig hebben. Caritas draagt zorg voor sociaal vervoer door vrijwilligers en rolstoelvervoer. Bedenk dat deze bewoners mogelijk aanspraak kunnen maken op een mobiliteitshulpmiddel voor individueel gebruik op grond van de Wlz (zie bovenstaande alinea mobiliteitshulpmiddelen).

Deeltijdverblijf Wlz

Deeltijdverblijf is een combinatie van thuis wonen en in een Wlz-instelling wonen. Met ingang van 1 januari 2020 is het eenvoudiger om deels thuis te wonen en daar Wlz-zorg te ontvangen en deels in een Wlz-instelling te wonen. Deeltijdverblijf maakt het mogelijk om langer thuis te blijven wonen en/of te wennen aan verblijf in een instelling. In de regelgeving is er niets geregeld bij deeltijdverblijf voor wat betreft hulpmiddelen. Het is de bedoeling om per categorie hulpmiddelen afspraken te maken over een verdeling van verantwoordelijkheden (www.regelhulp.nl).

Bezoekbaar maken woning

Onder het bezoekbaar maken van een woning wordt verstaan: het bereikbaar maken van de woning, de woonkamer en het toilet. Cliënten met een Wlz-indicatie die in een Wlz-instelling wonen kunnen een maatwerkvoorziening aanvragen voor het bezoekbaar maken van de woning zodat de cliënt op bezoek kan komen bij partner of kinderen. Bedenk ook dat de partner of kinderen ook bij de cliënt op bezoek kunnen gaan. Als uitgangspunt geldt dat de woning niet logeerbaar gemaakt hoeft te worden.

Logeerbaar houden woning (bestuursafspraken)

Het gaat hier om de vraag of de gemeente een toekenningsbesluit voor bijvoorbeeld een tillift, toiletstoel of traplift, kan intrekken (art. 2.3.10 lid 1 onder b Wmo 2015). Er gelden landelijke afspraken voor cliënten die in een Wlz-instelling gaan wonen en die minimaal 18 dagen per jaar thuis logeren. De eerder verstrekte hulpmiddelen kunnen thuis achterblijven. Het gaat hierbij om hulpmiddelen die redelijkerwijs niet vanuit de Wlz-instelling zijn mee te nemen. Het gaat om hulpmiddelen uit de Wmo 2015 en de Zvw. De hulpmiddelen uit de Wmo 2015 die mogelijk in aanmerking komen om thuis te blijven staan zijn vooral tilliften en douchezitjes/stoelen. De afspraken zijn:

1De uitvoering van deze afspraken zal plaatsvinden met zo weinig mogelijk administratieve lasten voor betrokkenen, in het bijzonder de hulpmiddelengebruiker en hun naasten.

2De hulpmiddelen blijven thuis staan als de cliënt de intentie heeft minimaal 18 dagen per jaar thuis te logeren.

3Voor de hulpmiddelen geldt het volgende:

•Het gaat uitsluitend om hulpmiddelen die op basis van de Wmo 2015 thuis al eerder zijn verstrekt (natura of pgb) op het moment van de verhuizing en niet redelijkerwijs vanuit de Wlz-instelling zijn mee te nemen in geval van thuis logeren. Het al dan niet kunnen meenemen van een hulpmiddel beoordeelt de Wlz-instelling in overleg met de cliënt (vertegenwoordiger), waarbij de woonsituatie thuis wordt meegewogen.

•Een traplift valt ook onder de afspraken, als dit hulpmiddel nodig is om thuis te logeren.

•Mobiliteitshulpmiddelen (zoals rolstoelen en aangepaste fietsen) worden niet op twee plekken verstrekt en vallen daarmee niet onder deze landelijke afspraken. Mogelijk vallen deze hulpmiddelen onder het verhuisconvenant dat is gesloten.

•Onderhoud, reparatie en het vervangen van de verstrekte hulpmiddelen thuis op een later moment door hulpmiddelen met dezelfde functionaliteiten vallen onder deze afspraken.

Zolang de Wmo 2015 of de Wlz niet wijzigt, houdt de gemeente zich aan deze landelijke afspraken.

2.15.3 Samenloop Wlz en Wmo

Volgens de CRvB kunnen de Wmo en de Wlz naast elkaar bestaan (CRVB:2018:3933). Dat wil zeggen dat de gemeente verantwoordelijk kan zijn voor het verstrekken van hulp-op-maat als de beperkingen van de verzekerde betrekking heeft op maatschappelijke participatie. Dat valt namelijk niet binnen de reikwijdte van de Wlz. Denk bijvoorbeeld aan sociaal vervoer.

2.15.4 Uitzondering weigeringsgrond bij thuis wonen

Er geldt één uitzondering op het kunnen weigeren van een aanvraag om een maatwerkvoorziening: voor de cliënt die thuis woont mag een aanvraag om een hulpmiddel of woningaanpassing (nog) niet worden geweigerd (art. 8.6a onder a Wmo 2015). Voor huishoudelijke ondersteuning, begeleiding, dagactiviteiten of kortdurend verblijf geldt de uitzondering niet. Het is van belang dat de gemeente bij de melding van de ondersteuningsvraag onderzoekt of de cliënt in aanmerking kan komen voor een Wlz-indicatie of zo’n indicatie heeft, tenzij er geen aanleiding is om dat aan te nemen.

2.15.5 Thuis wonen

Een cliënt met een Wlz-indicatie kan op een locatie (woning) wonen waar wonen en zorg gescheiden is. Dat wil zeggen dat een afzonderlijke huurovereenkomst is gesloten voor het wonen; de cliënt betaalt zelf huur en geniet huurbescherming. De Wlz-zorg wordt ambulant geboden. De cliënt kan in de woning blijven wonen ongeacht de aard en (toename van de) omvang van de benodigde Wlz-zorg of bij welke organisatie de cliënt de Wlz-zorg inkoopt. Voor cliënten die thuis wonen mag de gemeente een maatwerkvoorziening in de vorm van een hulpmiddel of woningaanpassing niet weigeren (art. 8.6a onder a Wmo 2015).

2.15.6 Niet thuis wonen

Is de zorg en het wonen onlosmakelijk met elkaar verbonden, dan is geen sprake van thuis wonen. Dat wil zeggen: de cliënt verliest zijn woonruimte als bijvoorbeeld de zorgvraag te groot is (RBOBR:2022:448, RBGEL:2023:4967). De gemeente is bevoegd de aanvraag voor een hulpmiddel of woningaanpassing af te wijzen onder toepassing van art. 2.3.5 lid 6 Wmo 2015 (zie verder hierna). Bij twijfel vraagt de gemeente de huurovereenkomst op bij de cliënt.

Voorbeelden niet thuis wonen

Uit het onderzoek kan blijken dat de cliënt een ondersteuningsbehoefte heeft die niet door de Wlz wordt gedekt. Cliënten met een Wlz-indicatie die niet thuis wonen (maar niet in een Wlz-instelling) kunnen hulp-op-maat aanvragen:

•Voor het sociaal vervoer, of

•Hulpmiddel of woningaanpassing.

-De gemeente onderzoekt of:

▪ in redelijkheid verwacht mag worden dat de ‘exploitant’ van het wonen zorgt voor de aanwezigheid van de noodzakelijke hulmiddelen en geschikte woonruimte. Mogelijk kan de cliënt de ‘exploitant’ daarop aanspreken,

▪ de exploitant van het wonen meerdere cliënten heeft die eenzelfde hulpmiddel nodig hebben. Mogelijk kan worden volstaan met het verstrekken van één hulpmiddel.

2.15.7 Toepassingsvoorwaarden

Eerst beoordeelt de gemeente of aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 2.3.5 lid 6 Wmo 2015 is voldaan. Dat wil zeggen:

1heeft de cliënt een Wlz-indicatie of kan hij daarvoor in aanmerking komen.

2en zo ja, is er sprake is van een uitzondering als bedoeld in art. 8.6a onder a Wmo 2015.

Onderzoek

De procedure van artikel 2.3.2 Wmo 2015 moet volledig worden doorlopen. Uit het onderzoek zal moeten blijken wat het doel, inhoud en omvang van de ondersteuningsvraag is en of er een noodzaak van ondersteuning op grond van de Wmo 2015 bestaat. Daar kan sprake van zijn als de cliënt een ondersteuningsbehoefte heeft die niet door de Wlz wordt gedekt.

Toepassing kan-bepaling

De gemeente kan de maatwerkvoorziening weigeren:

1De cliënt heeft een tekort in zijn zelfredzaamheid of participatie die niet wordt gedekt door de Wlz.

2Weigeren maatwerkvoorziening is een bevoegdheid (geen verplichting om te verstrekken).

3Wordt gebruik gemaakt van de bevoegdheid om de maatwerkvoorziening te weigeren.

2.15.8 Motivatie weigeren maatwerkvoorziening

De beslissing op de aanvraag is gebaseerd op art. 2.3.5 lid 6 Wmo 2015. Daarbij heeft de gemeente een zeer ruime beslisruimte (CRVB:2018:3933 en CRVB:2019:3171). Het gaat om de vraag of de gemeente in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen om de aanvraag om een maatwerkvoorziening, bij een behoefte die niet door de Wlz wordt gedekt, af te wijzen of toe te kennen. De belangen van de cliënt spelen een rol bij de motivatie (RBGEL:2023:4967).

Passende bijdrage geldt niet

Het gaat om een redelijkheidstoets. Er hoeft bij een toekenning in ieder geval niet te worden vastgesteld of de maatwerkvoorziening een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie.

2.16.9 Subsidie of natura-verstrekking woonvorm

De gemeente kan er ook voor kiezen om een hulpmiddel te verstrekken aan de exploitant van de woonvorm, al dan niet in de vorm van een subsidie. Dit is te vergelijken met outillagemiddelen waarover een Wlz-instelling beschikt voor de bewoners. De exploitant kan het betreffende hulpmiddel voor meerdere cliënten gebruiken.

Artikel 2.3.5 Wmo 2015 Hoofdstuk 2 van de Verordening Besluit Maatschappelijke ondersteuning en Jeugd 2025

Hoofdstuk 3 Beoordeling van de aanspraak

3.2 Algemene criteria

3.2.1 Geen tekort in de zelfredzaamheid of participatie

Uit het onderzoek kan blijken dat er geen tekort is in de zelfredzaamheid of participatie omdat de cliënt:

•al dan niet met een ergotherapeut kan leren: gebruik te maken van ergonomische hulpmiddelen, een juiste werkhouding aan te nemen en/of in een rustig tempo verdeeld over de week de huishoudelijke werkzaamheden uit te voeren (CRVB:2022:308, CRVB:2018:2272),

•gebruik van het OV in redelijke mate kan participeren (CRVB:2022:224),

•de beschikbare voorzieningen (bijv. scootmobiel) kan voorzien in de vervoersbehoefte (CRVB:2020:2644, CRVB:2021:511, CRVB:2021:3222).

3.2.2 Eigen kracht

De eigen kracht vormt een belangrijk onderdeel van de beoordeling of de cliënt is aangewezen op hulp-op-maat. Daaronder wordt dat verstaan wat volgens de gemeente binnen het vermogen van de cliënt ligt om zelf tot verbetering van zijn zelfredzaamheid en/of participatie te komen. De cliënt zal zich, in een door de gemeente te beoordelen mate, moeten inspannen om dat aan te wenden wat binnen zijn eigen bereik ligt om zelf in zijn behoefte op het gebied van maatschappelijke ondersteuning te voorzien. Dat is wat de wetgever voor ogen heeft gehad. Zo zou iemand bijvoorbeeld maatschappelijk nuttige activiteiten kunnen verrichten om zijn participatieprobleem aan te pakken. Onder eigen kracht kan ook letterlijk de eigen kracht worden verstaan. Denk bijvoorbeeld aan het in staat zijn om bepaalde huishoudelijke taken (deels) zelf uit te voeren. Daarbij zal de gemeente bijvoorbeeld rekening kunnen houden met een (rustiger) tempo waarbinnen dat gebeurt maar ook met redelijkerwijs in acht te nemen leefregels waardoor de huishoudelijke taken verspreid over de week kunnen worden uitgevoerd.

3.2.3 Eigen verantwoordelijkheid is ook eigen kracht

In de Wmo 2015 is de eigen verantwoordelijkheid van burgers nog meer verankerd en wordt daarom betrokken bij het onderzoek en de beslissing op aanvraag.

Zelf of met anderen

Als de gemeente vindt dat de cliënt eigen verantwoordelijkheid kan nemen (lees: de beperkingen zelf kan oplossen), dan wordt de aanvraag om ondersteuning afgewezen. Het spreekt voor zich dat de gemeente dat telkens in het individuele geval moet beoordelen. In hoeverre medewerking of hulp kan worden gevergd van de cliënt, diens huisgenoten, zijn mantelzorger of van anderen in diens omgeving, zoals familieleden, is afhankelijk van de individuele situatie.

Voorbeelden

Tijdens het onderzoek (meestal een gesprek met de cliënt) kunnen allerlei oplossingen aan de orde komen die kunnen leiden tot het oplossen dan wel verminderen van de beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie. Hierna staan een aantal voorbeelden genoemd wanneer de cliënt in staat kan worden geacht zijn zelfredzaamheid en/of participatie te verbeteren of op te lossen. De voorbeelden zijn ook gebaseerd op de jurisprudentie die onder de Wmo oud tot stand is gekomen en van toepassing zijn op de Wmo 2015.

Herinrichting woning

Van de cliënt kan worden gevergd dat de woning zodanig wordt ingericht of heringericht zodat wordt voorkomen dat een woningaanpassing moet worden verstrekt (vergelijk CRVB:2011:BQ8290 en CRVB:2016:429).

Aanspreken woningeigenaar

Van de cliënt mag worden verwacht dat hij de woningeigenaar regelmatig met goede pogingen aanspreekt om gebreken in de woning te doen wegnemen. Denk bijvoorbeeld aan het oplossen van vocht en schimmelplekken. Is er mede gelet op de gezondheidstoestand van de cliënt binnen redelijkerwijs aanvaardbaar tijdsbestek geen uitzicht op opheffing van die gebreken, dan zal de gemeente een maatwerkvoorziening al dan niet in de vorm van een financiële tegemoetkoming (verhuiskostenvergoeding) moeten verstrekken (CRVB:2013:2508). Is de aanvrager de eigenaar van de woning, dan zal hij dat zelf moeten realiseren.

Privaatrechtelijke verbintenis

De gemeente mag verlangen dat de cliënt een aanspraak op grond van een privaatrechtelijke verbintenis naar volle vermogen te gelde probeert te maken. Dat is gebruikelijk om te doen (vergelijk CRVB:2011:BQ4115). Het gaat om de situatie waarin de cliënt mag verwachten dat de woning in overeenstemming is of wordt gebracht met de contractuele bepalingen.

3.2.4 Feitelijk eigen kracht

Uit het onderzoek kan blijken dat de cliënt de huishoudelijke taken verdeeld over de week in rustig tempo zelf kan uitvoeren (bijv. CRVB:2022:308, CRVB:2018:2272). De cliënt heeft in dat geval geen tekort in diens zelfredzaamheid of participatie (zie ook hiervoor). Om dat vast te stellen kan een deskundigenadvies nodig zijn, zie Hoofdstuk 17 van deze beleidsregels.

3.2.5 Gebruik maken van een andere wet (voorliggende voorziening)

Onder de 'eigen kracht' valt ook aanspraak maken op voorzieningen die op grond van een andere wettelijke regeling bestaan (CRVB:2023:1046). Volgens de CRvB heeft de wetgever op dit punt geen inhoudelijke wijziging beoogd ten opzichte van de Wmo (oud) en is de rechtspraak die eerder is gedaan ook van toepassing voor de Wmo 2015. Dat betekent ook dat evenmin recht op maatschappelijke ondersteuning bestaat als de specifieke regeling, zoals de Zvw, slechts in een gedeeltelijke vergoeding van de kosten voorziet door de eigen bijdrage die iemand moet betalen (CRVB:2013:CA1427). Dat is ook te vergelijken met de kosten van het verplicht eigen risico op grond van de Zvw. Ook de aanspraak op gelden met het oog op een specifieke bestemming valt onder de voorliggende voorziening, zoals een vervoerskostenvergoeding op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (CRVB:2012:BV9433).

Onderzoek

Uit onderzoek moet blijken voor welke problemen of beperkingen de cliënt een beroep kan doen op een andere wettelijke regeling en/of de Wmo 2015 (CRVB:2022:441, CRVB:2023:1046). Als dat nodig is, neemt de gemeente contact op met bijvoorbeeld de zorgverzekeraar om duidelijkheid te krijgen over een mogelijke aanspraak op grond van de Zvw.

Reële mogelijkheden van behandeling

Behandeling op grond van de Zvw is geen voorliggende voorziening. Maar van de cliënt mag wel worden verwacht dat als er reële mogelijkheden van behandeling zijn, dat de cliënt daar gebruik van maakt en zich ten volle inspant om deze zo optimaal mogelijk te laten verlopen (CRVB:2023:1508). Denk aan (laagdrempelig toegankelijke) paramedische zorg als bedoeld in de Zvw vanwege lichamelijke of psychische klachten (CRVB:2011:BT7241, CRVB:2018:1444). De gemeente is dan niet gehouden een maatwerkvoorziening te verstrekken.

Onderzoek

Uit onderzoek moet blijken voor welke problemen of beperkingen de cliënt een beroep kan doen op een andere wettelijke regeling. En of er daarnaast nog behoefte bestaat aan bijvoorbeeld begeleiding of huishoudelijke ondersteuning en na de behandeling eventueel enige behoefte zal blijven bestaan.

3.2.6 Gebruik maken van ergotherapie

Ergotherapie heeft als doel de zelfzorg en zelfredzaamheid te bevorderen of te herstellen. Bij ergotherapie is de behandeling gericht op het opheffen, verminderen of compenseren van lichamelijke of psychische stoornissen, beperkingen of handicaps. De ergotherapeut geeft advies, instructie of behandeling om weer algemene dagelijkse of arbeidsgerelateerde handelingen te kunnen doen en weer zo zelfstandig mogelijk te kunnen functioneren in zijn leefsituatie, woonsituatie of werksituatie. De Zvw (basis) dekt de kosten voor maximaal 10 behandeluren per kalenderjaar.

Huishoudelijke ondersteuning

Gebruik maken van ergotherapie kan de aanspraak op huishoudelijke ondersteuning voorkomen of de omvang daarvan verminderen. De gemeente onderzoekt, in samenspraak met een ergotherapeut, of dat het geval is of kan zijn. De cliënt is verplicht om medewerking te verlenen aan dat onderzoek maar ook om gebruik te maken van ergotherapie als dat de inzet van huishoudelijke ondersteuning voorkomt of vermindert.

Verplicht eigen risico

De kosten van ergotherapie vallen binnen het verplicht eigen risico. Dat is geen reden om geen gebruik te maken van ergotherapie. Immers iedereen die gebruik maakt van zorg kan met deze kosten worden geconfronteerd, het is inherent aan het zorgstelsel. Wordt er geen huishoudelijke ondersteuning verstrekt, dan is de cliënt ook geen maandelijkse eigen bijdrage verschuldigd. De kosten van het verplicht eigen risico mogen betaald worden uit de tegemoetkoming meerkosten.

3.2.7 Algemeen gebruikelijke voorziening

Artikel 2.3.5 lid 3 Wmo 2015 bepaalt dat als de cliënt de beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie, volgens de gemeente, met gebruikmaking van een algemeen gebruikelijke voorziening kan verminderen of wegnemen, er geen maatwerkvoorziening verstrekt hoeft te worden. De CRvB heeft in november 2019 een uitspraak gedaan met betrekking tot het begrip algemeen gebruikelijke voorziening (CRVB:2019:3535). De CRvB geeft aan dat een voorziening algemeen gebruikelijk is als deze:

1niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking;

2daadwerkelijk beschikbaar is;

3een passende bijdrage levert aan het realiseren van zelfredzaamheid of participatie en;

4financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau.

De beoordeling

De gemeente beoordeelt aan de hand van de vier genoemde punten of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening die aan het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de weg staat.

1Niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking

Bij het eerste criterium wordt bepaald of een voorziening specifiek bedoeld is voor de doelgroep van de Wmo 2015. Dat betekent (eenvoudig gezegd) dat iemand hierover beschikt of zou kunnen beschikken ongeacht het hebben van beperkingen (CRVB:2016:614). Of een beoogde algemeen gebruikelijke voorziening niet specifiek bestemd is voor personen met een beperking is ook afhankelijk van technische ontwikkelingen en nieuwe maatschappelijke normen. In het algemeen zijn algemeen gebruikelijke voorzieningen in de reguliere handel verkrijgbaar. Bijvoorbeeld een eenhendelmengkraan, toiletverhoger of wandbeugel in een bouwmarkt, een robotstofzuiger of een boodschappendienst bij de supermarkt. Een anti-slipbehandeling van een badkamervloer is algemeen gebruikelijke voorziening (CRVB:2024:1492).

2Daadwerkelijk beschikbaar

Bij het tweede criterium geldt dat als de voorziening niet daadwerkelijk beschikbaar is voor de aanvrager, deze niet als algemeen gebruikelijke voorziening kan worden aangemerkt. Een boodschappenservice moet bijvoorbeeld wel door de supermarkt worden geboden.

3Levert een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt totzelfredzaamheid of participatie in staat is

Bij het derde criterium gaat het om maatwerk. Dat wil zeggen: er wordt bekeken of de beoogde algemeen gebruikelijk voorziening een passende bijdrage levert aan de situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid en participatie in staat is. Of een voorziening passend is, hangt af van de concrete situatie van de cliënt. De maaltijdservice of boodschappendienst moet bijvoorbeeld wel gebruikt kunnen worden door de cliënt gelet op diens beperkingen.

4Kan financieel worden gedragen met een inkomen op minimumniveau.

Onder een minimum inkomen wordt een inkomen op bijstandsniveau verstaan. Het vierde en laatste criterium gaat over de hoogte van de kosten van de beoogde algemeen gebruikelijke voorziening. Het gaat bij de hoogte om de ondergrens van een inkomen op minimumniveau: Er wordt dus niet gekeken of de persoon van de aanvrager het kan betalen. Voor de “eenmalige” aanschaf van een algemeen gebruikelijke voorziening hanteert de gemeente het volgende beleidsuitgangspunt.

Hoogte van de kosten

Het bedrag dat kan worden gedragen met een minimum inkomen is gebaseerd op:

1de aflossingsduur van 36 maanden die in Urk geldt voor leenbijstand in de vorm van bijzondere bijstand (gebruiksgoederen);

2een aflossing van 5% van de norm voor een alleenstaande of alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder maar jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd (art. 21 aanhef en onder a van de Participatiewet). Het percentage sluit aan op dat wat buiten de beslagvrije voet valt.

Aansluiting op deze systematiek is in de rechtspraak redelijk bevonden (RBDHA:2021:2084, RBDHA:2022:5272).

Datum aanvraag

De datum van de aanvraag is bepalend voor welke bijstandsnorm wordt toegepast voor de berekening.

Berekening alleenstaande of alleenstaande ouder (voorbeeld)

5% van de bijstandsnorm € 1.345,45 [bedrag per 1 januari 2025] = € 67,27 x 36 maanden = € 2.421,77. Dit bedrag geldt voor een periode van 36 maanden. Voor de hoogte van de bijstandsnorm geldt het bedrag van 1 juli tot 1 juli van het volgende jaar. Per die datum worden onder meer de bijstandsnormen aangepast.

Rekenvoorbeeld

Cliënt dient een aanvraag in voor een maatwerkvoorziening. Uit onderzoek blijkt dat een bepaalde algemeen gebruikelijke voorziening een passende oplossing is. Die voorziening kost € 1.525,00. De kosten zijn lager dan € 2.421,77 [bedrag geldt per 1 januari 2025] en komt daarom niet voor verstrekking in aanmerking. Is de cliënt binnen 36 maanden opnieuw aangewezen op een maatwerkvoorziening en dan resteert voor een beoogde algemeen gebruikelijke voorziening nog een bedrag van € 896,77 (€ 2.421,77 minus € 1.525,00). Het gaat om eenmalige aanschafkosten en niet de periodieke kosten van bijvoorbeeld de maaltijdservice of boodschappendienst.

Financiële tegemoetkoming tandem

Een niet-elektrische tandem is een algemeen gebruikelijke voorziening. Voor een niet-elektrische tandem geldt een uitzondering op de bovenstaande berekening. Is vastgesteld dat de cliënt is aangewezen op een tandem om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer, dan vergoedt de gemeente het bedrag dat uitkomt boven de kosten van een individuele standaardfiets. Daarbij wordt een bedrag van € 850,00 gehanteerd. Het meerdere boven € 850,00 wordt vergoed. Daarbij hanteert de gemeente de volgende criteria:

-niet-elektrisch

-maximaal drie versnellingen.

Meerkosten

Het kan ook voorkomen dat de gemeente alleen de noodzakelijke meerkosten bij een algemeen gebruikelijke voorziening verstrekt. Het gaat dan om (een deel van) de voorziening die specifiek voor personen met een beperking bestemd is. Voorbeelden hiervan zijn:

•De aanpassingen aan een bakfiets die nodig zijn voor bijvoorbeeld het vervoer van de buggy of zuurstoffles.

•Geveerde zijwielen aan een fiets.

Dit is geen limitatief overzicht, er zijn meer voorbeelden denkbaar.

Kosten Tafeltje Dekje

Gebruikmaking van Tafeltje Dekje kan voor een cliënt een passende bijdrage leveren aan het realiseren van een situatie waarin hij/zij in staat is tot zelfredzaamheid. De kosten behoren tot de algemene kosten van het bestaan en zijn, mede gezien de keuzes die nu eenmaal in de besteding van het beschikbare inkomen worden gemaakt, niet zodanig dat deze in financiële zin niet passend zijn (CRVB:2018:2182). Bedenk dat de cliënt normaal gesproken ook kosten heeft voor een maaltijd.

Kosten boodschappendienst

Een boodschappendienst kan worden aangemerkt als een algemeen gebruikelijke voorziening die aan het verstrekken van hulp-op-maat in de weg staat (CRVB:2019:3690, CRVB:2019:397). Bezorgkosten van een boodschappendienst die € 4,95 per keer bedragen waarbij een minimum bestelbedrag van € 70 geldt kunnen in ieder geval worden gedragen uit een inkomen op minimumniveau (CRVB:2017:1302). Bedenk ook dat bepaalde boodschappen opgespaard kunnen worden.

Besteding pgb

Het spreekt voor zich dat de cliënt het pgb niet mag besteden aan een algemeen gebruikelijke voorziening.

3.2.8 Gebruikelijke hulp

Gebruikelijke hulp gaat alleen over personen die binnen de leefeenheid van de cliënt vallen (zie begripsbepaling gebruikelijke hulp van de Verordening). Als volgens de gemeente gebruikelijke hulp kan worden verlangd, bestaat er geen (of slechts gedeeltelijk) aanspraak op hulp-op-maat. Zie verder hoofdstuk 4 van deze beleidsregels.

3.2.9 Mantelzorg en hulp van personen uit het sociale netwerk

Mantelzorg is niet afdwingbaar; het is vrijwillig en wordt onbetaald geboden. Maar het ontvangen van mantelzorg kan bijdragen aan het in staat zijn tot zelfredzaamheid en participatie door de cliënt. Het is ook van groot belang dat de gemeente tijdens het onderzoek ook nagaat of, en zo ja welke behoefte de mantelzorger heeft aan hulp zodat de taken kunnen worden volgehouden. Zie verder Hoofdstuk 2 en 5 van deze beleidsregels. Bij het sociaal netwerk gaat het om personen uit de huiselijke kring (art. 1.1.1 lid 1 Wmo 2015). Daaronder kunnen een familielid, huisgenoot, (voormalig) echtgenoot, geregistreerd partner of andere personen vallen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt. Ook het bieden van ondersteuning door personen uit het sociale netwerk is niet afdwingbaar. Wel is het zo dat het in principe aan cliënt is om zijn sociale netwerk te vragen of zij hem kunnen en willen ondersteunen opdat zijn beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie worden verminderd of weggenomen.

3.2.10 Gebruikmaking algemene voorzieningen

De wet geeft de gemeente opdracht om algemene voorzieningen te treffen. Een algemene voorziening is een aanbod van diensten of activiteiten die, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is. Algemene voorzieningen zijn gericht op maatschappelijke ondersteuning (art. 1.1.1 lid 1 Wmo 2015). De wetgever heeft met algemene voorzieningen beoogd dat het in de daarvoor geschikte situaties een voorliggend en volwaardig alternatief is voor een maatwerkvoorziening (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 34). Algemene voorzieningen kunnen ook een belangrijke bijdrage leveren aan het meer inclusief maken van de samenleving, zodat mensen met beperkingen zoveel mogelijk in staat worden gesteld om op gelijke voet te participeren (TK 2013/14, 33 841, nr. 34, p. 21). Uit het onderzoek kan blijken dat gebruikmaking van een algemene voorziening voor de cliënt als passende oplossing kan worden aangemerkt. Daarvoor hoeft de cliënt geen aanvraag in te dienen; gebruikmaking van algemene voorzieningen kan zonder indicatie. Een voorbeeld van een algemene voorziening in Urk is het vervoer door vrijwilligers met de (rolstoel)bus van Caritas.

3.2.11 Overige voorliggende oplossingen

In 2.6 van deze beleidsregels staat wat de gemeente onderzoekt als de cliënt zijn ondersteuningsvraag heeft gemeld. Daarin staat ook het wettelijk beoordelingskader volgens het stappenplan van de CRvB waarop de beslissing van de aanvraag om hulp-op-maat wordt gebaseerd.

Beschikbare voorliggende oplossingen

Andere beschikbare voorliggende oplossingen in Urk kunnen ook onder het beoordelingskader vallen. Het zal namelijk niet altijd zo zijn dat de gemeente alle beschikbare mogelijkheden heeft gecontracteerd als algemene voorziening. Het zal wel duidelijk moeten zijn waaruit deze bestaan, zodat vastgesteld kan worden of het een passende oplossing is. Denk bijvoorbeeld aan een inloopmiddag bij een buurthuis dat dagbestedingsactiviteiten organiseert of vrijwilligers die als boodschappenmaatje kunnen fungeren. Het kan ook gaan om vrijwilligers bij een manege. Denk in dat kader ook aan een rijinstructeur die een cliënt kan helpen (CRVB:2018:3348). Wanneer het gaat om vrijwilligers zal de gemeente moeten vaststellen dat zij beschikbaar en geschikt zijn.

3.3 Uitgangspunten maatwerkvoorziening en persoonsgebonden budget

3.3.1 maatwerkvoorziening gerealiseerd vóór de melding

Het kan voorkomen dat de melding van de ondersteuningsvraag pas wordt gedaan nadat de client de hulp-op-maat heeft gerealiseerd. Bijvoorbeeld de badkamer is aangepast en pas daarna wendt de cliënt zich met een ondersteuningsvraag tot de gemeente. Of een cliënt die eerst verhuist van een ongeschikte naar een geschikte woning en zich daarna meldt bij de gemeente. Omdat de Wmo 2015 niet voorziet in een grondslag, bepaalt de Verordening dat de hulp-op-maat in die situatie wordt geweigerd (CRVB:2020:1099). In de praktijk zal het gaan om een verzoek de gemaakte kosten te vergoeden want een (gerealiseerde) hulp-op-maat in natura kan niet met terugwerkende kracht worden verstrekt. Onbekendheid van cliënten met de geldende regelingen komen in principe voor eigen rekening en risico (vergelijk CRVB:1993:ZB2748).

3.3.2 maatwerkvoorziening gerealiseerd vóór besluitname

Het kan ook voorkomen dat de cliënt hulp-op-maat realiseert tijdens de procedure van de melding en de beslissing op de aanvraag. Dat wil zeggen: de cliënt heeft de beslissing van de gemeente op de aanvraag niet afgewacht. In zo’n situatie wordt de hulp-op-maat (al dan niet in de vorm van een pgb) alleen verstrekt als de cliënt de gemeente toestemming heeft gevraagd en die toestemming schriftelijk heeft verkregen. Denk bijvoorbeeld aan een situatie waarin de cliënt een woning kan verkrijgen en de normale procedure niet kan afwachten omdat de woning dan aan iemand anders wordt toegewezen of verkocht.

3.3.3 Niet gerealiseerd, noodzaak achteraf vaststellen

Er kan ook sprake zijn van een nog niet gerealiseerde maatwerkvoorziening voordat de cliënt zijn ondersteuningsvraag heeft gemeld of de gemeente heeft beslist op de aanvraag. Echter door zich niet eerder te melden kan het zijn dat de gemeente de mogelijkheid is ontnomen om nog te kunnen beoordelen of er een noodzaak is voor hulp-op-maat. En zo ja, welke. Kan de gemeente de noodzaak nog wel vaststellen, dan kan worden overgegaan tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening dan wel in de vorm van een pgb die als goedkoopst passende bijdrage wordt aangemerkt (vergelijk CRVB:2012:BV5418). Denk bijvoorbeeld aan de situatie waarin de cliënt al is begonnen met het aanpassen van de badkamer door het bad te verwijderen. De vraag is of de gemeente op dat moment nog, aan de hand van bijvoorbeeld bouwtekeningen of foto’s, kan vaststellen dat de al in gang gezette aanpassing noodzakelijk was, en zo ja wat de goedkoopst passende bijdrage is.

3.3.4 Aanpassing zelf aangeschaft hulpmiddel

Het kan voorkomen dat de cliënt zelf een hulpmiddel heeft aangeschaft en een melding doet voor een aanpassing van dat hulpmiddel. De omstandigheid dat het om een zelf aangeschaft hulpmiddel gaat wil niet zeggen dat een aanpassing daarvan niet voor verstrekking in aanmerking kan komen als die nog niet is gerealiseerd (zie hiervoor). De gemeente beoordeelt in zo’n situatie of het betreffende hulpmiddel noodzakelijk is en zo ja, of dat ook geldt voor de aanpassing.

3.3.5 Nieuwe pgb-aanvraag binnen budgetperiode

Aan de cliënt kan een pgb worden verstrekt als wordt voldaan aan de verschillende voorwaarden. Dat wil zeggen dat de gemeente heeft vastgesteld dat de budgethouder, al dan niet met hulp van diens vertegenwoordiger, verantwoordelijk kan worden gehouden voor het gebruik (besteding) van het pgb binnen de geldende budgetperiode. De budgetperiode wordt vastgelegd in het toekenningsbesluit.

Ruimte in de besteding

Een cliënt kan zich echter binnen de budgetperiode opnieuw melden. Het pgb hoeft niet uitsluitend aan de geïndiceerde hulp-op-maat te worden besteed, maar wel voor het doel (resultaat) waarvoor het pgb is verstrekt (bijv. CRVB:2018:3102, CRVB:2018:819, CRVB:2009:BK2502). Heeft de cliënt het pgb binnen de budgetperiode volledig besteed en is de maatwerkvoorziening verloren gegaan, dan verstrekt de gemeente niet opnieuw een pgb (CRVB:2018:818).

Rekening en risico budgethouder

Onder verloren gaan wordt bijvoorbeeld verstaan het niet meer functioneren van een tweedehands voorziening die met het volledige toegekende pgb is aangeschaft. De gevolgen van de door de budgethouder gemaakte keuze in de besteding van het pgb komen namelijk voor diens rekening en risico. Dat is alleen anders als de maatwerkvoorziening weliswaar verloren is gegaan maar dat niet aan de budgethouder is te wijten. Ook bij gewijzigde omstandigheden in de ondersteuningsbehoefte zal er geen aanleiding zijn om een pgb op voorhand te weigeren.

3.3.6 Ingangsdatum diensten

Wordt een aanvraag gedaan voor een dienst, zoals huishoudelijke ondersteuning, die al door de cliënt is gerealiseerd vóór de melding, kan er wel een indicatie voor hulp-op-maat worden verstrekt. Er wordt in principe niet met terugwerkende kracht geïndiceerd (zie hiervoor en vergelijk CRVB:2019:772). Dit laat overigens onverlet dat de inzet van hulp-op-maat in natura bij spoedeisende gevallen onverkort van toepassing blijft.

3.3.7 Technisch geschikte maatwerkvoorziening

De ondersteuningsvraag kan gericht zijn op het vervangen van een eerder met een pgb aangeschaft hulpmiddel, zoals een scootmobiel of een tillift. Is de budgetperiode verstreken, dan geldt het volgende uitgangspunt. Voldoet de eerder met het pgb aangeschafte maatwerkvoorziening nog aan de daaraan te stellen kwaliteitseisen, dan beoordeelt de gemeente of het verstrekken van een pgb voor reële instandhoudingskosten als goedkoopst passende bijdrage kan worden aangemerkt. In de praktijk gaat het om (aangeschafte) maatwerkvoorziening die technisch gezien nog niet zijn afgeschreven. Dat wil zeggen ze nog voldoen in de zin van kwaliteit én het resultaat dat bereikt moet worden. De strekking van deze bepaling gaat ook over de maatwerkvoorziening in natura.

3.3.8 Afdoende verzekeren

Neemt de cliënt de maatwerkvoorziening (al dan niet aangeschaft met een pgb) mee naar het buitenland, dan is hij/zij verantwoordelijk een afdoende verzekering af te sluiten tegen verlies, schade of diefstal. In de praktijk zal het meestal gaan om een hulpmiddel zoals een rolstoel. De kosten vallen binnen het pgb of komen voor rekening van de gemeente in geval van hulp-op-maat in natura.

3.3.9 Afsluiten opstalverzekering

Het is van belang dat de te verzekeren waarde van de woning dan wel de waarde van de verstrekte woningaanpassing is gedekt voor het risico van schade. Daarom zal de cliënt aan wie een woningaanpassing voor de eigen woning is verstrekt, al dan niet in de vorm van een pgb, moeten zorgen voor een (aangepaste) opstalverzekering.

3.3.10 Specifieke bepalingen

Artikel 5.2.1 Verordening

In dit artikel is nader invulling gegeven aan de bedoelde omstandigheden die betrekking hebben op de risicosfeer van de cliënt in geval van aanvragen om woningaanpassingen of een traplift. Denk bijvoorbeeld aan de aankoop van een woning die niet geschikt is in verband met de iemands beperkingen of verhuizen naar een woning waarvan te voorzien is dat daarin beperkingen zullen worden ondervonden (CRVB:2019:2951, CRVB:2019:290). Dat is bijvoorbeeld het geval als de cliënt rolstoelgebruiker is en verhuist naar een woning met een trap maar zonder traplift. Zie verder in Hoofdstuk 10 van de beleidsregels.

3.6 Eigen bijdrage

3.6.1 Beleidsuitgangspunten tijdelijk niet gebruik

Abonnementstarief

Als uitgangspunt geldt dat het abonnementstarief wordt opgeschort bij het niet-gebruik van de hulp-op-maat van drie maanden of meer waarvoor het abonnementstarief verschuldigd is. Het gaat dus niet om situaties waarin meerdere maatwerkvoorzieningen zijn verstrekt en slechts één daarvan tijdelijk niet wordt gebruikt.

Indexering

Het abonnementstarief is per 1 januari 2025 geïndexeerd (Stcrt. 2024 nr. 35187).

3.6.2 Bijdrage niet verschuldigd

De gemeente is bevoegd om te bepalen dat de cliënt (tijdelijk) geen eigen bijdrage verschuldigd is (art. 3.8 lid 3 onder g en h, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015).

Tijdelijk geen betalingscapaciteit

Het gaat om cliënten die tijdelijk door (abrupte) veranderingen in de betalingscapaciteit door bijvoorbeeld bijzondere omstandigheden geen mogelijkheid hebben de bijdrage (tijdelijk) te voldoen. De bevoegdheid is nadrukkelijk bedoeld voor het ontbreken van betalingscapaciteit en niet het ontbreken van inkomen en vermogen. Dat betekent dat iemand geen beschikking heeft over voldoende vrij besteedbaar inkomen om aan de betalingsverplichtingen te voldoen. De gemeente berekent de betalingscapaciteit op basis van de individuele situatie.

Artikel 1.1.1 lid 1 Wmo 2015 (begripsbepaling) Artikel 2.2.5 van de Verordening

Hoofdstuk 4 Gebruikelijke hulp

4.5 In redelijkheid te verwachten van huisgenoten

4.5.1 Aard van de ondersteuningsbehoefte

De aard van de ondersteuningsbehoefte kan divers van aard zijn. Die zal eerst geïnventariseerd moeten worden, voordat kan worden beoordeeld of er sprake kan zijn van gebruikelijke hulp (CRVB:2018:373). De gemeente houdt rekening met de aard van de relatie die de persoon binnen de leefeenheid heeft met de cliënt. Dat betekent dat er onderscheid kan bestaan tussen wat van partners ten opzichte van elkaar als gebruikelijke hulp kan worden aangemerkt, tussen kinderen ten opzichte van hun ouders en andere huisgenoten die bijvoorbeeld geen bloedverwantschap hebben met de cliënt. In het algemeen wordt ook verwacht dat aan personen van het sociaal netwerk of die tot de leefomgeving horen van de cliënt, uitleg wordt gegeven in het omgaan met de beperkingen van de cliënt. Denk aan familie, vrienden, leerkracht, etc. Dit voor zover het niet-professionele ondersteuning betreft.

Niet beheersen Nederlandse taal

Het (nog) niet beheersen van de Nederlandse taal is geen beperking in de zin van de Wmo. Het kan wel voorkomen dat dit een probleem oplevert bij het bieden van gebruikelijke hulp. De gemeente wijst de cliënt en degene van wie gebruikelijke hulp wordt verwacht op de mogelijkheden. Denk aan een tolk of cliëntondersteuning.

4.5.2 Omvang van de ondersteuningsbehoefte

Ook de omvang van de ondersteuningsbehoefte kan divers van aard zijn. Die zal eerst geïnventariseerd moeten worden, voordat kan worden beoordeeld of er sprake kan zijn van gebruikelijke hulp (CRVB:2018:373). De vraag of het gaat om uitstelbare of niet-uitstelbare ondersteuning is daarbij ook van belang. De cliënt kan bijvoorbeeld aangewezen zijn op ondersteuning bij het vervoer of de administratie of aansporing nodig hebben bij zelfzorg. De omvang van de ondersteuning kan onder de normale routine van de leefeenheid vallen. Denk bijvoorbeeld aan het uitzoeken en klaarleggen van kleding, het gezamenlijk eten, samen er op uit, etc.

De totale omvang (en aard) van de ondersteuningsbehoefte kan met zich meebrengen dat een deel van de taken of activiteiten niet als gebruikelijke hulp kan worden aangemerkt. Dat deel wordt als boven-gebruikelijke hulp aangemerkt. Zijn er geen andere oplossingen beschikbaar, dan moet de gemeente hulp-op-maat verstrekken.

4.5.3 Leerbaarheid cliënt of huisgenoot

Het kan voorkomen dat er (tijdelijk) geen gebruikelijke hulp kan worden gevergd. Een reden kan zijn dat de huisgenoot niet weet op welke manier zij gebruikelijke hulp kan of moet verlenen, maar dat wel kan aanleren. Denk bijvoorbeeld aan situaties waarin men wordt geconfronteerd met een ondersteuningsbehoefte van de cliënt door niet eerder aanwezige beperkingen zoals een niet aangeboren hersenletsel (NAH) of (beginnende) dementie. Of een huisgenoot die bijvoorbeeld nooit heeft geleerd om huishoudelijke werkzaamheden uit te voeren, maar wel leerbaar is. De gemeente kan dan tijdelijk hulp-op-maat inzetten om de gebruikelijke hulp aan te leren. Redenen als 'niet gewend zijn om’ of ‘geen huishoudelijke werk willen en/of kunnen verrichten' leiden niet tot een indicatie voor het overnemen van huishoudelijke taken.

4.5.4 Overname van huishoudelijke taken

Voor huishoudelijke ondersteuning (schoonmaakondersteuning) geldt dat het binnen de algemeen aanvaarde opvattingen valt dat huisgenoten de huishoudelijke taken overnemen als een andere huisgenoot deze niet kan uitvoeren. Dit uitgangspunt is in lijn met de vaste rechtspraak van de CRvB (bijv. CRVB:2019:2616, CRVB:2018:2721 en CRVB:2017:4476). Dat wil zeggen dat geen rekening wordt gehouden met de aard van de relatie die de cliënt heeft met de huisgenoot. Dat de huisgenoot weigert om huishoudelijke taken te verrichten, maakt niet dat de gemeente, met toepassing van de hardheidsclausule, gehouden is om huishoudelijke ondersteuning toe te kennen (CRVB:2016:3665).

Inwonende kinderen

Als de cliënt thuiswonende kinderen heeft, dan gaat de gemeente er in beginsel van uit dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en de ontwikkelingsfase, een bijdrage kunnen leveren aan het overnemen van huishoudelijke werkzaamheden. Dat sluit aan bij het algemene uitgangspunt van gebruikelijke hulp.

Kind zijn

Verder is het zo dat de inzet van kinderen niet ten koste mag gaan van hun welbevinden en ontwikkeling, waaronder het omgaan met leeftijdgenoten, het doen aan vrijetijdsbesteding en de schoolprestaties (TK 2013/2014,33 841, nr. 34, p.116). De gemeente let in het bijzonder op de situatie van jonge mantelzorgers. De jonge mantelzorger wordt zo mogelijk uitgenodigd bij het onderzoek.

4.5.5 Jonge mantelzorgers

Jonge mantelzorgers zijn kinderen en jongeren die opgroeien met een familielid dat chronisch ziek of gehandicapt is of een psychische aandoening heeft. Deze situatie kan een grote impact hebben op hun leven. Zij helpen omdat ze zich verantwoordelijk voelen voor het reilen en zeilen van het gezin en nemen daarbij vaak taken en verantwoordelijkheden op zich die niet altijd passen bij gewoon kind zijn. Ook kan het kind na verloop van tijd de rol van de ouder aannemen binnen het gezin.

Ondersteuning (jonge) mantelzorger

Caritas biedt ondersteuning aan (jonge) mantelzorgers in Urk. De gemeente wijst de (jonge) mantelzorger op deze ondersteuning, ook als huishoudelijke ondersteuning wordt ingezet.

4.5.6 Overname van of hulp bij de thuisadministratie

Voor overname van de thuisadministratie geldt dat het binnen de algemeen aanvaarde opvattingen valt dat huisgenoten deze taak van elkaar overnemen als een van hen dat niet (meer) kan (bijv. CRVB:2021:1114, RBDHA:2018:10620 en RBZWB:2017:6072). Onder het doen van de thuisadministratie valt in ieder geval: de postverzorging, de betaling van rekeningen en dergelijke. Van een inwonend meerderjarig kleinkind mag bijvoorbeeld worden verwacht dat hij, naast de huishoudelijke taken ook de thuisadministratie van oma overneemt (CRVB:2021:1114). Daaronder zou ook de aansporing kunnen vallen in de zin van het helpen herinneren of dat de huisgenoot en de cliënt dat gezamenlijk doen. In die situatie biedt de huisgenoot ondersteuning bij de thuisadministratie. Het bieden van gebruikelijke hulp moet overigens niet verward worden met personen die niet (meer) in staat zijn om financiële beslissingen te nemen en daardoor in de problemen komen. Op die grond kan de Kantonrechter bewindvoering uitspreken omdat ‘derden’ misbruik zouden kunnen maken van de situatie van de cliënt.

4.5.7 Hulp gericht op zelfzorg

Onder zelfzorg worden algemene dagelijkse levensverrichtingen (adl) verstaan zoals: lichaamsreiniging, zich kleden, eten en drinken, medicijnen innemen, etc. Van partners mag worden verwacht dat de een de ander aanspoort tot het uitvoeren van deze adl-activiteiten in het kader van gebruikelijke hulp. Onder aansporen wordt het aanmoedigen verstaan om een activiteit uit te voeren. Dat wil zeggen: het helpen herinneren opdat de cliënt zich bijvoorbeeld gaat douchen of aankleden. Onder aansporen in het kader van gebruikelijke hulp valt niet het structureel moeten activeren van de cliënt; dat valt onder professionele ondersteuning. Een aantal adl-activiteiten gaat partners beiden aan en valt alleen al om die reden onder de gebruikelijke hulp die zij elkaar geacht worden te bieden, zoals het eten en drinken.

4.5.8 Hulp bij het doen van aankopen

Van partners en inwonende meerderjarige kinderen wordt verwacht dat zij elkaar hulp bieden bij het doen van aankopen. Onder gebruikelijke hulp valt dan ook het overnemen van deze activiteiten voor zover een van hen daartoe niet meer in staat is of daar begeleiding bij nodig heeft.

4.5.9 Ouders en meerderjarige kinderen

Afhankelijk van de aard en de omvang van de ondersteuningsbehoefte mag van ouders worden verwacht dat zij bij bepaalde hulpvragen van een meerderjarig kind hulp bieden in het kader van de gebruikelijke hulp. Een aanvraag om een maatwerkvoorziening in de vorm van begeleiding wordt dan afgewezen (CRVB:2024:941). In de hiervoor aangehaalde uitspraak ging het onder meer om hulp dan wel aansturing om:

•‘s ochtends op tijd uit bed te komen;

•te voorkomen dat te veel eten wordt opschept en betrokkene gaat kokhalzen tijdens het eten;

•te kunnen werken met een agenda;

•bij het ondernemen van nieuwe activiteiten.

4.5.10 Hulp bij structureren van de dag/week

Van partners en hun meerderjarige inwonende kinderen wordt verwacht dat zij elkaar ondersteuning bieden bij activiteiten die hen ook gezamenlijk kunnen aangaan. De hulp kan bestaan uit het bespreken van een dag-of weekplanning (vergelijk CRVB:2021:823). Daarin staat bijvoorbeeld de volgorde waarin activiteiten plaats vinden en de dag of het dagdeel waarin de activiteit zal worden gedaan. Denk bijvoorbeeld aan:

•bezoek aan de huisarts, tandarts, specialist, e.d.,

•regelen van dagelijkse zaken zoals: de hond uitlaten, postverwerking, uitvoeren van huishoudelijke taken, e.d.,

•bezoek aan familie,

•deelname aan dagactiviteiten (brengen en/of opgehaald worden).

Er is geen limitatieve opsomming beoogd. Het gaat om activiteiten die betrekking kunnen hebben op het sociaal functioneren van de cliënt en het aanbrengen van structuur in de thuissituatie. De ondersteuning heeft een niet-professioneel karakter. In geval van ouders en hun meerderjarige inwonende kinderen overlegt de gemeente met alle betrokkene wat redelijk is om als gebruikelijke hulp te bieden (vergelijk CRVB:2018:3243).

4.5.11 Hulp bij participatie

Onder gebruikelijke hulp bij participatie wordt in ieder geval verstaan: bezoek aan de familie, vrienden, kerk of moskee of synagoge, huisarts/ziekenhuis, winkelen, deelname maatschappelijke activiteiten, etc. Daaronder wordt ook het vervoer verstaan, het gaat immers om (incidentele) verplaatsingen die in het algemeen gepland kunnen worden. Daar kunnen huisgenoten onderling afspraken over maken. Onder vervoer kan ook begeleiding bij gebruikmaking van het Openbaar Vervoer worden verstaan. Ook van een inwonend meerderjarig kind mag worden verwacht dat het incidentele vervoer of begeleiding bij het vervoer aan de cliënt wordt geboden. Denk bijvoorbeeld aan een bezoek aan de huisarts of vrienden/familie. Het is dan ook niet ongebruikelijk als daarvoor een vrije dag van het werk moet worden genomen.

Vervoer en hulp bij vervoer

Of vervoer of hulp bij vervoer als gebruikelijke hulp geboden kan worden is mede afhankelijk van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt en dan met name de frequentie. Verder wordt rekening gehouden met een individuele vervoersbehoefte van de cliënt, zie verder 4.7 in dit hoofdstuk.

Bij het bezit van een eigen auto kan sprake zijn van gebruikelijke hulp.

4.5.12 Legen en reinigen van de toiletemmer

Is er geen noodzaak voor het verstrekken van een tweede toilet op de eerste verdieping, dan kan worden volstaan met losse toiletstoel. Van partners en inwonende meerderjarige kinderen mag worden verwacht dat zij het legen en reinigen van de toiletemmer als gebruikelijke hulp verrichtten (CRVB:2019:1334). Dat is natuurlijk anders als wordt vastgesteld dat zij niet in staat zijn om dat te doen.

4.5.13 Zorg voor minderjarige inwonende kinderen

Ouders hebben een plicht en het recht om hun minderjarig kind te verzorgen, op te voeden en te onderhouden (art. 1:247 en 1:395a van het Burgerlijk Wetboek). Onder verzorging en opvoeding worden mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. De zorgplicht van ouder(s) strekt zich in ieder geval uit over: verzorging, begeleiding en opvoeding die de ouder(s) normaal gesproken geeft aan het kind, waaronder ook de ‘zorg’ bij kortdurende ziekte met uitzicht op herstel. Onder de gebruikelijke hulp valt (vanzelfsprekend) ook het bieden van toezicht, bij activiteiten zoals zwemmen of andere activiteiten die kinderen normaal gesproken doen en waar zij door hun ouders bij begeleid worden. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp voor de kinderen over.

Zie voor zorg van kinderen 8.3 van deze beleidsregels. Verder wordt verwezen naar Bijlage 2 Richtlijn gebruikelijke hulp van ouder(s) voor minderjarige kinderen bij deze beleidsregels.

Hoofdstuk 5 Mantelzorg

5.2 Wettelijk begrip

5.2.1 Niet verzilveren van een aanspraak

Uit de begripsbepaling van mantelzorg volgt dat de hulp of zorg die door de mantelzorger wordt geboden een wettelijke aanspraak vertegenwoordigt. Die aanspraak kan gaan over de Wmo 2015, verpleging en/of verzorging zoals bedoeld in de Zvw of hulp aan een jeugdige op grond van de Jeugdwet. Bij mantelzorg is het dus zo dat die aanspraak niet wordt verzilverd.

5.2.2 Maatwerk als aanvulling op mantelzorg

De gemeente mag bij het bepalen van de ondersteuning die iemand nodig heeft, rekening houden met de mantelzorg die hij ontvangt (CRVB:2017:17 en CRVB:2017:3209). Dit neemt overigens niet weg dat het bieden van mantelzorg (onbetaald) vrijwillig is. Ook zal de gemeente oog moeten hebben voor de ondersteuning die nodig is om de inzet van mantelzorg structureel mogelijk te laten zijn dan wel voor wat nodig is om de mantelzorger (af en toe) te kunnen ontlasten. Dat gebeurt in ieder geval tijdens het onderzoek.

5.3 Ondersteuning mantelzorg

5.3.1 Hulpmiddelen

Bij het bepalen van hulpmiddelen houdt de gemeente rekening met de belangen van mantelzorgers, zoals bij tilliften en andere hulpmiddelen die door mantelzorgers bediend moeten worden. Ook kan het zijn dat de mantelzorger niet of moeizaam in staat is om de rolstoel te duwen. Omdat de zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt bij het verstrekken van hulp-op-maat het uitgangspunt is, kan duwondersteuning op de rolstoel worden verstrekt.

5.3.2 Overbelasting van de mantelzorger

Respijtzorg in de vorm van (tijdelijke) hulp-op-maat kan ook worden ingezet om overbelasting van mantelzorgers te voorkomen en/of op te vangen. Van cliënt en mantelzorger mag in principe worden verwacht dat zij (eventueel met ondersteuning) onderzoek doen naar mogelijkheden om de overbelasting te voorkomen of te verminderen. De inzet van andere personen uit het sociaal netwerk of eventueel vrijwilligers kunnen hierin ook een rol spelen. De belangen en de draagkracht/draaglast van de mantelzorger worden hierbij meegewogen (zie Bijlage 1 Onderzoek naar (dreigende) overbelasting bij deze beleidsregels). Inzet van (tijdelijke) respijtzorg kan de draagkracht van de mantelzorger versterken.

5.3.3 Wet langdurige zorg

Ook kan mantelzorg worden verleend aan een thuiswonende verzekerde met een indicatie op grond van de Wlz. In die gevallen heeft de gemeente geen plicht om maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger in te zetten. Mogelijk kan voor deze verzekerden aanspraak bestaan op logeeropvang in een instelling (art. 3.1.1 lid 1 onder g Wlz). Wel kunnen deze verzekerden mogelijk gebruik maken van algemene voorzieningen.

5.5 Kortdurend verblijf

5.5.1 Accommodatie en vervoer

Het kortdurend verblijf wordt geboden in een instelling of accommodatie van een door de gemeente gecontracteerde aanbieder. Is de cliënt aangewezen op kortdurend verblijf dan ligt het niet voor de hand dat de cliënt zelf in staat is de accommodatie te bereiken. In het algemeen wordt aangenomen dat de mantelzorger de cliënt kan brengen en weer ophalen.

5.5.2 Omvang en duur

Kortdurend verblijf kan voor een etmaal per week worden verstrekt. Het is niet vereist dat het kortdurend verblijf slechts voor wekelijks (of maandelijks) gebruik kan worden toegekend. Afhankelijk van de omstandigheden in het individuele geval kunnen de periodieke aanspraken ook voor aaneengesloten gebruik van maximaal 52 etmalen per kalenderjaar worden toegekend en gebruikt. Denk bijvoorbeeld aan de situatie waarin de mantelzorger op vakantie wil. D gemeente kan afwijken van de gestelde norm. Bij de beoordeling van de aanspraak houdt de gemeente in het algemeen rekening met de vraag of de cliënt aanspraak kan maken op Eerstelijns verblijf op grond van de Zvw of een indicatie op grond van de Wlz.

Artikel 5.3.2 van de Verordening

Hoofdstuk 6 Begeleiding

6.5 Bereiken van een resultaat

6.5.1 Reikwijdte en integraal werken

De gebieden die tijdens het onderzoek worden uitgevraagd vallen niet allemaal (volledig) binnen de reikwijdte van de Wmo 2015. Het breed uitvragen op verschillende gebieden maakt het mogelijk om cliënten op een goede manier door te geleiden naar andere regelingen maar ook om de hulp-op-maat af te stemmen op die regelingen, als daar aanleiding voor is (art. 2.3.5 lid 5 Wmo 2015). Op die manier wordt (betere) integrale dienstverlening aan inwoners bereikt. Hierna wordt een voorbeeld genoemd.

Financiën/ administratie

Voor zover de problematiek gaat over het oplossen van schulden, waarvoor het minnelijk (gemeentelijke) of wettelijke (WSNP) traject is bedoeld, valt de begeleiding buiten de reikwijdte van de Wmo 2015. Dan kan alleen tijdelijk begeleiding worden verstrekt voor een toeleiding (warme overdracht) naar bijvoorbeeld schulddienstverlening. Naast eventuele schulddienstverlening kan dan ook toeleiding naar budgetbeheer of bewindvoering worden opgepakt. Bij het loket Werk en Inkomen kan ook worden bekeken of de cliënt eventueel aanspraak kan maken of inkomensondersteunende maatregelen.

Toelichting op wettelijke beschermingsmaatregelen

Er bestaat een aantal wettelijke beschermingsmaatregelen; bij de kantonrechter kan een verzoek om toelating worden gedaan. Tegen de achtergrond van de problematiek binnen dit resultaatgebied zijn dat:

•Beschermingswind. Als iemand niet meer alleen voor zijn financiële zaken kan zorgen, kan hij hulp daarbij krijgen door zijn vermogen onder bewind te laten stellen en zijn financiële zaken door een ander laten regelen. Problematische schulden en verkwisting kunnen redenen zijn om beschermingsbewind uit te spreken.

•Curatele. Als iemand zowel zijn persoonlijke én financiële zaken niet meer zelf kan regelen. Persoonlijke zaken zijn bijvoorbeeld een medische behandeling of verpleging. Het gaat om personen die handelingsonbekwaam zijn.

•Mentorschap. Als iemand alleen niet meer voor zijn persoonlijke en immateriële zaken kan zorgen, kan hij een mentor krijgen om hem te helpen.

6.5.2 Aandachtspunten

De cliënt kan beperkingen ondervinden op verschillende gebieden (zie verder hierna). De gemeente maakt bij het onderzoek ook gebruik van Bijlage 3 Aandachtspunten resultaatgebieden begeleiding bij deze beleidsregels.

6.5.3 Resultaat

De gemeente stelt tijdens het onderzoek vast welk resultaat of welke resultaten bereikt moeten worden en welke aandachtspunten er eventueel zijn bij het bieden van de begeleiding. Daaruit volgt de begeleiding waarop de cliënt is aangewezen qua aard, omvang en frequentie. Dat wordt aangeduid met een intensiteit. Begeleiding kan worden geïndiceerd in vijf intensiteiten: waakvlamcontact, licht, middel, zwaar of intensief. De termen licht, matig en zwaar uit Bijlage 3 Aandachtspunten resultaatgebieden begeleiding laten zich niet rechtstreeks vertalen naar een gelijknamige intensiteit. Met andere woorden: wanneer de ernst van de problematiek op een van de gebieden als zwaar wordt beoordeeld, wil dit niet zeggen dat de begeleiding per definitie wordt geïndiceerd in de intensiteit zwaar. De gemeente hanteert de volgende intensiteiten:

Intensiteit

Ondergrens uren per maand

Bovengrens uren per maand

Waakvlamcontact

-

tot en met 4 uur

Licht

meer dan 4 uur

tot en met 9 uur

Middel

meer dan 9 uur

tot en met 18 uur

Zwaar

meer dan 18 uur

tot en met 26 uur

Intensief

meer dan 26 uur

-

Geen optelsom

Het kan zijn dat op meerdere gebieden te behalen resultaten te formuleren zijn. Voor wat betreft de omvang van de indicatie voor begeleiding is het niet zo dat de ureninschatting per gebied bij elkaar worden opgeteld. Het gaat om maatwerk: het bereiken van het resultaat is leidend. De aanbieder kan in een bepaalde volgtijdelijkheid werken aan de te bereiken resultaten. Het kan van belang zijn (tussentijds) te evalueren.

Resultaat en intensiteit

Voor het bepalen van een te bepalen resultaat en bijbehorende intensiteit kan de gemeente onderstaand schema gebruiken.

De begeleiding bestaat uit:

De begeleiding is:

Deskundigheid begeleider:

Stimuleren en controleren.

Praktisch en planbaar.

Geen specifieke eisen.

Stimuleren en controleren + aansturen en instrueren.

Specialistisch, niet uitstelbaar tot volgend contactmoment, binnen reguliere werktijden.

Kennis van ziektebeelden en behandelmethoden is noodzakelijk.

Stimuleren en controleren, aansturen en instrueren + zaken overnemen.

Specialistisch, bij een incidenteel karakter per direct bereikbaarheid, zonodig buiten reguliere werktijden

Kennis van behandelmethoden én overleg met ketenpartners is noodzakelijk.

6.5.4 Intensiteit waakvlamcontact

De intensiteit waakvlamcontact is bedoeld als:

•manier om af te schalen,

•nazorg en monitoring,

•preventie om zwaardere begeleiding te voorkomen,

•de “zorgmijdende” cliënt de toegekende begeleiding niet gebruikt (no show).

Manier om af te schalen

Voordat de begeleiding daadwerkelijk wordt afgeschaald wordt eerst gekeken of in het netwerk van de cliënt een persoon beschikbaar en geschikt is die de functie van het waakvlamcontact op zich kan nemen. Dat wil zeggen: bij een indicatie zoekt de aanbieder samenwerking met die persoon. Het waakvlamcontact wordt dan belegd bij die persoon en heeft als doel om een vinger aan de pols te houden in de overgang naar het afbouwen van de begeleiding en/of na beëindiging van de begeleiding. Zijn er geen mogelijkheden binnen het eigen netwerk, dan biedt de aanbieder het waakvlamcontact.

Nazorg en monitoring

Cliënten zijn goed in beeld bij aanbieders. Daarom hoeft de cliënt niet steeds opnieuw een vraag te stellen of een intake te doorlopen. De aanbieder bewaakt dat de zelfredzaamheid van de cliënt niet afneemt. Daarnaast kan “uitstroom” naar voorliggende oplossingen ingezet of behouden worden.

Preventie om zwaardere begeleiding te voorkomen

Bij waakvlamcontact is de begeleiding tijdig aanwezig om op te schalen bij dreigende terugval. Op die manier hoeven de problemen van een cliënt niet verder op te stapelen. De cliënt kan terugvallen op de aanbieder als het even wat minder goed gaat. Als dat nodig is kan de aanbieder ook begeleiding bieden bij het formuleren van een ondersteuningsvraag en toeleiding tot (meer) ondersteuning.

Zorgmijders

Het gaat bij zogeheten “zorgmijders” om cliënten aan wie weliswaar begeleiding is toegekend maar die daar geen gebruik van maken (no show). In die situaties wordt het eerdere toekenningsbesluit vervangen door een toekenning begeleiding waakvlamcontact. Het kan ook een manier zijn om de ondersteuning voor (nieuwe) cliënten, aan wie nog geen begeleiding is verstrekt, op een laagdrempelige manier op te starten.

Artikel 5.3.1 van de Verordening

Hoofdstuk 7 Dagactiviteiten

7.2 Algemene uitgangspunten

7.2.1 Voorliggende oplossing

De algemene voorziening dagactiviteiten ‘Mit Eenkanger is zo’n voorliggende oplossing, net als inloophuis Leger des Heils, de Rots. Deze voorliggende oplossingen zijn voor een brede doelgroep. Denk aan cliënten met een psychische kwetsbaarheid, licht verstandelijke beperking. Dit zijn algemene voorzieningen en kan voor gaan op het verstrekken van hulp-op-maat in de vorm van dagactiviteiten.

Resultaten

Deze algemene voorzieningen richten zich op het bereiken van de volgende resultaten:

•Het zich thuis laten voelen en contacten leggen.

•Het faciliteren van cliënten met een psychische kwetsbaarheid om zich te ontwikkelen om een volgende stap te zetten in het meedoen in de maatschappij. Hierbij wordt geïnvesteerd op herstel en inzet van ervaringsdeskundigheid.

•Het signaleren van verergering van de problematiek en somatische achteruitgang en hiernaar handelen. Het hierbij ontlasten van de mantelzorger.

•Het werken aan een gezonde leefstijl bij cliënten door het bieden van gezonde voeding, het verstrekken van informatie over voeding en bewegen.

•Het onder de aandacht brengen van stigma’s.

•Het faciliteren van ruimte aan vrijwilligersorganisaties op het gebied van zelfhulp waarmee zwaardere zorg voorkomen wordt.

•Er ontstaat begrip en acceptatie tussen verschillende doelgroepen waardoor de drempel verlaagd wordt om samen activiteiten te ondernemen. Hierdoor is er een breder aanbod van activiteiten voor wie er behoefte aan heeft.

•Het samenwerken tussen organisaties waardoor expertise en inzet voor een brede doelgroep wordt benut.

•Het vergroten van het bereik van mensen, zodat er meer mensen bereikt worden en naar de inloop/ activiteiten komen.

•Het normaliseren en afschalen van hulpverlening.

•Het versterken van het netwerk van cliënten buiten de algemene voorzieningen.

7.3 Vormen van dagactiviteiten

7.3.1 Doelgroep en scheidslijn dagactiviteiten

Naam product

Deelpopulatie

Activiteiten

Exclusief deelpopulatie

Dagactiviteiten belevingsgericht

Ouderen en (jong) dementerenden

Recreatief

Arbeidsmatige leeftijd m.u.v. jong dementerenden

Dagactiviteiten NAH

Niet aangeboren hersenletsel (NAH)

Recreatief en ontwikkelings-gericht

Cliënten die geen NAH hebben

Dagactiviteiten arbeidsmatig

Arbeidsmatige leeftijd

Ontwikkelings-gericht

-Deelpopulatie NAH,

-Pensioengerechtigde leeftijd en dementerenden

Pensioengerechtigd en toch dagactiviteiten arbeidsmatig?

De cliënt staat centraal. Neem bijvoorbeeld een cliënt die deelneemt aan de dagactiviteiten arbeidsmatig en de pensioengerechtigde leeftijd bereikt maar graag wil blijven deelnemen aan de dagactiviteiten arbeidsmatig. Deze cliënt kan daar in afstemming met de aanbieder en de gemeente blijven. De cliënt ontvangt wel een andere indicatie, namelijk voor dagactiviteiten belevingsgericht. De aanbieder van dagactiviteiten belevingsgericht en de aanbieder dagactiviteiten arbeidsmatig werken samen om deze cliënt te bedienen. Dat kan een combinatie van dagactiviteiten zijn of volledige deelname aan de dagactiviteiten arbeidsmatig. Aanbieders kunnen bijvoorbeeld hun samenwerking vormgeven in een hoofd- en onderaannemerschap.

7.6 Dagactiviteiten arbeidsmatig

7.6.1 Doelgroep en beoordelen problematiek

De gemeente stelt tijdens het onderzoek vast welk resultaat of welke resultaten bereikt moeten worden en welke aandachtspunten er eventueel zijn. Hiervoor maakt de gemeente ook gebruik van de uitvraag op verschillende gebieden. Is de cliënt aangewezen op een maatwerkvoorziening dagactiviteiten arbeidsmatig dan wordt vastgesteld wat als passende bijdrage kan worden aangemerkt. Dat wordt aangeduid met een intensiteit. Om de intensiteit te bepalen kan de gemeente bij het onderzoek gebruik maken van Bijlage 3 (aandachtspunten problematiek begeleiding) bij deze beleidsregels. De gemeente hanteert de volgende intensiteiten:

Intensiteit

Ondergrens dagdelen per maand

Bovengrens dagdelen per maand

Licht

meer dan 4 dagdelen

tot en met 18 dagdelen

Middel

meer dan 19 dagdelen

tot en met 26 dagdelen

Zwaar

meer dan 27 dagdelen

tot en met 35 dagdelen

Intensief

meer dan 35 dagdelen

-

Werksetting, begeleiding en coaching

De hulp-op-maat dagactiviteiten arbeidsmatig omvat activiteiten in een werkachtige setting. Cliënten ontplooien hun capaciteiten, leren kennis en vaardigheden, leef- en werkritme en omgangsvormen die ze ook nodig hebben op de werkvloer, zodat waar mogelijk hun kansen op de arbeidsmarkt worden vergroot. De begeleiding bestaat uit ondersteuning en coaching en richt zich op het stimuleren van de zelfredzaamheid en eigen regie en het krijgen van veiligheid en structuur. De begeleiding gaat uit van de mogelijkheden en wensen van de cliënt en staat in het teken van het ontwikkelen van eigen initiatief, talenten. Begeleiding spreekt de competenties aan.

Realiseren van ontwikkeling

De beperkingen van deze cliënten zijn dusdanig, dat er ontwikkeling verwacht en gerealiseerd kan worden. Het doel is afhankelijk van het ontwikkelperspectief van de individuele cliënt. De mate en snelheid van ontwikkeling verschilt per persoon. Het gaat er om dat cliënten zich ontwikkelen op maximaal eigen vermogen. Waar mogelijk stromen de deelnemers uit deze hulp-op-maat omdat ze er niet meer op zijn aangewezen of kan worden afgeschaald naar voorliggende oplossingen. Ook kan een cliënt doorstromen naar een vorm van werk of ondersteuning gericht op arbeidsparticipatie. De hulp-op-maat dagactiviteiten arbeidsmatig dient dan als opstapje naar werk voor cliënt waarvoor de stap naar werk of een vorm van arbeidsparticipatie (tijdelijk) nog te groot is.

Geen doorstroom naar werk/arbeidsparticipatie

In bepaalde gevallen zal gezien de beperkingen van de cliënt doorstroom naar een vorm van werk niet haalbaar zijn. De hulp-op-maat dagactiviteiten arbeidsmatig staat dan in het teken van participatie met als doel cliënten een zinvolle invulling van de dag te geven die past bij hun interesse en vaardigheden en hun naar vermogen te laten ontwikkelen.

Hoofdstuk 8 Huishoudelijke ondersteuning

8.2 Maatwerkvoorziening schoonmaakondersteuning

8.2.1 Resultaat een schone en leefbare woning

Iedereen moet gebruik kunnen maken van schone en leefbare elementaire woonruimten, zoals een woonkamer, een slaapkamer, een slaapkamer die anders wordt gebruikt, een keuken, sanitaire ruimtes (maximaal één badkamer en twee toiletten) en aangrenzende hal, trap en/of overloop.

Elementaire woonruimten

Het gaat bij deze woonruimten over de primaire leefruimten in de woning die de cliënt daadwerkelijk (dagelijks of in ieder geval meerdere keren per week) in gebruik heeft. Deze ruimten worden schoongemaakt volgens de algemeen gebruikelijke hygiënische normen. Leefbaar staat voor opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. Om een schone en leefbare woning te realiseren zal huishoudelijk werk moeten worden uitgevoerd. Concreet gaat het om taken zoals stofzuigen van de woning, het schoonmaken van de sanitaire ruimten, keuken en het dweilen van vloeren.

Alleen de binnenkant van de woning

De huishoudelijke taken beperken zich tot de binnenkant van de woning. Onderhoud van tuin, opruimen van een schuur, de stoep vegen, ramen zemen aan de buitenkant vallen hier niet onder een schoon en leefbaar huis (CRVB:2017:1302, CRVB:2017:885, RBZWB:2023:49). Dat wil niet zeggen dat bijvoorbeeld het vegen van een balkon nooit gedaan zou mogen worden, maar er wordt geen aparte indicatie voor gegeven.

8.2.2 Resultaat wasverzorging

Iedereen moet gebruik kunnen maken van schone en draagbare kleding en overig linnengoed. Bij de wasverzorging gaat het uitsluitend over: het sorteren, wassen en drogen en wegleggen van de normale kleding voor alledag en overig textiel. Als uitgangspunt geldt dat de was niet wordt gestreken, tenzij dat medisch noodzakelijk is. Dat zal moeten blijken uit een medisch advies; waaronder ook wát gestreken zou moeten worden. Er kan worden volstaan met het opvouwen van de was. Van de cliënt wordt verwacht dat hij beschikt of kan beschikken over strijkvrije kleding (bijv. CRVB:2024:1487).

Deeltaken zelf uitvoeren

Niet in alle gevallen hoeft de volledige wasverzorging te worden overgenomen. Vaak kan een cliënt een deel van de wasverzorging nog zelf kunnen uitvoeren. Zie voor deeltaken van wasverzorging Bijlage 4 Huishoudelijke ondersteuning (normtijden, activiteiten en frequentie).

8.2.3 Resultaat boodschappen voor het dagelijks leven

Iedereen moet kunnen beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften. Tot de goederen voor primaire levensbehoeften worden boodschappen gerekend die nodig zijn voor dagelijkse levensbehoeften. Hieronder vallen levensmiddelen, toiletartikelen en schoonmaakmiddelen, zaken die dagelijks/wekelijks worden gebruikt. Andere inkopen, vallen hier niet onder. Een indicatie voor de overname van het doen van boodschappen zal zich zelden voordoen omdat dit resultaat doorgaans bereikt zal worden door gebruik te maken van de online boodschappendienst (algemeen gebruikelijke voorziening) of met hulp van huisgenoten (gebruikelijke hulp). Ook kinderen die niet meer thuis wonen of buren van de cliënt kunnen mogelijk hulp bieden.

8.3 Hulp-op-maat: regie/ zorg over het huishouden

8.3.1 Resultaat een gestructureerde organisatie van het huishouden

Een gestructureerde organisatie van het huishouden gaat over het, al dan niet samen met de cliënt, bepalen welke huishoudelijke werkzaamheden wanneer worden gedaan (regievoering over het huishouden). Het gaat bij de taak regie voeren over het huishouden niet om overname van huishoudelijke taken maar om activeren van de cliënt en samen optrekken bij de uitvoering van huishoudelijke taken.

Regievermogen

De inzet van een maatwerkvoorziening kan in meer of mindere mate afhankelijk zijn van de vraag in hoeverre de cliënt beschikt over regievermogen. Daaronder kan worden verstaan of de cliënt het vermogen heeft om een adequaat oordeel te vormen over dagelijks voorkomende situaties op het gebied van sociale redzaamheid, probleemgedrag, psychisch functioneren of geheugen en oriëntatie.

Samenloop met ambulante begeleiding

Ambulante begeleiding en de huishoudelijke ondersteuning met dit resultaat kunnen samenlopen. Dat wil zeggen naast elkaar kunnen bestaan. In de praktijk gaat het vaak om cliënten met beperkingen die voortkomen uit chronisch psychische of psychosociale klachten. In die gevallen wordt er geen indicatie voor ambulante begeleiding gegeven maar wordt huishoudelijke ondersteuning op dit resultaat gegeven.

8.3.2 Resultaat bevorderen zelfredzaamheid door advies, instructie, voorlichting (AIV)

Bij dit resultaat gaat het niet over de overname van huishoudelijke taken maar over het aanleren daarvan. Het is daarom belangrijk dat de aanbieder weet wat de cliënt moet aanleren. Dat is onderdeel van de kortdurende indicatie; het te bereiken resultaat. Het resultaat gaat over het beschikken van de vaardigheid om zelfstandig te zorgen voor een schoon en leefbaar huis, de wasverzorging en het doen van boodschappen voor het dagelijks leven.

Voor wie is AIV

Aan cliënten die leerbaar zijn kan tijdelijk AIV worden verstrekt over het zelf kunnen uitvoeren van huishoudelijke taken en/ of het plannen daarvan. Het gaat bijvoorbeeld om voorlichting en instructie over het gebruik van (ergonomische) hulpmiddelen zoals een plumeau of een telescoopsteel bij het uitvoeren van huishoudelijke taken of over de indeling van de ruimte, waardoor een taak met minder fysieke belasting zelf kan worden uitgevoerd. Bij het plannen van huishoudelijke taken gaat het over het verdelen van de huishoudelijke taken over de week. Zie hierna onder het kopje twee doelgroepen.

Wanneer leerbaar

De gemeente kan op verschillende momenten vaststellen dat de cliënt leerbaar is en tijdelijk is aangewezen op AIV:

•Tijdens het onderzoek na de melding;

•Gedurende de indicatie;

•Na beëindiging van de maatwerkvoorziening en er sprake is van een ‘leerbare’ partner.

Langer zelfredzaam

Het uiteindelijke resultaat is het bevorderen van de zelfredzaamheid van de cliënt door inzet van AIV. Cliënten zijn langer zelfredzaam doordat ze zelf actiever blijven en hierdoor geen of minder snel gebruik hoeven te maken van een langdurige indicatie schoonmaakondersteuning of kunnen starten met een indicatie schoonmaakondersteuning met een lager volume of frequentie.

Twee doelgroepen

Er kunnen twee doelgroepen zijn:

1De cliënt die nauwelijks beperkingen heeft maar is aangewezen op AIV gericht op het aanleren van huishoudelijke activiteiten.

2De cliënt die beperkingen heeft en tijdelijk is aangewezen op AIV gericht op het stimuleren van de zelfredzaamheid door samen met de cliënt te kijken naar in ieder geval het gebruik van de juiste (lichte) werkmaterialen, indeling van de woning en verdeling van huishoudelijke taken over een week.

Relatie reablement

AIV sluit aan op de landelijke ontwikkeling reablement (herstelgerichte zorg). Dat heeft betrekking op het behouden en vergroten van de zelfredzaamheid van de cliënt door tijdelijke inzet van herstelgerichte zorg. De herstelgerichte zorg kan voor huishoudelijke ondersteuning bestaan uit AIV over hoe en wanneer bepaalde huishoudelijke taken uitgevoerd (moeten) worden.

Periode

Wordt hulp-op-maat voor dit resultaat ingezet, dan is dat meestal gedurende een periode van zes weken. Zie Bijlage 3 Huishoudelijke ondersteuning (normtijden, activiteiten en frequentie). Het resultaat is dat de cliënt over de vaardigheid beschikt zelfstandig een huishouding te voeren. Het is daarom belangrijk dat de aanbieder weet wat de cliënt moet aanleren. Dat is onderdeel van de indicatie; het te bereiken resultaat. Een verlenging van de indicatie voor AIV is niet uitgesloten. De gemeente beoordeelt de noodzaak mede op basis van een evaluatieverslag van de aanbieder.

Meerpersoonshuishouden

Een indicatie voor dit resultaat zal zich bij een meerpersoonshuishouden zelden voordoen omdat sprake zal zijn van gebruikelijke hulp (overname).

Rol aanbieders

Aanbieders hebben hierin ook een rol als het cliënten betreft waarvan tijdens de indicatie blijkt dat zij leerbaar zijn. Het kan ook gaan om belastende factoren zoals niet het juiste schoonmateriaal.

Extra aandacht voor zorgmijders

In situaties waarbij het niet wenselijk of haalbaar is dat een cliënt meerdere ondersteuners heeft, bijvoorbeeld bij (potentiële) zorgmijders, dan zorgt aanbieder dat één ondersteuner zowel de schoonmaakondersteuning als de ondersteuning bij regie/ zorg uitvoert. De gemeente zorgt dat aanbieder hiervan op de hoogte is.

Incidenteel voorkomende resultaten regie/zorg

Er zijn twee resultaten regie/zorg die slechts in incidentele gevallen worden geïndiceerd. Het gaat om:

1het verzorgen van brood- en/of warme maaltijden; en

2de verzorging van minderjarige kinderen van het huishouden.

8.3.3 Resultaat maaltijden: broodmaaltijd en/of warme maaltijd

In incidentele gevallen valt het verzorgen van brood- en/of warme maaltijden onder de hulp-op-maat regie/zorg over het huishouden. Dit resultaat valt onder de huishoudelijke ondersteuning als sprake is van overname van het:

•klaarzetten of aanreiken van de broodmaaltijd;

•klaarzetten of opwarmen van een maaltijd;

•bereiden van de warme maaltijd (alleen als voorliggende oplossingen zoals kant- en klaar maaltijden niet passend zijn);

•tafel dekken en afruimen;

•eten en drinken klaarzetten;

•in/uitruimen van de vaatwasser of de afwas doen en het opruimen van de vaat.

Zie Bijlage 4 Huishoudelijke ondersteuning (normtijden, activiteiten en frequentie).

In/uitruimen van de vaatwasser of de afwas doen en het opruimen van de vaat

Deze activiteiten zijn onderdeel van het resultaat maaltijden. Is het resultaat maaltijden niet nodig, dan wordt beoordeeld of in/uitruimen van de vaatwasser of de afwas doen en het opruimen van de vaat nodig is. Er wordt rekening gehouden met wat de cliënt zelf kan (eigen kracht).

Niet-uitstelbaar

Bij dit resultaat gaat het om niet-uitstelbare taken. Dat wil zeggen: taken die doorgaans dagelijks moeten worden gedaan of in ieder geval niet kunnen worden uitgesteld tot de hulp weer langskomt bij de cliënt. Bij maaltijden spreekt dat voor zich.

Voorliggende oplossingen

Een indicatie voor het overnemen van het doen van maaltijdverzorging zal zich zelden voordoen omdat dit resultaat doorgaans: op eigen kracht, met algemeen gebruikelijke voorzieningen (kant en klaar maaltijden), met gebruikelijke hulp of met hulp van anderen bereikt kan worden. Ook het mee kunnen eten bij een buurt- of verzorgingshuis valt hieronder.

Uitgangspunt broodmaaltijden

Een broodmaaltijd kan één keer per dag worden gemaakt en klaargezet. De tweede broodmaaltijd wordt dan gelijk gemaakt en in koelkast klaargezet. Dat is in lijn met de rechtspraak van de CRvB qua aard en frequentie (bijv. CRVB:2016:2960).

Hulp sociaal netwerk

Kan de cliënt met ondersteuning van de mensen om hem heen het resultaat bereiken, dan heeft de gemeente geen ondersteuningsplicht. Tijdens het onderzoek wordt gekeken of bijvoorbeeld één van de buren bereid is een maaltijd klaar te zetten of op te warmen als de cliënt dat niet zelf kan.

Aansporen bereiden en eten maaltijd

Kan een cliënt wel zelf een maaltijd nuttigen, maar niet weet of vergeet om tijdig een maaltijd te bereiden, dan kan de aansporing daartoe onder ambulante begeleiding vallen. Het gaat meestal om cliënten die ook voor het bereiken van andere resultaten al een indicatie voor begeleiding hebben.

Wijkverpleging en maaltijdvoorziening

Maaltijdvoorziening valt onder wijkverpleging (Zvw) als een cliënt ‘behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop’ heeft en er geen aanspraak is op Wlz-zorg. Dat is het geval als de client:

•hulp nodig heeft om het eten en drinken in zijn mond te brengen (eten en drinken geven),

•is aangewezen op toezicht bij de maaltijden in verband met bijvoorbeeld verslikkingsgevaar.

Zie verder 6.4 van deze beleidsregels.

8.3.4 Resultaat thuis zorgen voor minderjarige kinderen die tot het gezin behoren

Een indicatie voor het overnemen van de zorg voor minderjarige kinderen zal zich zelden voordoen omdat dit resultaat doorgaans bereikt zal worden door eigen kracht, gebruikelijke hulp (de andere ouder) of hulp van anderen. Het gaat om de dagelijkse, gebruikelijke hulp voor gezonde kinderen (jonger dan 12 jaar) als beide ouders niet in staat zijn deze te leveren. Het betreft activiteiten als wassen en aankleden, hulp bij eten en/of drinken, maaltijd voorbereiden en toezicht houden. Ook het brengen en halen van kinderen naar school/crèche vallen eronder. In principe is het de verantwoordelijkheid van ouders om, op tijden dat zij beide niet in staat zijn voor de kinderen te zorgen dat zelf te regelen. De Wmo heeft alleen een taak in het tijdelijk bijspringen, zodat voor de ouder(s) ruimte ontstaat om zelf een oplossing te vinden. In de praktijk betreft dit ondersteuning die doorgaans per direct moet kunnen worden ingezet en zonodig buiten de reguliere werktijden om. Diverse vormen van kinderopvang kunnen als voorliggende oplossing worden aangemerkt.

8.11 Hulp van personen uit het sociaal netwerk en mantelzorg

8.11.1 Onderzoek

Tijdens het onderzoek wordt gekeken of de cliënt -kort gezegd- hulp van anderen kan krijgen. Zijn andere personen uit het netwerk van de cliënt aanwezig bij het gesprek, dan kunnen praktische zaken tot oplossingen leiden waardoor geen of minder hulp-op-maat huishoudelijke ondersteuning verstrekt hoeft te worden.

8.11.2 Rol aanbieder

De aanbieder heeft gedurende de indicatie (frequent) contact met de cliënt en mogelijk ook met personen uit het sociaal netwerk. De aanbieder kan met betrokkenen bespreken of bijvoorbeeld personen uit het sociaal netwerk bepaalde huishoudelijke werkzaamheden zouden kunnen overnemen. En zo ja, welke werkzaamheden. De aanbieder meldt dat bij de gemeente, zie ook 2.5 van deze beleidsregels.

8.13 Normenkader huishoudelijke ondersteuning HHM 2019

8.13.1 Basisnorm

Met de basisnorm wordt 125 minuten per week bedoeld volgens het normenkader HHM 2019. Zoals gezegd kan de basisnorm worden verlaagd of verhoogd. Dat is afhankelijk van de situatie van de cliënt. Zie bijlage 4 voor de omvang van de verlaging of verhoging van de basisnorm.

8.13.2 Gemiddelde cliëntsituatie

Door uit te gaan van een gemiddelde cliëntsituatie krijgen de normtijden een algemeen karakter. Hiermee wordt voorkomen dat er op alle mogelijk denkbare uitzonderingen apart beleid moet worden ontwikkeld. Onder een gemiddelde cliëntsituatie wordt verstaan:

•Een huishouden met 1 of 2 volwassenen zonder thuiswonende kinderen;

•Wonend in een zelfstandige huisvestingssituatie, gelijkvloers of met een trap;

•Er zijn geen huisdieren aanwezig die extra inzet van ondersteuning vragen;

•De cliënt kan de woning dagelijks op orde houden zodat deze gereed is voor de schoonmaak;

•De cliënt heeft geen mogelijkheden om zelf bij te dragen aan de activiteiten die moeten worden uitgevoerd;

•Er is geen ondersteuning vanuit mantelzorgers, netwerk en vrijwilligers bij activiteiten die moeten worden uitgevoerd;

•Er zijn geen beperkingen of belemmeringen aan de orde bij de cliënt die maken dat de woning extra vervuilt of dat de woning extra schoon moet zijn;

•De woning heeft geen uitzonderlijke inrichting en is niet extra bewerkelijk of extra omvangrijk.

8.13.3 Individuele situaties op basis van kenmerken

Niet iedere cliënt past in deze omschrijving van de gemiddelde cliëntsituatie. Voor cliënten waarbij de gemiddelde situatie niet van toepassing is, kunnen invloedsfactoren worden meegewogen. Deze staan in het normenkader als ‘meer inzet’ of ‘minder inzet’. Daarmee wordt voor iedere cliënt maatwerk gerealiseerd. Let op dat de aanwezigheid van deze kenmerken niet automatisch leidt tot meer inzet. Het is steeds de vraag of een kenmerk leidt tot extra vervuiling of vraagt om een extra niveau van schoon, waardoor meer inzet nodig is. De volgende invloedsfactoren kunnen maken dat meer of minder ondersteuningstijd nodig is:

a.Kenmerken cliënt

•Mogelijkheden cliënt zelf: De fysieke mogelijkheden van de cliënt om bij te dragen aan de uit te voeren huishoudelijke taken. Dit hangt af van het kunnen bewegen, lopen, bukken en omhoog reiken, het vol kunnen houden van activiteiten, het kunnen overzien wat moet gebeuren en daadwerkelijk tot actie kunnen komen. Ook speelt hier de trainbaarheid en leerbaarheid van de cliënt mee.

•Beperkingen en belemmeringen van de cliënt: Beperkingen en belemmeringen van de cliënt kunnen gevolgen hebben voor de benodigde inzet. Leidend is de hoeveelheid extra ondersteuning die nodig is; niet de problematiek als zodanig. Voorbeelden zijn Huntington, ALS, Parkinson, dementie, visuele beperking, revalidatie, bedlegerig, psychische aandoeningen, verslaving/alcoholisme e.d. Dit kan op twee manieren uitwerken:

1Het kan nodig zijn extra vaak schoon te maken of te wassen, doordat meer vervuiling optreedt. Bijvoorbeeld als gevolg van rolstoelgebruik, ernstige incontinentie, overmatig zweten, (ernstige) tremoren, besmet wasgoed (bijvoorbeeld bij chemokuur of Norovirus).

2Het kan nodig zijn de woning extra goed schoon te maken. Ter voorkoming van problemen bij de cliënt voortkomend uit bijvoorbeeld allergie, astma, longemfyseem, COPD. Daarbij geldt het uitgangspunt van een gesaneerde woning.

•Ondersteuning vanuit mantelzorgers, gebruikelijke hulp, netwerk en vrijwilligers: De hoeveelheid ondersteuning die wordt geboden vanuit mantelzorgers, het netwerk van de cliënt en eventuele vrijwilligers, waardoor minder inzet vanuit de gemeente noodzakelijk is omdat een deel van de activiteiten door hulp van anderen wordt gedaan. Daar vult de gemeente alleen op aan als dat nodig blijkt.

b.Kenmerken huishouden

•Samenstelling van het huishouden: het aantal personen en de leeftijd van leden in het huishouden. Als sprake is van een huishouden van twee personen, is niet persé extra inzet nodig. Dit is bijvoorbeeld wel het geval als zij gescheiden slapen, waardoor een extra slaapkamer in gebruik is. Het kan ook betekenen dat er minder ondersteuning nodig is, omdat de partner een deel van de activiteiten uitvoert (gebruikelijke hulp).

De aanwezigheid van een kind of kinderen kan leiden tot extra noodzaak van inzet van ondersteuning. Dit is mede afhankelijk van de leeftijd en leefstijl van de betreffende kinderen en van de bijdrage die het kind levert in de huishouding.

•Huisdieren: door de aanwezigheid van een of meer huisdieren in het huishouden, kan eventueel door meer vervuiling extra inzet nodig zijn dan in de norm is opgenomen. Verzorging van huisdieren valt niet onder huishoudelijke ondersteuning. Een huisdier veroorzaakt niet altijd extra benodigde inzet (goudvis in een kom, een niet verharende hond, etc.). Zie 8.8 van deze beleidsregels voor het te hanteren uitgangspunt over huisdieren.

c.Kenmerken woning

•Inrichting van de woning: extra inzet nodig door bijvoorbeeld extra veel beeldjes of fotolijstjes in de woonkamer of een groot aantal meubelstukken in de ruimte. Het gaat in dit geval om de extreme situaties, waarin de inrichting een aanzienlijke extra ondersteuning vergt. Ook hierbij kan nader overleg met de cliënt zijn aangewezen over wie wat doet in het huishouden.

•Bewerkelijkheid van de woning: extra inzet nodig door bouwkundige en externe factoren, bijvoorbeeld de ouderdom van het huis, de staat van onderhoud, de aard van de wand- of vloerafwerking, de aard van de deuren, schuine wanden, hoogte van de plafonds, tocht en stof, eventuele gangetjes en hoekjes.

•Omvang van de woning: een grote woning kan, maar hoeft niet persé meer inzet te vragen. Een extra grote oppervlakte van de in gebruik zijnde ruimtes kan meer tijd vergen om bijvoorbeeld stof te zuigen, maar kan het stofzuigen ook makkelijker maken omdat je makkelijk overal omheen kunt werken. Een extra slaapkamer die daadwerkelijk in gebruik is als slaapkamer vergt wel extra tijd.

8.13.4 Nadere instructies HHM 2019

In september 2022 zijn door HHM in bijlage 1 van het normenkader 2019 nadere instructies toegevoegd over de toepassing. De gemeente zoekt op een aantal punten aansluiting in de motivering van de beslissing op de aanvraag van huishoudelijke ondersteuning bij deze instructies voor minder of meer inzet. In februari 2024 is door HHM een toelichting geschreven voor de activiteiten en de normtijden voor de wasverzorging. Dit naar aanleiding van een uitspraak van de CRvB (CRVB:2023:2470). Zie schema in bijlage 4 van deze beleidsregels.

Uitgangspunten

Opgemerkt wordt dat het uitgangspunt voor meer inzet als gevolg van huisdieren ook al is opgenomen in dit hoofdstuk. Verder kan een robotstofzuiger (algemeen gebruikelijke voorziening) leiden tot minder inzet van schoonmaakondersteuning. Zie 3.2.7 van deze beleidsregels.

8.13.5 Een keer per twee weken schoonmaakondersteuning

Bij nieuwe cliënten én bij nieuwe meldingen (verzoek om verlenging van de indicatie) bekijkt de gemeente de mogelijkheid of de schoonmaakondersteuning (volledige overname) eens per twee weken kan worden ingezet in plaats van wekelijks. Het moet wel duidelijk zijn dat:

•dat de cliënt dit wenst of daar in ieder geval mee instemt;

•sprake is van (enige) eigen kracht op grond waarvan de basisnorm van 125 minuten per week sowieso wordt verlaagd;

•de cliënt zelf in staat is om het aanrecht schoon te houden en in algemene zin kan opruimen;

•geen sprake is van niet-uitstelbare taken.

Mocht blijken dat de tweewekelijkse inzet niet volstaat, dan kan de cliënt dit doorgeven aan de gemeente. De schoonmaakondersteuning wordt zo spoedig als mogelijk wekelijks ingezet.

Artikel 5.2.3 van de Verordening

Hoofdstuk 9 Beschermd wonen

9.5 Indicatie Besluit Beschermd Wonen

9.5.1 Beschermd wonen, Profiel Beschut wonen

Beschermd Wonen, profiel beschut wonen

Kenmerken pakket

Beschut Wonen is een lichtere vorm van begeleiding binnen de financiering van Beschermd Wonen. De cliënt woont in een accommodatie van de aanbieder en krijgt hier gemiddeld vier uur individuele begeleiding per week. Begeleiding is 24/7 beschikbaar en kan binnen 30 minuten aanwezig zijn.

Het uiteindelijke doel van Beschut Wonen is uitstroom naar zelfstandig wonen. Daarnaast moet Beschut Wonen uitstroom vanuit intensievere vormen van Beschermd Wonen of andere (intramurale) setting bevorderen of instroom naar intensievere vormen van Beschermd Wonen of andere (intramurale) setting voorkomen. Beschut Wonen kan bijvoorbeeld ook ingezet worden voor cliënten die uitstromen vanuit de Forensische Zorg, een GGZ-instelling of de Jeugdhulp.

Cliënten kunnen een aanvraag doen voor Beschut Wonen met óf zonder dagbesteding. De melding wordt beoordeeld door de GGD (dus regionaal). Indien een aanvraag Beschut Wonen met dagbesteding wordt beschikt, dan ontvangt de aanbieder hiervoor één tarief, waarbij het onderdeel dagbesteding gebaseerd is op gemiddeld 4 dagdelen dagbesteding per week. Dit wordt bekostigd vanuit de regionale Wmo-middelen.

De hieronder genoemde criteria gelden als randvoorwaarde voor Beschut Wonen. Uitgangspunt is echter altijd maatwerk. Er is daarom ruimte voor uitzonderingen.

Over het algemeen geldt dat de cliënt:

•Een psychiatrische/ psychische aandoening heeft, mogelijk in combinatie met een verstandelijke beperking. Op het gebied van de psychiatrische aandoening is stabiliteit behaald, echter is het nog noodzakelijk dat er dagelijks contact is met de cliënt om dit te monitoren.

•Zelf de ondersteuningsvraag kan formuleren.

•De hulpvraag 30 minuten kan uitstellen.

•Dagbesteding, opleiding en/of werk volgt.

•Basale ADL-vaardigheden beheerst.

Resultaat

De cliënt heeft voldoende vaardigheden ontwikkeld om zelfstandig te kunnen wonen en functioneren met de benodigde ondersteuning.

Looptijd beschikking

Beschikkingsduur is van tijdelijke aard. Maximaal 1,5 jaar, met een evaluatiemoment door middel van een uitstroomtafel na 1 jaar (of indien het een korter traject betreft 6 maanden voor uitstroom). Verlenging van de beschikking is mogelijk in uitzonderlijke situaties.

9.5.2 Beschermd wonen Midden

Beschermd Wonen Midden

Kenmerken pakket

Dit pakket biedt 24-uurs begeleiding, aan volwassenen met psychische of psychosociale problemen, in een veilige en weinig eisende accommodatie van een Beschermd Wonen instelling. Het doel is toe te werken naar stabilisatie van de psychische en/of psychosociale problematiek, herstel van de zelfredzaamheid en zelfstandig wonen met eventueel ambulante ondersteuning.

Over het algemeen geldt dat de cliënt:

•Geen gebruik kan maken van voorliggende voorzieningen of wetgeving omdat deze onvoldoende ondersteuning bieden.

•Geen netwerk heeft dat (voldoende) steun biedt of steun kan bieden.

•Beperkingen ervaart door: Psychische en/of psychosociale problemen, mogelijk in combinatie met een verstandelijke beperking, verslaving, gedragsproblematiek, somatische aandoening en/of lichamelijke beperking.

•Mogelijk in aanraking is (geweest) met politie/justitie.

•Beperkt inzicht heeft in de eigen problematiek en/of gevolgen van eigen handelen/gedrag.

•Onvoldoende in staat is zijn hulpvraag zelf te formuleren en uit te stellen.

•Problemen ervaart bij het onderhouden van sociale relaties en het invullen van de dag.

•Beperkte vaardigheden bezit om problemen op te lossen of besluiten te nemen.

•Begeleiding bij één of meerdere taken van de basale algemeen dagelijkse levensverrichtingen (ADL)

1Onder basale ADL wordt verstaan: persoonlijke hygiëne, zelfstandig kunnen verplaatsen binnenshuis, aankleden, eten en drinken.

nodig heeft.

•Begeleiding of overname bij één of meerdere taken van de instrumentele ADL

2Onder instrumentele ADL wordt verstaan: reizen, maaltijd bereiden, boodschappen doen, huishouden voeren, administratie, financiën, medicatie beheren, afspraken maken en nakomen, problemen oplossen en besluiten nemen.

nodig heeft.

•Intrinsiek gemotiveerd is.

•Beperkt gevoelig kan zijn voor begeleiding.

•Begeleiding nodig heeft bij het opstarten en/of vasthouden van dagbesteding.

Acties uit te voeren door aanbieder

Begeleiding is 24 uur op een dag 7 dagen in de week beschikbaar voor de cliënt. Omdat de cliënt in de nacht soms begeleiding nodig heeft is er een slapende wacht aanwezig of wordt gebruik gemaakt van digi-contact waarbij begeleiding oproepbaar is en binnen 30 minuten aanwezig. De begeleiding is gericht op stabilisatie en het vergroten van zelfredzaamheid en zelfregie. De begeleiding is gericht op het ontwikkelen van zelfregie en zelfredzaamheid. Daarnaast is begeleiding in samenspraak met de behandelaar gericht op het leren omgaan met de beperkingen (cognitief en psychisch) en het beheersbaar houden en gaandeweg doen afnemen van de gedragsproblemen. Het uiteindelijke doel is zelfstandig wonen eventueel met ambulante ondersteuning in de gemeente van herkomst.

De intensiteit van de ondersteuning fluctueert en sluit aan bij de ondersteuningsbehoefte van de cliënt.

Begeleiding bestaat uit:

•Samen met de cliënt een plan opstellen gericht op herstel.

•Ondersteunen en motiveren van de cliënt bij het behalen van zijn (herstel)doelen.

•Begeleiding bij het aanleren van vaardigheden gericht op de zelfredzaamheid en bij het omgaan met beperkingen.

•Toezien op, begeleiding bij en aanleren van basale ADL, zodat de cliënt zo zelfstandig mogelijk de basale ADL kan uitvoeren. Wanneer er een somatische grondslag is, wordt zo nodig wijkverpleging/verzorging ingezet voor het overnemen van taken.

•Toezien op, begeleiding bij en aanleveren van instrumentele ADL vaardigheden, indien nodig taken tijdelijk overnemen en ondersteunen bij het verwerven van vaardigheden zodat de cliënt zo zelfstandig mogelijk de instrumentele ADL kan uitvoeren.

•Toezien op de geestelijke- en lichamelijke gezondheid van de cliënt en indien nodig contact opnemen met behandelaar/huisarts/specialist.

•Begeleiding bij het vergroten van de sociale redzaamheid.

•Begeleiding bij het aanleren van vaardigheden om zelfstandig de dag in te vullen/een weekplanning te maken en overnemen waar nodig.

•Begeleiding bij het aanleren van vaardigheden met betrekking tot het doen van de financiën, administratie en contact met instanties. Geldbeheer moet indien nodig bij een bewindvoerder/curator worden ondergebracht.

•Monitoren en tijdig signaleren van het gedrag van de cliënt.

•Ondersteunen van de cliënt bij het formuleren van de hulpvraag.

•Ondersteunen van de cliënt bij het behouden dan wel vergroten van zijn sociale netwerk.

•Begeleiding bij contact met politie/justitie.

•Begeleiding bij afstemming met de, eventueel, betrokken behandelaar.

•Begeleiding bij duurzame uitstroom naar de gemeente van herkomst.

•Begeleiding richting een passende vervolgplek.

•Begeleiden bij het vinden en vasthouden van zinvolle en passende dagbesteding.

•Begeleiding bij het organiseren van aanvullende hulpverlening (somatisch/thuiszorg/WMO-voorzieningen (scootmobiel etc).

De beschermd wonen locatie biedt:

•24/7 beschikbaarheid voor cliënt, met in de nacht een slapende wacht of digi-contact waarbij begeleiding binnen 30 minuten aanwezig is

•Minimaal 4 uur individuele begeleiding per week.

•Begeleiding, bescherming en stabiliteit in een veilige en weinig eisende woonomgeving.

•Gemiddeld minimaal vier dagdelen dagbesteding of passende activering per week die aansluit bij de hersteldoelen, waarbij onderwijs en werk voorliggend zijn aan dagbesteding. Trajecten die lopen via het UWV maken geen onderdeel van dagbesteding uit.

Resultaat

Er is sprake van stabiliteit op het gebied van de psychische en psychosociale problematiek van de cliënt. De financiële en algemene administratie zijn georganiseerd en geborgd. De cliënt is in staat om door te stromen naar een lichtere beschermde woonvorm of om zelfstandig te wonen met ambulante ondersteuning

Looptijd beschikking

Passend bij de ondersteuningsbehoefte van de cliënt maximaal 3 jaar.

9.5.3 Beschermd Wonen Hoog

Beschermd Wonen Hoog

Kenmerken pakket

Dit pakket biedt intensieve 24-uurs begeleiding, aan volwassenen met psychische of psychosociale problemen, in een veilige en weinig eisende accommodatie van een Beschermd Wonen instelling. Het doel is toe te werken naar stabilisatie van de psychische en/of psychosociale problemen en herstel van de zelfredzaamheid en de cliënt is in staat om door te stromen naar een lichtere beschermde woonvorm of om zelfstandig te wonen met ambulante ondersteuning.

Over het algemeen geldt dat de cliënt:

•Geen gebruik kan maken van voorliggende voorzieningen of wetgeving omdat deze onvoldoende ondersteuning bieden.

•Geen netwerk heeft dat (voldoende) steun biedt of steun kan bieden.

•Last heeft van multiproblematiek; Psychische en/of psychosociale problemen heeft, mogelijk in combinatie met een verstandelijke beperking, verslaving, gedragsproblematiek, somatische aandoening en/of lichamelijke beperking.

•Mogelijk in aanraking is (geweest) met politie/justitie.

•Grensoverschrijdend gedrag kan laat zien; (verbaal) agressief, manipulatief, dwangmatig, destructief en/of reactief gedrag in onder andere de interactie.

•Beperkt inzicht heeft in de eigen problematiek en/of gevolgen van eigen handelen/gedrag.

•Er kan sprake zijn van maatschappelijke teloorgang.

•Zeer beperkt gevoelig is voor begeleiding.

•Intrinsiek gemotiveerd is.

•Onvoldoende in staat is zijn hulpvraag zelf te formuleren en uit te stellen.

•Problemen ervaart bij het onderhouden van sociale relaties en het invullen van de dag.

•Beperkt of geen vaardigheden bezit om problemen op te lossen of besluiten te nemen.

•Begeleiding of overname bij één of meerdere taken van de basale algemeen dagelijkse levensverrichtingen (ADL)

3Onder basale ADL wordt verstaan: persoonlijke hygiëne, zelfstandig kunnen verplaatsen binnenshuis, aankleden, eten en drinken.

nodig heeft.

•Begeleiding of overname bij één of meerdere taken van de instrumentele ADL

4Onder instrumentele ADL wordt verstaan: reizen, maaltijd bereiden, boodschappen doen, huishouden voeren, administratie, financiën, medicatie beheren, afspraken maken en nakomen, problemen oplossen en besluiten nemen.

nodig heeft.

•Begeleiding nodig heeft bij het opstarten en/of vasthouden van dagbesteding.

Acties uit te voeren door aanbieder

•Begeleiding is 24 uur op een dag 7 dagen in de week aanwezig en beschikbaar voor de cliënt. Omdat de cliënt in de nacht soms begeleiding nodig heeft is er een wakende wacht aanwezig die in de gaten houdt of het goed gaat met de cliënt. De begeleiding is gericht op het vergroten en behouden van zelfredzaamheid en zelfregie. Begeleiding is gericht op het ondersteunen en aanleren van vaardigheden op alle levensterreinen, het waar mogelijk leren omgaan met de beperkingen (cognitief en psychisch) en het beheersbaar houden en gaandeweg doen afnemen van de gedragsproblemen. Daarnaast is begeleiding in samenspraak met de behandelaar gericht op het leren omgaan met de beperkingen (cognitief en psychisch) en het beheersbaar houden en gaandeweg doen afnemen van de gedragsproblemen. De begeleiding is gericht op het ontwikkelen van zelfregie en zelfredzaamheid. Het uiteindelijke doel is doorstromen naar een lichtere beschermde woonvorm of om zelfstandig te wonen met ambulante ondersteuning in de gemeente van herkomst. De intensiteit van de ondersteuning fluctueert en sluit aan bij de ondersteuningsbehoefte van de cliënt.

Ondersteuning bestaat uit:

•Samen met de cliënt een plan opstellen gericht op herstel.

•Ondersteunen en motiveren van de cliënt bij het behalen van zijn (herstel)doelen.

•Begeleiding bij het aanleren van vaardigheden gericht op de zelfredzaamheid en bij het omgaan met beperkingen.

•Toezien op, begeleiding bij en aanleren van basale ADL, zodat de cliënt zo zelfstandig mogelijk de basale ADL kan uitvoeren. Wanneer er een somatische grondslag is, wordt zonodig wijkverpleging /verzorging ingezet voor het overnemen van taken.

•Toezien op instrumentele ADL, indien nodig taken overnemen en ondersteunen bij het verwerven van vaardigheden zodat de cliënt zo zelfstandig mogelijk de instrumentele ADL kan uitvoeren.

•Toezien op de geestelijke- en lichamelijke gezondheid van de cliënt en indien nodig contact opnemen met behandelaar/huisarts/specialist.

•Begeleiding bij het vergroten van de sociale redzaamheid.

•Begeleiding bij het aanleren van vaardigheden om zelfstandig de dag in te vullen/een weekplanning te maken en overnemen waar nodig.

•Begeleiding bij het aanleren van vaardigheden met betrekking tot het doen van de financiën, administratie en contact met instanties. Geldbeheer moet indien nodig bij een bewindvoerder/curator worden ondergebracht.

•Monitoren en tijdig signaleren van het gedrag van de cliënt.

•Ondersteunen van de cliënt bij het formuleren van de ondersteuningsvraag.

•Ondersteunen van de cliënt bij het behouden dan wel vergroten van zijn sociale netwerk.

•Begeleiding bij eventueel contact met politie/justitie.

•Ondersteuning bij het behouden en vergroten van het sociale netwerk.

•Begeleiding bij afstemming met de, eventueel, betrokken behandelaar.

•Begeleiding bij duurzame uitstroom naar de gemeente van herkomst.

•Begeleiding richting een passende vervolgplek.

•Begeleiding bij het vinden en vasthouden van zinvolle en passende dagbesteding.

•Begeleiden bij het organiseren van aanvullende hulpverlening (somatisch/thuiszorg/WMO-voorzieningen (scootmobiel etc.).

De beschermd wonen locatie biedt:

•Minimaal 7 uur individuele begeleiding per week.

•Begeleiding, bescherming en stabiliteit in een veilige en weinig eisende woonomgeving.

•24/7 begeleiding, aanwezigheid en beschikbaarheid voor de cliënt waarbij er in de nachten een wakende wacht aanwezig is.

•Gemiddeld minimaal vier dagdelen dagbesteding of passende activering per week die aansluit bij de hersteldoelen, waarbij onderwijs en werk voorliggend zijn aan dagbesteding. Trajecten die lopen via het UWV maken geen onderdeel van dagbesteding uit.

Resultaat

Er is sprake van stabiliteit op het gebied van de psychische en psychosociale problematiek van de cliënt. Overname van taken om zich zelfstandig te handhaven in de samenleving is niet langer noodzakelijk. De financiële en algemene administratie zijn georganiseerd en geborgd. De cliënt is in staat om door te stromen naar een lichtere beschermde woonvorm of om zelfstandig te wonen met ambulante ondersteuning.

Looptijd beschikking

Passend bij de ondersteuningsbehoefte van de cliënt maximaal 3 jaar.

9.5.4 Gewoon Thuis

Gewoon Thuis

Kenmerken pakket

Gewoon Thuis biedt ambulante begeleiding met 24x7 beschikbaarheid en oproepbaarheid. Hulp is indien nodig binnen 45 minuten aanwezig. De begeleiding sterkt de volwassene in verbinding met de wijk en het sociale netwerk en andersom. Met ondersteuning vanuit Gewoon Thuis wonen volwassen in hun eigen huis, en betalen ze zelf het levensonderhoud. Wonen en zorg zijn dus gescheiden.

Het doel van Gewoon Thuis is instroom in Beschermd Wonen voorkomen of uitstroom vanuit intramurale setting bevorderen.

Cliënten kunnen indien nodig logeren. Logeren is een apart product, wat door de aanbieder kan worden aangevraagd. Cliënten doen - als daar behoefte aan is - een aanvraag voor dagbesteding bij de lokale gemeente. De gemeente beoordeelt deze aanvraag en beschikt (indien de aanvraag positief wordt beoordeeld) een lokaal dagbestedingsproduct, zoals gebruikelijk bij zelfstandig wonende inwoners die behoefte hebben aan dagbesteding. De dagbesteding wordt bekostigd vanuit de lokale Wmo-middelen van desbetreffende gemeente.

De hieronder genoemde criteria gelden als randvoorwaarde voor Gewoon Thuis. Uitgangspunt is echter altijd maatwerk. Er is daarom ruimte voor uitzonderingen.

Over het algemeen geldt dat de cliënt:

•Gerichte intensieve ambulante begeleiding nodig heeft ter voorkoming van Beschermd Wonen en/of gericht op ambulantisering.

•De hulpvraag minimaal 45 minuten kan uitstellen en in staat is om zelf een beroep te doen op begeleiding.

•Met de nodige begeleiding een netwerk kan opbouwen, aanwezigheid van enig netwerk is wenselijk.

•Zelfstandig kan reizen en zich fysiek zelfstandig verplaatsten.

•De basale ADL vaardigheden beheerst en met hulp meer inzicht kan krijgen in financiën, eetpatroon, leefpatroon en zelfzorg.

•Matig tot ernstige gedragsproblemen heeft. Hanteerbaar is met begeleiding waarbij gewerkt kan worden aan herstel richting zelfredzaamheid, opleiding/werk/dagritme/invulling en participatie.

•Er is sprake van een stabiele thuissituatie en bereidheid om ondersteuning te ontvangen

Acties uit te voeren door aanbieder

De begeleiding bestaat uit:

•De begeleiding is gericht op het aanleren van woonvaardigheden om zelfstandig te functioneren en op het stabiliseren van de situatie.

•De begeleiding sterkt de volwassene in verbinding met de wijk en het sociale netwerk en andersom.

•Aanbieder werkt samen met de cliënt aan persoonlijke veiligheid en weerbaarheid.

De aanbieder biedt:

•Gemiddeld zes uur begeleiding per week. Begeleiding kan op- en afgeschaald worden naar behoefte.

•24X7 beschikbaarheid en oproepbaarheid, hulp kan binnen 45 minuten aanwezig zijn.

•Zorg kan worden geleverd tussen 07:00 uur en 22:00 op alle weekdagen.

•Tussen 22:00 en 07:00 uur wordt ongeplande zorg opgevangen middels bereikbaarheidsdienst

•Vraagt, indien nodig, logeren aan bij de plaatsingscoördinatoren.

•Aanbieder organiseert vervolg van de begeleiding als logeren niet volstaat en begeleiding vanuit intramurale setting nodig is.

Resultaat

De situatie van cliënt is gestabiliseerd, er is geen opname in kliniek of in beschermde woonvorm noodzakelijk.

Looptijd beschikking

Passend bij de ondersteuningsbehoefte van de cliënt.

Hoofdstuk 5 van de Verordening

Hoofdstuk 10 Ondersteuning gericht op het wonen en in en om de woning verplaatsen

10.4 Hoofdverblijf

10.4.1 Uitzondering hoofdverblijf

Er is een uitzondering. In het geval van co-ouderschap waar het kind geen normaal gebruik kan maken van de woningen. Bij co-ouderschap delen de ouders de zorg voor het kind. In die situaties kan voor twee woningen een woningaanpassing en/of een traplift worden verstrekt. In het geval van losse hulpmiddelen wordt beoordeeld of één hulpmiddel voldoende is omdat het hulpmiddelen meegenomen kan worden naar de woning van de betreffende co-ouder. Alleen in geval van co-ouderschap kunnen in beide ouderlijke woningen woonvoorzieningen getroffen worden en niet in situaties waarin sprake is van een bezoekregeling tussen ouders.

10.5 Primaat van verhuizen

10.5.1 Kosten

De gemeente neemt de volgende kosten in ieder geval mee in de overwegingen:

a.het kostenverschil tussen de hulp-op-maat en de tegemoetkoming verhuiskosten en/of inrichtingskosten.

b.de huidige en voorzienbare aanpassingskosten en/of traplift van de reeds bewoonde woning;

c.de eventuele aanpassingskosten van de nieuwe beschikbare woning.

Op basis van de kostenafweging kan de gemeente besluiten om het primaat niet toe te passen maar de huidige woning aan te passen. Voor de cliënt die toch gaat verhuizen, wordt geen financiële tegemoetkoming verhuiskosten en/of inrichtingskosten verstrekt.

Ad. a.

Het kostenverschil tussen bijvoorbeeld de woningaanpassing en de tegemoetkoming verhuiskosten en/of inrichtingskosten is van belang om te het primaat van de verhuizen toe te kunnen passen. Dat wil zeggen als deze tegemoetkoming goedkoper en ook adequaat is. Daarvoor zijn de afwegingsfactoren in 10.5.2 van deze beleidsregels ook van belang. Dat de cliënt graag in zijn huidige woning wil blijven wonen maakt, hoe begrijpelijk die wens ook kan zijn, niet dat de gemeente, een gevraagde woningaanpassing moet verstrekken (bijv. CRVB:2022:477). Dit mede gelet op het kostenverschil (CRVB:2018:2602). Het spreekt voor zich dat er binnen een medisch aanvaardbare termijn wel een geschikte woning beschikbaar moet zijn.

Ad b.

Het kan voorkomen dat de cliënt weliswaar op een relatief eenvoudige woningaanpassing en/of traplift is aangewezen. Maar dat het, gelet op de aard en prognose van de beperkingen, voor de hand ligt dat er op termijn nog een woningaanpassing en/of een traplift nodig zal zijn. Zeker wanneer aannemelijk is dat hier hoge kosten aan verbonden zijn of de woning zelfs niet meer geschikt zal zijn omdat deze niet kan worden aangepast. De gemeente zal moeten beoordelen of de aangewezen woningaanpassing en/of traplift wel langdurig als passende bijdrage kan worden aangemerkt. Wat onder langdurig wordt verstaan laat zich niet makkelijk vertalen in tijd. Ingeval van woonvoorzieningen die niet zijn terug te draaien zonder hoge kosten, meestal een woningaanpassing, moet sprake zijn van langdurige beperkingen.

Ad. c

Het kan bijvoorbeeld zijn dat in de nieuwe beschikbare en op dat moment meest geschikte woning ook weer een aangepaste keuken of stalling voor de vervoersvoorziening moet worden gerealiseerd. Verder kan ook de beoordeling van het verstrekken van een losse woonunit aan de huidige woning aan de orde zijn als dat als goedkoopst passende bijdrage kan worden aangemerkt. Het ligt echter niet voor de hand omdat deze kosten vaak hoger zijn dan de eventuele aanpassingskosten van de nieuwe woning. Bij de aanvraag om een traplift kan dat anders liggen.

10.5.2 Afwegingsfactoren primaat van verhuizen

Het is niet mogelijk een uitputtend overzicht te geven van alle mogelijke afwegingsfactoren die een rol kunnen spelen bij de toepassing van het primaat van verhuizen, omdat elke situatie anders kan zijn. De beleidsregels geven een overzicht van relevante factoren die daar, afhankelijk van de situatie, een rol bij kunnen spelen.

Belangenafweging

Aan de hand van de belangenafweging kunnen er zwaarwegende redenen zijn waardoor een uitzondering moet worden gemaakt op het verhuisprimaat. Voorbeelden waarin de gemeente de belangen weegt zijn:

1De aanwezigheid van aangepaste of eenvoudig aan te passen woningen (zie ook 10.5.1 van deze beleidsregels).

2Kostenvergelijking tussen aanpassen en verhuizen (zie ook 10.5.1 van deze beleidsregels).

3Er blijkt uit medisch onderzoek een contra-indicatie voor verhuizen. Bijvoorbeeld als verwacht wordt dat een cliënt binnen een redelijke termijn niet zal aarden of vertrouwd zal kunnen geraken in de nieuwe woning of woonomgeving. Denk bijvoorbeeld aan een cliënt (of partner) met dementie.

4Er blijkt uit onderzoek dat de medische situatie van de cliënt zich verzet tegen een zoektijd/wachttijd naar een geschikte woning. Uit het medisch advies moet dan bijvoorbeeld blijken wat een medisch aanvaardbare termijn is waarbinnen de cliënt over een aangepaste/geschikte woning moet beschikken. Dat is afhankelijk van de individuele situatie.

5Sociale omstandigheden. De aanwezigheid van mantelzorg door mensen in de directe omgeving van de woning maakt het niet acceptabel dat de cliënt verhuist. Daarvan is sprake als de te verlenen mantelzorg wordt geleverd in een bepaalde intensiteit en een wezenlijke bijdrage leveren aan het behoud van de zelfredzaamheid van de cliënt met het oog op zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven (wonen). Dat is ook het geval als de mantelzorger zorg op grond van de Zvw of ondersteuning in de vorm van een maatwerkvoorziening overbodig maakt en duidelijk is dat de mantelzorg in zijn bestaande omvang en intensiteit bij een eventuele nieuwe woning niet (meer) kan worden verleend. Ook de aanwezigheid van vrienden en familie, de gezondheidssituatie van de partner kunnen een rol spelen.

6De verhuizing leidt tot inkomstenderving doordat bedrijfsmatige activiteiten niet meer kunnen worden uitgeoefend of het verplaatsen van het bedrijf onredelijke kosten met zich meebrengt. Deze kosten kunnen voor de ondernemer in kwestie mogelijk wel aftrekbaar zijn op diens aangifte Inkomstenbelasting. Hierbij kan het gaan om de cliënt zelf maar ook zijn partner.

7Er is een substantiële stijging van woonlasten verbonden aan de woning waar naar moet worden verhuisd (zie verder hierna).

Woonlastenconsequenties woning

Een nieuwe huurwoning kan een (aanzienlijke) stijging van de huurprijs met zich meebrengen. Deze huidige huurprijs wordt vergeleken met de huurprijs van de beschikbare woning rekening houdend met het recht op huurtoeslag en eventueel toename of afname van het wooncomfort. De gemeente beoordeelt in ieder geval of een eventuele huurlastenstijging voor de aanvrager en zijn eventuele echtgenoot redelijkerwijs niet aanvaardbaar zijn. Daarbij is het niet zo dat het hebben van erg lage woonlasten zonder meer betekent dat het primaat van verhuizen niet kan worden toegepast. Immers iedereen wordt geacht de toepasselijke basishuur te kunnen betalen van zijn eigen inkomen. Bij toewijzing van een woning wordt overigens door de woningbouwcoöperatie rekening gehouden met de verhouding tussen het inkomen en de toe te wijzen woning qua huurprijs op grond van de Wet op de huurtoeslag (Wht). Het kan ook gaan om een koopwoning. Daarvoor gelden een aantal dezelfde uitgangspunten. Een stijging van de woonlasten die aan een eigen woning verbonden zijn hoeven dan ook niet in de weg te staan aan het toepassen van het primaat van verhuizen.

Woonlastenconsequenties bij verhuizing eigen woningbezit

Om de woonlastenconsequenties voor woningeigenaren te berekenen worden de netto woonlasten van deze eigen woning als volgt berekend:

•Rente die verband houdt met de woning (netto hypotheeklasten),

•Zakelijke lasten in verband met het hebben van eigendom,

•Opstalverzekering.

Restschuld

Toepassing van het primaat van verhuizen is niet toegestaan als de cliënt en/of de mede-eigenaar van de woning, bijvoorbeeld diens partner, met een aanzienlijke restschuld blijven zitten na de verkoop van de woning. Of daarvan sprake is, beoordeelt de gemeente op basis van de individuele situatie.

10.9 Hulpmiddelen

10.9.1 Wettelijke afbakening hulpmiddelen

Sinds 1 januari 2013 is de uitleen van hulpmiddelen onder de werking van de Zvw gebracht (Stcrt. 2012, nr. 14946). Of een verzekerde in aanmerking komt voor bepaalde hulpmiddelen via de uitleen is afhankelijk van de vraag of hij daar voor een beperkte of onzekere duur op is aangewezen (art. 2.12 lid 2 Regeling zorgverzekering). Het gaat om rolstoelen, drempelhulpen, transferhulpmiddelen en hulpmiddelen voor het zich wassen en zorgdragen voor de toiletgang. Staat op voorhand vast dat de cliënt voor onbeperkte duur is aangewezen op een dergelijk hulpmiddel wordt deze op grond van de Wmo 2015 verstrekt. In de praktijk kan overigens nog steeds de zes-maanden-termijn worden gehanteerd (2 x 3 maanden uitleen) zoals die gold tot 1 januari 2013. Zodra voor gebruik van het hulpmiddel moeten worden betaald, kan aanspraak bestaan op een maatwerkvoorziening. In het algemeen geldt dat als en voor zover de cliënt gebruik kan maken van de kosteloze uitleen, het tot zijn eigen verantwoordelijkheid behoort dat ook te doen.

10.9.2 Eenvoudige mobililiteitshulpmiddelen

De reden om de rollator en andere eenvoudige mobililiteitshulpmiddelen uit het basispakket van de zorgverzekering te halen is dat de verzekerden ook zelf een verantwoordelijkheid hebben en dat zij zorg waarvan de kosten te overzien zijn en die bij het dagelijks leven behoren, zelf worden geacht te kunnen dragen. Voorbeelden van eenvoudige mobiliteitshulpmiddelen zijn krukken, loophulpen met drie of vier poten, looprekken en rollators. De gemeente heeft daarvoor dan ook geen ondersteuningsplicht. Analoog aan de uitleg van artikel 15 PW (Participatiewet) zijn de eenvoudige mobiliteitmiddelen uit de AWBZ geschrapt, omdat deze voorzieningen, gezien de lage kosten en de duurzaamheid, voor eigen rekening komen. Er kan weliswaar - voor de problematiek in voorkomende gevallen - aanleiding zijn voor de noodzaak tot ondersteuning, maar de eenvoudige mobililiteitshulpmiddelen zijn bewust door de wetgever uit de voorliggende wettelijke regeling gehaald. Het ligt dan ook niet op de weg van de gemeente om op grond van de Wmo die voorzieningen te verstrekken.

10.9.3 Patiëntenliften

Er zijn zowel losse (mobiele) als vaste patiëntenliften. Laatstgenoemde worden geplaatst middels een vloer-, muur- of wandbevestiging. Bij de beoordeling over de noodzaak van een dergelijke woonvoorziening worden de volgende factoren betrokken:

•de te verwachten transfers,

•de mogelijkheden van de cliënt/het kind,

•de indeling van de woning en de aanwezige inrichtingselementen,

•de beschikbare ruimte,

•de noodzakelijke lichamelijke ondersteuning van de cliënt/het kind.

10.9.4 Douchehulpmiddelen, toilethulpmiddelen

Losse hulpmiddelen voor gebruik in de "natte cel" en het toilet vallen onder de ondersteuningsplicht van de gemeente. Voorbeelden zijn badzitjes, badplanken, douchestoel, douchewagens, douchebrancards, toiletstoelen.

10.13 Rolstoelen

10.13.1 Handbewogen rolstoelen

Bij de handbewogen rolstoelen is een onderscheid mogelijk tussen zelfbewegers en duwrolstoelen. Voor zelfbewegers is een goede arm- en handfunctie van de cliënt noodzakelijk en een redelijk uithoudingsvermogen. Zelfbewegers hebben kleine wielen voor en grote wielen met hoepels achter. Voor degene die slechts in één hand of arm een sterke functie hebben zijn rolstoelen ontwikkeld die aan één kant voortbewogen kunnen worden. Duwrolstoelen hebben over het algemeen vier kleine wielen.

10.13.2 Elektrische rolstoelen

Bij elektrische rolstoelen kan het gaan om rolstoelen met zogenaamde joystick-besturing, computergestuurde rolstoelen, sta-rolstoelen of plateaurolstoelen. Onderscheid kan worden gemaakt tussen:

•elektrische rolstoelen voor binnenshuis: compact, wendbaar, kleine wielen;

•elektrische rolstoelen voor buitenshuis: groot, grote actieradius, stabiel, grote wielen. Onder omstandigheden kan deze rolstoel in aanmerking worden genomen bij het vaststellen van de vervoersbehoefte en de hoogte van financiële tegemoetkoming voor vervoer;

•rolstoel voor zowel binnens- als buitenshuis: een combinatie van kenmerken van de binnen- en buitenrolstoelen. De verstrekking is afhankelijk van de afmetingen van de woning, rijvaardigheid van de cliënt en het gebruiksgebied.

10.13.3 Kinderrolstoelen

Voor kinderen spelen andere behoeftes ook een belangrijke rol, te weten: veiligheid, nabijheid moeder/vader, beweging, ontdekken van en deelname aan alle facetten van het gezinsgebeuren en daarbuiten. De rolstoel moet makkelijk mee te nemen zijn voor gebruik binnenshuis. Verder moeten de kinderrolstoel zeer wendbaar zijn en tegen een stootje kunnen. Aan lichtgehandicapte kinderen, die nog niet aan een rolstoel toe zijn kan een aangepaste buggy verstrekt worden. Aangezien deze buggy's relatief weinig ondersteuning bieden, zijn ze bedoeld voor kinderen met een redelijke spierfunctie. Een aangepaste buggy wordt voor een kind in de leeftijd tot en met drie jaar niet als algemeen gebruikelijk voorziening beschouwd en wordt afhankelijk van de aard van de beperking verstrekt.

Bij kinderrolstoelen is een aantal aspecten van bijzonder belang:

•Een aantal voorzieningen kunnen standaard worden aangebracht: anti-kiepwieltjes, duwhandvatten (verstelbaar in hoogte) en spaakbeschermers.

•Belangrijk is dat de groei van de rolstoelgebruiker kan worden opgevangen door het rolstoelsysteem. Dit kan door rolstoelsystemen met de volgende nastelbare onderdelen: zitbreedte, zitdiepte, beenlengte, zit-, rug- en armhoogte. Bij levering van rolstoelen aan kinderen wordt hiermee rekening gehouden.

•Vanuit therapeutisch oogpunt kan het belangrijk zijn dat kinderen niet de hele dag in een rolstoel zitten maar van tijd tot tijd rechtop kunnen staan en zich staand kunnen voortbewegen. Het zitgedeelte valt onder de Wmo. Vanwege het therapeutische doel van het sta-gedeelte komt dit niet voor vergoeding in het kader van de Wmo in aanmerking, eventueel wel voor vergoeding vanuit de Zvw. In voorkomende gevallen neemt de gemeente contact op met de betreffende zorgverzekeraar om de mogelijkheid van een gezamenlijke financiering te bespreken.

10.13.4 Stoelen op wielen

Deze stoelen worden ook wel werkstoel of trippelstoel genoemd. Deze stoelen vallen in principe niet onder de ondersteuningsplicht van de gemeente, aangezien het primair gaat om een combinatie van een sta-, zit- en loopvoorziening en niet om een verplaatsingsvoorziening. De cliënt verplaatst zich namelijk zonder hulpmiddelen, bijvoorbeeld door met zijn voeten af te zetten (trippelen). Een trippelstoel valt onder de Zvw. Ook een aangepaste kinderstoel met bijvoorbeeld een zitkuipje en verplaatsbaar middels kleine wielen kan hieronder vallen. Er wordt enkel tot verstrekking overgegaan als een dergelijke stoel als goedkoopst passende bijdrage kan worden aangemerkt.

10.13.5 Aanpassingen aan rolstoelen

Aanpassingen zijn noodzakelijke maatwerkvoorzieningen om de rolstoel een adequate voorziening te laten zijn. Rolstoelen zijn in diverse maatvoeringen leverbaar. Toch zijn dan nog vaak individuele aanpassingen nodig. Een deel hiervan kan gerealiseerd worden door standaardcomponenten aan de rolstoel toe te voegen. Een ander deel moet individueel en op maat gemaakt worden.

Deze aanpassingen vinden plaats bij handbewogen, duw en elektrische rolstoelen, voor zowel kinderen als volwassenen.

Een onderscheid in aanpassingen is:

a.Zit-, rug- en ondersteuningsdelen.

Dit is in het bijzonder van belang voor cliënten die de hele dag of een groot deel van de dag in een rolstoel zitten. Het kan dan gaan om zit-orthesen (op maat gemaakte zitkuip, op een onderstel kunnen meerdere maten van kuipen geplaatst worden), rugsteunen, fixatiegordels, kantel- en zithoekverstellingen, speciale arm-, hoofd- en beenondersteuningen, anti-decubituskussens, werkbladen voor ondersteuning of activiteiten aan de rolstoel.

b.Rijgedeelte.

Het gaat hierbij onder andere om verzwaring van het frame, aandrijving van de wielen en eventueel motoren, rubber hoepelovertrekken of hoepels met extra tussenruimte, kogelkoppen of staafjes bij handbewogen rolstoelen om een goede greep mogelijk te maken.

c.Bediening en/of besturing.

Te denken valt aan het mogelijk maken van besturing door middel van voet, mond of kin.

10.13.6 Rolstoelaccessoires

Accessoires zijn extra’s die, in tegenstelling tot aanpassingen, in principe niet noodzakelijk zijn om de rolstoel op zich een adequate voorziening te laten zijn. Hiertoe behoren: rolstoelhandschoenen, regenpakken, bagagetas of boodschappennet dat aan de rolstoel bevestigd kan worden, been- en voetenzak, winterbekleding, asbak, overtrekhoezen om de rolstoel tegen neerslag te beschermen, spaakbeschermers en zonneschermen voor buggy’s en wandelwagens.

Voorwaarden

Rolstoelaccessoires vallen onder de ondersteuningsplicht van de gemeente voor zover deze noodzakelijk zijn voor dagelijks gebruik van de rolstoel. Het kan dan gaan om bijvoorbeeld: een been- en voetenzak, winterbekleding, spaakbeschermers, of een zonnescherm wanneer er sprake is van allergie.

Aard van de verstrekking

Bij hulp-op-maat in natura worden noodzakelijke rolstoelaccessoires verstrekt door de aanbieder (leverancier). De kosten komen direct voor rekening van de gemeente. Cliënten zijn geen eigen bijdrage verschuldigd voor rolstoelaccessoires. Indien de cliënt zelf accessoires aanschaft voor de in bruikleen ontvangen maatwerkvoorziening, dan moeten deze accessoires geplaatst en verwijderd kunnen worden zonder de maatwerkvoorziening te beschadigen.

10.13.7 Kosten rolstoeltraining

Net als bij een scootmobiel kunnen, als het onduidelijk is of de cliënt wel gebruik kan maken van een rolstoel, rijvaardigheidslessen (gewenning) noodzakelijk zijn. Een ergotherapeut kan beoordelen of de cliënt kan leren om gebruik te maken van de rolstoel (of scootmobiel). Worden de kosten van de ergotherapeut hiervoor niet meer op grond van de Zvw vergoed, dan draagt de gemeente daar zorg voor. In andere gevallen wordt ervan uitgegaan dat een korte instructie van de rolstoelleverancier voldoende is en bij de prijs is inbegrepen.

Artikel 5 van de Verordening

Hoofdstuk 11 Ondersteuning deelname maatschappelijk verkeer

11.6 Beleidsuitgangspunten

11.6.1 Reikwijdte

De aanspraak op grond van een andere wettelijke regeling kan ook gaan over situaties die niet onder de reikwijdte van de Wmo 2015 vallen. Dat moet worden vastgesteld tijdens het onderzoek. Denk aan medisch vervoer of leerlingenvervoer.

Ziekenvervoer

Op grond van de Zvw bestaat aanspraak op ziekenvervoer als de cliënt onder de doelgroep valt of met succes een beroep kan doen op de hardheidsclausule. Het gaat om verzekerden die nierdialyses, oncologische behandelingen met chemotherapie of radiotherapie moeten ondergaan, zich uitsluitend per rolstoel kunnen verplaatsen of het gezichtsvermogen zodanig is beperkt dat zij zich niet zonder begeleiding kan verplaatsen. Ook ambulancevervoer valt onder de Zvw. De gemeente mag van de cliënt verwachten dat bij de zorgverzekeraar wordt verzocht om een schriftelijk gemotiveerde afwijzing van een aanspraak op ziekenvervoer. Daaronder wordt ook een vergoeding van de reiskosten verstaan.

Vervoer onderwijs

Er kan aanspraak bestaan op vervoer van en naar school op grond van de Verordening bekostiging leerlingenvervoer. Het UWV kan vergoedingen en hulpmiddelen verstrekken voor leerlingen en studenten met een ziekte of handicap.

11.8 Soorten vervoersvoorzieningen

11.8.1 Individuele omstandigheden en mogelijkheden

In 2.11 van deze beleidsregels staat dat als hulp-op-maat een positief effect heeft op de gezondheid is voor de Wmo 2015 in beginsel niet relevant (CRVB:2020:2644). Het is echter wel zo dat de gemeente bij de vraag welke maatwerkvoorziening een passende bijdrage levert aan de zelfredzaamheid of participatie rekening moet houden met: de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt (art. 2.3.2 lid 1 onder a Wmo 2015). De hulp-op-maat moet immers zijn afgestemd op de individuele omstandigheden en mogelijkheden van de aanvrager (art. 2.3.5 lid 3 Wmo 2015). Daaronder valt bijvoorbeeld de wens voor een driewielfiets (al dan niet met hulpmotor) in plaats van een scootmobiel. Als uitgangspunt geldt wel de goedkoopst passende bijdrage (art. 2.2.5 lid 3 Verordening). Opgemerkt wordt dat het oplossen van het mobiliteitsprobleem voor woon-werkverkeer buiten de reikwijdte van de Wmo 2015 valt.

11.8.2 Scootmobiel

Een scootmobiel is een open elektrische buitenwagen bestemd voor gebruikers met een matige tot slechte sta- loopfunctie. De scootmobiel is bedoeld voor lokale verplaatsingen in de directe omgeving van de woning, het onderhouden van sociale contacten, het doen van boodschappen, et cetera. Het gaat in ieder geval om situaties waarbij gebruik van bijvoorbeeld een scootmobielpool geen passende oplossing is.

Een scootmobiel wordt alleen verstrekt als:

•er sprake is van een zekere sta- en loopfunctie, ook gelet op het kunnen maken van transfers,

•de cliënt een beperkte loopafstand heeft en gelet op de beperkingen en de vervoersbehoefte op de korte afstand (directe omgeving) is aangewezen op een scootmobiel,

•er niet op een andere wijze kan worden voorzien in deze vervoersbehoefte zoals met een hand- of duwstoel of een aangepaste (niet algemeen gebruikelijke) fiets,

•het vrijwilligersvervoer alleen niet in de lokale vervoersbehoefte kan voorzien (geen passende bijdrage),

•de cliënt zelf het voertuig veilig kan bedienen en besturen (eventueel vaststellen met een rijvaardigheidstest),

•er een mogelijkheid is om de scootmobiel te stallen en op te laden.

Kosten scootmobieltraining

Zoals gezegd kunnen haalbaarheidslessen noodzakelijk zijn om vast te stellen of de cliënt gebruik kan maken van een scootmobiel (CRVB:2021:244). De ergotherapeut verzorgt deze lessen en de kosten vallen dan ook onder de Zvw. Worden deze kosten hiervoor niet meer op grond van de Zvw vergoed, dan draagt de gemeenteer zorg voor. De gemeente kan daarnaast maximaal vijf gewenningslessen vergoeden, als gebleken is dat de cliënt in staat is gebruik te maken van de scootmobiel, maar zonder deze lessen niet veilig aan het verkeer kan deelnemen. In andere gevallen wordt ervan uitgegaan dat een korte instructie van de leverancier voldoende is en bij de prijs is inbegrepen.

11.8.3 Driewielfietsen en andere bijzondere fietsen

Bijzondere fietsen kunnen voor verstrekking in aanmerking komen. Denk bijvoorbeeld aan driewielfietsen of handbikes. Driewielfietsen worden speciaal gebruikt door de cliënt met beperkingen op evenwichtsgebied of een gestoorde motoriek. Dergelijke beperkingen maakt het gebruik van een normale fiets (al dan niet met hulpmotor) onmogelijk of ten minste onveilig. Om aanspraak te maken op een dergelijk maatwerkvoorziening gelden in principe dezelfde voorwaarden als voor een scootmobiel. Verder geldt dat een normale kinderdriewieler voor kinderen tot 4 jaar als algemeen gebruikelijk voorziening wordt beschouwd en daarom niet voor verstrekking in aanmerking komt.

Elektrische fiets

Dat een maatwerkvoorziening een positief effect heeft op de gezondheid, door te willen blijven fietsen, is voor de Wmo 2015 niet relevant (CRVB:2020:2644, CRVB:2023:1446). Dat betekent ook dat een noodzaak voor het verstrekken van een elektrische fiets afhankelijk is van de mogelijkheid zich te verplaatsen op een gewone fiets waarmee wordt voorzien in de vervoersbehoefte. Heeft een cliënt een medisch gelimiteerde inspanningscapaciteit op grond waarvan hij met een gewone fiets niet kan voorzien in de noodzakelijke vervoersbehoefte, dan kan een elektrische fiets aangewezen zijn (CRVB:2021:1595). Beperkingen in knie of heup kunnen ook reden zijn. De cliënt kan daardoor krachtverlies ondervinden. Ook wordt beoordeeld of de cliënt adequaat kan omgaan met de elektrische fiets. Dit in verband met de veiligheid in het gebruik. De gemeente beoordeelt bijvoorbeeld of er geen balansproblemen zijn en of de cliënt adequaat kan handelen in het verkeer. Tot slot beoordeelt de gemeente of de gewenste elektrische fiets de goedkoopst passende bijdrage is. Een scootmobiel kan namelijk goedkoper zijn en ook adequaat.

11.8.4 Adequate stalling

Voor vervoersvoorzieningen zoals een scootmobiel of driewielfiets moet een adequate stalling beschikbaar zijn. Bij verstrekking in natura (bruikleen) vloeit de verplichting voort uit de bruikleenovereenkomst. De gemeente kan met de leverancier overleggen wat adequaat stallen inhoudt. Ingeval van een pgb geldt de voorwaarde van een adequate stalling vanzelfsprekend ook. Een adequate stalling is in ieder geval: overdekt en droog. Dit om beschutting te bieden tegen weersinvloeden. Om diefstal of vernieling te voorkomen kan een afgesloten stalling nodig zijn. Een aanwezige schuur, berging, garage, bijkeuken of tuinhuisje kan als adequaat worden beschouwd. In de stallingsruimte kan een oplaadpunt nodig zijn.

Eigen kracht, eigen verantwoordelijkheid

De gemeente onderzoekt of de cliënt zelf mogelijkheden heeft om hier zorg voor te dragen, door bijvoorbeeld herinrichten of opruimen van de beoogde (stallings)ruimte (CRVB:2016:429). Het stallen van een scootmobiel in bijvoorbeeld de hal is een acceptabel alternatief voor het realiseren van een adequate stalling of het verbreden van een tuinpoort (CRVB:2023:1642). Dat is anders als de cliënt bijvoorbeeld de hal niet in kan rijden of er met een gestalde scootmobiel geen voldoende ruimte is om deze te kunnen passeren. Heeft de cliënt geen mogelijkheden tot het stallen van de voorziening, dan valt het realiseren daarvan onder de ondersteuningsplicht van de gemeente.

11.8.5 Autoaanpassingen

Autoaanpassingen zijn erop gericht dicht-bij-huis verplaatsingen mogelijk te maken voor cliënten die daarvoor zijn aangewezen op het gebruik van de eigen auto en voor wie het vrijwilligers vervoer geen oplossing biedt. In de praktijk zal dat niet vaak voorkomen.

Algemeen gebruikelijk

Sommige autoaanpassingen kunnen een algemeen gebruikelijke voorziening zijn. Denk bijvoorbeeld aan stuur- en rembekrachtiging, de automatische versnelling of een auto met hoge instap. Het gaat om situaties waarin de cliënt auto aanschaft en de gemeente verzoekt om de aanpassingen van die auto. Het ligt op de weg van de cliënt om een geschikte auto te kiezen in een prijsklasse die voorziet in bijvoorbeeld een cruisecontrol (CRVB:2009:BK1515).

Fondsenwerving

Het werven van fondsen is vanzelfsprekend geen voorliggende oplossing op het verstrekken van een maatwerkvoorziening waarop de cliënt is aangewezen. Het kan echter wel voorkomen dat een cliënt met behulp van fondsen een auto of bus kan aanschaffen. Vaak moeten aan zo’n auto of bus nog aanpassingen verricht worden. Het ligt op de weg van de cliënt daarover vooraf met de gemeente contact over te hebben. Dit om teleurstellingen te voorkomen als een aanvraag om aanpassingen zal worden afgewezen.

Uitgangspunten bij de beoordeling autoaanpassing

Bij het verstrekken van een autoaanpassing worden een aantal uitgangspunten gehanteerd.

•Is het gebruik van de eigen auto nodig voor het zich dicht-bij-huis verplaatsen én is het vrijwilligersvervoer of rolstoelvervoer van Caritas geen passende bijdrage?

•Is de cliënt eigenaar en bestuurder van de auto? Onder de eigenaar van de auto kan ook de wettelijk vertegenwoordiger van het kind worden verstaan waar de autoaanpassing voor bestemd is. Ook kan de cliënt zijn aangewezen op vervoer door diens partner.

•Is een autoaanpassing de goedkoopst passende bijdrage?

•Wat is de staat van de auto (ouderdom en technische staat)?

•De gemeente hanteert het uitgangspunt dat de auto waar de autoaanpassing voor bestemd is moet nog ten minste zeven jaar te gebruiken zijn. Daarvoor doet de gemeente onderzoek naar de gemiddelde levensduur van de auto. De gemeente kan hiervan afwijken als de aanpassing, zonder al te hoge kosten, in een volgende auto kan worden overgezet.

•Ook kan bij twijfel een technische keuring van de auto door een onafhankelijke instantie (bijvoorbeeld de ANWB) nodig zijn. Dit om te kunnen beoordelen of de aanpassing nog verantwoord is met het oog op de technische staat en de verwachte levensduur van de auto.

Afschrijvingstermijnen

•Bij de aanschaf van een personen- òf rolstoeltoegankelijke auto is de afschrijvingstermijn van de aangebrachte aanpassingen bepaald op 10 jaar;

•Indien de inwoner besluit om binnen een termijn van 10 jaar over te gaan tot de aanschaf van een andere personen- òf rolstoeltoegankelijke auto zal de restwaarde van eerdere aanpassingen in mindering worden gebracht op het te vergoeden bedrag van de nieuwe aanpassingen;

•Bij de aanschaf van een personen- òf rolstoeltoegankelijke auto (occasion) kan ten hoogste de restwaarde van de reeds aangebrachte aanpassingen voor vergoeding in aanmerking worden gebracht.

Bij het aanpassen van een rolstoelbus/auto valt de denken aan:

•Aanpassen van de vloer

•Bekleden zijwanden

•Hemelbekleding

•Oprijplaten/platform

•Rolstoelvergrendeling/vastzetsysteem

•RDW-keuring

Bijzonderheden

De wegenbelasting en autoverzekering komen niet voor vergoeding in aanmerking. Als sprake is van een aanvraag voor een aanpassing aan de eigen auto, dient een advies van het Centraal Bureau Rijvaardigheid (CBR) met de restreint bepalingen aanwezig te zijn. Dit op basis van de Regeling coderingen beperkingen rijbevoegdheid. Het CBR verricht de keuring voor het vaststellen van de beperkingen (restreint), waarop de auto voor de cliënt aangepast moet zijn. Zonder deze restreintbepalingen is de cliënt onverzekerd als hij in een auto rijdt. Aan de eis dat de auto niet ouder mag zijn dan zeven jaar, kan worden voorbijgegaan als de autoaanpassing in een andere auto kan worden overgezet (bijvoorbeeld een aangepaste autostoel). Als in dat geval de aanpassing binnen zeven jaar overgezet moet worden, dan zijn de kosten hiervan voor rekening van de cliënt.

BPM teruggave

Op grond van het Nederlands belastingstelsel is de teruggaaf BPM-gehandicaptenregeling in het leven geroepen. Indien een bestelauto op of na 1 juli 2005 in gebruik is genomen voor het vervoer van een gehandicapte en diens rolstoel of ander hulpmiddel, kan men een teruggaaf krijgen van belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bron:belastingdienst.nl).

11.9 Een gehandicaptenvoertuig

11.9.1 Voorwaarden verstrekken gehandicaptenvoertuig

Voor de cliënt geldt dat hij op eigen gesloten buitenvervoer moet zijn aangewezen omdat het vraagafhankelijke vervoer (Caritas) al dan niet gecombineerd met een aanvullende vervoersvoorziening niet de goedkoopst passende bijdrage is.

11.9.2 Brommobiel

Dit betreft een gesloten buitenwagen die breder is dan 1,10 meter en geen gehandicaptenvoertuig is. De brommobiel lijkt op een kleine auto en mag alleen van de rijbaan gebruik maken. De brommobiel wordt in beginsel niet op grond van de Wmo 2015 verstrekt.

11.11 Een sportvoorziening

11.11.1 Participatie in de Wmo 2015

Voor het beoordelen van de mate van participatie moet beoordeeld worden in hoeverre iemand kan deelnemen aan het maatschappelijk verkeer. Dit wil zeggen dat iemand, ondanks zijn lichamelijke of geestelijke beperkingen, op gelijke voet met anderen in redelijke mate mensen kan ontmoeten, contacten kan onderhouden, boodschappen kan doen en aan maatschappelijke activiteiten kan deelnemen. Daarvoor is het ook een vereiste dat hij zich kan verplaatsen (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 6 en 123). De verplichting om een maatwerkvoorziening te bieden gaat echter niet zo ver dat de aanvrager in exact dezelfde of wellicht zelfs in een betere positie wordt gebracht dan waarin hij verkeerde voor hij de ondersteuning nodig had. De gevraagde ondersteuning moet in een redelijke verhouding staan tot wat de situatie van de aanvrager was voor hij ondersteuning nodig had (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 149‑150). In het algemeen kan gezegd worden dat door het verstrekken van een vervoersvoorziening of dagactiviteiten iemand in redelijke mate kan participeren.

11.11.2 Medemensen ontmoeten en sociale contacten onderhouden

Er zijn echter situaties denkbaar waarin alleen door het verstrekken van een (gevraagde) sportvoorziening het mogelijk wordt gemaakt om deel te nemen aan het leven van alle dag van de cliënt. Het gaat om activiteiten die zo zeer zijn verbonden aan de cliënt dat de beperkingen daarin niet anders dan door het verstrekken van een sportvoorziening kunnen worden opgelost (CRVB:2013:CA0088). In de hiervoor aangehaalde uitspraak ging het om een cliënt die al 25 jaar lid was van een wielervereniging. In die periode heeft de cliënt sociale contacten opgebouwd; met hen werden allerlei activiteiten gedaan rondom wielrennen. Deze activiteiten waren, mede gelet op omvang van de periode, zo zeer aan de cliënt verbonden dat een maatwerkvoorziening in de vorm van een sportvoorziening was aangewezen. Dat zal in de praktijk niet vaak voorkomen. De compensatieplicht van de gemeente is immers niet gericht op het optimaliseren. Er geldt dus geen verplichting om ‘alles’ te compenseren op het gebied van zelfredzaamheid of participatie (CRVB:2022:1502).

11.11.3 Uniek sporten

Met steun van het ministerie van VWS is Uniek Sporten Hulpmiddelen opgezet. Dit biedt een uitkomst voor cliënten in het geval de gemeente vaststelt dat een maatwerkvoorziening in de vorm van een sportvoorziening niet is aangewezen. Via Uniek Sporten Uitleen kan de cliënt gratis een sporthulpmiddel uitproberen voor maximaal 4 maanden. Bijvoorbeeld een tennisrolstoel of handbike. Er is een breed aanbod beschikbaar zodat de cliënt een sport kan kiezen die het beste past. Uniek Sporten Uitleen is meer dan een uitleenservice. De cliënt krijgt namelijk ook advies over het sporthulpmiddel en het gebruik ervan. Het hulpmiddel wordt persoonlijk gepast en afgesteld op de wensen en tijdens de uitleenperiode is technische service en onderhoud beschikbaar.

Financiering aanschaf

Bij Uniek Sporten Hulpmiddelen kan de cliënt een aanvraag indienen voor de financiering van een sporthulpmiddel.

Artikel 5.2.1 lid 5 van de Verordening Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugd Urk 2025

Hoofdstuk 6 van de Verordening Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugd Urk 2025

Hoofdstuk 13 Persoonsgebonden budget

13.8 Pgb-vaardigheid

13.8.1 Vaststellen pgb-vaardigheid

De gemeente moet vaststellen of de cliënt dan wel zijn vertegenwoordiger pgb-vaardig is. Daarvoor wordt onderzocht of de cliënt:

1Een goed overzicht van zijn eigen situatie kan houden.

2Weet welke regels er horen bij een pgb.

3Een overzichtelijke pgb-administratie kan bijhouden.

4Kan communiceren met de gemeente, de SVB en ondersteuners.

5Zelfstandig kan handelen en zelf voor ondersteuners kan kiezen.

6Zelf afspraken kan maken, deze afspraken kan bijhouden en zich hier aan houden.

7Kan beoordelen of de ondersteuning uit het pgb bij hem past.

8Zelf de ondersteuning kan regelen met één of meer ondersteuners.

9Kan zorgen dat de ondersteuners die voor hem werken weten wat ze moeten doen.

10Weet wat te doen als werkgever of opdrachtgever van een ondersteuner.

Deze 10 punten zijn gebaseerd op de handreiking en infographic pgb-vaardigheid van de Rijksoverheid.

13.8.2 Hulp bij pgb-vaardigheid

De budgethouder kan een vertegenwoordiger hebben. Dat is een persoon of rechtspersoon die een cliënt vertegenwoordigt die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen (art. 1.1.1 lid 2 Wmo 2015). Eenvoudig gezegd: de budgethouder zelf is niet pgb-vaardig. Bij een vertegenwoordiger kan het gaan om een persoon die door de budgethouder gemachtigd is of een wettelijke vertegenwoordiger die is aangesteld door de rechtbank (bewindvoerder, curator of mentor). De gemeente moet dan vaststellen of de vertegenwoordiger pgb-vaardig is (zie verder hierna).

13.8.3 Wettelijk vertegenwoordiger

Bewindvoerder (beschermingsbewind)

Beschermingsbewind is een (tijdelijke) beschermingsmaatregel voor mensen die (tijdelijk) hun geldzaken niet kunnen regelen. Met de aanstelling van een bewindvoerder is het risico dat het pgb niet besteed zal worden aan de daarvoor bestemde doelen voldoende ondervangen (RBGEL:2019:4940). Bewind gaat immers over vermogensrechtelijke handelingen. Het spreekt voor zich dat de gemeente niet bevoegd is een oordeel te geven of de bewindvoerder de taken uit hoofde van de bewindvoering op juiste wijze uitvoert. Maar de gemeente zal wel moeten vaststellen of de bewindvoerder de (andere) taken die aan het pgb zijn verbonden op juiste wijze uitvoert. Denk bijvoorbeeld aan het aansturen en aanspreken van de ondersteuner en het evalueren van de geboden ondersteuning. Een Wsnp-bewindvoerder voert alleen het Wsnp-bewind uit en geen andere taken.

Kosten pgb-beheer

De kosten voor het pgb-beheer van de bewindvoerder of curator mogen niet worden betaald uit het pgb. Deze kosten komen ook niet in aanmerking voor bijzondere bijstand (CRVB:2015:1654). De kantonrechter kan aan de curator of bewindvoerder een (extra) beloning toekennen voor het beheren van een pgb op grond van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren.

Mentor

Een mentor behartigt de niet-vermogensrechtelijke belangen van cliënten zoals rechtshandelingen voor verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding. Bij mentorschap mag de betrokkene wel nog rechtshandelingen van vermogensrechtelijke aard mag verrichten. Een mentor kan zonder verdere machtiging een aanvraag doen maar is (zonder machtiging van de cliënt) niet bevoegd om het pgb-beheer (vermogensrechtelijke handelingen) uit te voeren. Is een mentor gemachtigd om het pgb te beheren, dan kan de Kantonrechter ook aan de mentor hier een (extra) beloning voor toekennen (zie hiervoor).

13.8.4 Vertegenwoordiger

Wie kan gemachtigd worden

Voorbeelden van personen die de budgethouder kan machtigen zijn: de echtgenoot, de geregistreerde partner of andere levensgezel van de cliënt, de ouder, kind, broer of zus, grootouder of kleinkind (art. 1.1.1 lid 2 Wmo 2015).

Volmacht vereist

Zonder volmacht kunnen de hiervoor genoemde personen niet als vertegenwoordiger optreden als de cliënt dat niet wenst. Dat moet de gemeente onderzoeken.

Belang van de cliënt centraal

De vertegenwoordiger mag alleen handelen in het belang van de cliënt en dus niet ook zijn eigen belang dienen. Een vertegenwoordiger zorgt er feitelijk voor dat (namens) de budgethouder de verplichtingen die aan het pgb zijn verbonden ook daadwerkelijk worden nagekomen. Hij biedt de budgethouder gewaarborgde hulp. Dat is van belang omdat de gevolgen van het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen in beginsel voor rekening en risico van de budgethouder komen. Denk aan de weigering van een pgb, het intrekken van het recht op pgb of de terugvordering van een ten onrechte of tot een te hoog bedrag betaald pgb.

Gewaarborgde hulp

Blijkt uit onderzoek dat de vertegenwoordiger de gewaarborgde hulp niet kan bieden of daar objectieve twijfels over bestaan, dan weigert de gemeente het pgb.

Handelwijze vertegenwoordiger

Is de handelwijze van de vertegenwoordiger eerder aanleiding geweest voor de intrekking van een pgb, dan kan deze persoon niet meer de pgb-vaardigheid van de budgethouder overnemen. Dit ter bescherming van de budgethouder. De gemeente zal de cliënt in de gelegenheid moeten stellen om een andere vertegenwoordiger te machtigen die in staat is de pgb-vaardigheid op zich te nemen. De gemeente zal bij een eerdere intrekking van een pgb gebruik maken van de bevoegdheid om geen pgb toe te kennen, zie 13.11 van deze beleidsregels.

13.8.5 Conflicterende belangen

Er zijn conflicterende belangen als de vertegenwoordiger ook degene is (de derde) aan wie het pgb wordt besteed wordt besteed. Dat geldt ook als de vertegenwoordiger een aan die derde gelieerde persoon is. Conflicterende belangen zijn niet toegestaan. Dat volgt uit de rechtspraak (CRVB:2019:3761, CRVB:2019:2803, CRVB:2024:1557). In dat geval weigert de gemeente het pgb omdat de beheerstaken niet met voldoende afstand en kritisch kunnen worden vervuld. Onder een aan die derde gelieerde persoon wordt bijvoorbeeld een medewerker verstaan die bij deze derde in dienst is of er op een andere manier verwevenheid tussen hen bestaat.

13.8.6 Persoon sociaal netwerk

Conflicterende belangen zijn ook aan de orde als het een persoon uit het sociaal netwerk betreft. Ook dat is niet toegestaan. Een uitzondering kan zich voordoen als:

•uit deskundigenadvies blijkt dat de hulp alleen door deze persoon kan worden geboden, en

•het niet mogelijk is iemand anders in te schakelen als vertegenwoordiger.

Deze persoon mag daarbij op geen enkele wijze druk uitoefenen op de cliënt bij de keuze van een pgb ter besteding aan die persoon. Dat wil zeggen de budgethouder mag niet door deze persoon worden beïnvloed.

13.11 Kwaliteit en veiligheid

13.11.1 VOG bij diensten

Zowel professionele als niet-professionele ondersteuners moeten beschikken over een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG). Deze verklaring mag in principe niet ouder zijn dan drie maanden voorafgaand aan de aanvang van de ondersteuning.

13.11.2 Signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling (diensten)

Signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling worden gemeld bij Veilig Thuis Flevoland. Dit geldt voor elke derde aan wie het pgb wordt besteed, dus voor zowel professionals als niet-professionals. De derde moet aan de gemeente stapsgewijs kunnen laten zien hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan. Duidelijk moet zijn dat na zo’n melding bij Veilig Thuis Flevoland zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden geboden. Voor professionals geldt een meldcode. Professionals met personeel in dienst moeten kunnen laten zien hoe kennis en gebruik van de meldcode is geborgd in de organisatie. In artikel 4.1.8 Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 (landelijk) staan elementen waaruit een meldcode in ieder geval bestaat.

Specifieke problematiek besteding pgb sociaal netwerk

Is gedragsregulering nodig op grond van de problematiek, dan zal een persoon uit het sociaal netwerk de ondersteuning in het algemeen niet kunnen bieden omdat het om professionele deskundigheid vraagt. Denk aan het opvolgen van adviezen en accepteren van hulp. Er kan bijvoorbeeld sprake zijn van agressief gedrag in de vorm van bedreigingen, vernielingen en seksueel ontremd gedrag van de cliënt jegens die persoon. Een persoon uit het sociaal netwerk aan wie het pgb wordt besteed kan ook slachtoffer van huiselijk geweld zijn (CRVB:2019:1815).

13.11.3 Melding calamiteiten of geweld (maatwerkvoorzieningen en diensten)

Deze meldingsplicht geldt voor elke derde aan wie het pgb wordt besteed, dus voor zowel professionals als niet-professionals. De derde is in voorkomende gevallen verplicht om onverwijld melding te doen bij de toezichthoudende ambtenaar van:

•iedere calamiteit die bij het bieden van de ondersteuning heeft plaatsgevonden,

•geweld bij het bieden van de ondersteuning.

Definities

Onder een calamiteit wordt een niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis verstaan die betrekking heeft op de kwaliteit van de ondersteuning en die tot een ernstig schadelijk gevolg voor of de dood van een cliënt heeft geleid (art. 1.1.1 lid 1 Wmo 2015). Onder geweld bij de verstrekking van een voorziening wordt verstaan: seksueel binnendringen van het lichaam van of ontucht met een cliënt, alsmede lichamelijk en geestelijk geweld jegens een cliënt, door een beroepskracht dan wel door een andere cliënt met wie de cliënt gedurende het etmaal of een dagdeel in een accommodatie van een aanbieder verblijft (art. 1.1.1 lid 1 Wmo 2015).

Omzetten in natura

Een melding van een calamiteit of geweld kan voor de gemeente aanleiding zijn om geen pgb toe te kennen of het recht op pgb in te trekken en daarvoor in de plaats een maatwerkvoorziening in natura te verstrekken. Ook kan de gemeente de budgethouder (cliënt) in de gelegenheid stellen om met een andere derde een overeenkomst aan te gaan die wel voldoet aan de geldende vereisten.

13.11.4 Professionals (diensten)

Artikel 6.3.1 lid 5 Verordening bepaalt dat de kwaliteitseisen die gelden voor het gecontracteerde aanbod ook gelden voor de derde aan wie het pgb wordt besteed. Dat is alleen anders als die eisen alleen te maken hebben met het contract met de gemeente over bijvoorbeeld kritische prestatie-indicatoren of rapportageverplichtingen.

Professionals

In de begripsbepalingen Verordening staan de begripsbepalingen van een professionele organisatie en Zzp’er. Daaruit blijken ook de eisen waaraan een professional moet voldoen. Het gaat daarbij vooral om de inhoudelijke kwaliteit om de vastgestelde resultaten te behalen, zoals de vakbekwaamheid.

13.11.5 Praktische en specialistische begeleiding

Er wordt voor wat betreft het pgb-tarief bij de hulp-op-maat begeleiding onderscheid gemaakt tussen praktische en specialistische ondersteuning. Voor praktische ondersteuning is een mbo-diploma vereist en voor specialistische ondersteuning een hbo-diploma.

Praktische begeleiding

Het gaat hier echte praktische begeleiding, zoals hulp bij de administratie. Hier is geen methodisch handelen bij nodig. Er is voor praktische begeleiding ondersteuning geen specifieke kennis van ziektebeelden of behandelmethoden vereist om de praktische begeleiding te kunnen (mogen) bieden. Het spreekt voor zich dat de ondersteuner wel enige algemene kennis moet hebben van de ‘doelgroep’ aan wie de begeleiding wordt geboden.

Specialistische begeleiding

Het gaat bij specialistische begeleiding om individuele begeleiding waarbij methodisch handelen nodig is gericht op gedragsverandering of gedrag te leren hanteren bij gedragsproblemen of een psychische stoornis. Er is kennis van ziektebeelden of behandelmethoden vereist om specialistische begeleiding te kunnen (mogen) bieden.

Periodieke bijscholing

Verder geldt dat professionals periodiek relevante bijscholing volgen om de kwalificatie-eisen op peil te houden. Hiermee wordt ook voorkomen dat bij een verouderd diploma niet meer aan de kwalificatie-eisen wordt voldaan. Op basis van de Verordening sluit de gemeente aan bij het gecontracteerde aanbod.

Afgeronde opleidingen zijn in ieder geval:

•Hbo en Wo-opleidingen, de onderdelen gedrag en maatschappij, gezondheidszorg, uit het landelijke Centraal Register Opleidingen Hoger Onderwijs (CROHO);

•Mbo-opleidingen, opleidingsdomein 15 Zorg en welzijn en Associate degrees uit het Centraal Register Beroepsopleidingen (Crebo).

HKZ-certificaat

Een professional kan ook gecertificeerd zijn met een HKZ-certificaat. In dat geval is aangetoond dat wordt voldaan aan de gestelde kwalificatie-eisen.

Professionele standaard

Gaat het om derden die in dienst zijn bij een professionele organisatie of als Zzp’er werkzaam zijn, dan zijn kwaliteit en cliëntgerichtheid onderdeel van de professionele standaarden die gelden binnen de beroepsgroep. Dat volgt bijvoorbeeld uit de Beroepscode voor professionals in sociaal werk (BPSW) waar de professionals bij is aangesloten.

Uitzondering

De gemeente kan afwijken van het beschikken over actuele kwalificaties en/of opleidingen als de ondersteuner:

•beschikt over een verouderd maar wel relevante diploma, en

•aantoonbare werkervaring heeft waarmee vastgestelde resultaten zijn of worden behaald, en

•relevante bijscholing succesvol heeft afgerond in de afgelopen twee jaar.

Besteding pgb professional

Het kan gaan om een derde die in dienst is bij een professionele organisatie of als Zzp’er werkzaam is. De gemeente beoordeelt in ieder geval ook of:

•de ondersteuner de omvang/intensiteit van de ondersteuning kan bieden. Deze vraag zal zich voornamelijk voordoen bij Zzp’ers. Die zullen namelijk ook door andere budgethouders (cliënten) kunnen worden ingekocht. Denk in dit geval aan de 40-urige werkweek.

•de beoogde ondersteuner niet al (te) lang betrokken is bij de budgethouder (cliënt), zijn gezin en/of personen uit het sociaal netwerk. Dat wil zeggen dat de gemeente onderzoek doet naar de vraag of er nog wel sprake is van voldoende professionele distantie om het resultaat te bereiken. Dat kan bijvoorbeeld blijken uit het ontbreken van voortuitgang in het behalen daarvan.

•De budgethouder die is aangewezen op specialistische begeleiding een gekwalificeerde vervanger heeft.

13.11.5 Niet-professional (diensten)

Voor niet-professionals gelden geen specifieke kwalificatie-eisen zoals bij professionals. De gemeente stelt wel vast of de niet-professional in staat is de aangewezen ondersteuning te bieden. Bij huishoudelijke ondersteuning zal dat in het algemeen niet tot problemen leiden. Bij begeleiding kan dat anders liggen.

Aangewezen op professionele ondersteuning

Uit de noodzaak van de maatwerkvoorziening in natura zal doorgaans blijken of de cliënt -gelet op de problematiek- aangewezen is op professionele ondersteuning. Dat wil zeggen dat aan de ondersteuning kwalificatie-eisen verbonden zijn die (alleen) een professional kan bieden. Denk in dit ook aan de noodzaak van voldoende ‘professionele’ distantie. Wanneer de gemeente dat heeft vastgesteld, kan de ondersteuning niet worden geboden door een persoon uit het sociaal netwerk of een andere niet-professional. De gemeente hoeft in die gevallen niet meer te beoordelen of de persoon uit het sociaal netwerk aan wie de budgethouder het pgb wenst te besteden voldoet aan de kwaliteitseisen die in redelijk gesteld mogen worden (zie hierna). De budgethouder zal dan een door de gemeente goed te keuren professionele ondersteuner moeten inschakelen. Lukt dat niet, dan weigert de gemeente het pgb en zal een maatwerkvoorziening in natura worden verstrekt.

Besteding pgb niet-professional

Bij niet-professionals gaat het om personen uit het sociaal netwerk of andere personen die geen professionals zijn. De gemeente beoordeelt in ieder geval ook of:

•de persoon uit het sociale netwerk in staat is om de noodzakelijke ondersteuning te bieden. En zo ja, waar blijkt dat uit?

•voldoende aannemelijk is dat de persoon aan wie het pgb wordt besteed niet overbelast is of dreigt te geraken.

•de persoon uit het sociale netwerk de omvang/intensiteit van de ondersteuning wel kan bieden. De gemeente gaat uit van een 40-urige werkweek inclusief de te bieden ondersteuning. Reguliere werkzaamheden van die persoon, maar ook andere activiteiten kunnen daarbij een rol spelen.

Te veel (emotionele) betrokkenheid van de persoon uit het sociale netwerk kan een negatief effect hebben op de relatie cliënt-ondersteuner. De cliënt kan daardoor ook (te) afhankelijk worden van de persoon uit het sociale netwerk.

13.11.6 Woningaanpassing en hulpmiddel

Het spreekt voor zich dat een woningaanpassing moet voldoen aan de vereiste kwaliteitseisen waaronder de veiligheid. Om die reden zal uit bijvoorbeeld een offerte een door de gemeente goed te keuren Programma van Eisen moeten blijken. Woningaanpassingen zullen in dat kader in ieder geval moeten voldoen aan de eisen van het vigerende Besluit bouwwerken leefomgeving. Daarnaast kan het zijn dat in de bouwvergunning of de afwijking van het bestemmingsplan voorwaarden staan waar de woningaanpassing aan moet voldoen. Aan degene die de woningaanpassing zal gaan uitvoeren mag de gemeente om voornoemde redenen dan ook kwaliteitseisen stellen. Bijvoorbeeld het beschikken over het BouwGarantKeurmerk.

De kwaliteitseisen van een hulpmiddel zijn afhankelijk van het soort hulpmiddel en de daarvoor geldende eisen die gelden voor het door de gemeente gecontracteerde aanbod.

13.11.7 Kwaliteit (doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht)

Onder doeltreffend wordt verstaan ‘waarmee het doel/resultaat wordt bereikt’. Met het pgb moet ondersteuning worden ingekocht die efficiënt en effectief moet zijn om dat doel/resultaat te bereiken. De gemeente kan daar gedurende de budgetperiode onderzoek naar doen maar doet dat in ieder geval bij een verzoek om verlenging van de indicatie in de vorm van een pgb.

Kwaliteit en doelmatig

Onder doelmatig wordt verstaan het zo goed mogelijk bereiken wat met het pgb is beoogd. Zie ook hiervoor.

Kwaliteit en cliëntgericht

De ondersteuning is gericht op de cliënt, met zijn belangen en wensen als uitgangspunt. Cliëntgerichtheid kan daarom ook te maken hebben met de samenwerking tussen de budgethouder (cliënt) en de ondersteuner.

13.12 Besteding pgb

13.12.1 Besteding pgb geschikt voor het doel

Tot slot moet (in het kader van kwaliteit) de door de budgethouder in te kopen maatwerkvoorziening in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt (art. 2.3.6 lid 3 Wmo 2015). Dat kan blijken uit de noodzaak en aard van een aangewezen maatwerkvoorziening (indicatie in natura) en vastgestelde te behalen resultaten. Mede gelet op de bestedingsvrijheid zal dat in ieder geval wel moeten blijken uit het Budgetplan. Daarin staat waar de bestedingsdoelen (resultaten) van het pgb op zijn gericht.

Indicatie begeleiding groepsverband

De cliënt voor wie een indicatie dagactiviteiten is vastgesteld, mag het pgb niet aan individuele begeleiding besteden als voor het te bereiken resultaat van belang is om de begeleiding in groepsverband te ontvangen op een daarvoor bestemde (geschikte) locatie.

13.12.2 Geen doorkruising wettelijke systematiek

Artikel 6.3.1 lid 5 Verordening

Om doorkruising met de wettelijke systematiek te voorkomen bepaalt de Verordening dat het pgb niet mag worden besteed aan een persoon die tot de leefeenheid van de budgethouder behoort en gebruikelijke hulp op zich zou moeten nemen, maar daartoe (tijdelijk) niet in staat is wegens overbelasting of dreigende overbelasting.

13.12.3 Beperking bestedingsvrijheid

Bij hulpmiddelen kan veiligheid betrekking hebben op de bestedingsvrijheid. Een voorbeeld. Als een traplift in natura door de gemeente niet als veilige maatwerkvoorziening in natura wordt aangemerkt, dan mag de budgethouder met een pgb geen traplift aanschaffen.

13.12.4 Kostensoorten en declareren

Artikel 6.3.1 lid 6 Verordening

In de Verordening zijn een aantal kostensoorten uitgezonderd. Dat wil zeggen dat het pgb daar niet aan mag worden besteed. Verder geldt dat de declaraties geen vast maandbedrag mogen bevatten, tenzij het huishoudelijke ondersteuning betreft. Dat wil zeggen voor andere diensten er wordt altijd gedeclareerd in tijd. Ook geldt dat de gemeente geen gebruik maakt van een zogeheten verantwoordingsvrij bedrag. Gemeenten zijn vrij om dat te bepalen.

13.12.5 Termijn besteding pgb

Artikel 6.3.1 lid 5 Verordening

De Verordening schrijft voor binnen welke termijn de budgethouder (cliënt) het pgb moet besteden. Die termijn is afhankelijk van de maatwerkvoorziening die met het pgb wordt ingekocht. Wanneer de budgethouder het pgb niet binnen de geldende termijn heeft besteed, dan doet de gemeente onderzoek naar de reden hiervan. Afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek kan er aanleiding zijn om over te gaan tot herziening of intrekking van het pgb-besluit.

13.14 Hoogte pgb

13.14.1 Diensten

Voor diensten gelden gedifferentieerde percentages van de tarieven. Die zijn afhankelijk van de derde aan wie de budgethouder het pgb wil besteden. Het kan gaan om:

•ondersteuners die in dienst zijn van een professionele organisatie of die werkzaam zijn als Zzp’er;

•personen uit het sociaal netwerk; en

•personen die niet onder een van de hiervoor genoemde categorieën vallen. Denk bijvoorbeeld aan een student met een bijbaan.

Voor de twee laatstgenoemde groepen stelt de Verordening vast wat de minimale hoogte van het pgb moet zijn.

Begripsbepalingen

In de Verordening zijn begripsbepalingen opgenomen van een professionele organisatie en een Zzp’er. Dat is van belang omdat de hoogte van het pgb daar op wordt gebaseerd. In principe moet zijn voldaan aan de begripsbepaling om in aanmerking te komen voor het van toepassing zijnde percentage van het tarief.

Beroepshalve werkzaam

Een van de voorwaarden is de inschrijving in het handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK). Uit de inschrijving bij de KvK blijkt ook de rechtsvorm. Zzp’ers kunnen bijvoorbeeld een eenmanszaak of een besloten vennootschap zijn (directeur-eigenaar). Ook kunnen Zzp’ers samenwerken in een coöperatie. Een coöperatie kan als rechtspersoon personeel in dienst hebben, maar dat hoeft niet.

Mix-tarief (hbo-mbo)

Voor begeleiding individueel hanteert de gemeente twee tarieven. Het tarief is afhankelijk of er mbo- of hbo-deskundigheid is vereist (regulier of specialistisch). Wordt door een en dezelfde persoon zowel de begeleiding op mbo- als ook hbo-deskundigheid geboden, dan wordt een mix-tarief berekend. In zulke gevallen accepteert de Svb namelijk maar één overeenkomst met één tarief. De hoogte van het mix-tarief is afhankelijk van de omvang van de indicatie.

13.14.3 Hulpmiddelen

De hoogte van het pgb voor hulpmiddelen bedraagt niet meer dan het maximum van de kostprijs waaronder inbegrepen de instandhoudingskosten of andere bijkomende noodzakelijke kosten in natura. Het kan gaan om een huur- of koopprijs die de gemeente verschuldigd is aan de aanbieder of een prijs die gebaseerd is op een offerte (art. 6.3.3 Verordening). Mogelijk zit het aangewezen hulpmiddel niet in het assortiment van de gecontracteerde partij en zijn door de gemeente geen afspraken gemaakt dat de aanbieder het aangewezen hulpmiddel aanschaft.

Offertes

In die gevallen zal de hoogte van het pgb worden vastgesteld op basis van de koopprijs die de gemeente verschuldigd is (of zou zijn) aan de aanbieder (al dan niet naar rato in verband met de economische afschrijftermijn). Bijkomende noodzakelijke kosten zoals instandhoudingskosten kunnen worden meegenomen. De gemeente kan zelf een offerte opvragen of de offerte wordt door de cliënt overhandigd. Het kan ook om meerdere offertes gaan zodat de gemeente de goedkoopst passende bijdrage kan vaststellen.

Hoogte instandhoudingskosten

Voor hulpmiddelen worden de reële instandhoudingskosten vastgesteld in het individuele toekenningsbesluit. De omvang van de budgetperiode kan daarbij een rol spelen. Voor 2025 geldt de nieuwe aanbesteding voor trapliften.

13.14.4 Woningaanpassing

Het spreekt voor zich dat de te realiseren woningaanpassing moet voldoen aan de vereiste kwaliteitseisen waaronder de veiligheid. Om die reden zal uit bijvoorbeeld de offerte een door de gemeente goed te keuren Programma van Eisen moeten blijken. Er zijn woningaanpassingen die ook moeten voldoen aan het geldende Besluit bouwwerken leefomgeving. Daarnaast kan het zijn dat in de bouwvergunning of afwijking van het bestemmingsplan voorwaarden staan waar de woningaanpassing aan moet voldoen.

Overige kosten

De gemeente kan, naast de kosten van de woningaanpassing zelf, ook nog andere noodzakelijke kostenposten in aanmerking nemen. Denk bijvoorbeeld aan de kosten van architect of legeskosten. In het Besluit staat wanneer het pgb voor een complexe woningaanpassing kan worden verhoogd.

Artikel 2.1.7 Wmo 2015 Artikel 6.4 van de Verordening Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugd Urk 2025

Hoofdstuk 8 van de Verordening

Hoofdstuk 15 Regels misbruik en oneigenlijk gebruik van de Wmo 2015

15.2 Onderzoeksbevoegdheid gemeente

15.2.1 Rapport van bevindingen

De gemeente is gerechtigd tot het uitvoeren van controles (onderzoeken) waaraan aanbieders verplicht zijn om kosteloos hun medewerking aan te verlenen. Rapporten van bevindingen van de Wmo-toezichthouder worden niet alleen openbaar gemaakt aan belanghebbenden, maar in beginsel ook actief openbaar gemaakt, zodat derden daarvan kennis kunnen nemen.

Artikel 2.3.9 Wmo 2015 Hoofdstuk 8.3 van de Verordening

Bijlage 1 Onderzoek naar (dreigende) overbelasting

Algemeen

De gemeente onderzoekt, als daar aanleiding voor is, of er in de individuele situatie moet worden afgeweken van de algemene regels. Reden om in de individuele situatie af te wijken, kan zijn dat degene van wie wordt verwacht dat hij taken of activiteiten overneemt in het kader van gebruikelijke hulp, overbelast dreigt te raken. Overbelasting is: meer belasten dan het prestatievermogen toelaat. In medische kringen praten we over het(on)evenwicht tussen draagkracht(belastbaarheid) en draaglast (belasting). Overbelasting kan veroorzaakt worden door een combinatie van symptomen van lichamelijke of psychische aard en wordt bepaald door in- en uitwendige factoren.

Factoren die van invloed zijn op de draagkracht

•lichamelijke conditie huisgenoot

•geestelijke conditie huisgenoot

•wijze van omgaan met problemen (coping)

•motivatie voor ondersteunings- en/of zorgtaak

•sociaal netwerk

Factoren die van invloed zijn op de draaglast

•omvang en mate van (on)planbaarheid van ondersteuningstaken; ziektebeeld en prognose

•inzicht van persoon in ziektebeeld van de cliënt

•woonsituatie

•bijkomende sociale problemen

•bijkomende emotionele problemen

•bijkomende relationele problemen

Onderzoek naar de draaglast en draagkracht

Het kan soms heel duidelijk zijn dat de huisgenoot/mantelzorger overbelast is. Is dit minder duidelijk, dan zal hier in het onderzoek maar zeker bij de beoordeling van de aanspraak (indicatie) duidelijkheid over moeten komen. De beperkingen in de belastbaarheid vanwege de gezondheid worden in principe beoordeeld door een deskundige. In voorkomende gevallen kan het opnemen van contact met de behandelende sector volstaan om hierover een oordeel te vormen. In andere gevallen zal om een extern medisch advies moeten worden gevraagd.

Symptomen die zouden kunnen wijzen op overbelasting

Diverse symptomen zijn waar te nemen bij (dreigende) overbelasting. De mate waarin ze zich manifesteren, zal van persoon tot persoon verschillen. Bedenk daarnaast dat het hierbij om veelal aspecifieke symptomen gaat die ook bij andere stoornissen kunnen passen. Dit is een van de redenen waarom de beoordeling hiervan bij een deskundige moet worden neergelegd. Het bestaan van deze symptomen moet dus als een mogelijk signaal worden opgevat.

Mogelijke symptomen van overbelasting zijn:

•Gespannen spieren, vaak in schoudergordel en rug.

•Hoge bloeddruk.

•Gewrichtspijn.

•Gevoelens van slapte.

•Slapeloosheid.

•Migraine, duizeligheid.

•Spierkrampen.

•Verminderde weerstand, ziektegevoeligheid.

•Opvliegingen.

•Ademnood en gevoelens van beklemming op de borst.

•Plotseling hevig zweten.

•Gevoelens van beklemming in de hals.

•Spiertrekkingen in het gezicht.

•Verhoogde algemene prikkelbaarheid, boosheid, (verbale) agressie, zwijgen. Ongeduld.

•Vaak huilen.

•Neerslachtigheid.

•Isolering.

•Verbittering.

•Concentratieproblemen.

•Dwangmatig denken, niet meer kunnen stoppen.

•Rusteloosheid.

•Perfectionisme.

•Geen beslissingen kunnen nemen.

•Denkblokkades.

Onderzoeksvragen

Onderzoeksvragen die zouden kunnen helpen bij het verkrijgen van een indruk over de eventuele overbelasting van de huisgenoot:

•Wat zegt de huisgenoot er zelf over, hoe ervaart hij of zij het ondersteunen en/of bieden van zorg?

•Hoe is de (lichamelijke en geestelijke) gezondheid van de huisgenoot?

•Zijn er signalen van overbelasting: nervositeit, vermoeidheid?

•Heeft de huisgenoot een uitlaatklep? Heeft hij of zij de mogelijkheid om activiteiten buitenshuis te doen?

•Kan iemand zijn verhaal kwijt bij vrienden, familie of professionals? Wordt er respijtzorg geboden zodat de huisgenoot even op adem kan komen?

•Hoe is de relatie tussen de huisgenoot en de cliënt? Hoe stelt de cliënt zich op, veeleisend of juist dankbaar? Kan de huisgenoot grenzen aangeven en ‘nee’ zeggen? Is er irritatie tussen de huisgenoot en de cliënt?

•Heeft de huisgenoot inzicht in de beperkingen van de cliënt? (Als men weet dat bepaald gedrag uit bijvoorbeeld een ziekte of aandoening voortkomt, kan het gemakkelijker zijn dat gedrag te accepteren)

•Hoeveel tijd heeft de huisgenoot? Heeft iemand een baan, een eigen gezin, een ander familielid dat ondersteuning of zorg (verpleging en verzorging) behoeft? Voorbeeld. Een echtgenoot ondervindt beperkingen terwijl zijn vrouw ook al voor haar ouders zorgt.

•Is de ondersteuning of de zorg te plannen of is er continu controle en toezicht nodig?

•Hoe is de prognose? (Een terminale situatie is altijd zwaar, maar een situatie die langdurig en stabiel is, kan ook veeleisend zijn)

•Wat zijn de knelpunten in de ondersteuning en/of de zorg?

•Hoe is de woonsituatie? Woont men afgelegen, of in een flat zonder lift zodat de cliënt en de huisgenoot min of meer samen opgesloten zitten.

Bijlage 2 Richtlijn gebruikelijke hulp van ouder(s) voor minderjarige kinderen

Deze richtlijn is (mede) gebaseerd op de Beleidsregels indicatiestelling AWBZ 2014. Voor kinderen geldt dat er een bandbreedte is in het normale ontwikkelingsprofiel. Daarmee wordt een omvang bedoeld van gemiddeld meer dan een uur per etmaal. Dit uur per etmaal is geen boven-gebruikelijke hulp, maar hoort nog tot gebruikelijke hulp.

Kinderen van 0 tot 3 jaar

•hebben bij alle activiteiten zorg van een ouder nodig;

•ouderlijk toezicht is zeer nabij nodig;

•zijn in toenemende mate zelfstandig in bewegen en verplaatsen;

•hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;

•hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

Kinderen van 3 tot 5 jaar

•kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan binnenshuis korte tijd op gehoorafstand (bijv. ouder kan was ophangen in andere kamer);

•hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;

•kunnen zelf zitten, en op gelijkvloerse plaatsen zelf staan en lopen;

•ontvangen zindelijkheidstraining van ouders/verzorgers;

•hebben gedeeltelijk hulp en volledig stimulans en toezicht nodig bij aan- en uitkleden, eten en wassen, in- en uit bed komen, dag- en nachtritme en dagindeling bepalen;

•hebben begeleiding nodig bij hun spel en vrijetijdsbesteding;

•zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te begeven;

•hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

Kinderen van 5 tot 12 jaar

•hebben een reguliere dagbesteding op school, oplopend van 22 tot 25 uur/week;

•kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan op enige afstand (bijv. kind kan buitenspelen in directe omgeving van de woning als ouder thuis is);

•hebben toezicht nodig en nog maar weinig hulp bij hun persoonlijke verzorging;

•hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;

•zijn overdag zindelijk, en 's nachts merendeels ook; ontvangen zonodig zindelijkheidstraining van de ouders/verzorgers;

•hebben begeleiding van een volwassene nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school, activiteiten ter vervanging van school of vrije tijdsbesteding gaan;

•hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

Kinderen van 12 tot 18 jaar

•hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen;

•kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden;

•kunnen vanaf 16 jaar dag en nacht alleen gelaten worden;

•kunnen vanaf 18 jaar zelfstandig wonen;

•hebben bij hun persoonlijke verzorging geen hulp en maar weinig toezicht nodig;

•hebben tot 18 jaar een reguliere dagbesteding op school/opleiding;

•hebben begeleiding en stimulans nodig bij ontplooiing en ontwikkeling (bv. huiswerk of het zelfstandig gaan wonen);

•hebben tot 17 jaar een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

Bijlage 3 Aandachtspunten resultaatgebieden begeleiding

PERSOONLIJK FUNCTIONEREN

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Zelfbeeld

Zelfinzicht

Omgaan met veranderingen

Begrijpen consequenties (korte/lange termijn)

Keuzes maken/besluiten nemen

Grenzen aangeven

Impulsiviteit (sociale regels, geen risico zien)

Emotieregulatie (overspoelen, uitbarsten, driftbuien)

Angsten (incl. spanning, zenuwen, nerveus, bang)

Stemmingsproblemen (somber, wisselingen, uitbundig)

Teruggetrokken/eenzaam/verdrietig

Luidruchtig opstandig

Agressie verbaal/fysiek (dreigen, vloeken, vechten)

Zelfbeschadigend gedrag

Dwanghandelingen (herhaling van gedragingen)

SOCIAAL FUNCTIONEREN

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Beïnvloedbaar

Houd rekening met anderen

Grenzen aangeven

Afspraken nakomen

Functioneren binnen gezin/familie

Duidelijkheid omtrent wel/geen contact met familie

Duidelijkheid omtrent wel/geen contact met familie

Vrienden maken

Vriendschappen behouden

Contact met personen die schadelijk zijn

Verkering/relatie

Vangnet

Overlast

GEZONDHEID EN ZELFZORG

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Eten (verantwoord, bereiden)

Wassen (verzorgd uiterlijk, geur)

Aankleden (schone kleding)

Slapen (in- doorslapen, wakker worden, dag-nachtritme)

Voldoende beweging/sport

Voorkomen van ziekten

Beheer medicatie

Afspraken zorgprofessionals (huisarts, specialist, begeleider)

Seksuele gezondheid (incl. veilig vrijen)

VERPLAATSEN EN VERVOER

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Deelnemen aan het verkeer

Gebruikmaken eigen vervoermiddel (o.a. fiets, auto)

Route bepalen

Gebruikmaken van openbaar vervoer

DAGBESTEDING

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Evenwichtig dag- en nachtritme

Dagstructuur

Aanwezigheid

Op tijd komen

Passend bij interesse

Voldoende resultaten

Maken van keuzes voor de toekomst

Accepteren autoriteit

Taal beheersing

Rekenen/wiskunde

VRIJE TIJD

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Vrije tijd indelen

Sporten

Hobby’s

Interesses

REGIE BIJ HET HUISHOUDEN

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Zwaar huishoudelijke activiteiten

Licht huishoudelijke activiteiten

Wasverzorging

Maaltijdverzorging

Boodschappen doen

FINANCIEN/ADMINISTRATIE

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Omgaan met betaal- communicatiemiddelen

Formulieren invullen

Belangrijke post bespreken met de ondersteuner

Leefgeld/zakgeld/inkomen

Overzicht (financiën en administratie op orde)

Overzicht over de totale schulden

JUSTITIE

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Stelen/vandalisme

Geweld

Heling/oplichting

Taakstraf

Boetes

VERSLAVING

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Roken

Alcohol

Softdrugs

Harddrugs (incl. Anabolen)

Gamen

Telefoon/social media

Seks/porno

Anders

WONEN

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Onderhoud

Overlast

Veiligheid

Anders

Bijlage 3 Huishoudelijke ondersteuning (normtijden activiteiten en frequentie)

Resultaat

Schoon en leefbaar huis

Resultaat

Wasverzorging

Resultaat

Boodschappen

Resultaat

Regie/ organisatie, AIV

Basiscliëntsituatie,

volledige overname:

125min/week

Overname:

Was 1-pers. huishouden: 35 min/week

Was 2-pers. huishouden: 43 min/week

Strijken (1 of 2 pers): 20 min/week

Overname:

Boodschappen 51 min/week

Regie/organisatie: max 30 min/week

AIV (6 weken): max 90 min/week

+

+

+

Minder inzet:

Minder inzet:

Minder inzet:

Eigen mogelijkheden cliënt en/of netwerk (zelf uitvoeren activiteiten) één of meerdere keren

Eigen mogelijkheden cliënt en/of netwerk

Eigen mogelijkheden cliënt en/of netwerk

+

-/- 15 min

-/- 17 min

-/- 10 min

+

+

+

Meer inzet:

Meer inzet:

Resultaat

Maaltijden

Resultaat

Kindzorg (tijdelijk)

Beperkingen en belemmeringen cliënt of samenstelling huishouden

-Enig extra inzet + 30 min

-Veel extra inzet + 60 min

Extra kamer

-In gebruik als slaapkamer + 18 min

-Niet in gebruik als slaapkamer + 5 min

En/of extra inzet vanwege

-Vervuiling huisdier + 15 min

-Omvang inrichting of

bewerkelijkheid woning + 15 min

Extra wasmachine/week

Als gevolg van beperkingen en belemmeringen cliënt + 16 min

2broodmaaltijden: + 20 min/dag

Opwarmen maaltijd:+ 20 min/dag

Maaltijd koken: + 35 min/dag

Afwassen en opruimen afwas valt binnen dit resultaat.

-Geen indicatie maaltijden?

-Beoordeel dan of afwassen handmatig of vaatwasser in- en uitruimen nodig is rekening houdend met eigen kracht.

-Tijdsindicatie is maatwerk

Bereken minuten per week

Tijden voor diverse activiteiten

Maatwerk mogelijk

Bereken minuten per week

Totaal …..minuten/week

+

Totaal …..minuten/week

+

Totaal …..minuten/week

+

Totaal …..minuten/week

Toepassing minder/meer inzet (bron: bijlage 1 HHM 2019 aanvulling september 2022)

Minder inzet dan volledige overname/afschalen

Enige extra inzet of veel extra inzet (30 of 60 minuten)

Eigen mogelijkheden: uit onderzoek is gebleken dat cliënten zelf gemiddeld zo’n 15 minuten per week kunnen doen om het resultaat schoon en leefbaar te bereiken.

Het gaat dan meestal om schoonmaken op middenniveau en algemeen opruimen (voorheen licht huishoudelijke werk).

Kan de cliënt meer dan schoonmaken op middenniveau, kan dat tot een aftrek van nog eens 15 minuten leiden.

Dit gaat over situaties waarin door beperkingen of belemmeringen van de cliënt extra goed of extra vaak moet worden schoongemaakt.

•Oorzaak 1: allergieën/COPD en dergelijke waardoor het huis beter stofvrij moet blijven.

•Oorzaak 2: incontinentie, overmatig zweten, specifieke medicijnen met lichamelijke reacties, rolstoelgebruik binnen-buiten (en geen robotstofzuiger mogelijk voor het zand opzuigen) en dergelijke, waardoor het huis sneller vervuilt.

Gebruikelijke hulp: bovenop of in plaats van de mindering vanwege eigen mogelijkheden kan ook nog aftrek plaatsvinden vanwege hulp vanuit het netwerk of door inwonende personen (gebruikelijke hulp). Dit kan 15 minuten zijn, maar dit kan ook meer dan 15 minuten zijn.

Tot 30 minuten extra inzet is vooral aan de orde als uitbreiding op het ene bezoek/werkmoment per week van de hulp nodig is. Vanwege extra vaak of extra goed moeten schoonmaken.

Zeker bij de was is vaak ruimte voor eigen mogelijkheden door de cliënt (aftrekoptie voor de helft van de omvang -/- 17 minuten). Vaak zie je dat de cliënt de zware/grote stukken was niet meer kan hanteren, maar de kleine stukken nog wel, zoals kleding, ondergoed e.d.

Tot 60 minuten extra inzet is in het algemeen aan de orde als een tweede bezoek/werkmoment per week van de hulp nodig is. Vanwege extra vaak of extra goed moeten schoonmaken.

In geval van een tweede keer moeten komen vanwege stof of zand/haren op de vloer vanwege huisdieren, vanwege allergie, vanwege rolstoelgebruik et cetera: overweeg of het mogelijk is dat de cliënt zelf een eenvoudige robotstofzuiger aanschaft als algemeen gebruikelijke voorziening. Vooropgesteld dat de cliënt met een (eenvoudig) apparaat uit de voeten kan.

Kamer wel/niet in gebruik (als slaapkamer!)

Wanneer ruimtes wel of niet als ‘extra kamer’ aanmerken

Binnen het normenkader rekenen we extra tijd voor extra kamers. Er is een verschil tussen de tijd die wordt gerekend wanneer een extra kamer ‘wel of niet in gebruik’ is. Een extra kamer ‘in gebruik als slaapkamer’ of een extra kamer ‘niet in gebruik als slaapkamer’. Als het geen slaapkamer is, dan is het dus voor ‘iets anders’, het maakt in principe niet uit waarvoor dat is.

Binnen het normenkader rekenen we extra tijd voor extra kamers. Er is een verschil tussen de tijd die wordt gerekend wanneer een extra kamer wel of niet in gebruik is als slaapkamer.

Extra (slaap)kamers in de woning, naast de hoofdslaapkamer van de cliënt (die in de standaardtijd is opgenomen), moeten worden schoongemaakt om de woning uiteindelijk niet te laten vervuilen.

Grote bijkeuken: een bijkeuken is in principe onderdeel van ‘de keuken’. Het kan natuurlijk voorkomen dat sprake is van een serieus grote keuken in combinatie met een serieus grote bijkeuken: dan kan opplussen op basis van ‘extra kamer niet in gebruik als slaapkamer’ of op basis van de factor ‘omvang van de woning’ aan de orde zijn. Dat kan spelen als de hele woning duidelijk bovengemiddeld groot is.

Als een extra kamer daadwerkelijk als slaapkamer in gebruik is, dan vergt dat 18 minuten per week zoals genoemd in het normenkader (bijv. voor een stel dat altijd apart slaapt, twee mensen -geen stel- die samen een huis bewonen, een kind, mits geen gebruikelijke hulp mogelijk is: betekent zelf schoonmaken door het kind), et cetera.

Tweede badkamer: kern: bespreken met de cliënt dat deze in principe niet wordt gebruikt als badkamer en deze dan aanmerken als ‘extra kamer niet zijnde een slaapkamer’: plus 5 minuten/week.

Voor de niet-slaapkamers indiceren we 5 minuten per week. Dat is in principe onafhankelijk waar deze andere kamer voor wordt gebruikt. Van leeg tot logeerkamer tot strijkkamer tot computerkamer etc. Want: met 20 minuten per maand heeft de hulp genoeg tijd om die kamer een keer te kunnen stoffen en stofzuigen e.d. en blijft deze acceptabel schoon.

Separaat toilet boven: als er geen toilet in de badkamer zit: zien als onderdeel van ‘het sanitair boven’: vergt geen extra tijdsinzet.

Een zolder en dus ook een eventuele helemaal leegstaande zolderkamer: die neem je in principe niet mee, behalve als er duidelijke redenen zijn om dit wel te doen. Het eventueel eens per jaar een stofzuiger door de zolder halen, lost zich in de praktijk eigenlijk altijd wel op.

Kantoor: als het echt een kantoor is en niet een slaap/logeerkamer die als werkplek wordt gebruikt: deze moet zakelijk schoongemaakt en dan is het geen Wmo. Als het een thuiswerkplek betreft, dan is het een kamer ‘niet in gebruik als slaapkamer.

De 18 minuten voor een kamer in gebruik als slaapkamer komen voort uit het moeten verschonen van het bed en de extra benodigde tijd voor stoffen en schoonmaken vanwege de aard van het gebruik van de kamer.

Grote kelder: afwegen op basis van het werkelijke gebruik hiervan. Er wordt geen extra tijd toegekend, maar net zoals de zolder of eventueel meenemen als ‘extra kamer niet in gebruik als slaapkamer’.

Een logeerkamer die (zeer) incidenteel wordt beslapen: die kan in principe door de logee weer schoon worden opgeleverd. Of door de ouders van het kleinkind dat komt logeren. Het is niet aan het college om dit soort zaken altijd te moeten oplossen. In principe blijft dan de genoemde 5 minuten per week (20 minuten per maand) toereikend om die kamer voldoende schoon te houden. Ook hier geldt weer: uitzonderingen daargelaten, zoals bijvoorbeeld: twee kleinkinderen logeren enkele dagen per week bij opa en oma om het gezin te ontlasten waar al jeugdhulp in zit: dan is huishoudelijke ondersteuning inzetten een betere optie dan meer jeugdhulp inzetten.

Het professionele oordeel van de klantmanager is uiteindelijk leidend.

Samenstelling huishouden (= eigen kracht + gebruikelijke hulp)

Huisdieren (die extra inzet van ondersteuning noodzakelijk maken)

In het normenkader is de mogelijkheid benoemt om extra tijd toe te kennen op grond van de ‘samenstelling van het huishouden”. Hiervoor hanteren we de uitgangspunten van eigen kracht en gebruikelijke hulp.

Zie uitgangspunt over huisdieren in 8.7 van deze beleidsregels.

Als sprake is van meer personen in het huishouden, dan zijn eigen kracht en gebruikelijke hulp bepalend of er MINDER dan volledige overname of MEER dan volledige overname moet worden ingezet.

De 30 minuten zoals (oorspronkelijk) vermeld in het normenkader: het college komt tot een specifieke afweging die kan leiden tot het toekennen van minder tijd of tot het toekennen van meer tijd.

Er wordt niet meer tijd toegekend dan noodzakelijk is dan wel in redelijkheid nodig is. Voorbeelden: meerdere honden die vrij door het hele huis mogen lopen of losvliegende vogels die veel troep maken. Cliënten met COPD die binnen roken en binnen 20 parkieten houden en vervolgens om extra vaak schoonmaak vragen. In dezelfde lijn: cliënten met zware allergie of COPD, die weigeren de woning te saneren, maar wel extra ondersteuning vragen.

Overige kenmerken van de woning: omvang, bewerkelijkheid, inrichting

Strijken en boodschappen (meestal voorliggend op te lossen)

Op basis van het normenkader is het mogelijk om 15 minuten extra tijd toe te kennen op basis van ‘overige kenmerken’. Wat zijn deze overige kenmerken? Pas dit alleen toe in heel duidelijke gevallen.

Strijken wordt over het algemeen niet meer geïndiceerd, hier zijn in de vorm van strijkvrije kleding voorliggende oplossingen voor beschikbaar.

1Omvang van het huis: alleen in uitzonderlijke situaties neem je 15 minuten extra op vanwege een heel groot huis. Dit aspect wordt namelijk mede gedekt door de mogelijkheid van toekennen van extra tijd voor ‘extra kamers wel of niet in gebruik als slaapkamer’.

Boodschappen halen wordt in het algemeen niet meer geïndiceerd. Hier zijn veelal boodschappenservices voor beschikbaar als voorliggende oplossing.

2Bewerkelijkheid: idem. Alleen in uitzonderlijke situaties hiervoor extra tijd opnemen.

3Inrichting: idem. Eerste verantwoordelijkheid ligt bij de cliënt om niet meer inzet nodig te maken dan redelijkerwijs nodig is. In uitzonderlijke situaties kan dit worden meegenomen.

Voor deze drie items apart dan wel gezamenlijk kan in principe 1 x 15 minuten extra worden toegekend.

Regie en organisatie; Advies-instructie-voorlichting

Het kan zijn dat een cliënt niet meer zelf (volledig) de regie kan voeren over het huishouden. Als het zo is dat een hulp daardoor aantoonbaar extra werkzaamheden moet doen of bijvoorbeeld door het gedrag van de cliënt extra tijd nodig heeft, dan kan hiervoor 30 minuten per week structureel extra worden geïndiceerd. Van hulpen mag worden verwacht dat deze zelfstandig hun werkzaamheden kunnen plannen. Het gegeven dat een cliënt de hulp niet kan instrueren, betekent dus niet automatisch inzet van extra ondersteuningstijd. Er moet wel sprake zijn van extra werk.

Advies-instructie-voorlichting gaat over het, op tijdelijke basis, aanleren van praktisch vaardigheden in het huishouden aan een cliënt. Bijvoorbeeld als een partner net is weggevallen en een cliënt zelf wil kunnen bijdragen aan het huishouden, het schoonmaken, het leren koken van enkele basis-maaltijden, et cetera. Dit is dus altijd tijdelijk en is te onderscheiden van de inzet van individuele begeleiding.

Resultaat: Schoon en leefbaar huis (schoonmaakondersteuning)

Basisnorm bij basiscliëntsituatie (zie 8.12 van deze beleidsregels, volledige overname)

125min/week

De indirecte tijd maakt standaard onderdeel uit van de (integrale) normtijd. Indirecte tijd is de tijd die de hulp per bezoek besteedt aan: aankomst, vertrek, administratie, sociale interactie met de cliënt en het pakken en opruimen van schoonmaakspullen.

Minder inzet

Eigen kracht cliënt en/of overname door netwerk

-/- 15 min/week

Zelf uitvoeren huishoudelijke activiteiten (één of meerdere keren per week).

Meer inzet per huishouden

1door beperkingen en belemmeringen cliënt of de omvang van het huishouden; en

2er meer vervuiling is of een noodzaak tot hoger niveau schoonhouden woning; en

3er meer nodig is dan de frequentie van basis- of incidentele activiteiten.

Normtijd meer inzet (per huishouden)

1Enige extra inzet, of

+ 30 min/week

2Veel extra inzet.

+ 60 min/week

Extra kamer (per huishouden)

1In gebruik als slaapkamer.

+ 18 min/week

2Niet in gebruik als slaapkamer.

+ 5 min/week

En/of extra inzet per huishouden vanwege:

Vervuiling huisdier.

+ 15 min/week

Omvang, inrichting of bewerkelijkheid woning.

+ 15 min/week

Resultaat Boodschappen (schoonmaakondersteuning)

Normtijd overname boodschappen

51min/week

Minder inzet

Eigen kracht cliënt en/of netwerk: opstellen boodschappenlijst, opruimen boodschappen.

-/- 10 min/week

Resultaat wasverzorging (schoonmaakondersteuning)

Bij noodzaak overname (algemene voorziening wasservice is geen passende oplossing)

Was 1 persoonshuishouden (tijdsindicatie voor 2 wasgangen per week)

35min/week

Was 2 persoonshuishouden (tijdsindicatie voor 2,5 wasgang per week)

43min/week

Strijken, alleen bij medische noodzaak (1- of 2 persoonshuishouden, 1 x keer per week)

20min/week

Minder inzet

Eigen kracht cliënt en/of overname door netwerk: zelf uitvoeren van bijv.: was sorteren, was in de wasmachine of droger stoppen, etc.

-/- 17 min/week

Meer inzet gerelateerd aan cliënt

Extra wasmachine per week (als gevolg van beperkingen en belemmeringen cliënt).

+ 16 min/week

Resultaat maaltijden (ondersteuning regie/zorg)

Onder dit resultaat valt ook: tafel dekken, eten en drinken klaarzetten, afruimen, afwassen of vaatwasser inruimen/uitruimen.

Frequentie maaltijden 1 x per dag tenzij de cliënt zelf of met hulp van anderen hierin kan voorzien.

Twee broodmaaltijden per dag (1 op tafel + 1 in de koelkast)

+ 20 min per dag (bereken per week)

min/week

Warme maaltijd (opwarmen)

+ 20 min per dag (bereken per week)

min/week

Koken warme maaltijd

Indien noodzakelijk normering o.b.v. de beleidsregels zoals die tot 1-1-2024 golden.

+ 35 min per dag (bereken per week)

min/week

Resultaat regievoering/organisatie van het huishouden (ondersteuning bij regie/zorg)

30min/week

De inzet van een maatwerkvoorziening kan in meer of mindere mate afhankelijk zijn van de vraag in hoeverre de cliënt beschikt over regievermogen. De Wmo 2015 kent geen definitie van regievermogen. Het onderzoek kan er op gericht zijn vast te stellen of de cliënt regieproblemen heeft. Het gaat dan over de vraag of de cliënt beperkingen heeft in het vermogen om een adequaat oordeel te vormen over dagelijks voorkomende situaties op het gebied van sociale redzaamheid, probleemgedrag, psychisch functioneren of geheugen en oriëntatie.

Tot organisatie van het huishouden wordt gerekend het (samen met de cliënt) kunnen bepalen welke huishoudelijke werkzaamheden wanneer worden gedaan (regievoering over het huishouden) waaronder in incidentele gevallen het verzorgen van brood- en/of warme maaltijden.

Meer of minder inzet

Meer of minder inzet kan worden geïndiceerd wanneer het niet alleen gaat om het aansturen maar ook om het “samen opwerken” met betrekking tot huishoudelijke taken. Hierbij worden maximaal de normtijden voor een taak gehanteerd, zoals opgenomen in de beleidsregels die tot 1-1-2024 golden.

min/week

Resultaat advies, instructie, voorlichting (AIV) over het huishouden (ondersteuning bij regie/zorg)

1Instructie gericht op aanleren van huishoudelijke activiteiten waaronder het plannen (huishoudelijk werk, wasverzorging, boodschappen doen en koken).

2Instructie gericht op (beter) leren omgaan met en het gebruik van hulpmiddelen, indeling woning en verdeling van huishoudelijke taken over de week.

Inzet is tijdelijk in beginsel gemaximeerd: 1 x keer week voor 6 weken.

AIV onder 2 kan worden verlengd.

90min per keer

min/week

Resultaat kindzorg (tijdelijke ondersteuning bij regie/zorg)

Het gaat hierbij om een ouder die tijdelijk niet in staat is de ouderrol op zich te nemen en er geen sprake is van gebruikelijke hulp. Zie ook 8.3 van deze beleidsregels.

Verzorging van kinderen < 12 jaar. De ouder(s) blijft ALTIJD verantwoordelijk voor de kinderen. Kinderopvang tot 5 dagen per week is redelijk om te vragen.

De verantwoordelijke ouder(s) dient een oplossing te vinden voor opvang door de week en weekend. De indicatie overstijgt nooit 40 uur per week, indien noodzakelijk, maximaal 3 maanden.

Een kind van 3 maanden of ouder kan 5 dagen naar een kinderdagverblijf. Verder is de crèche, kinderdagverblijf, overblijven op school, voor- en naschoolse opvang een voorliggende oplossing.

Tot en met 7 jaar heeft een kind hulp nodig bij:

Normtijden o.b.v. de beleidsregels die tot 1-1-2024 golden

naar bed brengen

10min per keer

min/week

wassen en aankleden

20min per keer

min/week

eten en drinken geven

20min per maaltijd

min/week

luiers verschonen

10min per keer

min/week

naar school/crèche brengen/halen

15min per keer

min/week

Maatwerk (meer of minder inzet)

Meer of minder inzet kan worden geïndiceerd vanwege het aantal kinderen, de leeftijd van de kinderen, de gezondheidssituatie, het functioneren van kinderen/huisgenoten, aanwezigheid gedragsproblematiek, samenvallende activiteiten.

min/week

Taken schoonmaakondersteuning (categorie schoonmaakactiviteiten)

Woonruimten

Schoon en leefbaar huis

Woonkamer

Slaapkamer(s)

Keuken

Badkamer en toilet

Hal

Afnemen nat en droog

•Stof afnemen laag/midden/hoog incl. tastvlakken en luchtfilter

•Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten

•Zitmeubels afnemen (droog/nat)

•Radiatoren reinigen

•Stof afnemen laag/midden/hoog incl. tastvlakken en luchtfilter

•Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten

•Radiatoren reinigen

•Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten

•Radiatoren reinigen

•deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten

•Radiatoren reinigen

•Stof afnemen laag/midden/hoog incl. tastvlakken en luchtfilter

•Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten

•Radiatoren reinigen

Stofzuigen en dweilen

•Stofzuigen

•Dweilen

•Stofzuigen

•Dweilen

•Stofzuigen

•Dweilen

•Stofzuigen

•Dweilen

•Trap stofzuigen

Ramen en gordijnen

•Gordijnen wassen

•Lamellen/luxaflex reiniging

•Ramen binnenzijde wassen

•Gordijnen wassen

•Lamellen/luxaflex reiniging

•Ramen binnenzijde wassen

•Gordijnen wassen

•Lamellen/luxaflex reiniging

•Ramen binnenzijde wassen

•Gordijnen wassen

•Lamellen/luxaflex reiniging

•Ramen binnenzijde wassen

Bed verschonen

Bed verschonen

Matras draaien

Keuken schoonmaken

•Keukenblok en –apparatuur (buitenzijde)

•Afval opruimen

•Keukenkastjes (binnenzijde)

•Koelkast (binnenzijde)

•Oven/magnetron

•Vriezer los reinigen binnenzijde (ontdooid)

•Afzuigkap reinigen (binnenzijde)

•Bovenkant keukenkastjes

•Tegelwand (los van keukenblok)

Sanitair schoonmaken

•Badkamer schoonmaken (incl. stofzuigen en dweilen)

•Toilet schoonmaken

•Tegelwand badkamer afnemen

Opruimen

Opruimen

Opruimen

Frequenties benodigd voor een schoon en leefbaar huis (basisactiviteiten schoonmaakondersteuning)

Ruimte

Basisactiviteit

Frequenties

Woonkamer (en andere kamers)

Stof afnemen hoog incl. luchtfilters

1x per 2 weken

Stof afnemen midden

1x per week

Stof afnemen laag

1x per week

Opruimen

1x per week

Stofzuigen

1x per week

Dweilen

1x per week

Slaapkamers

Stof afnemen hoog incl. tastvlakken en luchtfilters

1x per 6 weken

Stof afnemen midden

1x per week

Stof afnemen laag

1x per week

Opruimen

1x per week

Stofzuigen

1x per week

Dweilen

1x per 2 weken

Bed verschonen of opmaken

1x per 2 weken

Keuken

Stofzuigen

1x per week

Dweilen

1x per week

Keukenblok(buitenzijde)inclusief tegelwand, kookplaat, spoelbak, koelkast, eventuele tafel

1x per week

Keukenapparatuur (buitenzijde)

1x per week

Afval opruimen

1x per week

Afwassen (* onderdeel van maaltijden)

1x per week

Sanitair

Badkamer schoonmaken (inclusief stofzuigen en dweilen)

1x per week

Toilet schoonmaken

1x per week

Hal

Stof afnemen hoog incl. tastvlakken en luchtfilters

1x per week

Stof afnemen midden

1x per week

Stof afnemen laag

1x per week

Stofzuigen

1x per week

Trap stofzuigen (binnenshuis)

1x per week

Dweilen

1x per week

Frequenties benodigd voor een schoon en leefbaar huis (incidentele activiteiten schoonmaakondersteuning)

Ruimte

Incidentele activiteit

Frequenties

Woonkamer (en andere kamers)

Gordijnen wassen

1x per jaar

Reinigen lamellen/luxaflex

2x per jaar

Ramen binnenzijde wassen

4x per jaar

Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten

2x per jaar

Zitmeubels afnemen (droog/nat)

1x per 8 weken

Radiatoren reinigen

2x per jaar

Slaapkamers

Gordijnen wassen

1x per jaar

Reinigen lamellen/luxaflex

2x per jaar

Ramen binnenzijde wassen

4x per jaar

Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten

2x per jaar

Radiatoren reinigen

2x per jaar

Matras draaien

2x per jaar

Keuken

Gordijnen wassen

2x per jaar

Reinigen lamellen/luxaflex

3x per jaar

Ramen binnenzijde wassen

4x per jaar

Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten

2x per jaar

Radiatoren reinigen

3x per jaar

Keukenkastjes (binnenzijde)

3x per jaar

Koelkast (binnenzijde)

3x per jaar

Oven/magnetron (grondig schoonmaken)

4x per jaar

Vriezer los reinigen binnenzijde (ontdooid)

1x per jaar

Afzuigkap reinigen (binnenzijde) - vaatwasserbestendig

2x per jaar

Afzuigkap reinigen (binnenzijde) - niet vaatwasserbestendig

2x per jaar

Bovenkant keukenkastjes

1x 6 weken

Tegelwand (los van keukenblok)

2x per jaar

Sanitair

Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten

2x per jaar

Radiatoren reinigen

2x per jaar

Tegelwand badkamer afnemen

4x per jaar

Gordijnen wassen

1x per jaar

Ramen binnenzijde wassen

4x per jaar

Reinigen lamellen/luxaflex

3x per jaar

Hal

Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten

2x per jaar

Radiatoren reinigen

2x per jaar

Activiteiten en frequenties benodigd voor de wasverzorging (schoonmaakondersteuning)

Activiteiten wasverzorging (één complete wasgang)

Frequentie eenpersoonshuishouden

Frequentie tweepersoonshuishouden

Wasgoed sorteren (eenmalig; voor meerdere wasgangen)

1x per week

1x per week

Behandelen van vlekken (indien noodzakelijk)

2x per week

2,5 x per week

Was in machine stoppen en aanzetten

2x per week

2,5 x per week

Wasmachine leeghalen

2x per week

2,5 x per week

Sorteren droger – waslijn

2x per week

2,5 x per week

Was in de droger stoppen

2x per week

2,5 x per week

Droger leeghalen

2x per week

2,5 x per week

Was ophangen (indien geen droger aanwezig of wordt gebruikt)

2x per week

2,5 x per week

Was afhalen (indien geen droger aanwezig of wordt gebruikt)

2x per week

2,5 x per week

Was opvouwen

2x per week

2,5 x per week

Was opbergen en opruimen

2x per week

2,5 x per week

Was strijken indien medisch noodzakelijk

1x per week

1x per week

Activiteiten en frequentie benodigd voor de boodschappen (schoonmaakondersteuning)

Onderdeel

Activiteit

Frequentie

Boodschappen

Het opstellen van boodschappenlijst

1x per week

Het doen van boodschappen

1x per week

Het opruimen van de boodschappen

1x per week

Taken ondersteuning bij regie/zorg

Activiteiten en frequentie benodigd voor de maaltijden

Onderdeel

Activiteit

Frequentie

Maaltijden

Broodmaaltijden: tafeldekken, eten en drinken klaarzetten (1 maaltijd op tafel, 1 maaltijd in de koelkast), afruimen, afwassen of vaatwasser inruimen/uitruimen

1x per dag*

Opwarmen maaltijd: maaltijd opwarmen, tafeldekken, eten en drinken klaarzetten, afruimen, afwassen of vaatwasser in/uitruimen

1x per dag*

* Of minder als de cliënt hierin een deel van de week zelf of met behulp van het netwerk kan voorzien.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.